Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2660

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
200.161.786/01
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; Enquete; afwijzing enqueteverzoek bij een zorginstelling; art. 2:345, 349 lid 1 BW. Niet kan worden gezegd dat het disfunctioneren van de medezeggenschap in dit geval een gegronde reden oplevert om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 345, 349
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1270
ARO 2015/158
JONDR 2015/844
AR-Updates.nl 2015-0634
OR-Updates.nl 2015-0289
GZR-Updates.nl 2015-0469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.161.786/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 3 juni 2015

inzake

de stichting

STICHTING ZORGBELANG GELDERLAND,

gevestigd te Arnhem,

VERZOEKSTER,

advocaten: mr. E.L. Pasma en mr. A.E. van den Heuvel, kantoorhoudende te Utrecht,

t e g e n

de stichting

STICHTING SINT MAARTENSKLINIEK,

gevestigd te Nijmegen,

VERWEERSTER,

advocaten: mr. K. Mous en mr. T. van Malssen, kantoorhoudende te Nijmegen,

e n t e g e n

de PATIENTENADVIESRAAD SINT MAARTENSKLINIEK NIJMEGEN,

gevestigd te Ubbergen,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: mr. R.C. de Mol en mr. M.H.J. van Rest, kantoorhoudende te Den Haag.

1. Het verloop van het geding

1.1 In het vervolg zal verzoekster (ook) worden aangeduid met Zorgbelang, verweerster met SMK en belanghebbende met de PAR.

1.2 Zorgbelang heeft bij op 24 december 2014 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift, met producties, de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van SMK op het terrein van de medezeggenschap over de periode vanaf 20 januari 2014. Daarbij heeft zij tevens verzocht - zakelijk weergegeven - bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding, een derde persoon te benoemen tot bestuurder van SMK met een aantal in het verzoekschrift genoemde taken en met een doorslaggevende stem ten aanzien van besluiten in verband met die taken, een derde persoon te benoemen in de Raad van Toezicht van SMK, eveneens met een doorslaggevende stem ten aanzien van besluiten met betrekking tot een aantal in het verzoekschrift genoemde taken, dan wel zodanige voorzieningen te treffen die de Ondernemingskamer passend acht, en voorts een beslissing te geven over, naar de Ondernemingskamer verstaat, de kosten van rechtsbijstand alsmede om SMK te veroordelen in de kosten van het geding.

1.3 De PAR heeft bij op 28 januari 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift tevens verzoekschrift, met producties, de Ondernemingskamer verzocht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van SMK vanaf 20 januari 2014. Daarbij heeft hij tevens verzocht - zakelijk weergegeven - bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding en steeds met het oog op de eerbiediging van de rechten van de PAR en het herstel van de verhoudingen met de PAR, een derde persoon te benoemen tot bestuurder van SMK met een doorslaggevende stem, een derde persoon te benoemen in de Raad van Toezicht van SMK, eveneens met een doorslaggevende stem, dan wel zodanige voorzieningen te treffen die de Ondernemingskamer passend acht, alsmede om SMK te veroordelen in de kosten van het geding.

1.4 Zorgbelang heeft bij op 11 maart 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen aanvullend verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer aanvullend verzocht - zakelijk weergegeven - bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding een onafhankelijke derde te benoemen tot lid van de PAR en te bepalen dat dit lid ten aanzien van besluiten met betrekking tot een aantal specifieke taken een doorslaggevende stem heeft, alsmede om SMK te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand.

1.5 SMK heeft bij op 19 maart 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift tevens inhoudende een voorwaardelijk incidenteel verzoek, met producties, de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad Zorgbelang niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans die verzoeken af te wijzen, de verzoeken van de PAR af te wijzen en voorts bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding - zakelijk weergegeven - de PAR te bevelen (i) zich constructief op te stellen, daaronder begrepen het tijdig uitbrengen van adviezen en het niet zonder gewichtige redenen afzeggen of verplaatsen van vergaderingen en (ii) uitsluitend juridische bijstand in te roepen voor zover dit redelijkerwijs noodzakelijk is met het oog op de uitoefening van medezeggenschap. Voorts heeft zij verzocht Zorgbelang te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met rente, en in de nakosten en verdere executiekosten.

1.6 De PAR heeft bij op 19 maart 2015 ingekomen aanvullend verweerschrift/verzoekschrift, met producties, de Ondernemingskamer aanvullend verzocht, zakelijk weergegeven, bij wijze van onmiddellijke voorziening SMK te gelasten binnen vijf dagen na een daartoe strekkende factuur een bedrag van € 40.000 te betalen als voorschot voor de door mr. De Mol en/of mr. Van Rest verrichte en nog te verrichten werkzaamheden.

1.7 De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 2 april 2015. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen overgelegde - aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen gezonden nadere producties, waaronder een overzicht van kosten van rechtsbijstand van Zorgbelang over de periode van 17 november 2014 tot 1 april 2015 ten bedrage van in totaal € 38.034,68. Partijen hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord. De PAR heeft verklaard dat hij niet beoogt een eigen enquêteverzoek te doen, maar dat hij beoogt dat het enquêteverzoek van Zorgbelang wordt toegewezen.

2 De feiten

De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten:

2.1

SMK is een ziekenhuis dat is gespecialiseerd in behandeling van aandoeningen op het gebied van houding en beweging. Zij biedt haar behandelingen aan op locaties in Nijmegen, Woerden, Boxmeer en Tiel. De hoofdlocatie van SMK is gevestigd te Nijmegen. Het bestuur van SMK bestaat uit [A] (hierna: [A]) - in functie vanaf 20 januari 2014 en sinds 1 maart 2014 als voorzitter - en [B] (hierna: [B]) - in functie sinds 1 juni 2014 als algemeen lid.

2.2

SMK heeft twee cliëntenraden, bij SMK patiëntenadviesraden genoemd. Naast de PAR is er een patiëntenadviesraad Woerden. Voorzitter van de PAR is [C].

2.3

In het “Reglement Patiëntenadviesraad (PAR) Nijmegen PRD RvB” (hierna: het Reglement) staan onder andere het doel, de werkwijze en de adviesbevoegdheid van de PAR en informatievoorziening aan de PAR geregeld. In de artikelen 9 en 11 daarvan staat:

“Artikel 9. Informatievoorziening

1. Het ziekenhuis stelt de PAR tijdig op de hoogte van een voorgenomen besluit en volgt daarbij hetgeen is gesteld in de WMC (artikel 3), met betrekking tot:

veranderingen in de behandel-, onderzoek- en zorgfuncties van de Maartenskliniek inclusief de plannen tot vernieuwing of ingrijpende verbouwing;

de randvoorwaarden van de zorg die directe consequenties hebben voor de patiënten (bezoektijden, hotelfunctie, etc.);

kwaliteitsbewaking en -ontwikkeling van de patiëntenzorg;

patiëntenrechten waaronder ook een privacyreglement;

patiëntenvoorlichting;

klachtenbehandeling;

patiëntveiligheid.

