Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2642

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
200.159.030-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De klacht ziet in de kern op de discussie over de wijze van toerekening door notaris sub 1 van de saldi van de en/of rekeningen aan de nalatenschap van erflater, de broer van klaagster (klachtonderdeel i). Verder verwijt klaagster notaris sub 1 dat zij pas in augustus 2014 een overzicht als bedoeld in het testament van erflater heeft ontvangen (klachtonderdeel ii).

De kamer heeft klaagster wat klachtonderdeel i betreft niet-ontvankelijk verklaard en klachtonderdeel ii ongegrond verklaard.

Het hof heeft klaagster in haar klacht tegen notaris sub 2 niet-ontvankelijk verklaard. In haar klacht tegen notaris sub 1 acht het hof klaagster in klachtonderdeel i. op een punt ontvankelijk, maar verklaart dit subonderdeel ongegrond. Voor het overige bevestigt het hof de beslissing van de kamer.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 99 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.159.030/01 NOT

nummer eerste aanleg : 14-04

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 30 juni 2015

inzake

[appellante],

wonend te [plaats] (Duitsland),

appellante,

gemachtigde: [naam], wonend te [plaats] (Duitsland),

tegen

1. [geïntimeerde],

2. [geïntimeerde],

notarissen te [plaats],

geïntimeerden.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante (hierna: klaagster) heeft op 6 november 2014 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort

Den Haag (hierna: de kamer) van 8 oktober 2014 (ECLI:NL:TNORDHA:2014:31). De kamer heeft in de bestreden beslissing klaagster in haar klacht tegen geïntimeerden (hierna afzonderlijk van elkaar te noemen: notaris sub 1 en notaris sub 2 en tezamen te noemen: de notarissen) op een aantal onderdelen niet-ontvankelijk verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard.

1.2.

Op 25 november 2014 is een aanvullend beroepschrift - met bijlagen - ontvangen.

1.3.

Van de zijde van de notarissen is op 23 december 2014 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingekomen.

1.4.

Op 30 maart 2015 is van de zijde van klaagster een brief - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen. Hierop heeft het hof aan partijen bericht dat de brief voor zover die een inhoudelijke reactie op het verweerschrift van de notarissen behelst buiten beschouwing wordt gelaten, omdat het van toepassing zijnde procesreglement verzoekschriftprocedures in handels- en insolventiezaken voor het indienen van andere stukken dan het beroepschrift en het verweerschrift geen ruimte biedt, tenzij het hof daarom uitdrukkelijk vraagt. De bij de brief gevoegde bijlagen (1 tot en met 21) zijn tijdig ingediend en in het procesdossier opgenomen.

1.5.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 16 april 2015. Klaagster, vergezeld van haar gemachtigde (haar echtgenoot), en de notarissen zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Samengevat weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Op 24 mei 2005 heeft notaris sub 1 het testament van [naam] (verder: erflater), de broer van klaagster, gepasseerd. Erflater is in 1994 onder het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd met [naam] (verder: de echtgenote). In zijn testament heeft erflater aan de echtgenote het levenslang recht van vruchtgebruik van de nalatenschap gelegateerd met de bevoegdheid tot vervreemding en vertering. Verder heeft erflater zijn zusters, onder wie klaagster, dan wel de kinderen van een vooroverleden zuster tot erfgenamen benoemd, ieder voor (tezamen) één/derde gedeelte, en notaris sub 1 benoemd tot executeur.

3.2.2.

Op 25 augustus 2008 is erflater overleden. Notaris sub 2 treedt op als boedelnotaris in de nalatenschap van erflater.

3.2.3.

Tot de nalatenschap van erflater behoort (onder meer) een aantal bankrekeningen. Deze bankrekeningen stonden op naam van erflater en zijn in 2005 mede op naam van de echtgenote gesteld. Notaris sub 1 heeft aan klaagster op 29 april 2009 een vermogensoverzicht doen toekomen. In dit overzicht zijn de saldi van de en/of rekeningen voor de helft aan de nalatenschap van erflater toegerekend.

