Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2633

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
02-07-2015
Zaaknummer
200.161.738/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. Klaagster meent dat de notaris de leveringsakte niet had mogen verlijden, omdat de restschuld van klaagster bij de bank nog niet bekend was. De kamer heeft de klacht gegrond verklaard en aan de notaris de maatregel van berisping opgelegd. Het hof oordeelt dat door zonder te beschikken over de vereiste stukken (aflosnota en royementsvolmacht) de leveringsakte toch te passeren, de notaris onzorgvuldig jegens klaagster heeft gehandeld. Het hof bevestigt de bestreden beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.161.738/01 NOT

nummer eerste aanleg : 560996/NT 14-11 O

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 30 juni 2015

inzake

mr. [naam],

notaris te [plaats],

appellant,

gemachtigde: mr. [naam] te [plaats],

tegen

[naam],

wonend te [plaats],

geïntimeerde,

gemachtigde: [naam] te [plaats].

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: de notaris) heeft op 23 december 2014 een beroepschrift – met bijlage –

bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam (hierna: de kamer) van 27 november 2014 (ECLI:NL:TNORAMS:2014:37). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van geïntimeerde (hierna: klaagster) gegrond verklaard en aan de notaris de maatregel van berisping opgelegd.

1.2.

Op 20 januari 2015 is een schriftelijke reactie van klaagster bij het hof ingekomen.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 16 april 2015. De notaris en zijn gemachtigde zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

Op 13 februari 2014 heeft de levering van de woning van klaagster plaatsgevonden ten overstaan van de notaris. Op 20 februari 2014 heeft de notaris de aflosnota en de royementsvolmacht ontvangen. Op diezelfde dag heeft de notaris de nota van afrekening opgesteld en de gelden aan klaagster overgemaakt.

4 Het standpunt van klaagster

Klaagster meent dat de notaris de leveringsakte niet had mogen verlijden, omdat op 13 februari 2014 de restschuld van klaagster bij de bank nog niet bekend was. Volgens de notaris lag dat aan de bank, maar de bank heeft de familie van klaagster schriftelijk laten weten dat de notaris zelf zijn zaken niet op orde had en dat hij het verzoek tot het verstrekken van de aflosnota pas op 19 februari 2014 aan de bank heeft gedaan.

5 Het standpunt van de notaris

5.1.

De notaris heeft de stellingen van klaagster betwist. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.

5.2.

Op 21 januari 2014 heeft een medewerkster van het notariskantoor de bank per
e-mailbericht verzocht om de aflosnota, aangezien sprake was van technische problemen in de digitale applicatie van het ECH-systeem. Ondanks meerdere telefonische verzoeken heeft de notaris geen aflosnota mogen ontvangen. Op 12 februari 2014 heeft de notaris van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie vernomen dat de kantoorgegevens opnieuw in het ECH-systeem moesten worden ingevoerd. De notaris heeft op 12 februari 2014 ook nog telefonisch contact gehad met het Servicecentrum van de bank, dat heeft toegezegd dat de aflosnota zou worden opgesteld. Op 13 februari 2014 heeft de notaris het “verzoek aflosnota en royementsvolmacht” via de digitale applicatie van ECH succesvol verzonden. Op 20 februari 2014 heeft de notaris van de bank de aflosnota ontvangen, op grond waarvan hij de nota van afrekening heeft opgesteld en de gelden met spoed heeft overgemaakt aan klaagster. De notaris meent dat hij alle inspanningen heeft verricht die hij had kunnen verrichten.

6 De beoordeling

Formeel

Uitleg van klacht en belang

6.1.

De notaris heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop de kamer de klacht van klaagster geformuleerd dan wel geïnterpreteerd heeft. Volgens hem dient de klacht te worden verdeeld in drie onderdelen, waarvan naar zijn mening twee enkel betrekking hebben op de belangen van de koper(s) van de verkochte woning. Voor die twee onderdelen had klaagster dan ook niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, aldus de notaris.

6.2.

De klacht van klaagster is in de op 11 maart 2014 bij de kamer binnengekomen brief als volgt geformuleerd:

“Volgens mijn informatie had de overdracht helemaal niet uitgevoerd mogen worden omdat de informatie betreffende restschuld niet compleet was.”

Daaraan heeft klaagster in de op 25 april 2014 bij de kamer binnengekomen brief van haar gemachtigde toegevoegd dat de notaris:

“(…) op het moment van de overdracht bekend was met het feit dat niet alle zaken zoals de opgave van de restschuld (…) bij hem nog niet bekend is op het moment van overdracht (…) Volgens informatie door de (…) bank verstrekt zou de eerste officiële aanvraag m.b.t. de rest schuld hun pas 19/2 bereikt hebben (…) Dit geheel houdt (…) in dat op het moment van de overdracht (…) duidelijk was het dossier niet compleet was (…) Hij had uitstel van de overdracht moeten vragen (…)”.