2. (…).

Artikel 11. Adviesbevoegdheid PAR

1. De Maartenskliniek stelt de PAR tijdig in de gelegenheid advies uit te brengen over voorgenomen besluiten met betrekking tot:

a. wijziging van doelstelling of grondslag;

b. overdracht van zeggenschap of fusie of het aangaan of verbreken van een duurzame samenwerking met andere instellingen;

c. belangrijke wijzigingen in de organisatie;

d. het benoemen van personen die rechtstreeks de hoogste zeggenschap zullen uitoefenen bij de leiding van arbeid in de instelling. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen de benoeming van de Raad van Bestuur enerzijds en directeuren zorgcentra, manager FB anderzijds.

(…)

e. algemeen beleid bij het toelaten en het beëindigen van zorg aan

cliënten;

f. begroting en jaarrekening en -verslag;

g. veranderingen in de behandel-, onderzoek- en zorgfuncties van de

Maartenskliniek inclusief de plannen tot vernieuwing of ingrijpende

verbouwing van de Maartenskliniek;

h. de randvoorwaarden van de zorg die directe consequenties hebben voor

de patiënten (bezoektijden, hotelfunctie, etc.);

i. kwaliteitsbewaking en -ontwikkeling van de patiëntenzorg;

j. patiëntenrechten waaronder ook een privacyreglement;

k. patiëntenvoorlichting;

l. klachtenbehandeling;

m. patiëntveiligheid

2. Een advies van de PAR dient binnen 6 weken na melding van het voorgenomen besluit aan de Raad van Bestuur te worden uitgebracht, tenzij in overleg een andere termijn is vastgesteld.

3. De Maartenskliniek neemt geen van een in lid 2 van dit artikel bedoeld advies afwijkend besluit, zonder voorafgaand overleg met de PAR. Desgewenst vindt een extra overleg met de PAR plaats. Wat betreft lid 1, onder h t/m l genoemde punten, neemt de Raad van Bestuur geen van een door de PAR schriftelijk uitgebracht advies afwijkend besluit, tenzij een speciaal daarvoor ingestelde commissie van vertrouwenspersonen heeft vastgesteld dat de Raad van Bestuur bij afweging van betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voornemen heeft kunnen komen.

4. De Maartenskliniek deelt haar definitieve besluit zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de PAR mee, waarbij een van het advies van de PAR afwijkend besluit door haar met redenen wordt omkleed.”

2.4

In het “Informatieprotocol Raad van Bestuur - Patiëntenadviesraad” (hierna: het Informatieprotocol) staan nadere afspraken over de informatieverstrekking door de Raad van Bestuur aan de patiëntenadviesraden van Nijmegen en Woerden. In de artikelen 3.1 en 4.1 van het Informatieprotocol staat:

“Art. 3.1

De Patiëntenadviesraad wint informatie in:

a. door met de Raad van Bestuur cq. directeur overeengekomen informatievoorziening in vergaderstukken;

b. tijdens zijn vergaderingen;

c. door verslagen van zijn vergaderingen;

d. door tussentijdse berichtgeving van de Raad van Bestuur cq. directeur via e-mail of schriftelijk;

e. door de gereguleerde en op wederzijdse informatievoorziening afgestemde contacten met een delegatie van de Raad van Toezicht in aanwezigheid van Raad van Bestuur en directeur;

f. door werkbezoeken aan afdelingen, deelname aan veiligheidsronden en ontmoetingen met medewerkers;

g. door aanwezigheid bij sociale, personele of andere evenementen in het concern;

h. door toegang tot het intranet van het concern;

i. door toezending van het relatieblad MaartensMagazine;

j. door periodiek overleg met (een delegatie van) de OR.

(…)

Artikel 4.1

Met uitzondering van gemaakte afspraken betreffende overleg, werkbezoeken, veiligheidsrondes en incidentele en/of privé contacten onthouden de Patiëntenadviesraad en individuele leden zich in de regel van rechtstreekse contacten binnen de stichting en dochterinstellingen- en vennootschappen. Indien toch noodzakelijk gebeurt dit na overleg tussen de Patiëntenadviesraad en de Raad van Bestuur c.q. de directeur.

2.5

SMK is op grond van artikel 6.2 van het Besluit van 3 november 2005, houdende uitvoering van enige bepalingen van de Wet toelating zorginstellingen (Uitvoeringsbesluit WTZi) gehouden het enquêterecht statutair toe te kennen aan een orgaan dat de cliënten vertegenwoordigt. In artikel 15 van haar statuten heeft SMK het enquêterecht toegekend aan (destijds de vereniging) Zorgbelang. Tussen SMK en Zorgbelang bestaat een ‘overeenkomst enquêterecht’. Artikel 1.4 van deze overeenkomst bepaalt dat een enquêteverzoek door Zorgbelang niet wordt ingediend ter zake van aangelegenheden die op grond van de Wet Medezeggenschap Clienten Zorgsector (hierna: WMCZ) in de patiëntenadviesraden van SMK in behandeling zijn of binnen afzienbare termijn in behandeling genomen gaan worden. Artikel 3 van de overeenkomst (Uitoefening enquêtrecht) bepaalt onder andere:

3.2 Zorgbelang (…) zal de situatie beoordelen en over de betreffende aangelegenheid overleg voeren met de Raad van Bestuur (…)

3.3

Voordat in een dergelijke situatie een besluit genomen wordt tot het al dan niet uitoefenen van het enquêterecht zal Zorgbelang (…) samen met de Sint Maartenskliniek trachten tot een oplossing te komen die acceptabel is voor diegenen die hiertoe een beroep op Zorgbelang (…) hebben gedaan.

(…)”

2.6

In een brief van 11 februari 2014 van de Raad van Bestuur ([A]) aan de PAR staat een wijziging van artikel 3.1 onder f van het Informatieprotocol. De brief luidt voor zover van belang:

“Op 10 februari jl. voerden wij een prettig gesprek over de ondersteuning van de Patiëntenadviesraad.

Wij spraken af dat ik de in dat overleg gemaakte afspraken naar u toe zou zenden, opdat wij in onze eerstvolgende gezamenlijke vergadering de afspraken definitief kunnen vaststellen.

