Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2779

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
200.159.002/01 OK
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2456, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2518, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; Enquete; SNS; tussenbeslissing over ontvankelijkheid verzoekers; verzoekers niet-ontvankelijk ten aanzien van een van verweersters, wel ten aanzien van de overige verweersters. Art. 2:345, 346 BW.

Doel en strekking van het enquêterecht brengen mee dat aandeelhouders die niet langer voldoen aan de kapitaaleis van artikel 2:346 lid 1 aanhef en sub c BW tengevolge van een gebeurtenis, waaromtrent zij stellen dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan het beleid en de gang van zaken van de betrokken vennootschap en waarop hun enquêteverzoek mede betrekking heeft, in gevallen als het onderhavige bevoegd kunnen zijn tot het indienen van zodanig verzoek. De Ondernemingskamer neemt voorts in aanmerking dat het enquêterecht mede strekt ter bescherming van aandeelhouders tegen onjuist beleid dat hun (rechts)positie zodanig ondermijnt, dat een door hen ongewenst verlies van hun hoedanigheid van aandeelhouder het gevolg is. Dat is niet anders nu dat verlies – anders dan in gevallen waarin het verlies van aandeelhouderschap het gevolg is van besluitvorming die kan worden teruggedraaid – ten gevolge van de onteigening onomkeerbaar is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 345, 346, geldigheid: 2015-07-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0288 met annotatie van I. Tax
Ars Aequi AA20150678 met annotatie van B.F. Assink
JOR 2015/260 met annotatie van prof. mr. C.D.J. Bulten
NTHR 2015, afl. 5, p. 268
AR 2015/1272
Ondernemingsrecht 2015/92
ARO 2015/183
AR 2015/1902
JOR 2015/260 met annotatie van prof. mr. C.D.J. Bulten
JONDR 2015/919

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.159.002/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 8 juli 2015

inzake

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VEB NCVB,

gevestigd te Den Haag,

2. [A],

wonende te [.....],

3. [B],

wonende te [.....],

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] ,

gevestigd te [.....],

5. [D],

wonende te [.....],

6. [E],

wonende te [.....],

7. [F],

wonende te [.....],

8. [G],

wonende te [.....],

VERZOEKERS,

advocaten: mrs. P.J. van der Korst en J. van Bekkum, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

1. de naamloze vennootschap

SNS REAAL N.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. de naamloze vennootschap

SNS BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTERS,

advocaten: mrs. H.J. de Kluiver en T. Bird, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROPERTIZE B.V.,

gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER,

advocaten: mrs. P.W.A. Goes en M.B. Krestin, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

1 DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te Den Haag,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. R.G.J. de Haan, kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

2. de stichting

STICHTING BEHEER SNS REAAL,

gevestigd te Utrecht,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: mrs. S. Perrick en I. Spinath, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

3. de stichting

STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR BEHEER FINANCIËLE INSTELLINGEN,

gevestigd te Den Haag,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. A.R.J. Croiset van Uchelen, kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

4. de stichting

R.O.O.S. STICHTING,

gevestigd te Amsterdam,

mogelijk BELANGHEBBENDE,

verschenen in de persoon van [J],

e n t e g e n

5 [H],

wonende te [.....],

BELANGHEBBENDE,

in persoon verschenen.

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen worden hierna als volgt aangeduid:

  • -

    verzoekers met VEB c.s.;

  • -

    verzoekster sub 1 met VEB;

  • -

    verweersters sub 1 en 2 gezamenlijk met SNS Reaal c.s. en afzonderlijk met SNS Reaal onderscheidenlijk SNS Bank;

  • -

    verweerster sub 3 met Propertize;

  • -

    belanghebbende sub 1 met de Staat;

  • -

    belanghebbende sub 2 met Stichting Beheer;

  • -

    belanghebbende sub 3 met NLFI;

  • -

    belanghebbende sub 4 met ROOS;

  • -

    belanghebbende sub 5 met [H].

