Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2536

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
05-10-2015
Zaaknummer
200.107.145-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschuldigingen in het Parool jegens advocaat ter zake van onder meer betrokkenheid bij witwassen. Niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/458
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.107.145/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 493785 HA ZA 11-2038

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2015

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HET PAROOL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [geïntimeerde],

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. C. Wildeman te Amsterdam.

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd, terwijl geïntimeerden afzonderlijk als Het Parool en [geïntimeerde] en gezamenlijk als Het Parool c.s. worden aangeduid.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 10 mei 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2012, in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Het Parool c.s. als gedaagden.

[appellant] heeft bij memorie negen grieven geformuleerd, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, (het hof leest:) het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende, a) voor recht zal verklaren dat de publicaties van 14 augustus 2010 onder de titel ‘Naam slechte advocaat moet openbaar worden’ en ‘Je eigen advocaat als ergste nachtmerrie’ onrechtmatig zijn jegens [appellant] , b) Het Parool c.s. – op straffe van verbeurte van een dwangsom – zal verbieden de beschuldiging dat [appellant] was dan wel is betrokken bij het witwassen van geld te publiceren althans te herhalen in woord of geschrift, c) Het Parool c.s. – op straffe van verbeurte van een dwangsom – zal veroordelen tot plaatsing van een rectificatie (als nader gespecificeerd), d) Het Parool c.s. – op straffe van verbeurte van een dwangsom – zal veroordelen de publicaties van 14 augustus (het hof leest:) 2010, en alle overige publicaties waarin [appellant] wordt beschuldigd van betrokkenheid bij witwassen, offline te halen, en e) Het Parool c.s. zal veroordelen tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 20.000,=, met hoofdelijke veroordeling van Het Parool c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.

Het Parool c.s. hebben bij memorie de grieven van [appellant] bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, de nakosten daaronder begrepen.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2 De feiten

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 tot en met 2.7 een aantal feiten vermeld en tot uitgangspunt genomen. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [appellant] is advocaat te Amsterdam. [geïntimeerde] is werkzaam als redacteur bij Het Parool. [geïntimeerde] heeft verschillende artikelen over [appellant] geschreven, die in dagblad Het Parool zijn geplaatst, waaronder een artikel van 11 februari 2005. In dat artikel wordt [appellant] onder meer beschuldigd van betrokkenheid bij een witwasoperatie.

(ii) De toenmalige deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, [Van V.] , heeft [appellant] bij brief van 7 april 2005 – voor zover van belang – het volgende geschreven:

“Inmiddels heb ik de gelegenheid gehad nog eens alle stukken te bestuderen in dit dossier. Ik ben tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding bestaat tot het openen van enig tuchtrechtelijk onderzoek. Daar komt nog bij dat de zaken waarover in het Parool is gepubliceerd, dermate zijn gedateerd dat de juistheid van de feiten niet meer valt te achterhalen. Belangrijk is echter, mede gelet op uw eigen verklaringen, dat mij niet is gebleken van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van uw kant. (…)”

(iii) Op 14 april 2005 stond in dagblad Het Parool een artikel onder de kop: ‘ [appellant] vrijuit in witwaszaak’. Dat artikel bevat de volgende passages:

“De deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, [Van V.] , ziet geen aanleiding tuchtrechtelijke stappen te nemen tegen advocaat [appellant] vanwege diens beweerde rol bij een omvangrijke witwasoperatie.

‘Ik heb [appellant] om een toelichting op die zaak gevraagd,’ aldus [Van V.] , ‘en hij heeft mij ook stukken gegeven. Op basis daarvan ben ik tot de conclusie gekomen dat ik geen aanleiding zie een tuchtrechtelijk onderzoek tegen hem te beginnen, omdat naar mijn mening geen sprake is geweest van tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen.’

(…)

Tuchtrechtelijk niets aan de hand, meent deken [Van V.] . De deken heeft, benadrukt hij, geen ‘onderzoek’ ingesteld, maar ‘inlichtingen ingewonnen’. ‘Bij een tuchtrechtelijk onderzoek is sprake van een vermoeden van verwijtbaar gedrag. Maar nu gaat het om een publicatie in een krant. Een klager is er niet, alleen een journalistiek verhaal, en soms doe je daar iets mee, soms niet. Op grond van wat ik heb gezien, zie ik geen aanleiding om verder te spitten.’

Heeft u die verklaring van Athanassioe gelezen?

[Van V.] : ‘Ja.’

Heeft u gesproken met de zakenrelaties van Athanassioe, tevens ex-cliënten van [appellant] , die het verhaal van a tot z bevestigen?

