Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2800

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
200.145.376-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Adoptie, tegenspraak van vader, vraag of aan tegenspraak voorbij wordt gegaan, belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0242

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 7 juli 2015

Zaaknummer: 200.145.376/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/532245 FA RK 12-10212 (AW/LB/MN MD)

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. J.A. Comley te Zeist,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. L. Stam te Vught.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna [x] en de vader genoemd.

1.2.

[x] is op 15 april 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 januari 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/532245 FA RK 12-10212 (AW/LB/MN MD).

1.3.

De vader heeft op 22 mei 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

[x] heeft op 2 juni 2014 en 17 oktober 2014 nadere stukken ingediend.

1.5.

Mevrouw […] (hierna: de moeder) heeft op 28 mei 2014 en 16 oktober 2014 stukken ingediend.

1.6.

De vader heeft op 21 oktober 2014 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 5 november 2014 ter terechtzitting behandeld, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Ter zitting heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden om de vader in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op de brief van de moeder van 16 oktober 2014, alsmede op de daaraan gehechte medische rapporten van 26 april 2012, 21 mei 2014 en 28 mei 2014.

1.8.

De vader heeft op 26 januari 2015 nadere stukken ingediend.

1.9.

[x] heeft op 11 maart 2015 nadere stukken ingediend.

1.10.

De moeder heeft op 10 maart 2015 nadere stukken ingediend.

1.11.

De behandeling van de zaak is ter zitting van 25 maart 2015 voortgezet. Verschenen zijn toen:

- [x], bijgestaan door zijn advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder.

1.12.

[zoon] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Uit deze relatie is geboren […] (hierna: [zoon]) [in] 1994. De vader heeft [zoon] op 8 januari 1996 erkend. De moeder oefent het gezag uit over [zoon]. De moeder heeft sinds 2007 een relatie met [x]. [zoon] verblijft bij de moeder.

2.2.

Bij besluit van 25 januari 2012 is het verzoek van de moeder, om de geslachtsnaam van [zoon] te wijzigen van [achternaam vader] in [achternaam moeder], toegewezen. Bij besluit van 30 mei 2012 is het bezwaar van de vader in dit verband ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 mei 2013 van de rechtbank Oost-Brabant is het beroep van de vader daartegen eveneens ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 24 december 2013 bevestigd.

2.3.

Bij beschikking van 16 oktober 2013 van de rechtbank Amsterdam is, voor zover thans van belang, bepaald dat [x] binnen een week het rapport van 26 april 2013, opgemaakt door drs. E. Ederveen, psycholoog NIP en drs. J.H.M.C. van der Meulen, psychotherapeut en GZ-psycholoog aan de rechtbank en aan de vader dient te zenden.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van [x] tot adoptie van [zoon] afgewezen.

3.2.

[x] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

3.3.

De vader verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Op grond van artikel 1:227 Burgerlijk Wetboek (BW) geschiedt adoptie door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen. Het verzoek door de adoptant die echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder is, kan slechts worden gedaan, indien hij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd. Het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:228 BW wordt voldaan.

Op grond van artikel 1:228 BW lid 1 BW is voorwaarde voor adoptie, voor zover van belang in deze procedure:

a. a) dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind (…) niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken.(…)

d) dat geen van beide ouders het verzoek tegenspreekt.

4.2.