1.2

Verzoekers hebben bij op 6 november 2014 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht – zakelijk weergegeven – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal, SNS Bank en Propertize vanaf 1 januari 2006 "tot en met het moment waarop het onderzoek is afgerond" en met betrekking tot de in het verzoekschrift aangeduide onderwerpen, met hoofdelijke veroordeling van SNS Reaal, SNS Bank en Propertize in de kosten van het geding.

1.3

Bij brief van 12 november 2014 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen bericht dat de Ondernemingskamer in de inhoud van het verzoekschrift en in de bij brieven van verweersters aangekondigde verweren aanleiding ziet om een mondelinge behandeling te bepalen ter gelegenheid waarvan uitsluitend de bevoegdheid en ontvankelijkheid van VEB c.s., als toegelicht in hoofdstuk 2 van het verzoekschrift, aan de orde zullen zijn.

1.4

De Ondernemingskamer heeft, op door mr. De Haan in zijn brief van 4 december 2014 verwoord verzoek en na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten, de Staat op 15 december 2014 toegelaten als belanghebbende in deze procedure.

1.5

SNS Reaal c.s., Propertize en de Staat hebben elk bij afzonderlijk verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 22 januari 2015, – zakelijk weergegeven – geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van VEB c.s. in hun verzoek en verzocht tussentijds cassatieberoep open te stellen tegen de door de Ondernemingskamer te geven beschikking, met veroordeling van verzoekers in de kosten van de procedure.

1.6

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 22 januari 2015, heeft Stichting Beheer de Ondernemingskamer verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal over de periode vanaf 1 januari 2012 tot een nader in het verzoekschrift beschreven tijdstip.

1.7

Het verzoek van VEB c.s., uitsluitend voor zover dat betrekking heeft op de hiervoor in 1.3 weergegeven onderwerpen, en het zelfstandig verzoek van Stichting Beheer, eveneens slechts ten aanzien van haar enquêtebevoegdheid, zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 19 februari 2015. Mr. Van der Korst en mr. Van Bekkum en mr. T. Salemink, mr. De Kluiver, mr. Goes, mr. De Haan, mr. Perrick, en mr. Croiset van Uchelen hebben de standpunten van de door hen gerepresenteerde partijen toegelicht, allen aan de hand van aan de Ondernemingskamer en de andere partijen overgelegde pleitaantekeningen. Daarbij hebben mr. Van der Korst en mr. Van Bekkum op voorhand een aan de overige partijen en aan de Ondernemingskamer toegezonden nadere productie (aanvullende productie 85) overgelegd. Voorts heeft [J] in zijn hoedanigheid van bestuurder van ROOS het standpunt van ROOS verwoord en heeft [H] het woord gevoerd.

2 De feiten

2.1

Op 1 februari 2013 heeft de Minister van Financiën (hierna de Minister te noemen) - onder meer - de aandelen in SNS Reaal onteigend (deze gebeurtenis wordt hierna aangeduid met de Onteigening), gebruik makend van de hem in deel 6 van de Wet op het financieel toezicht (hierna kortheidshalve Interventiewet te noemen) gegeven bevoegdheid.

2.2

Voorafgaand aan de Onteigening hield Stichting Beheer 50,00000921% van de gewone aandelen in SNS Reaal en zes aandelen B in SNS Reaal.

2.3

De overige aandelen in SNS Reaal werden tot aan het tijdstip van de Onteigening verhandeld aan de beurs te Amsterdam.

2.4

SNS Reaal hield en houdt de aandelen in SNS Bank.

2.5

SNS Bank hield alle aandelen in Propertize, toen nog SNS Property Finance B.V. geheten, totdat zij die aandelen op 31 december 2013 overdroeg aan NLFI.

2.6

Van 1 januari 2006 tot aan de Onteigening bestonden de raden van commissarissen van SNS Reaal en van SNS Bank uit dezelfde personen.

2.7

Op 8 maart 2013 heeft de Tweede Kamer een hoorzitting gehouden over de aanloop naar de Onteigening en in dat kader personen gehoord die werkzaam waren of waren geweest bij SNS Reaal.