[Van V.] : ‘Nee, dat doe je alleen als je iets formeel onderzoekt.’

Kent u de documenten waarin stroman [naam] toegeeft dat het niet om geld van [naam] ging, maar van [van B.] ?

[Van V.] : ‘Het lijkt mij niet juist dat ik zeg hoe ik mijn werk doe.’”

(iv) In Het Parool van 14 augustus 2010 stond op de voorpagina een artikel, geschreven door [geïntimeerde] , met als kop: ‘Naam slechte advocaat moet openbaar worden’. Dat artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Er moet op internet een openbaar register komen waar consumenten kunnen opzoeken welke advocaten zijn veroordeeld door de tuchtrechter, en waarvoor. (…) Dat zegt de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, [mr. K.] . (…) Er doen zich, zegt [mr. K.] , schrijnende gevallen voor waarbij cliënten door hun advocaat ‘van de wal in de sloot’ worden geholpen. In het ergste geval blijven cliënten niet alleen zitten met hun oorspronkelijke juridische probleem, maar krijgen ze ook nog eens een proces aan hun broek van hun eigen advocaat, inclusief beslagleggingen. ‘Wát een onheil zie je af en toe.’

Een register zoals [mr. K.] dat wil, zou consumenten bijvoorbeeld waarschuwen voor [appellant] . In Amsterdam is [appellant] onbetwist koploper waar het gaat om tuchtzaken, procedures tegen en beslagleggingen bij (ex-)cliënten. (…)”

( v) In diezelfde krant was op pagina 6 en 7 nog een artikel van de hand van [geïntimeerde] opgenomen, onder de kop ‘Je eigen advocaat als ergste nachtmerrie’. Vervolgens bevat dat artikel als intro de tekst:

“Advocaat [appellant] verwaarloost de belangen van zijn cliënten, maar als zij weigeren te betalen, sleept hij ze voor de rechter. Laatste trend: beslag leggen bij cliënten. ‘Hoe komen we in hemelsnaam van [appellant] af?’”

Voor zover hier relevant staat in het artikel verder het volgende:

“Bij bestudering van zijn rijke tuchtrechtelijke heden en verleden dringt zich vooral deze gedachte op: je zult maar, als eenvoudige rechtszoekende, zonder enige ervaring op juridisch gebied, onverhoopt op het kantoor belanden van [appellant] aan de Keizersgracht in Amsterdam. Dan ben je, zoals één van zijn ex-cliënten het uitdrukt in goed Jiddisch, gesjochten, ofwel geruïneerd: je redder in nood, aan wie je allerlei privé-informatie hebt toevertrouwd, ontpopt zich als je grootste vijand, met uiteindelijk als resultaat dat je niet alleen zit opgezadeld met het oorspronkelijke juridische probleem, maar ook met door [appellant] tegen jou aangespannen korte gedingen, bodemprocedures en/of ander procedureel onheil.

[appellant] (1944) heeft altijd lucratieve klanten gehad. In de jaren tachtig stond hij maffiabaas [naam] 'De Dominee’ [van B.] geregeld bij, zowel in strafzaken en civiele procedures als in schimmige vastgoedtransacties. Als advocaat van onder anderen [van B.] was [appellant] rond 1990 ook nauw betrokken bij een, volgens direct betrokkenen, omvangrijke witwasoperatie. [van B.] investeerde in die periode zo’n 1,2 miljoen dollar in vastgoed in Boca Raton, Florida. Zowel een Amerikaanse stroman [van B.] als de Griekse eigenaar van een dekmantelfirma die bij de operatie werd gebruikt, heeft later toegegeven dat het een witwasoperatie betrof.

Daarnaast specialiseerde [appellant] zich in erfrecht en arbeidsrecht. Op die vakgebieden is hij de afgelopen twintig jaar in tuchtzaken bij de Raad en het Hof van Discipline herhaaldelijk tegen veroordelingen opgelopen als waarschuwingen, berispingen en voorwaardelijke en onvoorwaardelijke schorsingen; ook in civiele procedures met (ex-)cliënten moest [appellant] geregeld bakzeil halen. De advocaat was, heette het dan bijvoorbeeld, ‘toerekenbaar ernstig tekortgeschoten’, of hij had niet gehandeld zoals van een ‘redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat’ mag worden verwacht.