Om zo zorgvuldig mogelijk patiëntgerichte besluiten te kunnen nemen, acht de Raad van Bestuur het van wezenlijk belang intensief samen te werken met de Patiëntenadviesraad. Het grote belang dat de Raad van Bestuur hecht aan de adviezen van de PAR blijkt uit het feit dat de Raad van Bestuur altijd hét aanspreekpunt wil zijn voor de PAR op het moment dat er besluiten genomen worden die patiënten raken. Om die reden woont een lid van de Raad van Bestuur altijd zelf de vergaderingen van de PAR bij. In ons overleg maakten wij daarom de volgende afspraken:

1. Informatiestromen tussen medewerkers van de Sint Maartenskliniek en de PAR lopen altijd via de Raad van Bestuur. Op die manier kan de Raad van Bestuur recht doen aan zijn verantwoordelijkheid om de PAR adequaat te informeren en heeft de PAR altijd te maken met een beslissingsbevoegde gesprekspartner. Om diezelfde redenen voert de PAR geen gesprekken met medewerkers over adviesaanvragen en nodigt de PAR geen medewerkers ter vergadering uit zonder daarover contact te hebben gehad met de Raad van Bestuur.

2. De PAR mag de Raad van Bestuur altijd bevragen over het beleid ten aanzien van de patiëntveiligheid in de Sint Maartenskliniek. De Raad van Bestuur draagt in die gevallen zorg voor een adequate en tijdige reactie. Leden van de PAR vergaren hierover niet zelf informatie via interviews met medewerkers of via deelname aan veiligheidsrondes.

(…).

Vanzelfsprekend ben ik bereid de gemaakte afspraken toe te lichten in onze eerstvolgende vergadering. (...).

2.7

Deze brief heeft aanleiding gegeven tot discussie tussen partijen. Samengevat heeft de PAR zich daarbij op het standpunt gesteld dat de in de brief van 11 februari 2014 verwoorde afspraken niet zo zijn gemaakt tijdens de bijeenkomst van 10 februari 2014, dat de voorgestelde wijzigingen nader zouden worden besproken op het eerstvolgende overleg van 6 maart 2014 en dat de Raad van Bestuur ten onrechte reeds een definitief besluit over de wijzigingen had genomen. In het overleg tussen de Raad van Bestuur en de PAR op 6 maart 2014 heeft de PAR uitgesproken dat hij geen vertrouwen meer had in een eerlijke en transparante samenwerking met de Raad van Bestuur. Tijdens een overleg op 9 april 2014 “en petit comité” bestaande uit leden van de Raad van Bestuur en van de PAR, heeft de PAR opnieuw uitgesproken dat de PAR zich ernstig miskend voelt en dat zijn vertrouwen in de Raad van Bestuur is geschonden door de, in zijn ogen, eenzijdig vastgestelde wijzigingen in de brief van 11 februari 2014.

2.8

Bij brief van 12 mei 2014 heeft de PAR de Raad van Bestuur geïnformeerd een advocaat te hebben ingeschakeld en dat de kosten daarvan voor rekening van SMK komen.

2.9

In reactie op deze brief heeft de Raad van Bestuur bij brief van 28 mei 2014 aan de PAR geschreven, zakelijk weergegeven, dat de verschillen van inzicht tussen de Raad van Bestuur en de PAR niet dermate groot zijn dat dat de inschakeling van een advocaat rechtvaardigt, dat de door de PAR afgezegde vergadering van 22 mei 2014 een goed moment was geweest om nader te overleggen, dat het de voorkeur heeft van de Raad van Bestuur om opnieuw met elkaar in overleg te treden en dat de Raad van Bestuur de kosten van de advocaat niet voor haar rekening neemt omdat zowel de aard van het kennelijk geschil als de opdracht aan de advocaat onduidelijk zijn.

2.10

In vervolg op deze brief heeft de PAR in een brief van 3 juni 2014 aan de Raad van Bestuur onder meer geschreven, zakelijk weergegeven, dat mr. De Mol en mr. Van Rest de PAR inmiddels hebben geadviseerd over de rechten en plichten van de PAR en dat de directe aanleiding daartoe is gelegen in de brief van 11 februari 2014. In de brief staat voorts:

“Daarnaast hebben onze adviseurs bij het bestuderen van de geldende regelingen met betrekking tot de samenwerking van de PAR, de RvB en eventuele overige betrokkenen diverse punten geïdentificeerd waarover in een later stadium onduidelijkheid zou kunnen ontstaan over de uitleg of toepassing daarvan. Gezien deze twee punten (…) en het bijkomend gegeven dat het bestaande reglement klaar ligt voor herziening, lijkt het ons goed om (…) een nieuwe start te maken en dus (ook) de bestaande regelingen te herzien en in onderling overleg duidelijke, constructieve afspraken te maken over de verdere samenwerking binnen de SMK. (…). Vandaar dat wij onze adviseurs hebben verzocht ons van concepten te voorzien voor nieuwe regelingen, zodat wij deze aan u als RvB ook op korte termijn ter overleg en afstemming kunnen voorleggen. (…)

2.11

Op 3 juli 2014 heeft een bespreking tussen de PAR en de Raad van Bestuur plaatsgevonden. Die bespreking is zowel volgens de Raad van Bestuur als volgens de PAR niet constructief verlopen. Bij brief van 9 juli 2014 heeft SMK aan de PAR onder meer laten weten dat zij het bestaande reglement en informatieprotocol zal respecteren en dat, indien zij wijzigingen beoogt, daarover advies zal vragen aan de PAR. Sindsdien hebben de PAR en de Raad van Bestuur uitgebreid gecorrespondeerd en overlegd over onder andere de betekenis van de brief van 11 februari 2014, de vraag welke informatie de Raad van Bestuur aan de PAR zou moeten verstrekken, de vraag hoe de informatiestroom tussen medewerkers van SMK en de PAR vorm zou moeten krijgen, het al dan niet meelopen met veiligheidsrondes door de PAR, de (overige) invulling van taken en verantwoordelijkheden van de PAR, de kosten van rechtsbijstand van de PAR, de wijze waarop de Raad van Bestuur met de PAR zou moeten samenwerken en de uitleg van gemaakte afspraken.

2.12

Bij brief van 25 augustus 2014 heeft de PAR een voorstel van de Raad van Bestuur om een externe bemiddelaar in te schakelen afgewezen omdat de PAR dat geen begaanbare weg achtte met redelijk zicht op een oplossing.

2.13

Eind september 2014 heeft de PAR zich tot Zorgbelang - als houder van het enquêterecht - gericht met het verzoek een enquêteverzoek in te dienen. Een bemiddelingspoging van Zorgbelang in oktober en november 2014 heeft niet tot resultaat geleid omdat de PAR niet bereid was aan bemiddeling mee te werken.

2.14

Bij brief van 8 oktober 2014 heeft de Raad van Bestuur aan de PAR onder andere voorgesteld de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden, zijnde een commissie als bedoeld in artikel 10 lid 1 WMCZ, (hierna ook: LCvV) te benaderen met de vraag of de Raad van Bestuur voldoet aan de eisen van de wet, het Reglement en het Protocol op het gebied van de informatievoorziening aan de PAR. De PAR heeft dit geweigerd. Ook voorstellen van de Raad van Bestuur tot andere vormen van bemiddeling heeft de PAR geweigerd.

