Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2806

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
200.157.346-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:4289, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomensverlies opvangen, vermogen, nieuwe richtlijnen, verdiencapaciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 7 juli 2015

Zaaknummer: 200.157.346/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/554097 / FA RK 13-8693 (PG KO)

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.F.M. Kappé te Amstelveen,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P. van Dolderen te Arnhem.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 8 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 juli 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/554097 / FA RK 13-8693 (PG KO).

1.3.

De vrouw heeft op 2 december 2014 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De man heeft op 18 februari 2015 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de vrouw ingediend en de gronden van zijn hoger beroep aangevuld.

1.5.

De man heeft op 5 maart 2015 nadere stukken ingediend.

1.6.

De vrouw heeft op 5 en 6 maart 2015 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 16 maart 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben tot medio 2008 een relatie gehad. Uit hun relatie zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 2005 en […] (hierna: [kind b]) [in] 2008 (hierna tezamen: de kinderen). De man heeft de kinderen erkend. De vrouw oefent het gezag uit over de kinderen en de kinderen verblijven bij de vrouw.

2.2.

Bij beschikking van 5 januari 2011 van de rechtbank Amsterdam (hierna ook; de rechtbank) is een door de man met ingang van 18 mei 2010 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging van de kinderen bepaald van € 200,- per kind per maand.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1971. Hij is alleenstaand.

De man was tot 1 januari 2013 voor 50% mede-eigenaar van de vennootschap onder firma […] (hierna: de v.o.f.). Het resultaat van de v.o.f. bedroeg in de jaren 2007 tot en met 2009 respectievelijk € 24.795,-, € 15.450,- negatief en € 8.045,-. Op 1 januari 2013 is de v.o.f. opgeheven.

Met ingang van 1 augustus 2014 is hij werkzaam in loondienst bij [B.V.] Blijkens de jaaropgave over 2013 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 6.736,-. Blijkens de jaaropgave over 2014 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 15.474,-.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1974. Zij vormt met de kinderen van partijen een eenoudergezin.

Zij is werkzaam in loondienst bij [bank]. Blijkens de jaaropgave over 2014 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 30.690,-.

Ten tijde van hun samenleving ontvingen partijen geen kindgebonden budget. De vrouw ontving in 2014 een kindgebonden budget van € 98,- per maand. Zij ontvangt thans een kindgebonden budget van € 344,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man tot wijziging van de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (te weten nihil stelling per 1 januari 2013, althans 24 juli 2013), afgewezen.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de door de man te betalen kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2013 op nihil wordt gesteld en met ingang van 1 april 2013 € 25,- per kind per maand bedraagt.

3.3.

De vrouw verzoekt in principaal en incidenteel hoger beroep de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door de man verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Het hof is anders dan de vrouw van oordeel dat de man ontvankelijk is zijn principaal hoger beroep nu het appelschrift de gronden bevat waarop het beroep berust en voldoende duidelijk is op welke gronden de man meent dat de bestreden beschikking onjuist is. De grief van de man in principaal hoger beroep en de grief van de vrouw in incidenteel hoger beroep lenen zich, gelet op hun onderlinge samenhang, voor een gezamenlijke bespreking.

4.2.

Aan de orde is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man en de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2015. De bij beschikking van de rechtbank van 5 januari 2011 vastgestelde behoefte van de kinderen van € 884,25 per maand is niet in geschil. Na indexering bedraagt de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2014 in totaal € 919,- per maand.

4.3.

De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zijn verdiencapaciteit ten volle had moeten benutten en dat de rechtbank aan zijn zijde ten onrechte is uitgegaan van een fictief inkomen van € 1.600,- netto per maand, zoals ook bepaald in de beschikking van de rechtbank van 5 januari 2011, waardoor hij in staat zou zijn om een kinderbijdrage van € 200,- per kind per maand te voldoen. De man voert daartoe onder meer het volgende aan. De man werkt ruim twintig jaar voor de interieurzaak. Na beëindiging van de v.o.f. is hij in loondienst getreden bij de B.V., waar hij aanvankelijk vanwege de slechte economische situatie slechts twee dagen in de week kon werken. Hij heeft getracht om voor de andere dagen ander werk te krijgen maar is daarin niet geslaagd. Hij werkt inmiddels weer fulltime voor de interieurzaak en beschikt over een eigen woning. Uit de IB-aangifte blijkt dat een deel van zijn vermogen uit een schenking van zijn ouders bestaat. In 2006 is bij notariële akte een bedrag van € 21.700,- aan hem geschonken, doch dit bedrag is eerst opeisbaar bij overlijden van de langstlevende ouder. Daarnaast staan in zijn IB-aangifte ook schulden vermeld. Hij meende er goed aan te doen om (een deel van) zijn vermogen te gaan beleggen, maar vrijwel het gehele belegde vermogen is verdampt, aldus de man.