Twee jaar geleden vestigde [appellant] een persoonlijk record op het gebied van tuchtrecht: in juli 2008 moest hij op één dag in maar liefst vier zaken voor het Hof van Discipline verschijnen. Het betrof uiteenlopende klachten: [appellant] verstrekte zijn eigen cliënten ‘onjuiste informatie’, hij bracht niettemin een ‘excessief honorarium’ in rekening, hij had op een cliënt ‘druk’ uitgeoefend om een tuchtzaak niet door te zetten, hij pleegde ‘bedrog’, hij had zich ‘in dienst gesteld’ van de wederpartij van een cliënt, et cetera. Het Hof liet geen spaan van [appellant] heel. (…) [appellant] kreeg van het Hof een berisping en een onvoorwaardelijke schorsing van vier maanden (…).

[appellant] gaat onverdroten voort, sterker, hij is in zekere zin aan het innoveren: hij lijkt, naast het voeren van procedures, steeds vaker beslag te leggen bij (ex-)cliënten.

(…) bij [appellant] is beslaglegging een wezenlijk onderdeel van zijn praktijkvoering geworden.

Deels bekend was al de zaak van [R.] . In oktober 1997 verzocht [R.] [appellant] haar bij te staan in een erfeniskwestie. Twee maanden later al, december, liet zij hem weten niet langer op zijn bijstand prijs te stellen, onder meer omdat de advocaat buiten haar om in kluisjes zat te neuzen. [appellant] weigerde echter te accepteren dat [R.] niet met hem verder wilde. (…) In juni 1998 moest [R.] ’ nieuwe advocaat (…) zelfs een kort geding aanspannen tegen [appellant] waarin werd geëist dat hij het dossier- [R.] zou overdragen. De rechter wees die eis toe.

Vervolgens stuurde [appellant] [R.] een rekening: ruim dertigduizend gulden. [R.] weigerde dat te betalen (…) Eind 1998 legde [appellant] daarop beslag op de woning en twee bijbehorende garages van [R.] . (…) In september 2004 liet hij ten slotte een van de twee garages executoriaal verkopen. (…)

[R.] was zo kwaad over die gang van zaken dat zij (…) een baksteen in zijn richting gooide (…). De advocaat trok daarop een golfclub en hakte op [R.] in. (…) [R.] werd (…) door de politierechter tot twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld (…). [appellant] werd om onduidelijke redenen niet vervolgd, maar de Raad van Discipline oordeelde dat hij, met het inhakken op [R.] , in strijd had gehandeld ‘met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt’: er was geen sprake van een noodweersituatie (…)

[mr. en mevr. Z.] , eigenaren van een grondbedrijf in [plaats] , ondergingen een soortgelijk lot. Zij wendden zich in 2006 met een aantal juridische problemen tot [appellant] , waaronder ook een erfeniskwestie. In de loop van 2008 kwam Frans Zaal, die analfabeet is, echter in zakelijke problemen en zag het ernaar uit dat zij ook [appellant] niet zouden kunnen betalen. Hoe hoog was die rekening eigenlijk? vroegen [mr. en mevr. Z.] hem begin juni 2008.

Heel hoog, liet [appellant] daarop weten: (…) Het totaal kwam uiteindelijk op circa 75.000 euro (…)

[mr. en mevr. Z.] spraken daarover hun verbijstering uit, en [appellant] kwam vervolgens met een verrassende oplossing: hij stelde voor het echtpaar een aanzienlijke hoeveelheid geld te lenen zodat zij hun schuldeisers, de fiscus, maar vooral [appellant] zelf zouden kunnen betalen. (…) Volgens een concept-hypotheekakte die werd opgemaakt, zouden [mr. en mevr. Z.] twee ton van [appellant] lenen tegen een rente van acht procent, met hun woonhuis (…) in Vinkeveen als onderpand. De lening moest een halfjaar later, eind 2008, alweer worden afgelost, anders zou het vastgoed worden verkocht. (…)

[mr. en mevr. Z.] kregen het gevoel dat zij hun hoofd in een strop staken, en weigerden te tekenen. Direct daarop legde [appellant] beslag op het vastgoed. (…)

Wel heeft Kurz [in het artikel aangeduid als de huidige raadsman van [mr. en mevr. Z.] , hof] bij de deken van de Amsterdamse Orde een klacht ingediend tegen [appellant] . ‘Want [appellant] heeft er echt een potje van gemaakt, en bovendien heeft hij geprobeerd een slaatje te slaan uit de financiële malaise van zijn eigen cliënten.’