2.15

In de tweede helft van 2014 heeft de PAR drie geplande overlegvergaderingen met de Raad van Bestuur afgezegd.

2.16

De PAR heeft in kort geding bij de rechtbank Gelderland gevorderd, zakelijk weergegeven, dat SMK op straffe van een dwangsom aan de PAR (i) volledig opgave doet van alle voorgenomen en genomen besluiten vanaf 1 januari 2014, (ii) alle notulen van vergaderingen van haar bestuur vanaf 1 januari 2014 overlegt, (iii) volledig opgave doet van alle onderwerpen die naar verwachting tot maart 2015 zullen spelen, inclusief alle onderliggende stukken, (iv) het enquêterecht aan de PAR toekent, en voorts (v) dat SMK een aanvullend lid van de Raad van Bestuur en een aanvullend lid van de Raad van Toezicht benoemt met een doorslaggevende stem en (vi) dat SMK een bedrag van € 40.000 als voorschot voor Mr. De Mol (en mr. Van Rest) betaalt voor verrichte en nog te verrichten werkzaamheden. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 23 januari 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:322) als volgt overwogen en beslist:

4.2 Uit de stukken en uit de behandeling ter zitting is gebleken dat de PAR en de RvB zijn vastgelopen in een conflict rondom de vraag welke informatie de PAR uit hoofde van art. 5 WMCZ moet krijgen om zijn taak te kunnen vervullen, welke informatie de PAR metterdaad heeft gekregen, of dat voldoende informatie was en welke informatie dan ontbreekt. Volgens art. 5 lid 1 WMCZ verstrekt de zorgaanbieder, SMK, aan de cliëntenraad, PAR, tijdig en, desgevraagd, schriftelijk alle inlichtingen en gegevens die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft. (…) Voor geschillen hieromtrent zal de PAR (…) in beginsel de weg van art. 10 lid 1 WMCZ moeten volgen. (…) De RvB van SMK heeft er herhaaldelijk bij de PAR op aangedrongen het geschil over de informatieverstrekking aan de LCvV voor te leggen. De PAR heeft dat tot op heden geweigerd. Toch zal de PAR die weg moeten volgen. (…) Ook en daarnaast kan aan andere vormen van bemiddeling worden gedacht, maar de PAR heeft die tot op heden ook categorisch geweigerd, zolang hem niet alle stukken worden verschaft waarop hij meent recht te hebben.

4.3

Anders dan de PAR meent, heeft hij niet ongeclausuleerd recht op alle onderliggende stukken ten aanzien van alle (voorgenomen) besluiten van de RvB. (…) Daarbij komt dat de taak van de PAR beperkt is tot het collectief behartigen van het patiëntenbelang in de zorginstelling en het ter uitvoering daarvan gevraagd en ongevraagd adviseren over onderwerpen die het patiëntenbelang betreffen. Zeker niet alle voorgenomen besluiten van de RvB gaan daarover. (…) Voor zover de vordering strekt tot het ongeclausuleerd verschaffen van al die stukken, moet die worden afgewezen. Ook heeft de PAR niet zonder meer recht op alle notulen van vergaderingen van de RvB. (…) De aanspraak op inzage en verkrijging van notulen is meer in het algemeen geregeld in art. 9 WMCZ. Daarbij gaat het als zodanig niet om het verschaffen van de notulen aan de PAR. De RvB zal echter uitvoering moeten geven aan het bepaalde in art. 9 WMCZ, voor zover de notulen algemene beleidszaken betreffen. (…) SMK (zal) worden veroordeeld die notulen -binnen de grenzen van art. 9 WMCZ- aan de PAR te verstrekken.

4.4 (…)

Het lijdt geen twijfel dat de PAR zijn taak in het afgelopen jaar niet naar behoren heeft vervuld. Dat ligt minstens evenveel aan de opstelling van de PAR als aan die van de RvB. (…) De RvB zal een complete lijst van alle (voorgenomen) besluiten en van alle onderwerpen die nog aan de orde zullen komen over de periode van 1 januari 2014 tot en met maart 2015 aan de PAR moeten verstrekken, waarin per (voor)genomen besluit of onderwerp dat nog aan de orde zal komen een korte omschrijving staat van het onderwerp en waarin omschreven staat wat er, indien reeds een besluit is (voor)genomen, precies is besloten (…).

4.6

Voor het aanwijzen van een extra lid van de RvB en de RvT (…) ziet de voorzieningenrechter geen rechtsgrond. (…) Het gaat hier om een samenwerkingsprobleem tussen de PAR en de RvB (…). Getracht zal moeten worden het samenwerkingsprobleem eerst op te lossen. Gesprek, bemiddeling en de gang naar de LCvV is de PAR tot op heden uit de weg gegaan (…) waarbij opmerking verdient dat indien het samenwerkingsprobleem niet wordt opgelost en wijziging van de samenstelling van de groep nodig zou zijn, dat niet noodzakelijkerwijs (alleen) de RvB en de RvT zou kunnen betreffen maar ook de PAR.

4.7

Ten slotte de door de PAR gemaakte kosten van juridische bijstand. Dat SMK daarin tot op zekere hoogte zal moeten voorzien, lijdt geen twijfel. (…) (…) Ook binnen het kader van de beperkingen aan een geldvordering in kort geding ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een substantieel voorschot toe te kennen, dat gesteld zal worden op € 30.000,-.

(…)”

2.17

In een brief van 27 januari 2015 heeft de Raad van Bestuur de PAR uitgenodigd voor een bijeenkomst om

beide partijen over het voetlicht te laten brengen op welke wijze zij tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter aankijken en op welke wijze zij de toekomstige samenwerking zien.

2.18

De Raad van Bestuur heeft er in die brief op aangedrongen dat gesprek aan te gaan zonder aanwezigheid van juridische adviseurs.

2.19

In een bijlage bij een brief van 30 januari 2015 heeft de Raad van Bestuur ([B]) geschoonde notulen van vergaderingen van de Raad van Bestuur in de periode 14 januari 2014 tot en met 31 januari 2015 aan de PAR gezonden. Tevens is bijgevoegd (i) een besluitenlijst over 2014, waarin wordt verwezen naar de notulen ter toelichting op het besluit, en (ii) een lijst van onderwerpen waarover besluitvorming is te verwachten in de maanden februari en maart 2015. In de brief heeft de Raad van Bestuur toegelicht op welke wijze hij de notulen heeft geschoond. Verwijderd zijn opmerkingen en beschouwingen van persoonlijke aard, vertrouwelijke onderwerpen, vertrouwelijke informatie over personen en vertrouwelijke informatie over zakelijke gesprekken van informatieve aard of met mogelijk zakelijke juridische consequenties. Tevens heeft de Raad van Bestuur de PAR uitgenodigd om in gesprek te gaan over vragen die de notulen bij de PAR oproepen. De brief vervolgt met:

Ik geef u graag de gelegenheid om op deze manier aan uw wens te voldoen om voldoende materiaal en kennis te verzamelen waarop u nog voorliggende adviesaanvragen en toekomstige adviesaanvragen in een goed perspectief kunt zetten.