[x] stelt zich op het standpunt dat aan de voorwaarden voor zijn adoptie van [zoon] is voldaan. Hij voert daartoe onder meer het volgende aan. [x] heeft sinds 2007 een affectieve relatie met de moeder en woont sinds 2008 met haar en [zoon] in gezinsverband samen. De moeder stemt in met het verzoek tot adoptie. Hij stelt dat hij in die jaren een vader-zoon band heeft opgebouwd met [zoon] en dat zij beiden de sterke wens hebben dat deze band thans geformaliseerd wordt. [x] meent dat adoptie tevens in het kennelijk belang van [zoon] is, vanwege de zeer ernstige vorm van autisme waarmee hij is gediagnosticeerd. [zoon] is vierentwintig uur per dag volledig afhankelijk van zijn verzorgers en leidt een zeer gestructureerd en afgeschermd leven. Hij heeft een sterke behoefte aan rust, regelmaat en stabiliteit. Indien zijn routine wordt verstoord, krijgt hij onhanteerbare gedragsproblemen. Met de komst van [x] heeft [zoon] een vaderfiguur gekregen en accepteert hij voor het eerst een andere verzorger naast zijn moeder. Hij heeft zich substantieel beter ontwikkeld sinds de moeder met [x] een relatie is aangegaan. [zoon] is gehecht aan [x] en vormt met hem, zijn moeder en de dochters van [x] een hecht, stabiel en liefdevol gezin. Daarnaast achten [x] en de moeder het van groot belang dat, mocht de moeder iets overkomen, de opvoeding en verzorging van [zoon] door [x] door middel van de adoptie gewaarborgd kan blijven. Dat geeft [zoon] de duidelijkheid en structuur die hij nodig heeft om te kunnen functioneren, aldus [x].

[x] stelt verder dat [zoon] in de toekomst niets meer van de vader in zijn hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. De vader en [zoon] hebben nooit in gezinsverband samengeleefd. Ook de moeder en de vader hebben nooit samengeleefd en hun relatie is volgens [x] beëindigd toen de moeder in verwachting bleek van [zoon]. De moeder oefende alleen het ouderlijk gezag uit en [zoon] heeft zijn hele jeugd bij de moeder gewoond. Gedurende het overgrote deel van het leven van [zoon] heeft geen omgang tussen hem en de vader plaatsgevonden en de vader toonde geen enkele belangstelling voor [zoon]. De vader kwam wel eens op bezoek toen [zoon] jong was, maar verdween vaak maanden uit beeld, totdat hij uiteindelijk helemaal niet meer langskwam en niets meer van zich liet horen. Uit incidenten die in het verleden hebben plaatsgevonden, blijkt bovendien dat de vader geen enkel inzicht heeft in de behoeften van [zoon]. Er bestaat volgens [x] geen band tussen de vader en [zoon]. Ook de afgelopen jaren heeft hij niets ondernomen om contact met [zoon] te leggen. Daarentegen hebben [x], de moeder en [zoon] voorafgaand aan de indiening van het inleidende verzoek ten minste drie aaneengesloten jaren samengeleefd. In dat kader verblijven zij afwisselend in [a] en [b], nu het, gelet op de stoornis van [zoon], te ingrijpend voor hem

zal zijn om de leefomgeving in [b] volledig op te geven, maar [x] gebonden is aan zijn praktijk in [a]. Aan de voorwaarden van artikel 1:227 BW en 1:228 BW is derhalve voldaan, aldus [x].

[x] stelt ten slotte dat [zoon], anders dan de vader meent, zijn wil omtrent de adoptie wel degelijk kan bepalen. In de procedure inzake de wijziging van de geslachtsnaam van [zoon] hebben zowel de rechtbank als de Raad van State overwogen dat de in het geding gebrachte rapportage van 26 april 2012 van de psychologen Ederveen en Van der Meulen geen aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat [zoon] door zijn autisme zijn wil niet kan bepalen. Blijkens de ingediende stukken achten de reeds door [x] geraadpleegde deskundigen [zoon] eveneens in staat zijn mening kenbaar te maken en wordt adoptie in zijn belang geacht. [x] staat open voor een eventueel door het hof te gelasten nader onderzoek hieromtrent, alsmede ten aanzien van het standpunt van [zoon] omtrent de adoptie, mits dit door een deskundige op het gebied van autisme wordt uitgevoerd, aldus [x].

4.3.

