Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2753

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
23-002660-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:231, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof veroordeelt directeur van rechtspersoon (waarvan de gemeente enig aandeelhouder is) die tot taak heeft exploitatie van schouwburg en concertgebouw als ambtenaar i.d.z.v. WvSr nu hij onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd tot een werkstraf van 180 uren + geldboete van €20.000. Verdachte heeft zich in die (geobjectiveerde) hoedanigheid schuldig gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping (art. 362 Sr) door van een contractspartij tbv de exploitatie van de horeca activiteiten een geldbedrag te vragen in ruil voor contractverlenging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-002660-13

datum uitspraak: 3 juli 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 22 mei 2012 in de strafzaak onder parketnummer 05-900225-10 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1947,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2013 en 19 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand augustus 2006 tot en met de maand februari 2007 te Nijmegen, in elk geval in de gemeente Nijmegen en/of te Veghel en/of te Ravestein en/of te Leur en/of elders in Nederland, althans in Nederland (telkens) als ambtenaar

(directeur van NV [bedrijf 1], van welke NV de gemeente Nijmegen enig aandeelhouder is, in elk geval

een ambtenaar in dienst van gemeente Nijmegen) in de uitoefening van zijn bediening, als verschuldigd aan hemzelf, aan een andere ambtenaar of aan enige openbare kas, heeft gevorderd van (de directeur van) [bedrijf 2] een geldbedrag van ongeveer 10.799,97 euro en/of een geldbedrag van ongeveer 10.000 euro, waarvan hij wist dat deze die bedragen/dit bedrag niet verschuldigd was;

subsidiair:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand augustus 2006 tot en met de maand februari 2007 te Nijmegen, in elk geval in de gemeente Nijmegen en/of te Veghel en/of te Leur

en/of te Ravestein en/of elders in Nederland, althans in Nederland, (telkens) als ambtenaar (directeur van NV [bedrijf 1], van welke NV de gemeente Nijmegen enig aandeelhouder is, in elk geval als ambtenaar in dienst van gemeente Nijmegen) een gift of belofte dan wel een dienst, te weten

- een geldbedrag van ongeveer 10.799,97 euro en/of een geldbedrag van ongeveer 10.000 euro en/of een of meer andere geldbedragen aan/van (de directeur van) [bedrijf 2], heeft gevraagd teneinde in strijd met zijn, verdachtes, verplichting in zijn bediening iets te doen of na te laten;


meer subsidiair:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand augustus 2006 tot en met de maand februari 2007 te Nijmegen, in elk geval in de gemeente Nijmegen en/of te Veghel en/of te Ravestein en/of te Leur en/of elders in Nederland, althans in Nederland, (telkens) als ambtenaar (directeur van NV [bedrijf 1], van welke NV de gemeente Nijmegen enig aandeelhouder is, in elk geval als ambtenaar in dienst van gemeente Nijmegen) een gift of belofte dan wel een dienst, te weten

- een geldbedrag van ongeveer 10.799,97 euro en/of een geldbedrag van ongeveer 10.000 euro en/of een of meer andere geldbedragen aan/van (de directeur van) [bedrijf 2], heeft gevraagd teneinde hem, verdachte, te bewegen iets te doen of na te laten in zijn huidige of vroegere bediening zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Vrijspraak primair en subsidiair ten laste gelegde

Het hof is - anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd. Voor een bewezenverklaring van het strafbare feit knevelarij, zoals opgenomen in artikel 366 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is essentieel dat de ambtenaar het tegenover het slachtoffer heeft doen voorkomen alsof het gevorderde of ontvangene werkelijk verschuldigd was. Nu een dergelijk geval van bedrog of misleiding zich in de onderhavige zaak niet heeft voorgedaan, moet de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Het hof acht evenmin wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair is ten laste gelegd, nu geen sprake is geweest van een (beoogde) ongeoorloofde tegenprestatie. De verdachte moet derhalve ook van dit feit worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs en bespreking van de in hoger beroep gevoerde verweren

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden gezien als ambtenaar in de zin van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, dan wel dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd.

De verdachte kan niet worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van de aan de tenlastelegging ten grondslag liggende artikelen van het Wetboek van Strafrecht, nu de rechtspersoon waarvan de verdachte directeur was - N.V. [bedrijf 1] - met het exploiteren van horecagelegenheden geen overheidstaak uitvoerde en voorts geen sprake was van het vereiste toezicht door en verantwoording aan de overheid. In het geval dat de verdachte wel als ambtenaar in genoemde zin is aan te merken, komt de verdachte een beroep toe op afwezigheid van alle schuld vanwege een verontschuldigbare rechtsdwaling en/of feitelijke dwaling omdat het voor de verdachte en voor derden niet kenbaar was dat hij ambtenaar was.