Behalve de zaak- [R.] en de zaak-Zaal speelt momenteel ook nog de zaak rond mevrouw D. (…) Zij werd in 2004 door de Raad voor Rechtsbijstand naar [appellant] verwezen met een erfeniskwestie (…) Een paar maanden geleden besloot D. ten slotte te stoppen met [appellant] . ‘Door zijn toedoen is de zaak steeds verder geëscaleerd. Hij zag mij en mijn broer alleen maar als vehikel om aan geld te komen.’ In weerwil van eerdere toezeggingen stuurde [appellant] mevrouw D. vervolgens een rekening van zeventigduizend euro. Bij niet betaling zou bij haar beslag worden gelegd. Daarop greep de deken in, met een brief van 5 juli: of [appellant] dat maar uit zijn hoofd wilde laten. ‘Die erfenis kunnen wij allemaal wel vergeten,’ zegt D. ‘Het gaat ons nu alleen nog maar om de vraag: hoe krijgen we die beslagen eraf, en hoe komen we in hemelsnaam van [appellant] af?’

Eigenlijk is er maar één manier, zegt voormalig bloemenkoopman [Van T.] : zélf beslag laten leggen. [Van T.] kwam in 2002 bij [appellant] terecht, eveneens met een erfeniskwestie. In die zaak moest [appellant] ten behoeve van de erfgenamen, onder wie [Van T.] , een pand in de […] (laten) verkopen. Later kwam [Van T.] erachter dat hij van [appellant] 38.000 euro minder had gekregen dan waarop hij recht had. De bloemenkoopman spande een bodemprocedure tegen [appellant] aan en eind 2007 bepaalde de rechtbank dat de advocaat [Van T.] de ontbrekende 38.000 moest betalen.

Voor alle zekerheid liet [Van T.] op grond van dat vonnis beslag leggen op de drie naast elkaar gelegen panden van [appellant] op de Keizersgracht en op een vakantiehuisje van de advocaat in Overijssel. ‘Woest was-ie,’ zegt [Van T.] . ‘Uiteindelijk heeft-ie betaald, maar ja: doordat ik die procedure moest aanspannen, hield ik er misschien de helft van over. Tuig is het. Weet u wat ze met dit soort advocaten moeten doen? De grachten dempen.’”

(vi) In een kader bij het onder (v) genoemde artikel staat een interview met de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, [mr. K.] , dat voor zover van belang luidt:

Zijn er in Amsterdam nog meer advocaten met zo’n uitgebreid tuchtrechtelijk verleden als [appellant] ?

[mr. K.] : ‘Ehh… dat is denk ik toch vrij uitzonderlijk… Of nee: het ís uitzonderlijk.’”

(vii) [appellant] heeft over de onder (iv) en (v) genoemde publicaties een klacht ingediend bij de Raad voor de Journalistiek (RvJ), tegen [geïntimeerde] en de hoofdredacteur van Het Parool. Tegen die klacht is geen verweer gevoerd. Bij beslissing van 2 februari 2011 heeft de RvJ de klacht gegrond verklaard. Daartoe heeft hij onder meer overwogen:

“(…) Naar het oordeel van de Raad laat de vormgeving van de publicatie – de wijze van presenteren van feiten en meningen – de lezer weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat de handelwijze van klager niet deugt.

(…)

Aldus is sprake van een zodanige diskwalificatie van klager dat verweerders deze niet zonder deugdelijke grondslag en behoorlijke toepassing van wederhoor hadden mogen publiceren. (…)

Ter zake van zijn vermeende betrokkenheid bij een witwasoperatie heeft klager aangevoerd dat reeds in april 2005 de toenmalige Deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten heeft geoordeeld dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is geweest.

Uit de door klager overgelegde stukken blijkt dat deze informatie verweerders bekend was. (…)

Door niettemin over klager te berichten dat hij ‘als advocaat van onder anderen [van B.] rond 1990 ook nauw betrokken was bij een, volgens direct betrokkenen, omvangrijke witwasoperatie’ en daarbij onvermeld te laten dat de Orde van Advocaten in 2005 ter zake geen aanleiding zag voor tuchtrechtelijke stappen jegens klager, hebben verweerders op dit punt onvolledig en daardoor onjuist over klager bericht. (…)

Verder heeft klager gemotiveerd betwist dat hij ‘koploper is waar het gaat om tuchtzaken, procedures tegen en beslagleggingen bij (ex-)cliënten’. Niet is gebleken dat voor deze bewering voldoende feitelijke grondslag bestaat. (…)

Verweerders hebben derhalve een tendentieus en onvolledig beeld van klager als advocaat gegeven, terwijl niet is gebleken dat zij klager in de gelegenheid hebben gesteld op de beschuldigingen aan zijn adres te reageren.

Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders (…) de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk toelaatbaar is.”