De vader betwist de stellingen van [x]. Hij stelt onder meer dat [zoon] nog wel degelijk iets van hem te verwachten heeft in zijn hoedanigheid als ouder. Hij wil een rol spelen in zijn leven en, vanuit de ervaring die hij en zijn partner hebben met het werken met kinderen met autisme, een bijdrage leveren aan het veraangenamen van [zoon's] leven. Hij wordt daarin echter gedwarsboomd door [x] en de moeder, die ieder contact tussen hem en [zoon] blokkeren. De vader betwist verder dat de moeder en [x] samenwonen, aangezien zij ieder een eigen huis hebben. Van een gemeenschappelijke huishouding en een gezamenlijke verzorging en opvoeding van [zoon] door de moeder en [x] is dan ook geen sprake. Tevens is onduidelijk wat het standpunt van [zoon] is ten opzichte van het verzoek tot adoptie. Uit de door [x] overlegde onderzoeksrapporten aangaande [zoon], welke overigens niet voldoen aan de eisen die de wet aan een deskundigenbericht stelt, blijkt volgens de vader niet dat [zoon] de wens heeft geadopteerd te worden door [x]. De vader is derhalve van mening dat niet wordt voldaan aan de gronden opgenomen in artikel 1:227 BW, zodat het hof niet toekomt aan de beoordeling van de voorwaarden die worden vermeld in artikel 1:228 BW. Bovendien is ook aan die voorwaarden niet voldaan. Hij stelt in dat verband onder meer dat hij en de moeder nog een LAT-relatie hadden toen [zoon] geboren werd en dat zij hem in dat kader meerdere jaren samen hebben verzorgd en opgevoed. Daarnaast betwijfelt de vader of [zoon] in staat is zijn wil omtrent het adoptieverzoek te bepalen. Indien het hof hier anders over oordeelt, verzoekt de vader het hof [zoon] te horen, dan wel een onafhankelijk deskundigenonderzoek te gelasten.

4.4.

Het hof overweegt als volgt. [zoon] is [in] 2012 meerderjarig geworden. Nu blijkens de beschikking van de rechtbank van 16 oktober 2013 het inleidend verzoek ter griffie is ingekomen op 10 december 2012, is voldaan aan het vereiste van artikel 1:228 lid 1, aanhef en onder a. BW dat [zoon] op de dag van het eerste verzoek minderjarig was.

De vader spreekt het verzoek van [x] tegen in de zin van artikel 1:228 lid 1 onder d BW.

[x] voert allereerst aan dat de vader hiermee misbruik van zijn bevoegdheid tot tegenspraak maakt, zodat om die reden reeds aan die tegenspraak voorbij zou moeten worden gegaan (vgl. HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1487). Zoals het hof evenwel hierna nog nader zal overwegen, is de vader in het verleden, zij het beperkt, bij [zoon]

betrokken geweest. Daar komt bij dat adoptie verstrekkende gevolgen heeft voor de familierechtelijke betrekkingen tussen de vader en [zoon]. Anders dan [x] is het hof dan ook van oordeel dat de vader een rechtens te respecteren belang heeft bij de uitoefening van zijn bevoegdheid het verzoek tot adoptie tegen te spreken. De stelling dat de vader daarmee slechts de bedoeling heeft de moeder en [zoon] te schaden, heeft [x], in het licht van de betwisting daarvan door de vader, onvoldoende onderbouwd. Aan de tegenspraak van de vader kan niet op deze grond voorbij worden gegaan.

Op grond van artikel 1:228 lid 2, aanhef en onder a BW kan voorts aan de tegenspraak van de vader voorbij worden gegaan indien komt vast te staan dat de vader en [zoon] niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd. Uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep leidt het hof af dat van dit laatste sprake is, aangezien de vader ter zitting desgevraagd heeft verklaard nooit te hebben samengewoond met [zoon] en de moeder. Aan de orde is dus of het hof aan zijn tegenspraak voorbij gaat, zoals [x] bepleit.

Blijkens de wetsgeschiedenis is bij de toepassing van artikel 1:228 lid 2 BW uitgangspunt dat slechts in een beperkt aantal gevallen aan de tegenspraak van een ouder voorbij kan worden gegaan. De wetgever heeft de rechter enige beoordelingsruimte willen geven door de mogelijkheid te bieden van een afweging van het belang van de instandhouding van de band van het kind met zijn oorspronkelijke ouder(s) en het belang van de juridische bevestiging van de band tussen het kind en adoptant. Het dient dan gevallen te betreffen waarin een band tussen ouder en kind ontbreekt.