4.4.

De vrouw betwist de stellingen van de man en voert aan dat de man geen nieuwe omstandigheden aanvoert en dat hij in staat moet worden geacht om zijn oorspronkelijke inkomen te verdienen. De vrouw stelt dat de man geen noodzaak had tot beëindiging van de v.o.f. en het opgeven van zijn aandeel in de winst en dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. De vrouw is van mening dat van de man verwacht mocht worden dat hij zijn vermogen zou aanwenden ter voldoening van zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen. Volgens de vrouw is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van een vermogen van de man van € 79.007,-. De vrouw stelt dat de man een bedrag van € 77.597,- uit hoofde van de verdeling van de overwaarde van de woning heeft ontvangen, dat hij de volledige eigenwoningpolis van € 26.627,- toebedeeld heeft gekregen en dat hij een vordering heeft op zijn ouders van € 26.256,-. Het vermogen van de man bedraagt dan ook € 130.109,-, aldus de vrouw. De man dient volgens de vrouw te onderbouwen wat er met het vermogen is gebeurd. De vrouw stelt dat de man sinds augustus 2013 geen kinderbijdrage heeft betaald, dat het LBIO tot op heden geen gelden bij de man heeft kunnen innen en dat de achterstand tot en met november 2014 € 6.633,98 bedraagt.

4.5.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Bij beschikking van 5 januari 2011 is de rechtbank bij de vaststelling van een door de man te betalen kinderbijdrage op grond van de door hem gedane opnames uit de v.o.f. uitgegaan van een netto inkomen van € 1.600,- per maand. De v.o.f. is per 1 januari 2013 opgeheven waarna de man voor twee dagen in de week in dienst is getreden van de besloten vennootschap [B.V.] Aanvankelijk verdiende de man € 520,- netto per maand en woonde hij bij zijn ouders. Met ingang van 1 augustus 2014 beschikt de man over een eigen huurwoning en is hij fulltime gaan werken op basis waarvan hij sindsdien een netto loon ontvangt van € 1.280,- per maand, exclusief vakantiegeld.

Uit de brief van Allianz van 7 februari 2013 blijkt dat in het kader van de afkoop van een verzekering in februari 2013 een bedrag van € 26.672,- aan de man is overgemaakt. Uit de IB-aangifte 2013 van de man blijkt dat hij op 1 januari 2013 beschikte over een vermogen dat bestond uit een bedrag van € 79.007,- ter zake van de overwaarde van de woning waarin partijen gedurende hun relatie hebben samengewoond, de afkoop van de verzekering van € 13.003,- en dat hij een vordering heeft op zijn ouders ter zake van een schenking van € 26.256,-. Voorts blijkt uit de IB-aangifte dat het bedrag van zowel de overwaarde als de afkoop van de verzekering op 31 december 2013 nihil is. De man heeft ter zitting in dit verband desgevraagd verklaard dat hij het bedrag van de overwaarde voor een deel heeft belegd en voor een deel heeft aangewend om zijn salaris aan te vullen. De man heeft voorts als volgt verklaard. De beleggingen die de man heeft gedaan zijn mislukt en hij heeft in vier maanden tijd € 45.000,- verloren. Hij heeft het bedrag van € 26.672,- in verband met de afkoop van de verzekering op een spaarrekening gezet. De man heeft zijn vermogen aangewend om zijn schulden af te lossen en zijn vermogen bedraagt thans nog tussen de € 20.000,- en € 15.000,-. De man heeft in verband met zijn vermogen geen recht op een uitkering.

Onder voornoemde omstandigheden gaat het hof ervan uit dat de man in de periode vanaf 1 januari 2013 tot 1 januari 2015 zijn inkomensterugval in loon met zijn vermogen had kunnen opvangen en zijn inkomen had kunnen aanvullen tot zijn oorspronkelijke inkomen van € 1.600,- netto per maand, om zo te voldoen aan zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de man met ingang van 1 januari 2013 tot 1 januari 2015 in staat moet worden geacht om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 200,- per kind per maand te voldoen. De bestreden beschikking zal dan ook in zoverre worden bekrachtigd. Gelet op de fiscale wijzigingen met ingang van 1 januari 2015 zal de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van die datum opnieuw worden beoordeeld.