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, dat voor recht wordt verklaard dat de publicaties van 11 (het hof begrijpt: 14) augustus 2010 onder de titels ‘Naam slechte advocaat moet openbaar worden’ en ‘Je eigen advocaat als ergste nachtmerrie’ onrechtmatig zijn tegenover [appellant] , dat Het Parool c.s. wordt verboden de beschuldiging te herhalen dat [appellant] betrokken was bij het witwassen van geld, dat Het Parool c.s. – op straffe van verbeurte van een dwangsom – worden veroordeeld tot plaatsing van een rectificatie op de voorpagina van dagblad Het Parool (als nader gespecificeerd), dat Het Parool c.s. – op straffe van verbeurte van een dwangsom – worden veroordeeld tot het offline halen van de publicaties van 14 augustus 2011 (het hof leest: 2010) en alle overige publicaties waarin eiser wordt beschuldigd van betrokkenheid bij witwassen, en dat Het Parool c.s. worden veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat en tot vergoeding van de kosten van de procedure bij de RvJ, met veroordeling van Parool c.s. in de proceskosten. Hij heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat met name de bovengenoemde publicaties van 14 augustus 2010 in dagblad Het Parool jegens hem onrechtmatig zijn geweest in de zin van artikel 6:162 BW. Het Parool c.s. hebben hiertegen verweer gevoerd.

3.3.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep, kort samengevat, vooropgesteld dat het hier gaat om een botsing tussen het recht op vrije meningsuiting enerzijds en het recht ter bescherming van eer of goede naam anderzijds, dat die belangen in beginsel gelijkwaardig zijn en dat de vraag welk belang zwaarder weegt afhangt van de omstandigheden van het geval. Na die belangen te hebben besproken heeft de rechtbank geconcludeerd dat de bedoelde publicaties niet onrechtmatig zijn en dat de vordering van [appellant] daarom moet worden afgewezen en [appellant] moet worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder de nakosten.

3.4.

De grieven van [appellant] strekken ertoe de beslissing van de rechtbank om zijn vordering af te wijzen en de gronden die daartoe zijn gebezigd, geheel aan het oordeel van het hof te onderwerpen. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

3.5.

De vraag waar het in het onderhavige geschil met name om gaat is of de door Het Parool c.s. op 14 augustus 2010 in het dagblad Het Parool gepubliceerde artikelen onrechtmatig jegens [appellant] moeten worden geoordeeld. Bij de beantwoording van die vraag geldt als uitgangspunt dat in deze zaak tegenover elkaar staan enerzijds het grondwettelijk en verdragsrechtelijk verankerde recht van Het Parool c.s. op vrijheid van meningsuiting en anderzijds het onder andere door artikel 6:162 BW beschermde recht van [appellant] om niet te worden blootgesteld aan publicaties die, door daarin geuite ongefundeerde of lichtvaardige verdachtmakingen, inbreuk maken op zijn eer en goede naam respectievelijk op zijn recht op bescherming daarvan. Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten zwaarder dient te wegen, is afhankelijk van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval, die hiertoe moeten worden beoordeeld, bij welke beoordeling aansluiting moet worden gezocht bij wat de Hoge Raad onder meer in zijn arrest van 24 juni 1983, NJ 1984/801 ter zake heeft overwogen.

3.6.

[appellant] komt met zijn grieven allereerst op tegen het oordeel van de rechtbank dat Het Parool c.s., gelet op het hun ter beschikking staande feitenmateriaal, zodanig sterke aanwijzingen hadden dat [appellant] bij witwassen betrokken was, dat zij die beschuldiging openbaar mochten maken. Blijkens diens toelichting op de eerste grief gaat het [appellant] daarbij met name om de in een van de artikelen van 14 augustus 2010 geuite beschuldiging dat hij, [appellant] , betrokken is geweest bij witwaspraktijken, in het bijzonder dus om de hiervoor (onder 3.1 sub (v) reeds) geciteerde passage:

“Paul Martien [appellant] (1944) heeft altijd lucratieve klanten gehad. In de jaren tachtig stond hij maffiabaas Klaas 'De Dominee’ [van B.] geregeld bij, zowel in strafzaken en civiele procedures als in schimmige vastgoedtransacties. Als advocaat van onder anderen [van B.] was [appellant] rond 1990 ook nauw betrokken bij een, volgens direct betrokkenen, omvangrijke witwasoperatie. [van B.] investeerde in die periode zo’n 1,2 miljoen dollar in vastgoed in Boca Raton, Florida. Zowel een Amerikaanse stroman van [van B.] als de Griekse eigenaar van een dekmantelfirma die bij de operatie werd gebruikt, heeft later toegegeven dat het een witwasoperatie betrof.”