2.20

Bij brief van 3 februari 2015 heeft Zorgbelang de PAR en de Raad van Bestuur naar aanleiding van het vonnis van de voorzieningenrechter opgeroepen op korte termijn een serieuze poging te ondernemen om hun samenwerkingsprobleem op constructieve wijze op te lossen. Zorgbelang heeft voorts medegedeeld dat zij kennis heeft genomen van het verweerschrift van de PAR in de enquêteprocedure dat daags na bedoeld vonnis is ingediend. Zij heeft daarover opgemerkt dat zij er op vertrouwt

dat de PAR, hoewel de inhoud van dit processtuk en het tijdstip van indiening mogelijk een ander beeld oproepen, de opdracht van de Voorzieningenrechter serieus oppakt en reflecteert op de opmerkingen die de Voorzieningenrechter over de opstelling van de (voorzitter van de PAR) heeft gemaakt.”

2.21

Op 3 februari 2015 heeft de Raad van Bestuur opdracht gegeven overeenkomstig het vonnis van de voorzieningenrechter over te gaan tot betaling van een bedrag van €30.000 inclusief BTW aan mr. De Mol.

2.22

Bij brief van 6 februari 2015 heeft de PAR aan de Raad van Bestuur onder meer geschreven dat de PAR niet kan vaststellen of de notulen binnen het kader van artikel 9 WMCZ zijn geschoond, dat de PAR alle beschikbare stukken wil ontvangen over een aantal onderwerpen, onder andere ten aanzien van het Kindcentrum Boxmeer (een samenwerkingsverband met het Maasziekenhuis Pantein), dat de PAR, zoals al eerder kenbaar was gemaakt, financiële maandrapportages van na september 2014 wenst te ontvangen, evenals de jaarrekening 2013, welke ondanks het ontbreken van advies van de PAR is gedeponeerd. Daarnaast heeft de PAR een overzicht gevraagd van alle adviesaanvragen. Tot slot heeft de PAR geschreven dat het voor de PAR onacceptabel is dat de Raad van Bestuur weigert onvoorwaardelijk toe te zeggen dat de PAR zich extern mag laten bijstaan door een juridisch adviseur, dat de Raad van Bestuur aan de PAR dient te bevestigen dat hij zich niet langer zal verzetten tegen declaraties en dat er - onvermijdelijk - nog een traject te gaan is voordat er weer zonder juridische bijstand aan beide zijden kan worden samengewerkt.

2.23

Bij brief van 11 februari 2015 heeft de Raad van Bestuur aan de PAR een overzicht gestuurd van openstaande adviesaanvragen, waarvan de adviestermijn inmiddels was verstreken met de mededeling dat de Raad van Bestuur de adviezen zo snel mogelijk wil ontvangen.

2.24

Bij email van 12 februari 2015 heeft [B] aan onder anderen [C] bericht, naar aanleiding van een gesprek dat de Raad van Bestuur met de PAR heeft gevoerd, dat de PAR op korte termijn een schriftelijke reactie kan verwachten op gestelde vragen, waar mogelijk voorzien van onderliggende stukken of een toelichting waarom die stukken ontbreken en dat eveneens op korte termijn een vervolggesprek zal worden gepland.

2.25

Bij brief van 16 februari 2015 heeft de Raad van Bestuur in reactie op bovengenoemde brief van de PAR van 6 februari 2015 onder meer geschreven dat hij nog in afwachting is van het advies van de PAR op voorgenomen besluiten die sinds september 2014 aan de PAR zijn voorgelegd. Voorts heeft de Raad van Bestuur een inhoudelijke reactie gegeven op de door de PAR gestelde vragen, onder meer ten aanzien van het Kindcentrum Boxmeer, waarover de Raad van Bestuur opmerkt dat een voorgenomen besluit - dat is gebaseerd op een PowerPointpresentatie en op een projectplan - ter advisering is aangeboden en dat hij hoopt het advies van de PAR zo spoedig mogelijk te ontvangen. De brief sluit af met een herhaalde wens van de Raad van Bestuur om zo spoedig mogelijk het gesprek met de PAR over in de brief genoemde thema’s en adviesaanvragen te hervatten.

2.26

Op 18 februari 2015 heeft de Raad van Bestuur aan de PAR de financiële rapportage oktober 2014 toegestuurd en tevens een voortgangsrapportage van 3 december 2014 van de Raad van Bestuur met informatie over lopende zaken.

2.27

Tijdens een overlegvergadering van 19 februari 2015 zijn onderwerpen besproken die in de brieven van 6 en 16 februari 2015 staan genoemd. Over de samenwerking met het Kindcentrum Boxmeer staat in de (concept) notulen van deze vergadering dat de intentieverklaring met betrekking tot die samenwerking niet openbaar is, dat de Raad van Bestuur de afgelopen tijd niet de gelegenheid heeft gehad om de PAR hierover te informeren en dat [B] er voor zal zorgen dat “zowel de intentieverklaring als het projectplan, inclusief de PowerPoint presentatie met vier scenario’s beschikbaar komt voor PAR.” De Raad van Bestuur heeft voorts voorgesteld om samen met een mediator het vervolgtraject in te gaan. Op 20 februari 2015 en nogmaals op 23 februari 2015 heeft de Raad van Bestuur de – reeds getekende – intentieovereenkomst met betrekking tot het Kindcentrum Boxmeer aan de PAR toegestuurd.

2.28

Op 20 februari 2015 is namens de Raad van Bestuur een email aan de PAR ([C]) gestuurd met de volgende inhoud:

“Tijdens de vergadering gisteren zijn een groot aantal adviesaanvragen besproken. De adviesaanvragen m.b.t. het jaarplan en begroting 2015 en de organisatorische wijzigingen bij Revalidatie zijn echter niet aan de orde geweest. (…) Kun je me informeren over de verwachte termijn waarop de Raad van Bestuur jullie advies op deze thema’s tegemoet kan zien?”

2.29

In reactie hierop heeft de PAR aan de Raad van Bestuur bericht dat de beide adviesaanvragen in het interne overleg ter sprake zijn geweest maar dat het vooralsnog niet mogelijk is om ter zake van beide aanvragen advies uit te brengen en voorts dat nog ontbrekende actuele gegevens over 2014 een advies over de begroting in de weg staan. Zodra de PAR meer informatie heeft, kan de PAR mogelijk alsnog advies uitbrengen, aldus het bericht.

2.30

Bij brief van 23 februari 2015 heeft de Raad van Bestuur aan de PAR een verklaring gegeven voor het negatief resultaat in de jaarrekening 2013.