Voorts is er geen wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.

De bewezenverklaring zoals vervat in het vonnis waarvan beroep is in strijd met de unus-testis-nullus-testisregel als bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv, nu het dossier geen bewijsmiddelen bevat die in voldoende mate steun geven aan de verklaring van de getuige [getuige]. Daarnaast is de verklaring van [getuige] dermate onbetrouwbaar dat deze dient te worden uitgesloten van het bewijs. Het door [getuige] geschetste - voor de verdachte belastende - scenario lijkt te zijn bedoeld om de verdachte ‘erin te luizen’ en te zijn ingegeven door motieven van financiële aard en/of wraak.

Tot slot is het feitelijk oordeel van de rechtbank dat de verdachte als natuurlijk persoon het geldbedrag van (het bedrijf van) [getuige] heeft gevorderd onjuist. Blijkens de factuur van 1 november 2006 is dit geldbedrag immers gevorderd door de rechtspersoon [bedrijf 3] B.V. Ook dit dient tot vrijspraak te leiden, aldus de raadsvrouw.

Oordeel van het hof

Feiten en omstandigheden

Het hof gaat op grond van het dossier uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte is in de periode van 1 oktober 2001 tot begin 2009 werkzaam geweest als directeur van de naamloze vennootschap Maatschappij tot Exploitatie van de [bedrijf 4] en [bedrijf 9] ‘[bedrijf 9]’ (hierna: [bedrijf 1]).1 De gemeente Nijmegen is enig aandeelhouder van [bedrijf 1]2. De aanstelling was materieel een voortzetting van een eerdere aanstelling van de verdachte als gedelegeerd commissaris bij [bedrijf 1] met ingang van 16 januari 2001. Deze aanstelling werd verlengd door middel van een overeenkomst van opdracht inzake interim management3 tussen [bedrijf 1] enerzijds en [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3]), anderzijds. De verdachte was enig aandeelhouder van [bedrijf 3] B.V.4 Bij het ondertekenen van de overeenkomst was [bedrijf 1] rechtsgeldig vertegenwoordigd door [betrokkene 1], wethouder van de gemeente Nijmegen, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gemeente Nijmegen als honderd procent aandeelhouder van [bedrijf 1], en [betrokkene 2], voorzitter van de Raad van Commissarissen (RvC) van [bedrijf 1]. [bedrijf 3] was rechtsgeldig vertegenwoordigd door de verdachte als haar statutair directeur.5

De statutaire doelstelling van [bedrijf 1] luidt6: “het instandhouden, exploiteren of doen exploiteren van de [bedrijf 4] c.a. en het [bedrijf 9] ‘[bedrijf 9]’ c.a., alsmede het bevorderen van culturele activiteiten in de ruimste zin. Zij biedt daarbij zoveel mogelijk een dwarsdoorsnede van podiumkunsten tegen een betaalbare prijs voor een zo breed mogelijk publiek en richt zich daarbij op het bewaren en doorgeven van het cultureel erfgoed, het inspelen op vernieuwende tendensen en het zogenaamde avondje-uit”.

[bedrijf 1] heeft (via haar dochteronderneming [bedrijf 9] B.V.) in 2002 een overeenkomst gesloten met [bedrijf 2], waardoor de exploitatie van de horeca-activiteiten in het [bedrijf 9] en de [bedrijf 4] voor rekening en risico van [bedrijf 2] kwam.7 Bij aangetekende brief van 2 januari 2006 is de overeenkomst met [bedrijf 2] per 31 maart 2007 formeel beëindigd. In deze brief wordt door de verdachte de intentie uitgesproken om met ingang van 1 april 2007 een nieuwe periode van samenwerking met [bedrijf 2] aan te gaan. De brief is ondertekend door de verdachte, als directeur van [bedrijf 9].8 Op 1 november 2006 heeft de verdachte op briefpapier van [bedrijf 3], als onderdeel van [bedrijf 3], vertrouwelijk een factuur gestuurd aan [bedrijf 7], ter attentie van de heer [getuige] en ten bedrage van

€ 10.799,97, met als omschrijving: “zoals overeengekomen doen wij u hierbij, onze nota ten behoeve van management ondersteuning, volgens onze overeenkomst toekomen.”.9 Deze nota is door [bedrijf 2] niet betaald.