Het hof stelt bij de bespreking van deze grief voorop dat het bij de beoordeling van de mate waarin ten tijde van de uitlatingen de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal, gaat om het feitenmateriaal waarover Het Parool c.s. ten tijde van de gewraakte publicatie beschikten en konden beschikken. Voor zover [appellant] zich erover beklaagt dat de rechtbank de stukken die hij op de comparitie van partijen in eerste aanleg in het geding heeft gebracht, niet in haar beoordeling heeft meegenomen, verwerpt het hof dit betoog dan ook, omdat [appellant] – in het licht van de stelling van Het Parool c.s. dat zij ten tijde van de gewraakte publicatie niet van die stukken op de hoogte waren – geen althans onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit de conclusie kan worden getrokken dat Het Parool c.s. op dat moment wel over de desbetreffende stukken beschikten of konden beschikken (zie, integendeel, ook memorie van grieven onder 85). Daaraan voegt het hof, evenals de rechtbank heeft gedaan, ten overvloede toe dat uit die stukken niet kan worden afgeleid dat [appellant] niet bij de desbetreffende transactie was betrokken.

3.7.

Voor de uitlating dat het project ‘Boca Raton’ een witwasoperatie van [van B.] betrof en [appellant] daarbij (enkel) nauw betrokken was, was ten tijde van de gewraakte publicatie voldoende steun te vinden in het toen aan Het Parool c.s. ter beschikking staande feitenmateriaal. Het hof verwijst daartoe naar de inhoud van een aantal in eerste aanleg reeds door Het Parool c.s. in het geding gebrachte producties (onder meer productie 32, productie 40, productie 41, en productie 43, p. 4) en naar met name de inhoud van de verklaringen van [S.A.] (productie 44) en de Amerikaanse advocaat [naam] (productie 52). Voor zover [appellant] heeft gesteld dat moet worden getwijfeld aan de authenticiteit van de verklaring van [S.A.] , kan het hof [appellant] , gelet op de inhoud van de overige producties en verklaringen, daarin niet volgen.

3.8.

Wat [appellant] voor het overige in dit verband heeft aangevoerd, kan aan het voorgaande niet afdoen. Dit betekent dat grief I faalt.

3.9.

De tweede grief van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de waarde die aan de brief van de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten van 7 april 2005 in dit verband moet worden toegekend. Het hof onderschrijft wat de rechtbank ter zake (in rechtsoverweging 4.8 van haar vonnis) heeft overwogen en maakt die overweging tot de zijne. Daaraan voegt het hof toe dat de deken zich bij zijn beslissing in 2005 kennelijk uitsluitend op informatie van [appellant] heeft gebaseerd en dat de omstandigheid dat de deken heeft verklaard zoals hij heeft gedaan, onverlet laat dat Het Parool c.s. in 2010 eigen conclusies uit het hun toen beschikbare feitenmateriaal konden en mochten trekken, nog daargelaten dat in het geheel niet is komen vast te staan dat de deken in 2005 en Het Parool c.s. in 2010 over hetzelfde feitenmateriaal beschikten. Uit een en ander volgt dat grief II evenmin kan slagen.

3.10.

Met zijn derde grief verwijt [appellant] de rechtbank dat zij zijn aanbod heeft gepasseerd om te bewijzen dat hij aan de deken openheid van zaken heeft gegeven en dat de deken vervolgens concludeerde dat een deugdelijke grond voor de beschuldiging ontbrak. Het hof kan [appellant] niet in zijn betoog volgen. Bij de beantwoording van de vraag waar het te dezen om gaat is van belang over welk feitenmateriaal Het Parool c.s. ten tijde van de gewraakte publicatie beschikten en konden beschikken. Het bewijsaanbod is daarom niet ter zake dienend, zodat dit aanbod moet worden gepasseerd. Ook als [appellant] slaagt in zijn bewijslevering op dit punt, kan dit immers niet afdoen aan wat het hof reeds hiervoor (in rechtsoverwegingen 3.6 tot en met 3.9) heeft overwogen. Ook grief III is tevergeefs voorgesteld.

3.11.