2.8

Op 23 januari 2014 heeft de Commissie Evaluatie Nationalisatie SNS Reaal, bestaande uit prof. J.M.G. Frijns en mr. R.J. Hoekstra (hierna de Commissie ENS te noemen), de resultaten van haar in opdracht van de Minister uitgevoerde onderzoek naar - kort gezegd - de Onteigening schriftelijk gerapporteerd. Tot de in het onderzoek betrokken thema’s behoren onder meer de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen van SNS Reaal, van SNS Bank en van Propertize, en de toekenning van en mogelijkheden tot terugvordering van bonussen.

3 De gronden van de beslissing

3.1

VEB c.s. hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van SNS Reaal, SNS Bank en Propertize. Zij hebben zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zij bevoegd zijn tot indienen van het in 1.2 vermelde verzoek en zij hebben uiteen gezet op welke gronden zij menen ontvankelijk te zijn in het verzoek.

3.2

Stichting Beheer heeft aan haar verzoek onder meer ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van SNS Reaal. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij bevoegd is tot het indienen ervan. Voorts heeft zij het standpunt van VEB c.s., dat VEB c.s. enquêtebevoegd zijn, ondersteund.

3.3

SNS Reaal en SNS Bank hebben de bevoegdheid van VEB c.s. en die van Stichting Beheer betwist, en betoogd dat VEB c.s. en Stichting Beheer niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun onderscheiden verzoeken.

3.4

Propertize heeft aangevoerd dat VEB c.s. enquêtebevoegdheid ontberen en niet ontvankelijk zijn in het verzoek zowel voor zover het Propertize betreft als voor zover het verzoek betrekking heeft op SNS Reaal en SNS Bank.

3.5

Ook volgens de Staat ontbreekt het VEB c.s. en Stichting Beheer aan de bevoegdheid om het in 1.2 onderscheidenlijk het in 1.6 vermelde verzoek in te dienen.

3.6

NLFI heeft eveneens naar voren gebracht dat VEB c.s. niet enquêtebevoegd zijn.

3.7

Van de zijde van ROOS is ter terechtzitting bepleit de verzoeken van VEB c.s. en Stichting Beheer toe te wijzen.

3.8

Voorts heeft [H] zich achter de verzoeken van VEB c.s. en Stichting Beheer geschaard.

3.9

De stellingen waarmee alle genoemde partijen hun standpunten met betrekking tot de enquêtebevoegdheid van VEB c.s. en van Stichting Beheer alsmede de ontvankelijkheid van VEB c.s. en van Stichting Beheer hebben toegelicht zullen hierna, voorzover nodig, aan de orde komen.

Belanghebbenden

3.10

De Staat is toegelaten als belanghebbende in deze procedure, zoals is vermeld in 1.4. NFLI moet als houder, sinds 31 december 2013, van de aandelen in Propertize worden aangemerkt als belanghebbende. De positie van [H], die heeft gesteld tot aan de Onteigening aandeelhouder in SNS Reaal te zijn geweest, is niet betwist, zodat de Ondernemingskamer hem eveneens als belanghebbende aanmerkt.

3.11

[J] heeft ter terechtzitting onbetwist gesteld dat ROOS opkomt voor de belangen van voormalige houders van effecten SNS Reaal en SNS Bank en “restitutie aan onteigende obligatiehouders en achtergestelde crediteuren” nastreeft. Van de zijde van SNS Reaal c.s. is naar voren gebracht dat moet worden betwijfeld of ROOS kwalificeert als belanghebbende. ROOS zal in het vervolg van de procedure nader kunnen toelichten op welke gronden moet worden aangenomen dat zij zodanig door de uitkomst van dit geding in een eigen belang kan worden getroffen, dat zij in dit geding behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang.

Bevoegdheid

3.12

De bevoegdheid om een verzoek als bedoeld in artikel 2:345 lid 1 BW in te dienen is door de wetgever - limitatief - toegekend aan (rechts)personen die voldoen aan een van de in de artikelen 2:346 en 2:347 BW opgesomde criteria. Ook (in artikel 2:345 lid 2 BW) aan de advocaat-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam (hierna de advocaat-generaal te noemen) en aan in de wet vermelde anderen is het enquêterecht toegekend.