Tijdens de vergadering van de RvC op 13 november 2006 is door de verdachte gemeld dat het contract met [getuige] inmiddels mondeling was verlengd en dat verdachte dacht dat dit een goede zet was, omdat de prestaties goed en de afspraken over de afdracht gunstig waren.10

Medio december 2006 heeft verdachte [betrokkene 3] van [bedrijf 8]. (hierna: [bedrijf 8]) benaderd met de vraag of belangstelling bestond om de horeca in [bedrijf 9] en de [bedrijf 4] te gaan exploiteren per 1 april 2007. Eind december 2006 heeft hij [bedrijf 8] een kopie van de overeenkomst met [getuige] verstrekt en vervolgens heeft de verdachte in diverse gesprekken met [betrokkene 3] de nodige toelichting gegeven en inzage gegeven in de omzetgegevens.11 Op 29 januari 2007 is door de verdachte, namens [bedrijf 9], vervolgens een intentieverklaring getekend, onder meer inhoudende dat [bedrijf 9] bereid is de lopende overeenkomst met [bedrijf 2] welke per 31 maart 2007 afloopt, te beëindigen en een nieuwe overeenkomst te sluiten met [bedrijf 8] .12 Op 1 februari 2007 heeft de verdachte op briefpapier van [bedrijf 3], als onderdeel van de [bedrijf 3], een declaratie gestuurd aan [bedrijf 8]., ter attentie van [betrokkene 3] en ten bedrage van € 23.800,00, met als omschrijving: “Zoals overeengekomen doen wij u hierbij, onze nota ten behoeve van management werkzaamheden bij uw onderneming toekomen.”.13 Op 9 februari 2007 heeft de verdachte de exploitatieovereenkomst ter ondertekening aan [betrokkene 3] toegezonden.14 Op 13 februari 2007 heeft de verdachte per e-mail het contract met [bedrijf 2] beëindigd.15 Op 14 februari 2007 heeft [betrokkene 3] aan de verdachte laten weten met de inhoud van de exploitatieovereenkomst te kunnen instemmen, maar deze nog niet te kunnen tekenen omdat nog een aantal zaken met [getuige] diende te worden afgestemd, zoals het over te nemen personeel, de voorraden en eventuele inventaris.16 Op 15 februari 2007 is het aan [bedrijf 8] in rekening gebrachte bedrag van € 23.800,00 op de rekening van [bedrijf 3] bijgeschreven.17 Op 27 juli 2007 is [bedrijf 1]/[bedrijf 9] uiteindelijk een cateringcontract met [bedrijf 8] aangegaan.18

Ambtenaar in de zin van het Wetboek van Strafrecht

Het begrip ‘ambtenaar’ in de zin van het Wetboek van Strafrecht moet op grond van de geldende jurisprudentie aldus worden uitgelegd dat daaronder tevens is begrepen: degene die onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. Daarmee vallen onder omstandigheden ook medewerkers van geprivatiseerde organisaties met een publieke taak onder het bereik van dit begrip.

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte in de ten laste gelegde periode kan worden aangemerkt als ambtenaar in de hiervoor bedoelde zin, dient als eerste te worden vastgesteld of aan de functie die de verdachte vervulde een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. Daarbij is het volgende van belang.

Met ingang van 1 oktober 2001 is [bedrijf 1] met [bedrijf 3] een overeenkomst aangegaan tot voorzetting van het interim-management van de verdachte, waarbij de verdachte in opdracht van [bedrijf 1] is belast met het voeren van de directie in de onderneming van [bedrijf 1] en [bedrijf 9].

Volgens haar statutaire doelstelling, zoals hiervoor als citaat weergegeven, hield [bedrijf 1] zich bezig met het bevorderen van culturele activiteiten in de gemeente Nijmegen. De verdachte was in het bijzonder belast met de uitvoering van het Plan van aanpak N.V. [bedrijf 1] 2005 en de afspraken zoals vastgelegd in de Budgetovereenkomst 2002-2005 tussen de gemeente Nijmegen en [bedrijf 1]. De verdachte diende daarbij jaarlijks 250 culturele voorstellingen met een minimum aantal bezoekers per jaar te verzorgen. Tevens was overeengekomen dat de verdachte een reorganisatie zou realiseren conform de geformuleerde doelstellingen in het ‘plan van aanpak 2002-2005’ (onder meer door de reductie van personele lasten en het financieel rendabel maken van het bedrijfsonderdeel Horeca) en dat aanvullende subsidievoorwaarden zouden worden gerealiseerd, voortkomend uit de Cultuurvisie van de gemeente Nijmegen. Een en ander diende te leiden tot een financieel en bedrijfsmatig gezond cultureel bedrijf dat een podium biedt aan professionele kunstdisciplines in Nijmegen.19

