Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2732

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
06-07-2015
Zaaknummer
200.167.224-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding

Vordering ex art. 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.167.224/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/579370 / KG ZA 15-23

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juni 2015

inzake

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. P.F. Hopman te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar Frans recht,

[X]

gevestigd te [vestigingsplaats] ([land]),

geïntimeerde,

advocaat: mr. N.J. Jacobs te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna ING en [X] genoemd.

ING is bij dagvaarding van 18 maart 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2015, in kort geding onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [X] als eiseres en ING als gedaagde. De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- conclusie van eis in hoger beroep (overeenkomstig de appeldagvaarding);

- akte houdende vermeerdering van eis, tevens akte overlegging producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 23 april 2015 doen bepleiten, ING door mr. D.M.H. de Leeuw, advocaat te Amsterdam, en mr. Hopman voornoemd en [X] door mr. Jacobs voornoemd, elk van partijen aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Van de zijde van [X] zijn nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

ING heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [X] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, dan wel de vorderingen van [X] alsnog in al haar onderdelen zal afwijzen, met veroordeling van [X] in de kosten van het geding in beide instanties. Bij akte houdende vermeerdering van eis, tevens akte overlegging producties, heeft ING daaraan - samengevat - toegevoegd dat het hof [X] verdere verspreiding van alle door ING aan haar verstrekte gegevens en afschriften daarvan zal verbieden en [X] zal veroordelen tot vernietiging daarvan binnen vijf dagen na betekening van dit arrest, zulks op straffe van een dwangsom.

[X] heeft geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep, met veroordeling van ING in de kosten van het geding in beide instanties.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.7) de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Grief 1 klaagt over het vermelde onder 2.5. Nu het hof bij de opsomming van de feiten rekening houdt met hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd, behoeft deze grief verder geen afzonderlijke bespreking. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist in dit geding tot uitgangspunt kunnen dienen komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[X] huurt van Groupe Gecina kantoorruimte in Parijs.

2.2

Op of omstreeks 24 september 2014 heeft [X] bericht ontvangen (telefonisch en per e-mail) dat de bank- en rekeninggegegevens van Groupe Gecina waren gewijzigd. Volgens dat bericht hield Groupe Gecina in het vervolg een rekening bij ING aan met nummer [nummer] (hierna: de eerste rekening).

2.3

[X] heeft vervolgens op 28 september 2014 de huur voor het vierde kwartaal van 2014 ten bedrage van € 527.882,04 overgemaakt naar de eerste rekening.

2.4

Op 2 en 3 oktober 2014 is een bedrag van € 533.000,-, in deelboekingen van
€ 1.000,-, overgemaakt van de eerste rekening naar een andere rekening bij ING met nummer [nummer] (hierna: de tweede rekening) om vervolgens op
3 en 6 oktober 2014, in drie deelboekingen, naar een bankrekening in China te worden overgemaakt. De eerste en de tweede rekening staan op naam van Essential Artists B.V. (hierna: Essential Artists).

2.5

Op 3 november 2014 heeft [X] van Groupe Gecina bericht ontvangen dat zij de huur van het vierde kwartaal van 2014 nog niet had ontvangen en, nadat [X] haar had gewezen op de overboeking naar de eerste rekening, dat deze rekening niet van Groupe Gecina is.

2.6

Op 4 november 2014 heeft de bank van [X], Neuflize OBC, ING verzocht het overgemaakte bedrag van € 527.882,04 terug te boeken. ING heeft niet aan dat verzoek voldaan.

2.7

Op diezelfde dag heeft [X] de kwestie gemeld bij de Franse politie die de zaak heeft doorgeleid naar de ‘Tracfin’, het Franse equivalent van de FIOD.

2.8

Bij brief van 19 december 2014 heeft de advocaat van [X] ING, met een beroep op artikel 843a Rv, ten aanzien van de eerste rekening gesommeerd om binnen 14 dagen identificerende gegevens, klantonderzoekgegevens en bankafschriften te verstrekken. In het geval het door [X] overgemaakte bedrag is doorgeleid, is ING gesommeerd ook ten aanzien van die rekening identificerende gegevens, klantonderzoekgegevens en bankafschriften, waaruit het saldo op 4 november 2014 en het meest actuele saldo blijkt, te verstrekken.

2.9

In reactie daarop heeft ING bij e-mail van 13 januari 2015 aan de advocaat van [X] laten weten niet aan de sommatie te zullen voldoen. Om de bescheiden alsnog te verkrijgen heeft [X] ING onderhavige kort gedingprocedure tegen ING aanhangig gemaakt.

2.10

Voorafgaand aan de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [X] ten aanzien van de eerste rekening de volgende bescheiden van ING ontvangen:

  • -

    de naam van de rekeninghouder;

  • -

    bankafschriften waaruit de bijschrijving op 29 september 2014 van het door [X] overgemaakte bedrag van € 527.882,04 en de overboekingen van de eerste naar de tweede rekening blijken;

  • -

    opgave van het saldo op 4 november 2014 en 27 januari 2015 van respectievelijk
    € 16.567,68 en € 785,-.

