Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2537

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
05-10-2015
Zaaknummer
200.109.499-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Handelde UWV onrechtmatig jegens uitkeringsgerechtigde? Geen nalatigheid in zake tijdens maandelijks uitkering dan wel bemiddeling bij terugkrijgen van passende functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.109.499/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 470017 / HA ZA 10-3010

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2015

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.P. van Vulpen te Haarlem,

tegen

het publiekrechtelijk lichaam

UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERING (UWV),

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. drs. B. Van Duren-Kloppert te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en UWV genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 4 augustus 2011 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2011, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en UWV als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en –

uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van UWV in de kosten van beide instanties.

UWV heeft geconcludeerd primair tot niet-ontvankelijk verklaring van [appellant] in het beroep, subsidiair tot afwijzing van het beroep en bekrachtiging van het besteden vonnis, met beslissing over de proceskosten.

UWV heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.6. de feiten vastgesteld die tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.2

[appellant] , geboren op 27 mei 1971, heeft in de periode vanaf 1 maart 2002 tot 1 januari 2004 werkzaamheden in loondienst verricht voor het bedrijf Pelt en Hooykaas IJmuiden B.V. (hierna: de werkgever). [appellant] heeft zich vanaf 3 of 5 januari 2004 ziek gemeld.

2.3

Bij brief van 29 januari 2004 heeft [naam] , bedrijfsarts van ArboNed, aan [appellant] het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld:

“U bent sinds 05-01-2004 arbeidsongeschikt. Zoals besproken, bestaat er bij u een verhoogde kans op verzuim, dat langer dan zes weken zal duren. Daarom hebben wij een probleemanalyse uitgevoerd en is een advies samengesteld voor de aanpak van de reïntegratie. De resultaten treft u aan bij deze brief. Uw werkgever heeft een kopie ontvangen van deze probleemanalyse en dit advies.

Naar aanleiding van de ‘probleemanalyse en advies’ dient een ‘plan van aanpak’ vastgesteld te worden, om uw snelle en verantwoorde terugkeer naar het werk te bevorderen. In bijgevoegde ‘probleemanalyse en advies’ vindt u adviezen voor stappen om reïntegratie te bewerkstelligen. Wij verzoeken u dit advies te bespreken met uw werkgever Pelt & Hooykaas-IJmuiden b.v. en een ‘plan van aanpak’ vast te stellen. Het is van belang dat uiterlijk twee weken na ontvangst van de ‘probleemanalyse en advies’ het ‘plan van aanpak’ vastgesteld is.

Kunt u onverhoopt geen overeenstemming bereiken over een ‘plan van aanpak’ voor reïntegratie, dan verzoeken wij u dit aan ArboNed door te geven. Wij kunnen dan gezamenlijk zoeken naar een oplossing.”

2.4

Bij brief van 8 juni 2004 heeft [naam] van DAS rechtsbijstand, de toenmalige juridisch adviseur van [appellant] , het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld aan [appellant] :

“De gemachtigde van uw werkgever heeft aangegeven dat Pelt & Hooykaas alsnog bereid is om een regeling met u te treffen, een en ander ter voorkoming van een procedure. Dit zou kunnen betekenen dat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2004 beëindigd wordt en dat Pelt & Hooykaas uw salaris over de maanden maart, april, mei en juni 2004 alsnog zal voldoen.

Graag verneem ik van u of u met een dergelijke regeling zou kunnen instemmen of dat u de dagvaardingsprocedure wenst voort te zetten.”

2.5

Op enig moment in de eerste helft van 2004 is het dienstverband met de werkgever geëindigd, naar verluidt met ingang van 1 januari 2004.

Wajong-uitkering

2.6

[appellant] was voorafgaand aan het dienstverband reeds Wajong-gerechtigde, onder meer op basis van voetletsel met blijvende klachten en beperkingen. Aangezien het door [appellant] bij voornoemde werkgever verdiende salaris hoger was dan de Wajong-uitkering werd deze uitkering op nihil gesteld. UWV heeft bij brief van 28 maart 2004 [appellant] bericht dat zijn Wajong-uitkering per 1 januari 2004 zou herleven en dat de uitkering vanaf 1 januari 2004 tot 1 april 2004 zou worden nabetaald. Deze betaling vond plaats op 3 april 2004.