4 Het standpunt van klaagster

i. De klacht, zoals geformuleerd in het inleidend klaagschrift, betreft de vrijmoedige interpretatie en de daardoor uitzonderlijk langdurige afwikkeling van het testament van erflater door notaris sub 1. De klacht valt uiteen in 13 onderdelen. Ter zitting in eerste aanleg heeft klaagster desgevraagd verklaard dat de hiervoor bedoelde 13 klachtonderdelen in de kern zien op de discussie over de wijze van toerekening door notaris sub 1 van de saldi van de en/of rekeningen aan de nalatenschap van erflater. Notaris sub 1 gaat volgens klaagster ten onrechte ervan uit dat de saldi van deze bankrekeningen slechts voor de helft aan de nalatenschap van erflater dienen te worden toegerekend, omdat die gelden geheel afkomstig zijn geweest van erflater.

ii. Bij repliek heeft klaagster notaris sub 1 het volgende verwijt gemaakt. Op grond van het testament van erflater is de echtgenote als vruchtgebruikster van zijn nalatenschap verplicht om jaarlijks aan de erfgenamen een overzicht te verschaffen van de mutaties die hebben plaatsgevonden in de nalatenschap. Pas in augustus 2014 heeft klaagster voor het eerst een dergelijk overzicht van notaris sub 1 ontvangen.

iii. Voor zover de problemen bij de afwikkeling van het testament van erflater tot de verantwoordelijkheid van notaris sub 2 behoren, dan treffen de klachten notaris sub 2 in gelijke mate.

5 Het standpunt van de notarissen

De notarissen hebben verweer gevoerd. Hun standpunt wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 De beoordeling

Formeel

Gang van zaken eerste aanleg

6.1.

Klaagster heeft bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken in eerste aanleg. Deze bezwaren behoeven geen bespreking nu de door klaagster gestelde tekortkomingen door de behandeling van de zaak in hoger beroep zijn hersteld.

Ontvankelijkheid

6.2.

Voor zover klaagster het hof verzoekt om een uitspraak te doen met de strekking dat het testament van erflater onverwijld door enig executeur dient te worden afgewikkeld, zal klaagster in dit verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard. De behandeling van een dergelijk verzoek valt buiten de bevoegdheid van de tuchtrechter.

6.3.

Het hof is van oordeel dat klaagster onvoldoende concreet heeft onderbouwd wat zij notaris sub 2 in dit dossier verwijt. Het algemene verwijt dat klaagster notaris sub 2 maakt, biedt onvoldoende grondslag voor een klacht over het handelen of nalaten van notaris sub 2 in concreto. Klaagster zal daarom in haar klachten wat notaris sub 2 betreft (geformuleerd onder klachtonderdeel iii.) niet-ontvankelijk worden verklaard.

6.4.1.

Evenals de kamer stelt het hof voorop dat op grond van artikel 99 lid 15 van de Wet op het notarisambt (Wna) een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, heeft kennisgenomen. Volgens vaste rechtspraak van het hof is het moment waarop een klager van het handelen/nalaten van de notaris op enigerlei wijze blijkt doorslaggevend en dus niet het moment waarop de klager de betekenis van het handelen/nalaten van de notaris ten volle begrijpt.

6.4.2.

De kamer heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard in de in klachtonderdeel i. bedoelde 13 onderdelen omdat - kort samengevat - de klacht na het verstrijken van de driejaarstermijn als bedoeld in artikel 99 lid 15 Wna, door de kamer is ontvangen. De kamer is van oordeel dat de klachttermijn in ieder geval is gaan lopen daags na 29 april 2009, toen klaagster het vermogensoverzicht van notaris sub 1 had ontvangen en zij kennis heeft genomen van de interpretatie van notaris sub 1 over de toerekening van de en/of rekeningen aan de nalatenschap van erflater. De discussie tussen klaagster en notaris sub 1 over de wijze van toedeling van de en/of rekeningen aan de nalatenschap van erflater is op dat moment ontstaan. Alle latere discussies hierover doen aan voormelde datum niet af, aldus de kamer.

6.4.3.

