Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2640

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
200.150.827-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klagers verwijten de kandidaat-notaris dat hij 1. op 27 augustus 2010 het testament van erflater heeft gepasseerd, terwijl erflater niet wilsbekwaam was; 2. nadat klagers juridische actie hadden ondernomen opzettelijk en in strijd met de waarheid heeft gesteld dat het testament van 1 maart 1996 voorafging aan het testament van 27 augustus 2010, althans heeft hij daarmee onzorgvuldig gehandeld; en 3. toen klagers ermee bekend werden dat op 9 maart 2007 een testament van erflater is gepasseerd en zij het notariskantoor daarmee hebben geconfronteerd zodanig lang heeft gewacht met het verstrekken van een afschrift van dat testament, dat klagers van mening zijn dat dit testament niet juist is.

De kamer heeft de klacht van klagers ongegrond verklaard.

Het hof komt op een processueel punt tot een andere beslissing dan de kamer en bevestigt die beslissing voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.150.827/01 NOT

nummer eerste aanleg : SHE/2013/95

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 30 juni 2015

inzake

1. [naam],

2. [naam],

woonplaats kiezend ten kantore van hun gemachtigde,

appellanten,

gemachtigde: mr. D. Vermaat, advocaat te Barendrecht,

tegen

mr. [naam],

kandidaat-notaris te [plaats],

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellanten (hierna: klagers) hebben op 18 juni 2014 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort

's-Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 19 mei 2014 (ECLI:NL:TNORSHE:2014:23). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klagers tegen geïntimeerde (hierna: de kandidaat-notaris) ongegrond verklaard.

1.2.

De kandidaat-notaris heeft op 20 augustus 2014 een verweerschrift - met bijlage - bij het hof ingediend.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 16 april 2015. Klagers, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zijn niet verschenen. De kandidaat-notaris is verschenen en heeft het woord gevoerd.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

Op 27 augustus 2010 heeft de kandidaat-notaris, toen werkzaam als notaris, het testament van [X], de vader van klagers (verder: de erflater) gepasseerd. In het testament heeft erflater een zogenoemde tweetrapsmaking gemaakt, waarbij de partner van erflater (verder: de partner) tot enig erfgenaam is benoemd en klagers tot erfgenamen zijn benoemd en gerechtigd zijn tot hetgeen van de nalatenschap resteert nadat de partner is overleden. Erflater is op 21 maart 2011 overleden.

4 Het standpunt van klagers

Klagers verwijten de kandidaat-notaris het volgende.

i. De kandidaat-notaris heeft op 27 augustus 2010 het testament van erflater gepasseerd, terwijl erflater niet wilsbekwaam was.

Erflater was zeer ernstig dementerend door de ziekte van Alzheimer. De kandidaat-notaris heeft voorafgaand aan het passeren één kort gesprek met erflater gevoerd, in bijzijn van de partner. Ook bij het passeren van het testament was de partner aanwezig. De partner onderhield de contacten met de kandidaat-notaris en was belanghebbende bij het (gewijzigde) testament. Door zijn handelwijze heeft de kandidaat-notaris gehandeld in strijd met het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van de notariële dienstverlening van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), verder het Stappenplan.

ii. Nadat klagers juridische actie hadden ondernomen, heeft de kandidaat-notaris opzettelijk en in strijd met de waarheid gesteld dat het testament van 1 maart 1996 voorafging aan het testament van 27 augustus 2010, althans heeft hij daarmee onzorgvuldig gehandeld.

iii. Toen klagers ermee bekend werden dat op 9 maart 2007 een testament van erflater is gepasseerd en zij het notariskantoor daarmee hebben geconfronteerd, heeft de kandidaat-notaris zodanig lang gewacht met het verstrekken van een afschrift van dat testament, dat klagers van mening zijn dat dit testament niet juist is.

Klagers hebben verzocht om de authenticiteit van het op 9 maart 2007 door de kandidaat-notaris gepasseerde testament te onderzoeken.

5 Het standpunt van de kandidaat-notaris

De kandidaat-notaris heeft de stellingen van klagers betwist en zich als volgt verweerd.

De partner heeft zich destijds tot de kandidaat-notaris gewend. Zij had zich verdiept in het erfrecht en wenste voor erflater en haar een tweetrapstestament op te laten maken. Dit had zij met erflater besproken. De partner gaf te kennen dat erflater leed aan de ziekte van Alzheimer. De kandidaat-notaris heeft direct gevraagd naar de mate waarin de ziekte was gevorderd en uitdrukkelijk aangegeven dat het niet uit te sluiten was dat geen testament kon worden gemaakt door erflater omdat hij mogelijk zijn wil niet (meer) kon bepalen. De kandidaat-notaris wenste eerst een gesprek met erflater te hebben om dit te onderzoeken. De kandidaat-notaris heeft erflater thuis bezocht en in afwezigheid van de partner een gesprek met hem gevoerd. Het gesprek was goed te voeren. Erflater sprak zacht en koos zijn woorden weloverwogen. In het algemeen heeft hij met erflater gesproken over onder meer zijn arbeidsverleden bij [naam], zijn ziekte en het huis waarin hij woonde. Op al zijn vragen, ook over bijvoorbeeld wat het tijdstip was, heeft erflater keurig geantwoord, zij het in een aanmerkelijk lage versnelling. Met erflater is besproken wat er in het testament moest worden geregeld. Zo is bijvoorbeeld gesproken over het belang van het niet voorschieten van de erfbelasting en of erflater dat belangrijk genoeg vond om een testament op te (laten) maken. In het testament heeft de notaris in het belang van de relatie tussen de partner en de kinderen een specifieke passage opgenomen. Erflater begreep deze passage en vond het zeer verstandig dat deze passage in het testament zou komen te staan. Dat de partner zich over deze kwestie bij de kandidaat-notaris had gemeld, had de volledige instemming van erflater. Zonder enige twijfel over de wilsbekwaamheid van erflater heeft de kandidaat-notaris besloten om de volgende dag terug te komen om het testament te passeren. Van belang is verder dat het testament van 27 augustus 2010 dezelfde strekking heeft als het voorlaatste testament van 9 maart 2007.