2.31

Bij brief van 24 februari 2015 aan de PAR heeft de Raad van Bestuur nogmaals aan de PAR voorgesteld een mediationtraject te starten.

2.32

Bij email van diezelfde dag heeft de Raad van Bestuur aan Zorgbelang verslag gedaan van de ontwikkelingen in de relatie tussen de Raad van Bestuur en de PAR sinds het vonnis van de voorzieningenrechter. In het bericht staat onder meer:

“Er zijn nog wel feitelijke verschillen van inzicht (waarbij de PAR overigens tot op heden niets heeft gezegd over toch eventueel inschakelen van de landelijke commissie) en er zal vertrouwen in de onderlinge samenwerking moeten komen. Ons inziens is mediation hiervoor de weg.

2.33

De PAR heeft bij brief van 24 februari 2015 aan de Raad van Bestuur geschreven dat hij nog steeds niet in staat wordt gesteld goed te functioneren, dat de Raad van Bestuur nauwelijks informatie verstrekt, in het geheel niet reageert op concrete verzoeken en vragen en dat de overleggen die zijn gevoerd onvoldoende hebben opgeleverd.

2.34

Bij brief van 26 februari 2015 heeft de Raad van Bestuur zijn aanbod aan de PAR tot mediation herhaald en voorts gemeld dat de Raad van Bestuur de door de PAR aangekondigde adviezen graag tegemoet ziet.

2.35

Bij email van 3 maart 2015 heeft de PAR positief geadviseerd over een aantal adviesaanvragen. De email sluit af met:

Inmiddels is gebleken dat wij de intentieverklaring Kinderzorg SMK locatie MZH op 20 februari hadden ontvangen. Voor het overige hebben wij (ook naar aanleiding van onze brief van 24 februari) geen voldoende reactie ontvangen op onze brief van 6 februari 2015. Wij zullen ons dus verder richten op de procedure bij de Ondernemingskamer.”

2.36

De Raad van Bestuur heeft bij brief van 4 maart 2015 aan de PAR gevraagd, mede gezien het verloop en de notulen van het overleg van 19 februari 2015, op welke punten de PAR nog onvoldoende informatie heeft en op welke wijze de PAR geïnformeerd wil worden. Verder staat in de brief dat de PAR helaas niet ingaat op het door de Raad van Bestuur herhaalde aanbod om tot mediation over te gaan en evenmin gevolg geeft aan de oproep van de voorzieningenrechter om de LCvV in te schakelen.

2.37

Mr. de Mol heeft bij email van 4 maart 2015 aan de advocaat van Zorgbelang bericht dat de PAR niet zal ingaan op een verzoek tot mediation van SMK, met het verzoek SMK daarover niet te informeren.

2.38

Zorgbelang heeft in een brief van 6 maart 2015 de PAR verzocht kenbaar te maken wat zijn visie is op de ontwikkelingen in de relatie met de Raad van Bestuur en of en op welke wijze uitvoering is gegeven aan het bemiddelingstraject en of het verzoek tot mediation van de Raad van Bestuur alsnog wordt aanvaard. In reactie hierop heeft de PAR voorgesteld in een mondeling overleg zijn visie op de ontwikkelingen uiteen te zetten.

3 De gronden van de beslissing

3.1

Zorgbelang heeft aan haar stelling dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid van SMK en dat onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen ten grondslag gelegd dat SMK ten aanzien van een aantal genomen of voorgenomen adviesplichtige besluiten de PAR niet in de gelegenheid heeft gesteld advies uit te brengen en dat SMK ten aanzien van niet adviesplichtige onderwerpen de PAR onvoldoende informatie verstrekt, welke de PAR redelijkerwijs nodig heeft voor zijn taakvervulling. Volgens Zorgbelang komt SMK haar verplichtingen jegens de PAR uit de WMCZ, het protocol en het Reglement niet na. De verhouding tussen Raad van Bestuur en de PAR is zodanig ernstig verstoord dat de PAR de belangen van de patiënten van SMK niet meer goed kan vertegenwoordigen. In dat verband spreekt Zorgbelang van een impasse in de onderlinge verhouding, waardoor de medezeggenschap niet kan worden uitgeoefend.

3.2

In haar aanvullend verzoek heeft Zorgbelang gewezen op het inmiddels gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van 23 januari 2015. Zorgbelang heeft de PAR en de Raad van Bestuur opgeroepen bij brief van 3 februari 2015 om uitvoering te geven aan dit vonnis. Volgens Zorgbelang heeft SMK aan deze oproep gehoor gegeven en heeft zij zich ingespannen de impasse te doorbreken. De PAR heeft er geen althans weinig blijk van gegeven, het vonnis ter harte te hebben genomen, aldus Zorgbelang. De PAR lijkt niet kritisch en adequaat te reflecteren op het eigen functioneren en handelen en lijkt evenmin bereid mee te werken aan bemiddeling. Naar de indruk van Zorgbelang verleent de PAR - al dan niet daartoe door zijn advocaten geadviseerd - geen medewerking aan een oplossing van de samenwerkingsproblematiek en legt de PAR de uitspraak van de voorzieningenrechter naast zich neer. Zorgbelang acht het van belang dat deze opstelling wordt doorbroken. Daarnaast heeft zij naar voren gebracht dat de PAR in zijn huidige samenstelling niet bij machte lijkt te zijn om mee te werken aan een constructieve oplossing, ook niet nadat SMK de informatievoorziening aan de PAR heeft hervat. Om de impasse te doorbreken, acht Zorgbelang het noodzakelijk dat de PAR wordt uitgebreid met een lid met doorslaggevende stem. Ter gelegenheid van de zitting heeft Zorgbelang (de handhaving van) haar verzoek nog aldus toegelicht dat in een mondeling overleg met de PAR (zie hierboven onder 2.38) naar voren is gekomen dat - volgens de PAR - de Raad van Bestuur onvoldoende informatie heeft verschaft aan de PAR ten aanzien van het voorgenomen besluit Kindcentrum Boxmeer.

3.3

De PAR heeft zich op het standpunt gesteld dat er al lange tijd een impasse is in de patiënten-medezeggenschap in SMK. De Raad van Bestuur heeft op verschillende vlakken en meerdere malen de wettelijke rechten van de PAR geschonden, onder meer door het onthouden van de informatie die de PAR nodig heeft om te kunnen functioneren. Ook zijn diverse malen adviesrechten genegeerd en weigert SMK de rechtsbijstand aan de PAR te bekostigen. Volgens de PAR heeft de Raad van Bestuur geen enkele maatregel genomen om naleving van de rechten van de PAR te waarborgen of te bevorderen. Ter terechtzitting heeft de PAR er op gewezen dat er een aantal “medezeggenschapafslagen” is gemist, zoals ten aanzien van de jaarrekening 2013, het jaarplan en de begroting 2015 en de besluitvorming rond het Kindcentrum Boxmeer. Hij heeft voorts gesteld dat hij onvoldoende informatie krijgt om ongevraagd advies uit te kunnen brengen. In dat verband heeft hij gesteld dat passages in de notulen van vergaderingen van de Raad van Bestuur ten onrechte “zwart” zijn gemaakt.