2.7

[appellant] heeft een formulier aanvraag voortzetting arbeidsongeschiktheidsuitkering ondertekend en gedateerd op 16 maart (naar het hof aanneemt: 2004). Daarin verzoekt hij zijn arbeidsongeschiktheidsverkering per 1 april 2004 voort te zetten.

2.8

Bij brief van 5 april 2004 heeft [mw. A.] namens UWV [appellant] , voor zover hier relevant, bericht als volgt.

“Op dit moment heeft u recht op een wajong-uitkering, die gebaseerd is op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering loopt af op 1 april 2004. U heeft een voortzetting van uw uitkering aangevraagd.

Uw uitkering wordt per 1 april 2004 voortgezet, voor een periode van vijf jaar en loopt daarmee tot 1 april 2009, tenzij uw uitkering binnen deze periode op grond van de daarvoor geldende voorwaarden gewijzigd moet worden of als u niet meer aan de voorwaarden voor het recht op uitkering voldoet. (…)”

2.9

De Wajong-uitkering per 1 april 2004 is door UWV maandelijks uitbetaald, zij het tijdelijk onderbroken in 2005 in verband met een detentie van [appellant] .

Ziektewet-uitkering

2.10

In mei 2004 is op naam van [appellant] een zogenaamde Eigen verklaring Ziektewet opgemaakt, gedateerd op 18-05-2004, blijkens stempel binnengekomen op 25 mei 2004, waarop als eerste ziektedag zowel 05-01-2004 (getypt) als 3-01-2004 (handgeschreven) staat vermeld. Bij brief van 9 juni 2004 heeft UWV aan [appellant] het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld:

“Wij ontvingen een melding van uw arbeidsongeschiktheid.

Wij zullen uw rechten op grond van de Ziektewet beoordelen om te weten of u uitkering kunt krijgen van UWV.

Daartoe hebben wij een onderzoek ingesteld.

Zodra het resultaat van het onderzoek bekend is, zullen wij u hierover informeren.

Als wij geen uitkering gaan betalen, krijgt u een beschikking waar u eventueel bezwaar tegen kunt maken.”

2.11

Bij brief van 5 juli 2004 heeft UWV aan [appellant] het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld:

“U bent op 28-6-2004 op mijn spreekuur geweest. Ik heb u toen verteld dat we zonder een kopie van een geldig legitimatiebewijs uw aanspraak op een ziektewetuitkering niet verder kunnen afhandelen.

Ik verzoek u dan ook contact met mij op te nemen om een afspraak te maken om een geldig legitimatie te tonen.”

2.12

Bij besluit van 27 augustus 2004 heeft UWV de uitkering op grond van de Ziektewet beëindigd. Deze beslissing luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“U bent op en na 30-09-04 niet (meer) wegens ziekte ongeschikt tot het verrichten van uw eigen werksoort als laadschopmachinist.

Daarbij is het volgende overwogen:

U bent weer dermate hersteld dat de nog resterende beperkingen niet meer belemmerend zijn voor het verrichten van uw functie.

(…)

Een en ander is met u besproken op mijn spreekuur van 27-08-04.

U heeft daarom met ingang van 30-09-04 geen recht (meer) op ziekengeld.”

2.13

In maart 2009 heeft UWV aan [appellant] uitkeringen krachtens de Ziektewet (hierna: ZW-uitkering) nabetaald over de periode vanaf 5 januari 2004 tot 1 oktober 2005, waarmee de Wajong-uitkering werden aangevuld tot 70% van zijn laatstverdiende loon. In 2010 heeft UWV de wettelijke rente over deze ZW-uitkering uitbetaald.

