Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2834

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
200.099.239-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling. Anders dan de eerste rechter oordeelde is terugvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.099.239/ 01

zaaknummer rechtbank : 472705 HA ZA 10- 3330

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2015

inzake

THE ROYAL BANK OF SCOTLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. A.C. Rozeman te Amsterdam

tegen:

MAESTRON B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.H. Fellinger te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna RBS en Maestron genoemd.

RBS is bij dagvaarding van 12 december 2011 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector civiel recht van 14 september 2011, gewezen tussen RBS als eiseres en Maestron als gedaagde.

Ingevolge een arrest van dit hof van 10 januari 2012 is op 8 mei 2012 een comparitie van partijen gehouden, waarna partijen de volgende stukken hebben ingediend:

- memorie van grieven, tevens akte houdende schorsing en hervatting ten name van The Royal Bank of Scotland Plc, The Netherlands Branch, gevestigd te Edinburgh als rechtsopvolgster onder algemene titel van RBS;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte van de zijde van RBS, houdende rectificatie schorsing en hervatting, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 15 november 2013 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij die gelegenheid heeft het hof verstaan dat de akte waarbij The Royal Bank of Scotland Plc, The Netherlands Branch (hierna: The Royal Bank of Scotland) op de voet van art. 225 en 227 Rv aan Maestron heeft meegedeeld dat zij de procedure voor het hof ‘als rechtsopvolger onder algemene titel´ van RBS wenste te hervatten, ongeldig is en zonder gevolg, aangezien The Royal Bank of Scotland, naar inmiddels is komen vast te staan, niet beschouwd kan worden als rechtsopvolger ten aanzien van de in geding zijnde vordering van RBS op Maestron en de door The Royal Bank of Scotland verrichte schorsing mitsdien niet gedaan is door de belanghebbende bij de vordering. Vervolgens heeft het hof verstaan dat RBS tijdig in hoger beroep is gekomen en op de juiste, bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven wijze Maestron als geïntimeerde in het hoger beroep heeft betrokken, waarmee het geding tussen RBS en Maestron in hoger beroep aanhangig is geworden. Voorts heeft het hof bij mondeling meegedeelde rolbeschikking aan RBS toegestaan, alsnog van grieven te dienen, hetgeen RBS ter zitting heeft gedaan door een aan de eerder in het geding gebrachte memorie van grieven gelijkluidende memorie grieven te nemen. Tevens heeft het hof bij die gelegenheid met instemming van Maestron verstaan dat de reeds eerder door haar in het geding gebrachte Memorie van Antwoord wordt geacht te zijn genomen in het aanhangige geding tegen RBS. Tenslotte heeft het hof aan Maestron akte verleend van het in het geding brengen van een productie.

Na de gehouden pleidooien hebben partijen arrest gevraagd.

RBS heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij arrest uitvoerbaar bij voorraad de vorderingen van RBS alsnog zal toewijzen en mitsdien Maestron zal veroordelen tot betaling aan RBS van € 85.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2010 tot aan de dag van algehele voldoening met veroordeling van Maestron in de kosten van het geding in beide instanties.

Maestron heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van RBS in de kosten van het hoger beroep.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.14 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang komen de feiten neer op het volgende.

Maestron heeft in 2009 IT/goederen verkocht en geleverd aan Racing Sport Iberica Cars SL in Spanje (hierna: Racing Sport) en daarvoor op 8 juli 2009 een factuur gestuurd voor een bedrag van € 179.758,94 met nummer 20090269.

Op 21 juli 2009 heeft RBS een bedrag van € 85.000,= betaald op de rekening van Maestron bij ABN Amro. De omschrijving van deze betaling op het rekeningafschrift van Maestron was: “ [… ] ”, en: “Onze ref. [… ] ”, alsmede “Gedeelde kosten opdr./begunst.”.

Racing Sport heeft per 23 juli 2009 haar btw nummer verloren (productie 3 HB).