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd is het hof van oordeel dat, gelet op de hiervoor genoemde uiterlijke kenmerken, sprake is van een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. De verdachte was in de uitoefening van zijn taken gebonden aan de statutaire doelstelling van [bedrijf 1], de Budgetovereenkomst 2002-2005 van de gemeente Nijmegen en de Cultuurvisie van de gemeente Nijmegen. De verdachte was niet alleen verantwoordelijk voor de catering van de [bedrijf 4] en het [bedrijf 9] maar voor de totale exploitatie, ter bevordering van culturele activiteiten in de gemeente Nijmegen en ter realisering van het gemeentelijk cultuurbeleid.

Voorts dient te worden beoordeeld of de verdachte zijn werkzaamheden als directeur van [bedrijf 1] onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid heeft verricht. Hierbij gaat het hof uit van het volgende. De gemeente Nijmegen was enig aandeelhouder van [bedrijf 1]. Bij het aangaan van genoemde managementovereenkomst met de (holding) van de verdachte werd [bedrijf 1] vertegenwoordigd door de wethouder van de gemeente Nijmegen en de voorzitter van de RvC van [bedrijf 1]. Op grond van de overeenkomst diende de verdachte de RvC en de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (hierna: AVA) van [bedrijf 1] nauwkeurig op de hoogte te houden van alle werkzaamheden en diende hij de RvC en de AVA tijdig de verlangde gegevens en informatie te verstrekken met betrekking tot deze werkzaamheden. Daarnaast was de verdachte aan de RvC en de AVA verantwoording verschuldigd over de wijze waarop hij de werkzaamheden verrichtte.20

De verdachte kon als directeur door de AVA worden geschorst en ontslagen. Ook de RvC was bevoegd de verdachte in zijn functie als directeur te schorsen.21 De leden van de RvC van [bedrijf 1] werden door de AVA benoemd, geschorst en ontslagen.22

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij, buiten de reguliere vergaderingen om, in het kader van zijn taken regelmatig overleg had met ambtenaren van de gemeente.

Op grond hiervan is het hof, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de verdachte in de uitvoering van zijn werkzaamheden als directeur van [bedrijf 1] onder toezicht en controle van de (gemeentelijke) overheid stond.

Voorgaande vaststellingen omtrent het openbare karakter van en het publieke toezicht en controle op de door de verdachte als directeur van [bedrijf 1] verrichtte werkzaamheden leiden tot het oordeel van het hof dat de verdachte in de tenlastegelegde periode kon worden aangemerkt als ambtenaar i.d.z.v. de artikelen 366, 362 en 363 Sr.

Dwaling

Het betoog van de raadsvrouw dat het de verdachte niet bekend was dat hij ambtenaar was, kan niet leiden tot vrijspraak, dan wel ontslag van rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld, nu het bestanddeel ‘als ambtenaar’ in de tenlastelegging is geobjectiveerd en derhalve is onttrokken aan enig opzetvereiste.

Bewijs

Het hof acht de verklaringen die de getuige [getuige] heeft afgelegd voldoende consistent en geloofwaardig en derhalve bruikbaar voor het bewijs. Hetgeen de raadsvrouw hieromtrent naar voren heeft gebracht, doet aan dit oordeel niet af.

De verklaringen van [getuige] worden in voldoende mate ondersteund en andere objectieve bewijsmiddelen staan daarmee op relevante wijze in verband zodat deze in onderling verband en samenhang beschouwd, naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewijs opleveren dat de verdachte zich in zijn functie als directeur van [bedrijf 1] schuldig heeft gemaakt aan passieve omkoping door van [bedrijf 2] een geldbedrag te vragen, in ruil voor contractverlenging. Aan de overtuiging van het hof draagt bij de omstandigheid dat de verdachte, ondanks verregaande overeenstemming met [bedrijf 2] over verlenging van haar cateringcontract, onderhandelingen is gestart met [bedrijf 8] Catering. Gedurende de periode van onderhandelen heeft de verdachte bij zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 8]. een aanzienlijk - niet gespecificeerd - bedrag gedeclareerd voor verrichte management-werkzaamheden. In tegenstelling tot [bedrijf 2], heeft [bedrijf 8] het bedrag aan de verdachte betaald en is in dezelfde periode het cateringcontract aan [bedrijf 8] gegund.