De vierde grief is gericht tegen het passeren door de rechtbank van het aanbod van [appellant] om te bewijzen dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan witwassen en daarvan ook niet verdacht is geweest. Ook hier gaat het er echter om over welk feitenmateriaal Het Parool c.s. ten tijde van de gewraakte publicatie beschikten en konden beschikken en is het bewijsaanbod niet ter zake dienend, zodat dit aanbod moet worden gepasseerd. Ook hier geldt immers dat als [appellant] slaagt respectievelijk zou zijn geslaagd in zijn bewijslevering op dit punt, dit niet kan afdoen aan wat het hof reeds hiervoor (in rechtsoverwegingen 3.6 tot en met 3.9) heeft overwogen. Bovendien houdt het bewijsaanbod in dat [appellant] zich niet schuldig heeft gemaakt aan witwassen, terwijl het erop aankomt of hij daarbij ‘nauw betrokken’ is geweest. Hieruit volgt dat grief IV eveneens moet worden verworpen.

3.12.

De vijfde grief van [appellant] strekt ten betoge dat Het Parool c.s. het beginsel van hoor en wederhoor niet althans onvoldoende in acht hebben genomen in het kader van de gewraakte publicaties van 14 augustus 2010. De grief mist in zoverre feitelijke grondslag dat [appellant] voorafgaand aan die publicaties wel degelijk om een reactie is verzocht (zie productie 49) – op welk verzoek hij niet althans niet tijdig heeft gereageerd –, maar dat verzoek had geen betrekking op de vermeende (nauwe) betrokkenheid van [appellant] bij witwaspraktijken. Daarop heeft de klacht van [appellant] betrekking. Die klacht treft ook in dat opzicht echter geen doel omdat [appellant] betoogt dat niet inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor slechts onrechtmatig handelen door Het Parool c.s. kon opleveren indien de uitlatingen ten tijde van de gewraakte publicaties geen of onvoldoende steun vonden in het toen aan Het Parool c.s. ter beschikking staande feitenmateriaal. Daaromtrent heeft het hof echter reeds hiervoor (onder 3.7) overwogen dat dit wel het geval was. Daaraan voegt het hof toe dat in beginsel weliswaar geboden is dat ook in dergelijke gevallen het beginsel van hoor en wederhoor wordt in acht genomen, maar dat het enkele achterwege laten daarvan niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de gewraakte publicaties leidt. Dit leidt tot de conclusie dat ook grief V faalt.

3.13.

[appellant] betoogt met zijn zevende grief dat de toonzetting van de gewraakte publicaties in een aantal opzichten te negatief en onnodig grievend is. In het bijzonder gaat het [appellant] daarbij om de in die publicaties gebruikte bewoordingen ‘je eigen advocaat als ergste nachtmerrie’, ‘je redder in nood ontpopt zich als je grootste vijand’ en ‘Tuig is het. Weet u wat ze met dit soort advocaten moeten doen? De grachten dempen.’ Voorts beklaagt [appellant] zich erover dat in de gewraakte publicaties ook naar eerdere artikelen wordt verwezen. Met betrekking tot de eerstgenoemde bewoordingen stelt het hof vast dat het hier om de kop boven een artikel gaat en dat het feitenmateriaal waarover Het Parool c.s. op dat moment beschikten en konden beschikken en dat aan de orde komt in het artikel zelf, die kop ondersteunt. Daarbij tekent het hof aan dat de kop zelf tot op zekere hoogte weliswaar wat ongenuanceerd is, maar dat deze in samenhang met de inhoud van het artikel moet worden gelezen en een zekere mate van overdrijving inherent mag zijn aan de bewoordingen die in de kop worden gebruikt. Daarvan uitgaande acht het hof de desbetreffende kop niet te negatief of onnodig grievend. Ten aanzien van de als tweede genoemde bewoordingen overweegt het hof dat het feitenmateriaal waarover Het Parool c.s. op dat moment beschikten en konden beschikken en dat aan de orde komt in het artikel zelf, die zin voldoende ondersteunt, zodat ook ter zake van deze uitlating niet kan worden gezegd dat deze te negatief of onnodig grievend is. In het desbetreffende artikel zijn de kwesties rond het echtpaar Zaal, mevrouw D en [Van T.] overigens nieuw, in welk geval het, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, gerechtvaardigd is om eerdere beschuldigingen te herhalen voor zover dit kan dienen om de lezer een goed beeld van de (beweerdelijk aanwezige) misstand te geven, wat hier is gebeurd. Met betrekking tot de als laatste genoemde bewoordingen geldt dat het (enkel) om een uitlating gaat van een derde ( [Van T.] ), die wordt geciteerd, waarbij Het Parool c.s. (enkel) als doorgeefluik fungeren en waarvoor Het Parool c.s. – behoudens bijzondere omstandigheden die hier niet zijn gesteld en waarvan evenmin is gebleken – niet aansprakelijk zijn. Bij dit alles geldt bovendien dat het Het Parool c.s. in beginsel vrijstaat zich bij hun berichtgeving in dagblad ‘Het Parool’ te bedienen van bewoordingen die met het gewone spraakgebruik overeenstemmen en van toonzettingen die zij voor het publiek waarop zij zich richten, geëigend achten. Dit betekent dat grief VII evenmin kan slagen.