Op 3 augustus 2009 heeft RBS nogmaals een bedrag van € 85.000,= betaald op de rekening van Maestron bij ABN Amro. De omschrijving van deze betaling was identiek, maar verder stond vermeld: “Onze ref.: [..] ”, alsmede “Alle kosten t.l.v. opdrachtgever”.

Korte tijd na 3 augustus 2009 heeft ABN Amro aan Maestron gemeld dat dit bedrag van € 85.000,= teveel aan haar was betaald. Maestron heeft aan ABN Amro bericht dat dit volgens haar boekhouding niet het geval was en dat zij ook van Racing Sport niet had vernomen dat zij teveel aan Maestron zou hebben betaald.

Op 11 en op 22 januari 2010 heeft ABN Amro (“Investigations Unit”) Maestron per e-mail bericht dat de betaling van 3 augustus 2009 een dubbele betaling was en zij heeft daarbij verzocht om machtiging tot terugboeking. Bij brief van 27 januari 2010 heeft RBS voor het eerst contact opgenomen met Maestron over de kwestie en nader bericht als gevolg van een interne fout bij RBS een dubbele betaling te hebben verricht. Daarbij heeft RBS verzocht om machtiging tot terugboeking. Deze brief werd op 8 maart 2010 gevolgd door een sommatie van (de advocaat van) RBS. Daarop heeft Maestron per e-mail van 10 maart 2010 gereageerd met de mededeling dat van een dubbele betaling door de debiteur Racing Sport geen sprake was.

Bank Inter heeft bij e-mail van 11 juni 2010 aan RBS bericht dat zij slechts één betalingsopdracht had van haar rekeninghouder Racing Sport voor betaling van een bedrag van € 85.000,= aan Maestron, doch bij verklaring van 15 oktober 2010 bevestigde Racing Sport aan Maestron in juli en augustus 2009 twee betalingsop-drachten voor € 85.000,= aan Bank Inter te hebben gegeven in verband met de door Maestron aan haar in juli 2009 toegezonden factuur met een nummer dat eindigt op “269”.

RBS heeft in eerste aanleg uit hoofde van onverschuldigde betaling de veroordeling gevorderd van Maestron tot betaling aan haar van een bedrag van € 85.000,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2010, alsmede haar veroordeling in de proceskosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat RBS de tweede betaling van € 85.000 aan Maestron onverschuldigd heeft gedaan, maar (met een verwijzing naar HR 29 juni 1991, LJN ZC0305, NJ 1992,787 en HR 6 februari 2004, LJN: AO1284), dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een veroordeling tot terugbetaling onaanvaardbaar is. Tegen dat oordeel komt RBS op onder aanvoering van één grief.

3 Beoordeling

3.1

De grief strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat veroordeling van Maestron tot terugbetaling van de tweede betaling van € 85.000,= naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, ten eerste omdat Maestron er niet redelijkerwijs vanuit mocht gaan (en blijkens de administratieve gang van zaken er ook niet vanuit is gegaan) dat de tweede betaling een deelbetaling van haar factuur met nummer 20090269 betrof, ten tweede omdat Maestron geenszins onredelijk wordt benadeeld door de terugbetaling van hetgeen haar rechtens niet toekomt, en tenslotte dat RBS allerminst gedraald heeft, maar met de nodige voortvarendheid is opgetreden.

3.2

Ter onderbouwing van haar eerste stelling heeft RBS aangevoerd dat Maestron de tweede betaling van € 85.000,=, aanvankelijk niet had geboekt op factuurnummer 20.090.269, maar op factuur 20.090.264 en dat de naderhand aangebrachte wijziging van die boeking (de aldus genaamde “opboeking”) werd ingegeven door het verlangen om een bestemming te creëren voor te veel ontvangen betalingen. Met deze opboeking werd naar de mening van RBS slechts verhuld dat sprake was van een ontvangen bedrag waarop Maestron geen recht had, waarvoor geen kopie verkoopfactuur met een corresponderend bedrag aanwezig is, noch enig ander stuk ter onderbouwing dat voor dit bedrag goederen zijn ingekocht en geleverd. Bovendien is Racing Sport een autohandelaar en is het onwaarschijnlijk dat zij zoveel IT-producten afneemt, aldus RBS ter gelegenheid van de pleidooien.