3.4

SMK heeft zich primair op het standpunt gesteld dat Zorgbelang niet ontvankelijk is in haar verzoek nu zij niet heeft voldaan aan het vereiste van art. 2:349 lid 1 BW om haar bezwaren jegens SMK kenbaar te maken. Voorts belemmert art. 1.4 van de overeenkomst enquêterecht (en een vergelijkbare bepaling in de statuten) het indienen van een enquête verzoek omdat er sprake is van een situatie die op grond van de WMCZ bij de PAR in behandeling is en omdat de WMCZ voorziet in een procedure bij de LCvV. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van Zorgbelang op inhoudelijke gronden moet worden afgewezen, evenals het verzoek van PAR. Zij heeft daartoe in de kern aangevoerd dat zij uitvoering heeft gegeven aan het vonnis van de voorzieningenrechter, dat zij een aantal malen voorstellen heeft gedaan tot mediation - waarop de PAR niet heeft gereageerd -, dat zij alle informatie heeft verstrekt die de PAR redelijkerwijs nodig heeft voor de uitoefening van zijn functie, dat de PAR onwillig is de onderlinge verhouding te normaliseren en dat de PAR geen deugdelijke patiënten-vertegenwoordiging meer vormt. SMK heeft in dat verband naar voren gebracht dat de oplossing van de kwestie gelegen is in het beëindigen van de samenwerking met deze PAR en het opnieuw organiseren van de patiënten-medezeggenschap, bij voorkeur in overleg met Zorgbelang.

3.5

De Ondernemingskamer is van oordeel dat de verzoeken tot het gelasten van een enquête en het treffen van onmiddellijke voorzieningen moeten worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.

3.6

Het conflict tussen SMK en de PAR is begonnen naar aanleiding van een brief van 11 februari 2014 (hierboven weergegeven onder 2.6) ten aanzien van een wijziging van artikel 3.1 onder f van het Informatieprotocol. Wat er ook zij van de inhoud van deze brief, geconstateerd moet worden dat de wijze waarop de PAR op deze brief heeft gereageerd een juridisering van een verschil van inzicht in de hand heeft gewerkt, waardoor uiteindelijk een onwerkbare situatie is ontstaan. De houding van SMK is hieraan mede debet geweest; in de periode voordat het vonnis in kort geding werd gewezen, heeft SMK steken laten vallen (zoals ook de voorzieningenrechter heeft geconstateerd in het onder 2.16 aangehaalde vonnis). In het bijzonder heeft SMK, mogelijk onbedoeld, tenminste de suggestie gewekt het in 2.3 genoemde reglement eenzijdig te willen wijzigen en heeft zij die indruk niet voortvarend (want pas op 9 juli 2014 op ondubbelzinnige wijze) weggenomen toen de PAR daartegen bezwaar maakte. Toch kan niet worden geoordeeld dat het disfunctioneren van de medezeggenschap in dit geval een gegronde reden oplevert om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van SMK te twijfelen. Daarbij neemt de Ondernemingskamer in aanmerking hetgeen zich in de verhouding tussen SMK en de PAR heeft voorgedaan in de periode nadat genoemd vonnis is gewezen. De Raad van Bestuur heeft de PAR van informatie voorzien en er zijn adviezen gevraagd en uitgebracht ten aanzien van tal van onderwerpen. Hoewel dit er op het eerste gezicht op duidde dat, zoals ook Zorgbelang naar voren heeft gebracht, de medezeggenschap werd vlot getrokken, bleef de PAR klagen over een gebrek aan informatie. Op verzoeken van de Raad van Bestuur om hierover nader van gedachten te wisselen en duidelijk te maken op welke punten de PAR nog informatie behoefde, heeft de PAR niet concreet gereageerd. Opvallend is voorts de afwezigheid van een reactie van de PAR op voorstellen van de Raad van Bestuur om een procedure bij de LCvV te volgen - de in de wet aangewezen weg bij geschillen waarnaar in art. 10 lid 1 WMCZ wordt verwezen - of een mediator in te schakelen teneinde met elkaar in gesprek te raken en de samenwerking voor de toekomst gestalte te geven. Mede gezien de brief van Zorgbelang van 3 februari 2015 (hierboven weergegeven onder 2.20) waarin de PAR wordt opgeroepen de opdracht van de voorzieningenrechter serieus te nemen, is de consequent weigerachtige opstelling van de PAR, waarvoor hij geen afdoende verklaring heeft gegeven, onbegrijpelijk. De conclusie is dat de PAR onwelwillend is om een bijdrage te leveren aan een werkbare relatie. Dat de medezeggenschap is gestagneerd, is naar het oordeel van de Ondernemingskamer dan ook in overwegende mate te wijten aan de onwrikbare houding van (de voorzitter van) de PAR. Onder voormelde omstandigheden, in het bijzonder de initiatieven van de Raad van Bestuur om afspraken over de wijze van samenwerking te maken - waar een goede en effectieve uitvoering van medezeggenschap mee valt en staat -, kan die stagnatie niet leiden tot het oordeel dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid van SMK te twijfelen. Daar komt bij dat de PAR dient te beseffen gebonden te zijn aan het wettelijke kader van de WMCZ en dat hij niet wegens zijn recht om ook ongevraagd advies uit te brengen een ongelimiteerd recht op informatie heeft, zoals hij lijkt te suggereren.

3.7

Zorgbelang heeft gesteld dat SMK ten aanzien van een aantal concrete onderwerpen de PAR niet in de gelegenheid heeft gesteld advies uit te brengen. Het betreft de volgende onderwerpen:

- rookbeleid voor patiënten;

- facilitaire (horeca)voorzieningen;

- aanschaf (tijdelijke) luchtbeheersingsapparatuur;

- sluiting kleine (patiënten) zwembad;

- verbouwing/nieuwbouw gipskamer;

- managementvervanging;

- mogelijke fusie- en samenwerkingsverbanden met derden;

- pilot directe patiëntenfeedback.

Daarnaast heeft de PAR gesteld dat hij geen of geen voldoende informatie heeft gekregen ten aanzien van de jaarrekening 2013, het jaarplan en de begroting 2015 en de besluitvorming rond het Kindcentrum Boxmeer.