Het hof overweegt als volgt. De kamer heeft bij haar beoordeling als uitgangspunt genomen hetgeen klaagster ter zitting in eerste aanleg op vragen van de kamer heeft verklaard, namelijk dat de in het inleidend klaagschrift genoemde 13 onderdelen in de kern zien op de discussie over de wijze van toerekening van de en/of rekeningen aan de nalatenschap van erflater. Ook in hoger beroep heeft het debat zich toegespitst op deze discussie. Klachtonderdeel i. ziet daarmee voornamelijk op de samenstelling van de boedel en dan met name hoe de saldi van de en/of rekeningen door notaris sub 1 aan de boedel zijn toegerekend en niet zozeer op de wijze waarop notaris sub 1 het testament van erflater uitlegt. Nu de discussie over de wijze van toerekening van de en/of rekeningen aan de nalatenschap van erflater is ontstaan naar aanleiding van het door notaris sub 1 op 29 april 2009 aan klaagster verstrekte vermogensoverzicht, is de op 22 januari 2014 ingediende klacht te laat - want buiten de klachttermijn van drie jaren - bij de kamer ingediend. In zoverre volgt het hof het oordeel van de kamer dat klaagster in klachtonderdeel i. niet-ontvankelijk is.

6.4.4.

Ter zitting in hoger beroep is verder aan de orde gekomen het verwijt van klaagster dat notaris sub 1 zich in correspondentie ten onrechte ‘boedelnotaris’ heeft genoemd. Het hof begrijpt dat klaagster doelt op de door notaris sub 1 op 24 oktober 2012 aan klaagster gestuurde e-mail. Gelet op het hiervoor onder 6.4.1. overwogene kan klaagster op dit punt in klachtonderdeel i. worden ontvangen.

Inhoudelijk

6.5.

Niet in geschil is dat notaris sub 1 in haar e-mail van 24 oktober 2012 aan klaagster ten onrechte heeft vermeld dat zij in het dossier als boedelnotaris fungeert. Het hof volgt de notaris in haar stelling dat deze onjuiste vermelding voor de verdere inhoud van de e-mail geen gevolgen heeft. Daarnaast wist klaagster dat niet notaris sub 1 maar notaris sub 2 in het dossier als boedelnotaris optrad. Onder deze omstandigheden kan notaris sub 1 hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Klachtonderdeel i. zal op dit punt ongegrond worden verklaard.

6.6.

Het hof is ten aanzien van klachtonderdeel ii. met de kamer van oordeel dat het jaarlijks verstrekken van een in het testament van erflater bedoeld overzicht een verplichting van de vruchtgebruikster is, aan welke verplichting zij zich dient te houden. Het nalaten van de echtgenote om een dergelijk overzicht in een eerder stadium aan klaagster te verstrekken, kan notaris sub 1 in haar hoedanigheid van executeur niet worden verweten. Het verstrekken van een hiervoor bedoeld overzicht behoort in ieder geval niet tot de taak van de executeur, zodat notaris sub 1 niet verplicht was/is een dergelijk overzicht aan klaagster te verstrekken. Het hof merkt hierbij op dat het legaat van vruchtgebruik van de nalatenschap van erflater (nog) niet aan de echtgenote is afgegeven, zodat zij juridisch gezien (nog) niet als vruchtgebruikster van de nalatenschap van erflater heeft te gelden. De kamer heeft dit klachtonderdeel terecht ongegrond verklaard.

6.7.

Het hof komt wat de tegen notaris sub 2 gerichte klacht betreft processueel gezien tot een ander oordeel dan de kamer, zodat de beslissing van de kamer in zoverre niet in stand kan blijven en zal worden vernietigd. Verder zal klachtonderdeel i. op één onderdeel ongegrond worden verklaard. Voor het overige zal de beslissing van de kamer worden bevestigd.

6.8.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.9.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing wat de jegens notaris sub 2 ingediende klachten betreft, en, in zoverre, opnieuw rechtdoende:

- verklaart klaagster in haar tegen notaris sub 2 gerichte klachten niet-ontvankelijk;

- verklaart klaagster in haar verzoek om een uitspraak met de strekking dat het testament van erflater onverwijld door enig executeur dient te worden afgewikkeld niet-ontvankelijk;

- verklaart klachtonderdeel i. op het punt dat notaris sub 1 in haar e-mail van 24 oktober 2012 aan klaagster ten onrechte heeft vermeld dat zij in het dossier als boedelnotaris fungeert ongegrond;

- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, J.H. Lieber en J.W. van Zaane en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015 door de rolraadsheer.