In het licht van voorgaande citaten is het hof van oordeel dat de kamer de klacht niet anders heeft kunnen lezen dan zoals zij gedaan heeft; de formulering van de klacht door de kamer correspondeert immers geheel met de hiervoor geciteerde passages. Anders dan de notaris stelt, heeft klaagster belang bij deze klacht. Zij was immers partij bij de leveringsakte.

Het hof gaat dan ook voorbij aan de door de notaris gestelde onjuiste formulering/interpretatie van de klacht.

6.3.

Het hof merkt nog op dat de kamer in haar beslissing reeds heeft vastgesteld dat het klachtonderdeel over het niet aanwezig zijn van een beëdigd tolk bij de overdracht van de woning niet als onderdeel van de klacht moet worden beschouwd, zodat – anders dan de notaris kennelijk meent – dit klachtonderdeel niet meer aan de orde is en het hof daarop niet verder behoeft in te gaan.

Schijn van partijdigheid van kamer

6.4.

De notaris heeft in hoger beroep verder aangevoerd dat sprake is van schijn van partijdigheid van de kamer, althans van subjectiviteit bij haar beoordeling. Hij wijst in dat verband op het feit dat de kamer in de bestreden beslissing heeft opgenomen dat hij te laat was verschenen op de zitting bij de kamer op 25 september 2014. De notaris heeft het vermoeden dat dit van invloed is geweest op de uiteindelijk opgelegde maatregel.

6.5.

Het hof overweegt als volgt. De kamer heeft in de bestreden beslissing onder het kopje
‘1. Het verloop van de procedure’ de gang van zaken ter zitting beschreven, waaronder het tijdstip waarop de notaris ter zitting is verschenen. Hieruit valt naar het oordeel van het hof geen schijn van partijdigheid af te leiden. Overigens is niet gebleken dat dit feit van invloed is geweest op de uiteindelijk aan de notaris opgelegde maatregel. Het hof passeert dan ook deze stelling van de notaris.

Inhoudelijk

6.6.

De notaris heeft vervolgens in hoger beroep benadrukt dat hij wel degelijk deugdelijk onderzoek heeft verricht naar de rechtstoestand van de woning en de rechtszekerheid van klaagster en kopers. Ter zitting in hoger beroep heeft de notaris nog verklaard dat hij de dag vóór het passeren van de leveringsakte de hoogte van het aflosbedrag telefonisch van de bank heeft mogen vernemen. Hij was, anders dan klaagster meent, dus wel degelijk bekend met de hoogte van de restschuld. Voorts heeft hij desgevraagd ter zitting laten weten dat hij aan klaagster en kopers had voorgesteld de levering uit te stellen, doch tevergeefs. Zij wensten dat de levering op 13 februari 2014 doorgang zou vinden.

6.7.

Het hof stelt het volgende voorop. Bij de levering van registergoederen stelt de notaris een zodanig onderzoek in dat over de rechtstoestand van het registergoed zo min mogelijk onzekerheid bestaat. Daarbij is de notaris verplicht vóór het passeren van de akte te beschikken over een aflosnota en een schriftelijke en onherroepelijke volmacht tot royement.

6.8.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de notaris weliswaar enig onderzoek heeft verricht naar de rechtstoestand van de woning, doch dat hij in ieder geval vóór en tijdens het passeren van de leveringsakte niet over de aflosnota en de royementsvolmacht beschikte, terwijl hij daartoe wel verplicht was. Ter zitting in hoger beroep heeft de notaris bij monde van zijn gemachtigde ook als zodanig erkend dat een notaris over de desbetreffende stukken dient te beschikken alvorens tot een levering kan worden overgegaan. Door zonder de vereiste stukken de leveringsakte toch te passeren, heeft de notaris onzorgvuldig jegens klaagster gehandeld. De notaris valt daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te maken. De klacht is dus gegrond.

6.9.

Voor zover het juist is dat klaagster en kopers de wens hebben geuit – ondanks het ontbreken van de vereiste stukken – op 13 februari 2014 over te gaan tot het passeren van de leveringsakte, is het hof van oordeel dat de notaris daar niet op had mogen ingaan. Het valt hem zwaar aan te rekenen dat hij daarin niet zijn eigen verantwoordelijkheid heeft genomen.

6.10.

Het hof ziet geen aanleiding de notaris een andere maatregel op te leggen dan de kamer heeft gedaan. Het hof onderschrijft de door de kamer beschreven motivering daartoe.

6.11.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.12.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, A.R. Sturhoofd en J.W. van Zaane en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015 door de rolraadsheer.