Werkloosheidswet-uitkering

2.14

Bij brief van 24 oktober 2005 heeft UWV aan [appellant] het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld:

“U hebt zich op 20-10-2005 bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) gemeld om in aanmerking te komen voor een werkloosheidsuitkering. Om dit recht te kunnen beoordelen, moet u de volgende formulieren (laten) invullen. (…)”

2.15

Bij besluit van 31 oktober 2005 heeft UWV de uitkeringen krachtens de Werkloosheidwet (hierna: WW-uitkering) geweigerd vanwege de reeds aan [appellant] toegekende Wajong-uitkering. Met deze beslissing is UWV, zoals zij zichzelf later ook heeft gerealiseerd, voorbijgegaan aan het feit dat een Wajong gerechtigde die werkloos wordt, recht heeft op 70% van het laatstgenoten loon en aldus recht heeft op een partiële WW-uitkering die de Wajong-uitkering aanvult tot het niveau van 70% van het laatstgenoten loon.

2.16

[appellant] heeft binnen de daarvoor geldende termijn geen bezwaar gemaakt tegen de weigering van UWV om hem een WW-uitkering toe te kennen. Desondanks heeft UWV begin 2009 aan [appellant] (partiële) WW-uitkeringen toegekend en nabetaald over de periode vanaf 1 oktober 2004 tot 31 maart 2006. In 2010 heeft UWV de wettelijke rente over deze WW-uitkering uitbetaald.

2.17

Bij brief van 5 september 2007 heeft [de heer L.] , arbeidsdeskundige, namens UWV het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld aan [appellant] :

“Over een periode van ruim een jaar, hebben wij een paar keer contact gehad, om een UWV re-integratie traject naar een zelfstandige vestiging te bespreken.

Ik heb u een aantal aanwijzingen gegeven die vooraf gaan aan een eventueel traject. Ondanks mijn herhaalde aanwijzingen, is er geen vooruitgang in uw concrete handelen te zien geweest.

Eerder hebt u een re-integratie traject gevolgd in een richting (chauffeur) waarvoor nog steeds een redelijk tot goed arbeidsmarktperspectief bestaat.

Gezien het bovenstaande zien wij geen reden u in aanmerking te laten komen voor een nieuw re-integratie traject.”

3 Beoordeling

3.1

[appellant] vordert veroordeling van UWV tot vergoeding van materiele en immateriële schade die hij stelt te hebben geleden en te lijden, nader op te maken bij staat, alsook tot betaling van een bedrag van € 10.000,-- als voorschot op de gestelde immateriële schade. Aan deze vordering legt hij ten grondslag dat UWV onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld doordat UWV haar zorgplicht jegens hem niet is nagekomen. Hiertoe voert [appellant] aan dat (i) UWV nalatig zou zijn geweest de hem toekomende uitkeringen uit hoofde van de Wajong, de Werkloosheidswet (hierna: WW) en de Ziektewet (hierna: ZW) vanaf 1 januari 2004 tijdig maandelijks aan hem uit te betalen en (ii) UWV vanaf begin 2004 zou hebben nagelaten te bemiddelen bij het terugkrijgen van een passende functie bij zijn toenmalige werkgever, dan wel elders.

3.2

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de stelling van [appellant] dat UWV nalatig is geweest in de uitvoering van haar zorgverplichting jegens [appellant] en dus onrechtmatige heeft gehandeld jegens [appellant] niet kan slagen. De vorderingen van [appellant] zijn daarom afgewezen en [appellant] is veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zeven grieven op. UWV voert gemotiveerd verweer. Samengevat weergegeven stelt UWV dat zij jegens [appellant] aan haar verplichtingen heeft voldaan, aan [appellant] meer heeft uitgekeerd dan waarop hij recht had en zich daar waar mogelijk heeft ingespannen om [appellant] bij te staan en te begeleiden.