Voor het verstrekken van deze bescheiden had ING toestemming aan Essential Artists gevraagd en gekregen.

3 Beoordeling

Het geschil en de procedures in eerste aanleg

3.1

[X] heeft in eerste aanleg na eiswijziging - kort weergegeven - op grond van artikel 843a Rv op straffe van een dwangsom veroordeling van ING gevorderd tot het verstrekken van de volgende bescheiden:

I. de klantonderzoekgegevens van ING omtrent de houder van de eerste en de tweede rekening;

II. afschriften van bankafschriften dan wel uittreksel hiervan waaruit blijkt van alle ontvangen en gedane betalingen die zijn gelopen via de eerste en de tweede rekening, met vermelding van alle transactie data en bedragen;

III. afschriften waaruit blijkt van het saldo van de tweede rekening op 4 november 2014 en van het meest actuele saldo op deze rekening;

alsmede indien en voor zover toepasselijk:

IV. het bankrekeningnummer of de bankrekeningnummers waarnaar het door [X] betaalde bedrag c.q. de serie boekingen van de tweede rekening is doorgeleid en de tenaamstelling van deze bankrekening(en) met vermelding van de transactiedata en de exacte bedragen;

V. de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de betreffende rekening(en) alsmede de klantonderzoekgegevens van ING omtrent de houder(s) van deze bankrekening(en).

3.2

Bij het bestreden vonnis is ING - kort weergegeven - veroordeeld om aan [X] te verstrekken (i) de klantonderzoekgegevens omtrent de houder van de eerste en de tweede rekening, (ii) alle bankafschriften van de eerste en de tweede rekening, waaronder (iii) de bankafschriften waaruit het saldo op de tweede rekening op 4 november 2014 en het meest actuele saldo op die rekening blijkt. De hiervoor onder 3.1, sub IV en V, weergegeven vorderingen zijn in het bestreden vonnis afgewezen. Omdat de voorzieningenrechter geen aanleiding zag om ervan uit te gaan dat ING niet aan het bestreden vonnis zou voldoen, is geen dwangsom opgelegd.

3.3

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt ING met haar grieven op. Omdat de zaak voor ING een principieel karakter heeft en de informatieverstrekking onomkeerbaar is, heeft ING [X] laten weten niet aan het bestreden vonnis te zullen voldoen. [X] heeft daarom in een kort gedingprocedure tegen ING gevorderd alsnog een dwangsom aan het bestreden vonnis te verbinden, welke vordering tot een maximum van € 500.000,- (met bepaling van de dwangsom op € 10.000,-) bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2015 is toegewezen. ING heeft vervolgens alsnog aan het bestreden vonnis voldaan.

De grieven

3.4

De grieven 2, met acht subgrieven, 3, met vijf subgrieven, en 4 richten zich achtereenvolgens tegen de verstrekking van de klantonderzoekgegevens, de afgifte van alle bankafschriften en de afgifte van saldo overzichten. Met grieven 5, met vijf subgrieven, 6 en 7, met 2 subgrieven, wordt vervolgens opgekomen tegen de beslissingen omtrent het spoedeisend belang, de dwangsom en tegen het dictum.

3.5

Het hof zal de grieven, voor zover die bespreking behoeven, gezamenlijk onder de volgende onderwerpen bespreken.

Spoedeisend belang

3.6

Aan de orde is een vordering gebaseerd op art. 843a Rv. Een dergelijke vordering is in kort geding slechts toewijsbaar indien [X] daarbij een spoedeisend belang heeft.

3.7

Voorop staat dat de vordering van [X] een tweeledig doel heeft. Enerzijds behoeft zij informatie om de gang en bestemming van de gelden van [X] te traceren en bewijsmateriaal jegens de (frauduleuze) rekeninghouder(s) te verzamelen (hierna: het eerste doel) en anderzijds wenst zij inzage in stukken om haar rechtspositie jegens ING wegens schending van haar zorgplicht te bepalen (hierna: het tweede doel). Voor deze op zichzelf staande doelen moet afzonderlijk worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang. Dit is in het bestreden vonnis onvoldoende tot uitdrukking gekomen.

3.8

Ten aanzien van het eerste doel heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat van [X] niet kan worden gevergd dat zij daarvoor een langdurige bodemprocedure voert. Immers, voldoende aannemelijk is dat [X] slachtoffer is geworden van fraude en dat de eerste en de tweede rekening daarvoor zijn gebruikt. Om het door haar overgemaakte bedrag terug te kunnen vorderen, zal zij de gang en bestemming daarvan moeten achterhalen. Omdat (onder meer) het risico bestaat dat het bedrag wordt opgebruikt, is een onverwijlde voorziening geboden ertoe strekkende dat ING deze gegevens verschaft. Het belang van [X] bij het verkrijgen van de onderhavige gegevens weegt in dit geval zwaarder dan het belang van de rekeninghouder bij bescherming van haar gegevens.

