Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2747

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
23-005668-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof komt tot bewijs van bezit professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik (hoofdzakelijk) op basis van eigen waarneming en beschrijving in NFI rapport van eerder aangetroffen vuurwerk (andere zaak), waarvan het omhulsel met daarop de beeltenis en de tekst identiek is aan het onder verdachte in beslaggenomen vuurwerk. Verweer dat vergelijking alleen door deskundige i.d.z.v. art. 150, eerste lid, Sv gedaan kan worden, vindt geen steun in het recht.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 9.2.2.1, geldigheid: 2012-12-29
Vuurwerkbesluit 1.2.2, geldigheid: 2012-12-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-005668-13

datum uitspraak: 10 juli 2015

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 december 2013 in de strafzaak onder parketnummer 81-160090-13 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 december 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk, te weten

  • -

    (ongeveer) 200 stuks Cobra 7 en/of

  • -

    (ongeveer) 60 stuks Cobra 6,

althans een hoeveelheid professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad terwijl dat professionele vuurwerk bestemd was voor particulier gebruik.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Daartoe heeft de raadsman, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. Bij het voorbereidend onderzoek zijn vormen verzuimd in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Die vormverzuimen bestaan daarin dat de politie onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie:

a. a) het in de tenlastelegging genoemde vuurwerk heeft laten vernietigen voordat het Openbaar Ministerie de zaak tegen de verdachte aanhangig had gemaakt, en

b) heeft nagelaten vóór vernietiging van het vuurwerk een monster te nemen, waardoor een tegenonderzoek onmogelijk is geworden.

Daarmee hebben met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe dat, wat er ook zij van de vraag of van vormverzuimen gesproken kan worden, deze vormverzuimen – mede gelet op de verdere inhoud van het strafdossier, te weten foto’s (van het verpakkingsmateriaal) van het onder de verdachte inbeslaggenomen vuurwerk - niet zonder meer tot gevolg hebben dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte op de grond dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Bewezenverklaring

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd, kort weergegeven, dat uit de stukken in het dossier niet of onvoldoende blijkt dat het in de tenlastelegging genoemde vuurwerk professioneel vuurwerk is.

Het hof overweegt als volgt.

Onder de verdachte is vuurwerk in beslag genomen. Het onderzoek ter beantwoording van de vraag of het onder de verdachte in beslag genomen en in de tenlastelegging genoemde vuurwerk professioneel vuurwerk is, is als volgt weergegeven in een proces-verbaal van relaas van 20 april 2013 (pagina’s I tot en met III):

‘Door het Nederlands Forensisch Instituut zijn onderzoeken gedaan naar aanleiding van het aantreffen van betwist vuurwerk. Om te voorkomen dat meerdere keren een onderzoeksaanvraag voor een zelfde type vuurwerk wordt ingediend[,] wordt er door het NFI gebruik gemaakt van een vuurwerkloket. In dit loket zijn de onderzoeksrapporten opgenomen van eerder aangetroffen vuurwerk.

[Het] inbeslaggenomen vuurwerk is vergeleken met eerdere onderzoeken. Het rapport met zaaknummer 2012.10.15.163 komt overeen met het inbeslaggenomen vuurwerk met opdruk Cobra 7. Het rapport met zaaknummer 2012.10.09.034 komt overeen met het inbeslaggenomen vuurwerk met opdruk Cobra 6. Hieruit blijkt [dat] het uitgesloten is dat het consumentenvuurwerk betreft zoals omschreven in artikel 2.1.1 van het [V]uurwerkbesluit. Het beschikt over eigenschappen om te worden aangemerkt als professioneel vuurwerk zoals omschreven in artikel 1.1.1 lid 1 van het [V]uurwerkbesluit.’

Bij een proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2012 (pagina’s 9 tot en met 12) zijn foto’s van het in beslag genomen vuurwerk en de verpakking daarvan gevoegd.