3.3

Grief 1 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat UWV onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het achterwege laten van maandelijkse betaling van de Wajong-uitkering in de periode vanaf 1 januari 2004 tot 5 april 2004 en de ZW-uitkering vanaf 1 januari tot juni 2004. De rechtbank heeft dit oordeel gebaseerd op de onbetwiste stellingen van UWV dat zij de voor toekenning van de Wajong-uitkering noodzakelijke informatie niet eerder heeft verkregen dan in maart 2004 en vervolgens deze uitkering onverwijld heeft (na)betaald per 3 april 2004, terwijl zij de voor toekenning van de ZW-uitkering noodzakelijke informatie pas heeft verkregen op 25 mei 2004 zodat zij reeds hierom niet in staat was tot betaling daarvan in de maanden januari tot en met mei 2004. [appellant] voert aan dat de rechtbank aldus de verhouding tussen UWV als monopolist en [appellant] als afhankelijke persoon heeft miskend. Voor zover [appellant] zich op het standpunt stelt dat UWV niet had mogen afwachten totdat [appellant] de noodzakelijke informatie voor het toekennen van een uitkering verstrekte, faalt dit betoog. In de gegeven omstandigheden kan niet worden aangenomen dat UWV was gehouden eerder tot toekenning en uitbetaling van de ZW-uitkering over te gaan, dan nadat zij een aanvraag daartoe had ontvangen en over alle noodzakelijke gegevens beschikte. Andere feiten en omstandigheden die, indien bewezen, het oordeel zouden kunnen dragen dat UWV onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door diens aanspraak op de Wajong-uitkering en ZW-uitkering niet eerder te erkennen, zijn niet gesteld. Blijkens deze grief miskent [appellant] bovendien dat de brieven van de bedrijfsarts en de toenmalig juridisch adviseur van [appellant] zoals onder 2.2 en 2.3 aangehaald, erop duiden dat de betrokken partijen destijds uitgingen van een voortdurend dienstverband na 1 januari 2004. De grief strandt dan ook.

3.4

Grief 2 is gericht tegen r.o. 4.3 van het bestreden vonnis. Aldaar overweegt de rechtbank dat [appellant] ten onrechte stelt dat UWV de WW-uitkering niet tijdig heeft betaald. De juistheid van deze overweging van de rechtbank wordt door [appellant] als zodanig niet inhoudelijk bestreden. In de toelichting op deze grief stelt [appellant] dat onvoldoende in de overwegingen van de rechtbank is te lezen dat de handelwijze van UWV jegens hem zeer veel te wensen overliet, dat hij van het kastje naar de muur werd gestuurd en dat de maat voor de WW-uitkering het salaris was zoals [appellant] dat in de periode voor 2004 verdiende. Concrete feiten en omstandigheden die – indien bewezen – deze verwijten onderbouwen voert [appellant] echter niet aan. De grief treft reeds daarom geen doel.

3.5

Grief 3 bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat [appellant] in de periode vanaf januari 2004 tot 1 juni 2004 niet over enig inkomen heeft beschikt. Het hof stelt vast dat UWV de niet door stukken of argumenten onderbouwde stelling van [appellant] dat hij vanaf 1 januari 2004 tot 1 juni 2004 niet beschikte over enig inkomen, in voldoende mate heeft weerlegd door te wijzen op de hiervoor onder 2.2 en 2.3 aangehaalde brieven van de bedrijfsarts en de toenmalig juridisch adviseur van [appellant] alsook op de vermelding van de eerste ziektedag op de Eigen verklaring Ziektewet van 3 of 5 januari 2004. Onder deze omstandigheden en gelet op het feit dat [appellant] de door hem te stellen en te bewijzen onrechtmatige daad baseert op de stelling dat hij door verzaking van de zorgplicht door UWV per 1 januari 2004 zonder inkomen is komen te zitten terwijl zijn kosten wel op het niveau van het voorheen door hem verdiende salaris bleven liggen, had het op de weg van [appellant] gelegen om zijn stelling aannemelijk te maken. Nu [appellant] deze – uitdrukkelijk betwiste – stelling niet heeft gestaafd met enig bewijs en hij evenmin een (voldoende gespecificeerd) bewijsaanbod ter zake heeft gedaan, is ook naar het oordeel van het hof de stelling niet komen vast te staan. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn kennelijke overtuiging dat het op de weg van UWV ligt om de positieve ontvangst van inkomsten door [appellant] in de periode na 1 januari 2004 te bewijzen aan de hand van geschriften van de belastingdienst of van de voormalig werkgever van [appellant] . De grief faalt daarom.