3.13

Vast staat dat VEB c.s. op 6 november 2014, toen zij hun verzoek indienden, en Stichting Beheer op 22 januari 2015, toen zij haar in haar verweerschrift vervatte verzoek deed, (als gevolg van de Onteigening) geen aandelen (meer) hielden in SNS Reaal, noch in SNS Bank of Propertize.

3.14

VEB c.s. hebben bepleit dat zij desalniettemin in hun verzoek worden ontvangen. Zij hebben gesteld dat zij direct voorafgaand aan de Onteigening tezamen in totaal 3.729.505 aandelen hielden, overeenkomend met circa 1,3%, van het geplaatste kapitaal van SNS Reaal. Zij voldeden derhalve tot op dat moment aan het proportionele vereiste van artikel 2:346 lid 1 aanhef en sub c BW, zodat zij toen gerechtigd waren een enquêteverzoek in te dienen, aldus VEB c.s. Zij menen dat het enquêterecht hun door de Onteigening niet is ontnomen. Ze hebben zich beroepen op i) aard en strekking van het enquêterecht, ii) een eigen economisch belang in SNS Reaal, gelijk te stellen met het belang van een aandeelhouder, iii) een economisch belang, gelijk te stellen met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder in faillissement, iv) een redelijke en op de onderhavige omstandigheden - de Onteigening - toegesneden wetstoepassing, en v) het maatschappelijk belang bij een onderzoek.

3.15

Stichting Beheer heeft gesteld als voormalig houdster van meer dan de helft van de aandelen in SNS Reaal haar enquêtebevoegdheid ten aanzien van SNS Reaal ten gevolge van de Onteigening niet te hebben verloren. Ter toelichting heeft zij zich beroepen op de door VEB c.s. aangedragen, in de vorige overweging vermelde gronden, in het bijzonder op een eigen economisch belang in SNS Reaal, gelijk te stellen met het belang van een aandeelhouder.

3.16

De Ondernemingskamer gaat er bij de beoordeling van de betogen dat, kort gezegd, de Onteigening bestaande enquêtebevoegdheid niet teniet heeft gedaan, vanuit dat VEB c.s. en Stichting Beheer onmiddellijk voorafgaand aan de Onteigening die bevoegdheid hadden. Voor Stichting Beheer, als houdster van ruim 50% van de gewone aandelen in SNS Reaal, geldt dat haar enquêtebevoegdheid op dat tijdstip ten aanzien van SNS Reaal niet is betwist. De enquêtegerechtigdheid van VEB c.s. ten aanzien van SNS Reaal onmiddellijk voorafgaand aan de Onteigening wordt - zoals hierna in 3.33 zal worden overwogen - verondersteld op de grond dat zij toen voldeden aan het uit artikel 2:346 lid 1 aanhef en sub c BW voortvloeiende vereiste dat zij tezamen meer dan een honderdste gedeelte van het geplaatste kapitaal van SNS Reaal hielden. Voorts staat vast dat de Onteigening een einde maakte aan het aandeelhouderschap van VEB c.s. en van Stichting Beheer.

3.17

VEB c.s. hebben de hiervoor in 3.14 onder i) en iv) vermelde gronden als volgt toegelicht. Enerzijds heeft de Onteigening geleid tot verlies van hun aandeelhouderschap en anderzijds heeft het enquêteverzoek juist betrekking op de oorzaken van de Onteigening. Een redelijke en op de praktijk toegesneden wetstoepassing, die recht doet aan de aard en strekking van het enquêterecht, dient daarom te leiden tot het oordeel dat zij bevoegd zijn tot het indienen van het onderhavige verzoek, aldus VEB c.s.