De hiervoor genoemde rapporten met zaaknummers 2012.10.15.163 (pagina’s 37 tot en met 53) en 2012.10.09.034 (pagina’s 54 tot en met 74) betreffen NFI rapporten van 30 november 2012 respectievelijk 24 oktober 2012, waaruit blijkt dat het onderzochte vuurwerk – onder meer voorzien van een opdruk ‘Super Cobra 7’ respectievelijk ‘Super Cobra 6’ – professioneel vuurwerk in de zin van artikel 1.1.1 lid 1 van het Vuurwerkbesluit is. Bij de rapporten zijn foto’s van het onderzochte vuurwerk gevoegd.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het voormelde proces-verbaal van relaas van 20 april 2013 voldoet aan het bepaalde in artikel 153, tweede lid Sv en overeenkomstig artikel 339, eerste lid, onder 5º jo. artikel 344, eerste lid, onder 2º Sv als wettig bewijsmiddel kan worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat in dat proces-verbaal niet is weergegeven op welke wijze het onder de verdachte in beslag genomen vuurwerk is vergeleken met het door het NFI onderzochte vuurwerk, leidt niet tot een ander oordeel. In zoverre verwerpt het hof het verweer van de raadsman.

Op de terechtzitting in hoger beroep heeft het hof zelf de foto’s van het in beslag genomen vuurwerk vergeleken met de foto’s van het door het NFI onderzochte vuurwerk. Het hof heeft daarbij zelf waargenomen dat de omhulsels met daarop de beeltenis en de tekst van het in beslag genomen vuurwerk, voor zover deze op de foto’s zichtbaar zijn, identiek zijn aan het door het NFI onderzochte vuurwerk.

Wel neemt het hof in aanmerking dat, anders dan wat betreft het vuurwerk met de naam ‘Cobra 7’, het omhulsel van het in beslag genomen vuurwerk geduid met de naam ‘Cobra 6’ slecht op de foto’s zichtbaar is, waardoor controle en toetsing van de door de politie gemaakte vergelijking tussen het door het NFI onderzochte vuurwerk en het vuurwerk dat onder de verdachte in beslag is genomen onvoldoende mogelijk is. Op grond hiervan overweegt het hof dat het de enkele – in het voormelde proces-verbaal van relaas van 20 april 2013 weergegeven - mededeling, dat ‘[h]et rapport met zaaknummer 2012.10.09.034 […] overeen[komt] met het inbeslaggenomen vuurwerk met opdruk Cobra 6’, onvoldoende acht voor het bewijs dat sprake is van professioneel vuurwerk. Te minder nu het hof zelf daaromtrent niets concreets kan waarnemen, laat staan vergelijken. In zoverre zal de verdachte dan ook ten aanzien van dat vuurwerk (Cobra 6) worden vrijgesproken.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat een vergelijking tussen het in beslag genomen vuurwerk en het door het NFI onderzochte vuurwerk alleen gedaan kan worden door een deskundige in de zin van artikel 150, eerste lid, Sv, overweegt het hof dat de raadsman daarmee een eis stelt die geen steun vindt in het recht. Het hof verwerpt dit verweer.

Het betoog van de raadsman dat de voormelde NFI rapporten niet voor het bewijs, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, kunnen worden gebruikt, volgt het hof eveneens niet, nu niet is gesteld of gebleken dat de verdachte ander vuurwerk voorhanden had dan de door het NFI onderzochte gangbare soorten die algemeen bekend zijn onder de gebezigde benamingen. Het hof verwerpt ook dit verweer.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 december 2012 te Amsterdam opzettelijk professioneel vuurwerk, te weten een hoeveelheid Cobra 7 voorhanden heeft gehad, terwijl dat professionele vuurwerk bestemd was voor particulier gebruik.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2012 (met nummer PL131G 2012331907-9), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 9 tot en met 12).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één van hen):

Op 29 december 2012 bevonden wij ons te Amsterdam. Aldaar hoorden wij het verzoek om een groene Citroen Saxo staande te houden voor een controle.