3.6

Grief 4 bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de stelling van [appellant] dat UWV vanaf begin 2004 heeft nagelaten te bemiddelen bij het terugkrijgen van een passende functie bij de werkgever, dan wel elders, niet kan slagen, nu [appellant] niet nader heeft geconcretiseerd dat en wanneer hij begin 2004 om bemiddeling heeft verzocht bij UWV. Ten onrechte zou de rechtbank de afwachtende houding van UWV – als zijnde specialist – hebben goedgekeurd, nu [appellant] voldoende duidelijk zou hebben aangegeven hulp nodig te hebben. Dienaangaande stelt het hof voorop dat [appellant] zijn stelling dat UWV haar zorgplicht jegens hem heeft verzaakt door na te laten te bemiddelen bij het terugkrijgen van passend werk, ook in hoger beroep op geen enkele wijze nader specificeert of onderbouwt. UWV heeft op haar beurt in hoger beroep herhaalt dat de bemiddelende taak van UWV zich niet uitstrekt tot arbeidsgeschillen, werkhervatting bij de eigen werkgever en mogelijk ontslag. Uit de overgelegde producties blijkt niet dat UWV begin 2004 hulpvragen van [appellant] onbeantwoord heeft gelaten. Uit de producties blijkt dat [appellant] zich in 2006 bij UWV heeft gemeld met de wens te worden bemiddeld en dat UWV na verscheidene contactmomenten heeft geoordeeld dat [appellant] onbemiddelbaar was. De grief kan derhalve, bij gebreke van een nadere specificatie of onderbouwing in het licht van het daartegen gevoerde verweer, niet slagen.

3.7

Grief 5 keert zich tegen de slotsom van de rechtbank dat de grondslag aan de gevorderde schadevergoeding ontvalt, omdat de stelling van Tuin dat UWV nalatig is geweest in de uitvoering van haar zorgverplichting jegens [appellant] en dus onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] niet kan slagen. [appellant] voert aan dat UWV de wetten correct heeft toe te passen; nu zij de toeslagen pas heeft gegeven nadat daarom werd gevraagd, heeft zij niet correct gehandeld. Het hof volgt het standpunt van [appellant] niet. In zijn algemeenheid kan niet worden aangenomen dat een uitkeringsinstantie als UWV onrechtmatig handelt als toeslagen pas worden toegekend als deze worden aangevraagd. Veeleer geldt dat de aan UWV toegekende bevoegdheden meebrengen dat zij pas tot uitkering dient over te gaan als een aanvraag daartoe is ingediend en is vastgesteld dat aanspraak op een uitkering bestaat. Daarnaast heeft UWV correcties op de uitkeringen toegekend onder betaling van wettelijke rente. In dat licht heeft [appellant] onvoldoende bijkomende omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat UWV onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en tot schadevergoeding is gehouden. Grief 5 is vergeefs voorgesteld.

3.8

Met grief 6 voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte in het vonnis geen enkele, althans geen overtuigende overweging heeft gewijd aan de vordering tot immateriële schadevergoeding. Dienaangaande overweegt het hof als volgt. Nu niet is komen vast te staan dat UWV is tekortgeschoten in enige verplichting jegens [appellant] , laat staan dat is komen vast te staan dat dit op zodanige wijze is geschied dat daardoor schade door [appellant] is geleden, is er geen plaats voor het toekennen van een schadevergoeding. Ten overvloede merkt het hof op dat de wet in artikel 6:106 BW als voorwaarde voor toekenning van smartengeld in een geval als het onderhavige als voorwaarde stelt dat de benadeelde in zijn persoon is aangetast. Dat daarvan sprake zou zijn heeft [appellant] onvoldoende gesteld. Voor zover de door [appellant] gestelde schade het gevolg is van vertraging in de voldoening van een geldsom is deze gefixeerd op de wettelijke rente (artikel 6:119 BW), welke door UWV reeds is vergoed. Ook deze grief snijdt derhalve geen hout.

3.9

Grief 7, tot slot, richt zich tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Aangezien alle andere grieven van [appellant] stranden, faalt ook deze grief.

3.10

De slotsom is dat nu alle grieven falen, het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van UWV begroot op € 666,-- aan verschotten en € 894,-- voor salaris;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.L.M. Keirse, A.S. Arnold en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2015.