3.18

De Ondernemingskamer overweegt het volgende. Doel en strekking van het enquêterecht brengen mee dat aandeelhouders die niet langer voldoen aan de kapitaaleis van artikel 2:346 lid 1 aanhef en sub c BW tengevolge van een gebeurtenis, waaromtrent zij stellen dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan het beleid en de gang van zaken van de betrokken vennootschap en waarop hun enquêteverzoek mede betrekking heeft, in gevallen als het onderhavige bevoegd kunnen zijn tot het indienen van zodanig verzoek. De Ondernemingskamer neemt voorts in aanmerking dat het enquêterecht mede strekt ter bescherming van aandeelhouders tegen onjuist beleid dat hun (rechts)positie zodanig ondermijnt, dat een door hen ongewenst verlies van hun hoedanigheid van aandeelhouder het gevolg is. Dat is niet anders nu dat verlies – anders dan in gevallen waarin het verlies van aandeelhouderschap het gevolg is van besluitvorming die kan worden teruggedraaid – ten gevolge van de Onteigening onomkeerbaar is. Dit leidt tot het oordeel dat in het onderhavige geval aan VEB c.s. in beginsel, behoudens de hierna te behandelen verweren, de bevoegdheid tot het doen van het in 1.2 vermelde verzoek toekomt. De door VEB c.s. aan hun verzoek ten grondslag gelegde redenen voor twijfel aan een juist beleid van SNS Reaal, SNS Bank en Propertize hebben immers in belangrijke mate betrekking op - kort samengevat - de oorzaken van de Onteigening, in het bijzonder het beleid en de gang van zaken rond de Onteigening en de betrokkenheid van SNS Reaal, haar bestuur en haar raad van commissarissen daarbij. Hetzelfde geldt voor Stichting Beheer.

Interventiewet

3.19

Volgens SNS Reaal c.s. – en Propertize heeft zich daarbij aangesloten – is met de Interventiewet onverenigbaar dat VEB c.s. na de Onteigening nog enquêtebevoegd zouden zijn. Zij hebben betoogd dat een onteigening op grond van de Interventiewet de onteigende aandelen en alle daarmee verbonden rechten onbezwaard doet overgaan op de Staat, dat die onbezwaarde overgang nodig is in het licht van het doel van de Interventiewet, namelijk rust te creëren rond de onteigende instelling, dat de Minister met het oog op dat doel heeft besloten geen enquête bij SNS Reaal te verzoeken, dat de Interventiewet voorziet in volledige schadeloosstelling van onteigende aandeelhouders, en dat de wetgever onteigende aandeelhouders voor het verlies van aandeelhoudersrechten niet op enige andere wijze heeft willen compenseren.

3.20

De Staat heeft betoogd dat onteigening op grond van de Interventiewet het effect sorteert van een aandelenoverdracht, waarbij alle aan de aandelen verbonden rechten en verplichtingen overgaan op de verkrijger van de aandelen. Verlies van het enquêterecht is inherent aan een zodanige onteigening. Voorts zouden onteigende aandeelhouders de in de Interventiewet beoogde spoedige verkoop van de aandelen door de Staat kunnen frustreren als zij ontvankelijk worden verklaard in enquêteverzoeken. Bovendien, aldus nog steeds de Staat, is met de Interventiewet niet beoogd dat onteigende aandeelhouders een enquête kunnen verzoeken waarvan de kosten (indirect) voor zijn rekening komen.

3.21

Partijen hebben blijk gegeven van de opvatting dat een onteigening op grond van de Interventiewet op zichzelf niet in de weg staat aan een enquête als bedoeld in Titel 8, afdeling 2 BW. Immers, VEB c.s. en SNS Reaal c.s. achten de Minister als 100% aandeelhouder van SNS Reaal enquêtebevoegd en VEB heeft na de Onteigening de advocaat-generaal verzocht een enquêteverzoek in te dienen. Die opvatting is juist. Voorts is de Ondernemingskamer van oordeel, in overeenstemming met de opvatting van partijen, die zich daarover (desgevraagd) ter terechtzitting hebben uitgelaten, dat de Interventiewet niet zou nopen tot het afbreken van een eventuele enquête, indien die zou zijn bevolen voorafgaand aan een onteigening op grond van die wet.

3.22

De Staat heeft betwist dat “bij de invoering van de Interventiewet geen rekening gehouden is met” het verlies van het enquêterecht als gevolg van onteigening. De wetgever heeft zich echter bij de totstandkoming van de Interventiewet noch over het verlies - zoals VEB c.s. hebben opgemerkt - noch over het behoud - SNS Reaal c.s. hebben daar op gewezen - van de enquêtebevoegdheid van onteigende aandeelhouders uitgesproken. Evenmin heeft de wetgever bij het tot stand brengen respectievelijk de herziening per 1 januari 2013 van de bepalingen in Boek 2 BW betreffende het enquêterecht de mogelijkheid van onteigening op grond van de Interventiewet onder ogen gezien.