Wij zagen dat er zich twee personen bevonden in het voertuig voornoemd. De bestuurder bleek te zijn genaamd: [verdachte], geboren op 13 november 1992 te Amsterdam. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat er in de kofferbank een kartonnen doos stond. Ik zag dat er zich vuurwerk in de doos bevond.

Het vuurwerk is door ons in beslag genomen. Wij zagen dat het vuurwerk, afkomstig uit de kartonnen doos voornoemd, van het merk ‘Cobra 7’ was voorzien. Wij zagen dat er vijftig verpakkingen van twee zogeheten ‘Cobra 7’ in zaten. Van het vuurwerk zijn door ons foto’s gemaakt welke zijn bijgevoegd als bijlagen.

2. Een proces-verbaal van verhoor van 29 december 2012 (met nummer 2012331907-14), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 22 tot en met 24).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 29 december 2012 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte:

Vraag verbalisant: De doos die in de kofferbak stond, dat is van jou?

Antwoord verdachte: Ja.

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 december 2013.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het vuurwerk was voor eigen gebruik.

4. Een proces-verbaal van relaas van 20 april 2013 (met nummer 2012331907-1), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s I tot en met III).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Het inbeslaggenomen vuurwerk is vergeleken met eerdere onderzoeken. Het rapport met zaaknummer 2012.10.15.163 komt overeen met het inbeslaggenomen vuurwerk met opdruk Cobra 7.

5. Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 30 november 2012 (met nummer 2012.10.15.163), opgemaakt door NFI-deskundige [deskundige] (doorgenummerde pagina’s 38 tot en met 46).

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Onderzoeksmateriaal

1. Banger: Super Cobra 7

Gezien de samenstelling, opbouw en verwachte werking betreft het onderzoeksmateriaal vuurwerk dat niet voldoet aan de eisen zoals die gesteld worden aan consumentenvuurwerk in de RNEV 2004. Om die reden is de overgangsregeling zoals vermeld in artikel 5.3.5 lid 5 van het Vuurwerkbesluit niet van toepassing.

Onder het ‘nieuwe’ Vuurwerkbesluit is het onderzoeksmateriaal, gezien de samenstelling, opbouw en verwachte werking, in te delen in de categorie ‘flash bangers’. Aangezien flash bangers een categorie vuurwerk is die door de Minister niet is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik en dus niet in de RACT worden genoemd, is het onderzoeksmateriaal professioneel vuurwerk zoals omschreven in het ‘nieuwe’ Vuurwerkbesluit artikel 1.1.1 lid 1. Het is dus geen consumentenvuurwerk zoals omschreven in artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit.

Bijlage 3. Foto’s van aanduidingen op onderzoeksmateriaal.

Foto b. Opdruk op de Super Cobra 7.

6. De eigen waarneming van het hof, gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2015.

Deze waarneming houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

De omhulsels met daarop de beeltenis en de tekst van het onder de verdachte in beslag genomen vuurwerk en van het door het NFI onderzochte vuurwerk, zoals weergegeven op de foto’s bijgevoegd bij een proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2012 respectievelijk een NFI rapport van 30 november 2012, zijn identiek.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De economische politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg zijn opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft gehandeld in strijd met het verbod op het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk dat bestemd is voor particulier gebruik. Een dergelijk verbod strekt ertoe mens en milieu te beschermen tegen de mogelijke effecten die het opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk kunnen veroorzaken. Het hof rekent de verdachte aan dat hij die bescherming heeft veronachtzaamt.

Het hof acht een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een taakstraf van 60 uur passend en geboden. Het hof legt een lagere (taak)straf op dan de rechtbank, omdat het hof, anders dan de rechtbank, de verdachte heeft vrijgesproken van het voorhanden hebben van 60 stuks Cobra 6.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. D.J.M.W. Paridaens en mr. A.M.C.C. Tubbing, in tegenwoordigheid van mr. C. Beuze, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juli 2015.

Mr. D.J.M.W. Paridaens en mr. A.M.C.C. Tubbing zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.