Bij de afgifte van het voorlaatste testament van 9 maart 2007 aan klagers is een fout gemaakt. Het verkeerde testament is aan klagers meegegeven doordat het nieuwe automatiseringssysteem van het kantoor het testament van 9 maart 2007 niet boven water kreeg. Kwade opzet is hierbij niet aan de orde geweest.

6 De beoordeling

Formeel

6.1.

Klagers hebben verzocht om de authenticiteit van het testament van 9 maart 2007 te onderzoeken. Dergelijke verzoeken moeten aan de burgerlijke rechter worden gedaan. De tuchtrechter is hiertoe niet bevoegd. Klagers zullen daarom in hun verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

Inhoudelijk

Klachtonderdeel i.

6.2.

De kamer heeft - samengevat weergegeven en voor zover van belang - het volgende overwogen. Het uitgangspunt is dat een cliënt voor het tekenen van een notariële akte in staat moet zijn tot een redelijke waardering daarvan. Het Stappenplan biedt een toetsingskader aan notarissen die zich in voorkomende gevallen een oordeel moeten vormen over de wilsbekwaamheid van een cliënt. In het Stappenplan staan indicatoren vermeld die aanleiding kunnen zijn voor een nadere beoordeling van wilsbekwaamheid. Indien een notaris - ook al heeft hij kennis van het bestaan van een of meerdere indicatoren - geen aanleiding behoeft te hebben om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van een cliënt, dan hoeft hij het Stappenplan niet verder te volgen. Van belang hierbij is de indruk die een cliënt in een gesprek maakt.

Niet in geschil is dat in deze zaak indicatoren uit het Stappenplan aanwezig waren, te weten de ziekte van Alzheimer waaraan erflater leed en de omstandigheid dat de partner het initiatief voor het verzoek tot dienstverlening heeft genomen. De kandidaat-notaris was van deze indicatoren op de hoogte. De kandidaat-notaris heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij tijdens de voorbespreking en bij het passeren van het testament voldoende alert is geweest op de mate van wilsbekwaamheid van erflater en dat hij onvoldoende aanleiding had om aan deze wilsbekwaamheid te twijfelen. De kandidaat-notaris heeft gesproken met erflater in zijn eigen omgeving en buiten aanwezigheid van de partner. Het niet verder toepassen van het Stappenplan kan de kandidaat-notaris in de gegeven situatie dan ook niet worden verweten. Dat de huisarts van erflater achteraf heeft verklaard dat hij het zeer onwaarschijnlijk acht dat erflater destijds in staat was zijn wil te bepalen doet hieraan onvoldoende af.

6.3.

Het hof deelt het oordeel van de kamer en de gronden waarop dit oordeel berust.

Hieraan voegt het hof het volgende toe. Het feit dat een testateur leidt aan de ziekte van Alzheimer betekent niet zonder meer dat deze op geen enkel moment in staat is om zijn wil te bepalen. Wel dient de instrumenterend notaris in een dergelijk geval bijzonder alert te zijn bij het vaststellen dat de door hem in het testament van de erflater opgenomen uiterste wilsbeschikking ook werkelijk overeenstemt met diens in vrijheid bepaalde wil.

Uit de door de kandidaat-notaris overgelegde verklaring van de huisarts van erflater, gedateerd

3 juli 2014, blijkt dat de huisarts terugkomt op zijn eerdere verklaring (zie hiervoor onder 6.2.) in zoverre dat hij schrijft dat hij zich te stellig heeft uitgelaten over het ziektebeeld van erflater en de consequenties voor zijn wilsbekwaamheid. Hij kon zijn oordeel niet voldoende funderen op frequente contacten met erflater en in ieder geval niet uitsluiten dat er afgezien van minder goede momenten en episodes ook betere periodes en momenten waren, wat zeker bij dit ziektebeeld bekend is. Verder acht het hof het van belang dat erflater al geruime tijd cliënt was bij het notariskantoor en dat de kandidaat-notaris onweersproken heeft aangevoerd dat het op

27 augustus 2010 door hem gepasseerde testament dezelfde strekking had als het voorlaatste testament van erflater van 9 maart 2007.

Klachtonderdelen ii. en iii.

6.4.

Voor wat deze klachtonderdelen betreft verenigt het hof zich met hetgeen de kamer in de bestreden beslissing in rechtsoverwegingen 4.3. en 4.4. (in de eerste twee alinea’s) heeft geoordeeld en maakt dit oordeel tot het zijne. In hoger beroep zijn geen argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden.

6.5.

Voor wat het verzoek van klagers, zie hiervoor onder 6.1., betreft komt het hof op processuele gronden tot een ander oordeel dan de kamer. De beslissing van de kamer zal in zoverre worden vernietigd.

6.6.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.7.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing voor wat het verzoek van klagers betreft om de authenticiteit van het testament van 9 maart 2007 te onderzoeken;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- verklaart klagers in hun verzoek om de authenticiteit van het testament van 9 maart 2007 te onderzoeken niet-ontvankelijk;

- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, J.H. Lieber en J.W. van Zaane en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015 door de rolraadsheer.