3.23

De Ondernemingskamer neemt tot uitgangspunt dat met de Interventiewet niet wordt beoogd meer rechten en bevoegdheden aan te tasten of aan onteigende aandeelhouders te ontnemen dan strikt noodzakelijk is voor het doel waartoe in de Interventiewet de mogelijkheid tot onteigening is gegeven.

3.24

Met betrekking tot het doel van de Interventiewet hebben SNS Reaal c.s. betoogd dat de Minister, teneinde een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de stabiliteit van het financiële stelsel te neutraliseren, de financiële onderneming dient te stabiliseren en te reorganiseren. Daarmee is onverenigbaar dat onteigende aandeelhouders de enquêtebevoegdheid zouden behouden, aldus SNS Reaal c.s. De Ondernemingskamer volgt SNS Reaal c.s. daarin niet. Niet valt immers in te zien dat de (uitoefening van de) bevoegdheid van onteigende aandeelhouders om een enquête te verzoeken de Minister, in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van SNS Reaal of anderszins, in zijn streven de onderneming te stabiliseren en te reorganiseren zou belemmeren, althans zo ernstig zou belemmeren, dat het zou opwegen tegen het recht om een enquête te verzoeken. De vraag of een daadwerkelijke enquête een zodanige belemmering zou opleveren staat daar los van; die vraag dient – bij gebleken gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen – te worden betrokken in de afweging die aan toe- of afwijzing van een enquêteverzoek voorafgaat.

3.25

Aan het voorgaande doet niet af dat de Minister geen gebruik heeft gemaakt van zijn enquêtebevoegdheid, noch dat de Interventiewet een regeling voor volledige schadeloosstelling van onteigende aandeelhouders inhoudt. Evenmin doet daar aan af dat Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna met Kifid aan te duiden) bij beslissing van 8 februari 2013 heeft geoordeeld dat de eigendom van participatiecertificaten, uitgegeven door SNS Bank, door de Onteigening is overgegaan op de Staat, en dat dat meebrengt dat de onteigende houders van die participatiecertificaten daarover niet langer bij Kifid kunnen procederen.

3.26

Dit een en ander leidt tot het volgende oordeel. De omstandigheid, dat onteigening op grond van de Interventiewet er de oorzaak van is dat niet langer wordt voldaan aan de in 3.18 vermelde kapitaaleis, vormt geen beletsel om VEB c.s. en Stichting Beheer, gelet op al het voorgaande, enquêtebevoegd te achten.

3.27

Partijen hebben nog gedebatteerd over de vraag of de onteigende aandeelhouders (ook) enquêtebevoegdheid kunnen ontlenen aan een economisch belang in SNS Reaal, vergelijkbaar met dat van een aandeelhouder of certificaathouder al dan niet in faillissement, en over de vraag of het maatschappelijke belang noopt tot toekenning van de enquêtebevoegdheid aan VEB c.s. Deze vragen kunnen, gelet op de in 3.18 en 3.26 gegeven oordelen, onbesproken blijven.

Concernenquête

3.28

VEB c.s. hebben primair om een concernenquête verzocht. Ze hebben er op gewezen dat SNS Reaal alle aandelen in SNS Bank houdt, dat SNS Bank tot 31 december 2013 de aandelen in Propertize hield, en gesteld dat in de door hen beoogde onderzoeksperiode SNS Reaal, SNS Bank en Propertize een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding vormden. Ze hebben toegelicht dat in de jaarverslagen van SNS Reaal “de hele groep”, inclusief SNS Bank en Propertize, als zodanig werd gepresenteerd, dat SNS Reaal onderscheidenlijk SNS Bank verklaringen conform artikel 2:403 lid 1 sub f BW hebben afgegeven, en dat SNS Reaal, SNS Bank en Propertize een fiscale eenheid vormden. Voorts bestond tussen de raden van commissarissen van SNS Reaal en SNS Bank een volledige personele unie, en hadden bestuurders van SNS Reaal zitting in de raad van commissarissen en het centrale risicocomité van Propertize en in het bestuur van SNS Bank, terwijl bestuurders van SNS Bank in de raad van commissarissen, het bestuur en het centrale risicocomité van Propertize zaten. SNS Bank en Propertize zouden derhalve hun bestuursbeleid niet zelfstandig ten opzichte van SNS Reaal behoren te bepalen en te voeren, aldus nog steeds VEB c.s.