3.14.

Met zijn achtste grief betoogt [appellant] dat Het Parool c.s. met het toevoegen van een foto van hem aan de gewraakte publicaties de inbreuk op de bescherming van zijn privéleven en persoonlijke levenssfeer onnodig heeft vergroot en dat de rechtbank dit aspect in de te maken belangenafweging had moeten betrekken. [appellant] heeft in dit verband betoogd dat hij geen ‘public figure’ was en dat daarom toevoeging van de foto aan de publicatie achterwege had behoren te blijven. Het hof kan hem daarin niet volgen, omdat [appellant] , gelet op zijn functie van advocaat en zijn optreden in het publieke domein, wel een publiek persoon was. Om die reden moest hij dulden dat de desbetreffende foto, die – naar onweersproken vaststaat – jarenlang op de website van het blad ‘Mr’ had gestaan, bij de gewraakte publicaties werd geplaatst. Ook grief VIII is tevergeefs voorgesteld.

3.15.

De zesde grief van [appellant] verwijt de rechtbank dat zij niet aan artikel 8 EVRM heeft getoetst en onvoldoende belangen heeft afgewogen in het kader van dit artikel ten opzichte van artikel 10 EVRM. In dit verband overweegt het hof als volgt. De aard van de verweten uitlatingen is, ook als rekening wordt gehouden met de redelijkerwijs te verwachten gevolgen voor [appellant] , tegen de achtergrond van het feitenmateriaal waarover Het Parool c.s. ten tijde van de gewraakte publicaties beschikten, te billijken, mede in aanmerking genomen dat het Het Parool c.s. vrijstond – zoals hiervoor (onder 3.13) reeds overwogen – zich in dagblad ‘Het Parool’ te bedienen van bewoordingen die met het gewone spraakgebruik overeenstemmen. De wijze waarop Het Parool c.s. zich hebben uitgelaten wordt eveneens gerechtvaardigd door de ernst van de misstand die de gewraakte artikelen aan de kaak beogen te stellen en het daarmee gemoeide algemeen maatschappelijk belang, alsmede (zie hiervoor, onder 3.7) door de mate waarin de bedoelde uitlatingen steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal. Dat Het Parool c.s. de beschuldigingen in de gewraakte artikelen anders hadden moeten inkleden, is, mede gelet op wat hiervoor (onder 3.13 en 3.14) reeds is overwogen, niet aannemelijk geworden. [appellant] heeft, voorts, niet gesteld dat waarschijnlijk was dat, ook zonder de verweten uitlatingen, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor hem minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden of dat een reële kans aanwezig was dat de betrokken uitlatingen, ook zonder de verweten openbaarmaking, in de publiciteit zouden zijn gekomen. Ten slotte is in dit verband van belang dat [appellant] , gelet op zijn functie van advocaat en zijn optreden in het publieke domein, een publiek persoon was en om die reden meer kritiek op zijn functioneren had te dulden.

3.16.

Het voorgaande voert het hof tot de slotsom dat, alle relevante omstandigheden tegen elkaar afgewogen, het belang van Het Parool c.s. om zich vrij te uiten in dit geval zwaarder behoort te wegen dan de belangen waarvoor [appellant] opkomt en dat derhalve het grootste gewicht moet toekomen aan het belang dat een (vermeende) misstand die de samenleving raakt, door bekendmaking aan het grote publiek bestreden moet kunnen worden. Van een ontoelaatbare inbreuk op het in artikel 8, tweede lid, EVRM gewaarborgde recht is derhalve geen sprake en de door [appellant] gewraakte uitlatingen van Het Parool c.s. zijn jegens hem niet onrechtmatig te noemen. Een en ander brengt mee dat grief VI evenmin kan slagen.

3.17.

Ten slotte overweegt het hof dat grief IX, die zelfstandige betekenis mist, om die reden geen bespreking behoeft en het lot van de overige grieven deelt.

3.18.

De slotsom luidt als volgt. De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Het Parool c.s. gevallen, op € 666,= aan verschotten en € 894,= aan salaris advocaat en op € 131,= voor nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 68,= voor nasalaris van de advocaat, met de kosten van het betekeningsexploot en met de wettelijke rente ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan deze veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, W.H.F.M. Cortenraad en M.L.D. Akkaya, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2015 door de rolraadsheer.