3.9

Ten aanzien van het hiervoor als tweede genoemde doel van de vordering valt echter niet in te zien waarom een bodemprocedure niet afgewacht zou kunnen worden. Door [X] is niet of onvoldoende gemotiveerd gesteld dat of waarom zij nu reeds over de gevraagde stukken moet beschikken. Daar komt nog bij dat de stukken waarvan afschrift wordt gevorderd geen stukken zijn waarvan gevreesd moet worden dat deze verloren dreigen te gaan. In het kader van een eventuele bodemprocedure kan altijd nog een (nieuwe) art. 843a Rv-vordering worden ingesteld.

3.10

In het licht van het vorenstaande volgt het hof de voorzieningenrechter niet in haar oordeel dat [X] een voldoende spoedeisend belang bij alle onderdelen van haar vordering heeft. Naar het oordeel van het hof heeft [X] alleen een spoedeisend belang bij haar vordering, voor zover de stukken waarvan afschrift wordt gevorderd zien op het traceren van het door [X] overgemaakte bedrag met het oog op verhaalsmogelijkheden en het verzamelen van bewijsmateriaal jegens de (frauduleuze) rekeninghouder(s).

3.11

De vordering ter zake van de verkrijging van stukken met betrekking tot de rol van ING zelf met het oog op haar zorgplicht jegens [X] wordt, bij gebreke van een spoedeisend belang, alsnog afgewezen. Niet alleen de klantonderzoekgegevens hebben betrekking op voormelde rol van ING, maar ook de bankafschriften van de eerste en de tweede rekening tot 28 september 2014, te weten de dag waarop het bedrag van € 527.882,04 door [X] naar de eerste rekening is overgemaakt. Deze dienden er immers naar voorshands oordeel hoofdzakelijk toe om te bezien of ING bedacht had moeten zijn op frauduleus handelen met die rekeningen.

Vereisten art. 843a Rv

3.12

Voor wat betreft de verstrekking van alle bankafschriften van de eerste en de tweede rekening vanaf 28 september 2014, waaronder de bankafschriften waaruit het saldo op de tweede rekening op 4 november 2014 en het meest actuele saldo op die rekening blijkt, voldoet de vordering aan de vereisten van art. 843a Rv. [X] heeft een rechtmatig belang nu de gegevens relevant zijn voor het traceren van het overgeboekte bedrag met het oog op verhaalsmogelijkheden en het verzamelen van bewijsmateriaal jegens de eventuele fraudeurs van wie zij slachtoffer is geworden. De gegevens zijn voldoende concreet en van een in art. 843a Rv vermelde uitzondering is geen sprake. Ook hier geldt dat het belang van [X] in dit geval zwaarder weegt dan het belang van de rekeninghouder(s) en andere betrokkenen. De vordering van [X] hieromtrent is in het bestreden vonnis dan ook terecht toegewezen.

Vermeerdering van eis

3.13

Het hof ziet geen aanleiding [X] verdere verspreiding van de door ING aan haar reeds verstrekte gegevens en afschriften daarvan te verbieden en [X] te veroordelen tot vernietiging daarvan ook voor zover de veroordeling tot het verstrekken daarvan in hoger beroep niet toewijsbaar wordt geoordeeld. Daarbij speelt een rol dat het verstrekken van de gegevens bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt en ook overigens niet duidelijk en ongewis is wat het resultaat van toewijzing van die vordering zou zijn.

3.14

Hetgeen door partijen verder nog is gesteld behoeft geen bespreking meer, nu dit niet leidt tot een ander oordeel.

Slotsom

3.15

De slotsom van het voorgaande is dat het bestreden vonnis deels wordt vernietigd en voor het overige wordt bekrachtigd, een en ander als hierna te melden. De kosten van het hoger beroep zullen tussen partijen worden gecompenseerd, in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, aangezien partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover ING daarbij is veroordeeld binnen acht dagen na betekening van het bestreden vonnis aan [X] te verstrekken:

  • -

    de klantonderzoekgegevens omtrent de houder van ING bankrekening met nummer [nummer] en ING bankrekening met nummer [nummer], inhoudende dat ING het van deze rekeninghouder beschikbare intakeformulier dient te verstrekken en de nadere onderzoekgegevens en gegevens met betrekking tot de monitoring van het gebruik van de rekeningen en transacties van deze rekeninghouder, voor zover deze beschikbaar zijn;

  • -

    afschriften van alle bankafschriften 2014 dan wel een uittreksel hiervan van de ING bankrekening met nummer [nummer] en nummer [nummer], met vermelding van transactiedata en bedragen voor zover die betrekking hebben op de periode tot 28 september 2014;

wijst deze onderdelen van de vordering van [X] alsnog af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders dan in eerste aanleg gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.A.H. Melissen, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015.