3.29

SNS Reaal c.s. en Propertize hebben betwist dat SNS Reaal het bestuursbeleid bij Propertize bepaalde. Zij hebben opgemerkt dat gedurende de periode die VEB c.s. onderzocht willen zien geen van de bestuurders van SNS Reaal bestuurder is geweest van Propertize en dat de (meervoudige) besturen van SNS Bank en Propertize slechts in enkele tijdvakken een bestuurder deelden. Er was dus geen personele unie. SNS Reaal c.s. en Propertize hebben verder gewezen op de stellingen van VEB c.s., dat de bestuurders van SNS Reaal nauwelijks geïnteresseerd leken in de activiteiten van Propertize en zich niet bezig hielden met de aansturing van Propertize, en dat het plan van het bestuur van SNS Reaal om Propertize op te delen is tegengehouden door het bestuur van Propertize.

3.30

Naar het oordeel van de Ondernemingskamer kan niet worden aangenomen dat het bestuursbeleid van Propertize niet zelfstandig werd bepaald en gevoerd ten opzichte van SNS Reaal (en van SNS Bank). Afwezigheid van een zodanig zelfstandig beleid kan niet worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat in de raad van commissarissen en het centrale risicocomité van Propertize, naast andere leden, een of meer bestuurders van SNS Reaal zaten. Integendeel, de stellingen van VEB c.s. wijzen juist op een zekere beleidsvrijheid van het bestuur van Propertize. Ook het ontbreken van een personele unie van de besturen vormt een aanwijzing dat Propertize – tot op zekere hoogte – een eigen, zelfstandig beleid voerde. Al met al is onvoldoende gebleken dat is voldaan aan de vereisten voor het instellen van een concernenquête ten aanzien van Propertize.

3.31

VEB c.s. hebben geen andere grond gesteld waaraan zij de bevoegdheid zouden kunnen ontlenen om een enquête bij Propertize te verzoeken. De slotsom is dat VEB c.s. niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in het verzoek voor zover dat strekt tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Propertize.

3.32

Het debat over de vraag of ten aanzien van SNS Bank is voldaan aan de vereisten voor het gelasten van een concernenquête acht de Ondernemingskamer niet voltooid. De beslissing daarover zal daarom worden aangehouden.

Kapitaaleis ten aanzien van VEB c.s. en artikel 3:305a lid 1 BW

3.33

VEB c.s. hebben gesteld en met schriftelijke bewijsstukken toegelicht dat zij direct voorafgaand aan de Onteigening tezamen 3.729.505 aandelen in het kapitaal van SNS Reaal hielden, overeenkomend met circa 1,3%. SNS Reaal c.s. hebben dit niet, althans niet voldoende duidelijk, bestreden. Propertize heeft aangevoerd dat enkele schriftelijke bewijsstukken niet aantallen gehouden aandelen per 31 januari 2013 weergeven, maar een datum van na de Onteigening vermelden. Het standpunt van Propertize is na de zojuist genomen beslissing weliswaar niet meer van belang, maar desalniettemin overweegt de Ondernemingskamer dat vanaf het moment van de Onteigening geen handel in de aandelen meer plaatsvond en zij acht het daarom niet aannemelijk dat portefeuille-overzichten van na de Onteigening niet de op het laatste moment voor de Onteigening gehouden aantallen aandelen zouden vermelden. Zij gaat er dan ook vanuit dat VEB c.s. onmiddellijk voorafgaand aan de Onteigening voldeden aan de in artikel 2:346 lid 1, aanhef en sub c, BW gestelde vereisten voor de bevoegdheid tot het indienen van een enquêteverzoek ten aanzien van SNS Reaal.