Het hof overweegt hierover als volgt. [x] is al jarenlang, in tegenstelling tot de vader, een vaderfiguur voor [zoon]. Het is zonder meer begrijpelijk dat hij die positie wil formaliseren. Volgens [x] en de moeder is dit ook de uitdrukkelijke wens van [zoon]. De vader betwist dit en betwist voorts dat [zoon] in staat is hierover zijn wil op te maken. Het hof zal in het navolgende evenwel veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat het verzoek van [x] de instemming van [zoon] heeft en dat [zoon] in staat is zijn wil omtrent die instemming te bepalen.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, is naar het oordeel van het hof onvoldoende weersproken dat de vader in de eerste jaren van het leven van [zoon] wel een rol van betekenis heeft gespeeld. Zo is in ieder geval komen vast te staan dat de vader in die periode op bezoek kwam bij [zoon] en de moeder, af en toe een kaartje stuurde en de vader met de moeder en [zoon] op reis is geweest naar Amerika toen [zoon] zeven jaar oud was, in verband met therapiemogelijkheden aldaar, wat er ook zij van de omstandigheden waaronder die reis plaatsvond. Voorts heeft de vader [zoon] ruim een jaar na zijn geboorte erkend. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat een band tussen de vader en [zoon] (volledig) ontbreekt. Daar komt nog bij dat hetgeen [x] en de moeder willen bereiken, namelijk continuïteit in de verzorging van [zoon], eveneens, in elk geval grotendeels, kan worden bereikt door andere juridische middelen dan adoptie, zoals bijvoorbeeld het doen instellen van een beschermingsbewind en/of een mentoraat over [zoon], die immers thans meerderjarig is. Het is naar het oordeel van het hof dan ook niet zo dat het belang van [zoon] op deze grond adoptie door [x] vergt.

Alles afwegend ziet het hof onvoldoende aanleiding de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 1:228 lid 2 onder a BW toe te passen. De gestelde omstandigheid dat die adoptie de uitdrukkelijke wens is van [zoon], maakt dit niet anders. Ter zitting is de vraag aan de orde gekomen of het hof een onderzoek zal instellen naar de vraag wat in dezen de wens van [zoon] is. Gelet op het voorgaande, zal het hof daartoe niet overgaan.

Het hof zal niet aan de tegenspraak van de vader voorbij gaan. De andere in artikel 1:228 lid 2 BW genoemde gronden om aan de tegenspraak van een ouder voorbij te gaan, doen zich niet voor. Dit leidt tot de conclusie dat aan de voorwaarde voor adoptie, zoals neergelegd in artikel 1:228 lid 1 onder d BW niet is voldaan, zodat reeds hierom de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

Bij deze stand van zaken kunnen de overige voorwaarden voor adoptie uit artikel 1:227 en 1:228 BW onbesproken blijven, waaronder de vraag of [zoon] nog iets van de vader in zijn hoedanigheid als ouder te verwachten heeft. Het hof overweegt hieromtrent echter ten overvloede het volgende. Hoewel op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting niet valt vast te stellen wat [zoon] van de vader te verwachten heeft, hetgeen ook mede wordt veroorzaakt door de houding van de moeder ten opzichte van betrokkenheid van de vader, is ter zitting gebleken dat de vader en zijn partner ervaring hebben met de begeleiding van kinderen met autisme. Derhalve valt niet uit te sluiten dat [zoon] wel degelijk iets van hem te verwachten heeft.

[x] heeft ter zitting nog aangevoerd dat, op voet van artikel 21 en artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, bij de toepassing van de bepalingen inzake adoptie het belang van het kind de voornaamste overweging dient te zijn. Gezien de uitkomst van de hiervoor verrichte belangenafweging leidt deze stelling niet tot een ander oordeel, waarbij het hof nog daarlaat dat [zoon] inmiddels meerderjarig is.

4.5.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, R.G. Kemmers en W.K. van Duren in tegenwoordigheid van mr. H.A. From als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.