4.6.

Op 1 januari 2015 is de Wet hervorming kindregelingen in werking getreden. De alleenstaande-oudertoeslag in de bijstand, de alleenstaande-ouderkorting in de Wet Inkomstenbelasting en het fiscaal voordeel bij het betalen van kinderalimentatie zijn daarbij komen te vervallen. Inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders vindt vanaf 1 januari 2015 plaats op dezelfde, uniforme wijze door middel van een alleenstaande-ouderkop van maximaal € 3.050,- per jaar, te ontvangen in het kindgebonden budget. Daarnaast is het kindgebonden budget voor het eerste en tweede kind verhoogd. De expertgroep Alimentatienormen beveelt aan om het kindgebonden, budget, inclusief de alleenstaande ouderkop, in mindering te doen strekken op de kosten van het kind.

4.7.

De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep, met verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2015 (ECLI: NL: RBDHA:2015:1129), kort gezegd betoogd dat de alleenstaande ouderkop niet in mindering moet worden gebracht op de behoefte van de kinderen. Het hof ziet in hetgeen de vrouw hieromtrent heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om af te wijken van de thans geldende aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen. Na indexering bedraagt de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2015 € 927,- per maand. Na aftrek van het door de vrouw met ingang van 1 januari 2015 te ontvangen kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop, van € 344,- per maand, resteert een behoefte van de kinderen van in totaal € 583,- per maand.

4.8.

Het hof zal de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 januari 2015 aan de hand van de nieuwe richtlijnen kinderalimentatie beoordelen. Hierbij wordt zijn netto besteedbaar inkomen in aanmerking genomen. Uitgangspunt is dat het bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige niet alleen aankomt op het inkomen dat hij heeft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden redelijkerwijs in de naaste toekomst te verwerven. Zoals hiervoor overwogen had de man in 2013 een netto inkomen van € 520,- per maand en heeft hij met ingang van 2014 een netto inkomen van € 1.280,- per maand. Op grond van de inkomensstijging van de man in relatief korte tijd is het hof van oordeel dat het inkomensverlies dat de man heeft geleden sinds de v.o.f. is opgeheven voor herstel vatbaar is gebleken. Het hof kent de man dan ook met ingang van 1 januari 2015 opnieuw een verdiencapaciteit, en daarmee een netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI), toe van € 1.600,- netto per maand. De draagkracht van de man zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 875,-)], nu zijn NBI hoger is dan € 1.500,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man op het NBI 30% in mindering zal worden gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 875,- aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Op grond van het voorgaande wordt de draagkracht van de man vastgesteld op € 172,- per maand. De draagkracht van de vrouw wordt aan de hand van dezelfde maatstaven vastgesteld op € 322,- per maand bij een NBI van € 1.909,- per maand.

De kosten van de zorgregeling worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Ter zitting is gebleken dat er thans een keer in de twee weken van zaterdagmiddag tot zondagmiddag omgang plaatsvindt tussen de man en de kinderen. Nu sprake is van een zorgregeling van gemiddeld één dag per week, zal het hof een percentage van 15 in aanmerking nemen. Het ziet in hetgeen de vrouw in dit verband ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht onvoldoende aanleiding om af te wijken van de aanbevelingen van de Expertgroep op dit punt. Gelet op het voorgaande bedraagt de zorgkorting € 87,45 per maand. Nu de onderhoudsplichtigen gezamenlijk onvoldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien, zal het hof de zorgkorting niet volledig in mindering brengen op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen. Het tekort wordt gelijkelijk verdeeld tussen de onderhoudsplichtigen en het aan de man toegerekende deel van dat tekort van € 44,50 wordt in mindering gebracht op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting wordt in mindering gebracht op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen. De door de man met ingang van 1 januari 2015 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bedraagt dan ook in totaal € 129,- per maand.

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de periode met ingang van 1 januari 2015 betreft, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 5 januari 2011 van de rechtbank Amsterdam, een door de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2015 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 129,- (HONDERD EN NEGENTWINTIG EURO) per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, C.E. Buitendijk en J. Kok in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.