Feitelijke handelingen

Het hof volgt evenmin de stelling van de raadsvrouw dat vrijspraak moet volgen omdat het geldbedrag is gevorderd door de rechtspersoon [bedrijf 3]. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat het de verdachte is geweest die de nota aan [getuige] heeft gestuurd en dat hij [bedrijf 3] enkel heeft gebruikt als middel om de strafbare gedraging te kunnen plegen. Daarenboven is de verdachte enig aandeelhouder van voornoemde rechtspersoon. Alles overziend is de verdachte als pleger van het feit te beschouwen.

Alternatief scenario

De verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat hij advieswerkzaamheden voor [bedrijf 2] had verricht vanuit zijn eigen bedrijf, [bedrijf 3]. Volgens de verdachte stonden deze werkzaamheden los van het cateringcontract van [getuige] met [bedrijf 9] B.V. De verdachte had van te voren mondeling met [getuige] afgesproken dat hij voor zijn werkzaamheden een bedrag van 10.000 euro zou ontvangen.

Het hof acht deze lezing niet geloofwaardig, nu deze wordt weersproken door meerdere getuigenverklaringen en overigens op geen enkele wijze steun vindt in het dossier. Het hof zal dan ook aan deze verklaring van de verdachte voorbijgaan.

De verweren van de raadsvrouw worden in al hun onderdelen mitsdien verworpen.

Hetgeen de raadsvrouw overigens ten aanzien van het primair ten laste gelegde strafbare feit knevelarij heeft aangevoerd behoeft, gelet op hetgeen het hof hiervoor onder het kopje ‘vrijspraak’ heeft overwogen, geen nadere bespreking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van de maand augustus 2006 tot en met de maand februari 2007 te Nijmegen, als ambtenaar (directeur van NV [bedrijf 1], van welke NV de gemeente Nijmegen enig aandeelhouder is) een gift, te weten

- een geldbedrag van 10.799,97 euro van (de directeur van) [bedrijf 2], heeft gevraagd teneinde hem, verdachte, te bewegen iets te doen in zijn bediening, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen.

Hetgeen meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het meer subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

als ambtenaar een gift vragen teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het meer subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Arnhem heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld (knevelarij) tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren, een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een geldboete van 10.000 euro, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ambtsdelict door een gift te vragen die verband hield met een door hem, als ambtenaar, te leveren tegenprestatie. Dit is een buitengewoon ernstig feit.

De verdachte heeft geprobeerd zichzelf te verrijken door misbruik te maken van zijn machtspositie.

Hij heeft hiermee niet alleen het vertrouwen dat in de samenleving in de overheid en het openbaar bestuur - met name in de objectiviteit en integriteit van beslissingen van ambtenaren - moet kunnen worden gesteld, ernstig geschaad, zijn handelwijze heeft ook schade toegebracht aan [getuige] en zijn werknemers.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 juni 2015 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Het hof heeft voorts gelet op een over de verdachte opgemaakte rapport van de Reclassering Nederland van 20 februari 2014.

Het hof acht onvoldoende aannemelijk geworden dat de verdachte financieel aan de grond is komen te zitten.

Het hof acht, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, in beginsel een vrijheidsbenemende straf passend en geboden. Gelet echter op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in de fase van het hoger beroep, alsmede op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zal het hof de verdachte een werkstraf van na te melden duur en een geldboete van na te melden hoogte opleggen, welke geldboete in vier driemaandelijkse termijnen kan worden voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 23, 24, 24c en 362 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in

artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens

de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds

op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 20.000,00 (twintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 135 (honderdvijfendertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 4 (vier) termijnen van 3 maanden, elke termijn groot € 5.000,00 euro (vijfduizend euro)

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens, mr. J.D.L. Nuis en mr. C.P.M. Cleiren, in tegenwoordigheid van

mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

3 juli 2015.

mr. C.P.M. Cleiren is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[...........]

1 [...........]

2 [...........]

3 [...........]

4 [...........]

5 [...........]

6 [...........]

7 [...........]

8 [...........]

9 [...........]

10 [...........]

11 [...........]

12 [...........]

13 [...........]

14 [...........]

15 [...........]

16 [...........]

17 [...........]

18 [...........]

19 [...........]

20 [...........]

21 [...........]

22 .