3.34

Bij die stand van zaken behoeven de stellingen van partijen omtrent mogelijke enquêtebevoegdheid van VEB op grond van artikel 3:305a lid 1 BW geen bespreking.

Vereiste van artikel 2:349 lid 1 BW

3.35

Het verweer van Propertize, dat VEB c.s. hun bezwaren tegen haar beleid niet tijdig op de in artikel 2:349 lid 1 BW voorgeschreven wijze aan haar bekend hebben gemaakt, behoeft in het licht van het in overweging 3.31 gegeven oordeel geen bespreking meer.

Belang bij een enquête in het licht van andere onderzoeken

3.36

SNS Reaal c.s. en de Staat hebben opgemerkt dat de Commissie ENS onderzoek heeft gedaan naar de gang van zaken “in de aanloop naar” de Onteigening, in het bijzonder naar aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen van de drie verweersters en naar toekenning van en mogelijkheden tot terugvordering van bonussen, en daarover een 416 pagina’s tellend rapport heeft uitgebracht. Voorts heeft een groot aantal personen verantwoording afgelegd in de hoorzitting van de Tweede Kamer op 8 maart 2013 en is een groot aantal documenten betreffende de Onteigening openbaar gemaakt. Gelet op deze onderzoeken meende de Minister dat een enquêteonderzoek geen meerwaarde zou hebben, aldus nog steeds SNS Reaal c.s., die concluderen dat een enquêteprocedure niet gerechtvaardigd is.

3.37

De Ondernemingskamer zal dit verweer, dat er op neer komt dat verzoekers onvoldoende belang hebben bij een enquête, zo nodig in het vervolg van de procedure behandelen, indien in het kader van een belangenafweging aan de orde komt of een enquête daadwerkelijk moet worden bevolen. Dan kan pas worden vastgesteld of kwesties waarop een eventueel onderzoek gericht zou moeten zijn al door de Commissie ENS zijn onderzocht dan wel op andere wijze zijn geopenbaard en of dat een en ander aanleiding is om het enquêteverzoek in het kader van een belangenafweging af te wijzen.

Slotsom

3.38

De Ondernemingkamer acht VEB c.s. en Stichting Beheer bevoegd tot het verzoeken van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal. Zij zijn in zoverre ontvankelijk in hun verzoeken. VEB c.s. zullen niet-ontvankelijk worden verklaard voorzover hun verzoek strekt tot het instellen van een enquête bij Propertize. VEB c.s. zullen worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van Propertize. De beslissing over ontvankelijkheid van VEB c.s. ten aanzien van SNS Bank zal worden aangehouden. De Ondernemingskamer ziet aanleiding te bepalen dat van deze beschikking tussentijds cassatie kan worden ingesteld. Indien partijen de Ondernemingskamer meedelen dat geen cassatie wordt ingesteld zal de Ondernemingskamer een datum voor de voortzetting van de mondelinge behandeling bepalen. Iedere verdere beslissing zal eveneens worden aangehouden.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

verklaart VEB NCVB, gevestigd te Den Haag, [A], wonende te [.....], [B], wonende te Oisterwijk, [C], gevestigd te Oisterwijk, [D], wonende te [.....], [E], wonende te [.....], [F], wonende te [.....], en [G], wonende te [.....], niet ontvankelijk in hun verzoek voor zover het betrekking heeft op Propertize B.V., gevestigd te Utrecht;

veroordeelt VEB NCVB, gevestigd te Den Haag, [A], wonende te [.....], [B], wonende te [.....], [C], gevestigd te [.....], [D], wonende te [.....], [E], wonende te [.....], [F], wonende te [.....], en [G], wonende te [.....], in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Propertize B.V. begroot op € 3.393;

bepaalt dat tegen deze beschikking tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is op 19 februari 2015 gegeven door mr. P. Ingelse, voorzitter, mr. A.C. Faber en mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, raadsheren, en H. de Munnik en drs. P.G. Boumeester, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen en mr. H.H.J. Zevenhuijzen, griffiers, en door
mr. Faber in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2015.