3.8

De Ondernemingskamer overweegt hierover het volgende. Blijkens de brief van 11 februari 2015 van de Raad van Bestuur aan de PAR (hierboven weergegeven onder 2.23), heeft de Raad van Bestuur advies gevraagd over - naast andere onderwerpen - het rookbeleid, de pilot directe patiëntenfeedback, het jaarplan en de begroting 2015 en het Kindcentrum Boxmeer. Tevens is aanvullende informatie verstrekt over de jaarrekening 2013. Ten aanzien van de overige onderwerpen heeft SMK eveneens gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stelling dat SMK geen advies heeft gevraagd. Zij heeft daarbij onder andere gewezen op de met de PAR gevoerde correspondentie in de periode na het vonnis in kort geding (waarin de PAR ten aanzien van een aantal onderwerpen positief heeft geadviseerd) en naar de notulen van de overlegvergadering van 16 februari 2015. Ten verwere tegen de stelling van de PAR dat notulen van vergaderingen van de Raad van Bestuur ten onrechte zijn geschoond, heeft zij gewezen op de uitleg die daarover is gegeven in de brief van 30 januari 2015 met daarin tevens een uitnodiging om hierover in gesprek te gaan (hierboven aangehaald onder 2.19). Aan die uitnodiging heeft de PAR naar het oordeel van de Ondernemingskamer ten onrechte geen gevolg gegeven, waardoor ook op dit punt aan SMK de mogelijkheid is onthouden om tot een werkbare relatie met de PAR te komen. Ter gelegenheid van de zitting is nog de besluitvorming rond het Kindcentrum Boxmeer aan de orde gekomen. Partijen verschillen van mening over de vraag of er voldoende informatie met de PAR is gedeeld. SMK heeft medegedeeld dat zij alle informatie aan de PAR beschikbaar heeft gesteld (de intentieverklaring, het projectplan, de PowerPoint presentatie met vier scenario’s) en dat zij in afwachting is van het advies van de PAR. Wat er ook zij van het verschil van mening over de informatievoorziening - de Ondernemingskamer sluit niet uit dat de informatie voorziening aanvankelijk te kort schoot - gelet op de hierboven onder 3.6 beschreven houding van de PAR, kan de gang van zaken rond de besluitvorming over het Kindcentrum Boxmeer niet worden aangemerkt als een gegronde reden om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van SMK te twijfelen. Ook op dit punt wreekt zich het ontbreken van een werkbaar samenwerkingsverband met afspraken. De Ondernemingskamer is samenvattend van oordeel dat zolang SMK bereid is om de samenwerking met de PAR vorm te geven, de LCvV of een mediator in te schakelen en de PAR dit alles weigert, er geen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van SMK te twijfelen. Het enkele feit van een - door alle partijen erkende - “impasse” in de medezeggenschap is hiertoe in dit geval onvoldoende. De Ondernemingskamer merkt in dat verband nog ten overvloede op dat SMK, zoals zij naar voren heeft gebracht, het initiatief kan nemen de samenstelling van de PAR te wijzigen, nu handhaving van die samenstelling in redelijkheid niet langer van haar kan worden gevergd indien de impasse nog langer zou voortduren.

3.9

De PAR heeft nog aangevoerd dat de weigering van SMK om de kosten van rechtsbijstand van de PAR te betalen een gegronde reden oplevert om aan een juist beleid van SMK te twijfelen. In het midden latend of er een wettelijke grondslag is op basis waarvan de PAR zijn (verdere) kosten van rechtsbijstand vergoed kan krijgen, overweegt de Ondernemingskamer dat een belangrijk deel van de door de PAR gemaakte kosten van rechtsbijstand een gevolg lijkt te zijn van de weigering van de PAR om het geschil met SMK op een constructieve wijze op te lossen. Voorts wijst de Ondernemingskamer er op dat SMK ter uitvoering van het vonnis van de voorzieningenrechter op 3 februari 2015 aan mr. De Mol een - substantieel - voorschot van € 30.000 inclusief BTW heeft betaald, welk voorschot ziet op verrichte en nog te verrichten werkzaamheden. Dat SMK vervolgens niet is overgegaan tot het betalen van nadere facturen van mr. De Mol kan, gelet op het feit dat in het voorschot ook de werkzaamheden zijn verdisconteerd die na het vonnis - voor zo ver redelijk - zijn verricht, niet leiden tot het oordeel dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid van SMK te twijfelen.

3.10

De conclusie uit de voorgaande overwegingen luidt dat de verzoeken van Zorgbelang en de PAR zullen worden afgewezen. Het primair door SMK ingenomen standpunt dat Zorgbelang niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek, behoeft gelet hierop geen nadere bespreking.

3.11

Zorgbelang heeft in haar aanvullend verzoekschrift verzocht SMK te veroordelen tot betaling van de door Zorgbelang gemaakte kosten van rechtsbijstand ten bedrage van € 38.034,68 Zorgbelang heeft dit verzoek niet aan haar verzoek tot het gelasten van een enquête en het treffen van onmiddellijke voorzieningen ten grondslag heeft gelegd maar gebaseerd op de overeenkomst enquêterecht tussen SMK en Zorgbelang. SMK heeft de verschuldigdheid van die kosten gemotiveerd betwist. De Ondernemingskamer overweegt dat de beantwoording van de vraag of en zo ja tot welk bedrag Zorgbelang jegens SMK op grond van de tussen deze partijen bestaande overeenkomst aanspraak heeft op vergoeding van kosten (ook nu het enquêteverzoek van Zorgbelang wordt afgewezen), niet tot de competentie van de Ondernemingskamer behoort. De Ondernemingskamer zal zich daarom ten aanzien van dit deel van het verzochte onbevoegd verklaren.

3.12

De Ondernemingskamer ziet in dit geval geen aanleiding om een proceskostenveroordeling achterwege te laten. De Ondernemingskamer wijst er in dit verband op dat in de WMCZ en in de wettelijke regeling van het enquêterecht een expliciete bepaling ontbreekt die in de weg staat aan veroordeling van Zorgbelang als houder van het enquêterecht in de proceskosten. Zorgbelang, in het ongelijk gesteld, zal worden veroordeeld in de proceskosten van SMK, te vermeerderen met rente en nakosten en - eventueel - kosten van het betekeningsexploit, te vermeerderen met de wettelijke rente, een en ander zoals hierna te melden. Voor een veroordeling in verdere executiekosten ziet de Ondernemingskamer geen grond.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst de verzoeken tot het gelasten van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen af;

verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek van de Stichting Zorgbelang Gelderland om Stichting Sint Maartenskliniek te veroordelen tot betaling van € 38.034,68 wegens door Stichting Zorgbelang Gelderland gemaakte kosten van rechtsbijstand;

veroordeelt de Stichting Zorgbelang Gelderland, gevestigd te Arnhem, in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van Stichting Sint Maartenskliniek begroot op € 3.393, en op € 131 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en mr. A.C. Faber, raadsheren, en drs. P.R. Baart en prof. drs. E. Eeftink RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 3 juni 2015.