3.3

Daartegenover wijst Maestron erop, dat het verband tussen uitgezonden facturen en ontvangen deelbetalingen niet altijd even duidelijk is, zodat een eerste toewijzing van een betaling aan een bepaalde factuur soms naderhand moet worden gecorrigeerd. Deze correctie op de debiteurenkaart van Racing Sport, die een totaal bedrag van € 120.239,69 uitmaakte, diende tot het herstel van de reeds gemaakte boekingen waarbij de betalingen aanvankelijk waren aangemerkt als betalingen van openstaande factuur 20.090.264, waarna een zuiverder toerekening werd gerealiseerd.

3.4

Voorts stelt RBS zich op het standpunt, dat de bankier van Maestron, ABN Amro na de betaling van 3 augustus 2009 met gepaste voortvarendheid contact heeft opgenomen met Maestron en om terugbetaling heeft verzocht, hetgeen Maestron heeft geweigerd, waarna de Investigation Unit van ABN Amro op 11 januari 2010 andermaal contact heeft gezocht met Maestron. Maestron is daarentegen van mening dat RBS op grond van het vertrouwensbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:35 BW en de redelijkheid en billijkheid neergelegd in artikel 6:248 BW geen aanspraak op terugbetaling kan maken, respectievelijk (subsidiair) door eerst bij brief van 27 januari 2010 contact op te nemen het recht daartoe heeft verwerkt.

3.5

Het hof neemt als niet (behoorlijk) betwist tot uitgangspunt dat de tweede betaling van € 85.000,- zonder rechtsgrond - dus onverschuldigd - is betaald. Derhalve dient deze kwalificatie ook het hof tot uitgangspunt. Zo is niet (voldoende) betwist dat aan de tweede betaling door RBS geen opdracht van Inter Bank, de intermediair, aan RBS ten grondslag heeft gelegen.

3.6

Daarmee staat op grond van het bepaalde in artikel 6:203 BW vast dat RBS als degene die zonder rechtsgrond een geldsom aan Maestron heeft betaald, gerechtigd is, deze geldsom van Maestron als de ontvanger ervan als onverschuldigd betaald terug te vorderen, tenzij dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.7

Hetgeen Maestron daartoe aanvoert is echter onvoldoende om die conclusie te dragen. Wat er precies ook zij van de opvolgende wijzigingen van de toerekening van zekere betalingen aan onderscheiden facturen, in ieder geval volgt uit het enkele feit van de door Maestron zogenoemde “opboekingen” op de debiteurenkaart, waaronder die van € 120.239,64, dat bij Maestron zelf kennelijk wisselende inzichten bestonden omtrent de toerekening van de tweede betaling. Bovendien gaat in het licht van de door ABN Amro op instigatie van RBS betrachte spoed bij de waarschuwing dat het bij de betaling van 3 augustus 2009 ging om een onverschuldigde betaling, het beroep op genoemde opboeking van € 120.239,64 niet op. De tussen betaling en sommatie verstreken tijd is ook niet zo lang dat Maestron daaraan een vertrouwen kan hebben ontleend dat RBS haar vordering niet geldend zou maken, terwijl gesteld noch gebleken is dat RBS zich op andere wijze jegens Maestron heeft gedragen op een wijze dat Maestron daaraan het vertrouwen kan hebben ontleend dat RBS geen aanspraak zou maken op terugbetaling. De grief slaagt.

3.8

Maestron heeft in eerste aanleg geen andere verweren tegen de vordering van RBS opgeworpen die nog zouden moeten worden beantwoord. Daarmee ligt de vordering van RBS voor toewijzing gereed. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Maestron zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Maestron tot betaling aan RBS van € 85.000,= te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2010 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Maestron in de kosten van het geding in beide instanties tot op heden aan de zijde van RBS begroot op € 1.957,93 aan verschotten en € 2.235,- voor salaris in eerste aanleg en op € 1.848,31 aan verschotten en € 6.524,- voor salaris in hoger beroep;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, D.J.Oranje en E.J.H. Schrage en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.