Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2527

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
05-07-2015
Zaaknummer
200.164.542-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:10646, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag en omgang

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 23 juni 2015

Zaaknummer: 200.164.542/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/14/156694 / FA RK 14/1760

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. C.J.P. Liefting te Amstelveen,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. P. Heijnen te Hoorn.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 10 februari 2015 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 12 november 2014 van de rechtbank Noord-Holland (Alkmaar), met kenmerk C/14/156694 / FA RK 14/1760.

1.3.

De vrouw heeft op 2 april 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 3 juni 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de advocaat van de man;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw D. van Dijk, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Noord‑Holland (hierna: de Raad).

1.6.

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen. Van de Jeugd- en Gezinsbeschermers (voorheen: Bureau Jeugdzorg Noord‑Holland) is, met voorafgaand bericht, geen vertegenwoordiger ter terechtzitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad tot november 2011. Uit hun relatie is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2009. De man heeft [de minderjarige] erkend. [de minderjarige] verblijft bij de vrouw.

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord‑Holland van 29 oktober 2013 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en is machtiging verleend tot spoeduithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin (grootmoeder vaderszijde) voor de termijn van vier weken. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot laatstelijk 29 april 2015 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot laatstelijk 6 februari 2014.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen een weekend bij de man zal verblijven, waarbij de man [de minderjarige] op vrijdag na 15.30 uur bij de BSO zal ophalen en de vrouw [de minderjarige] op zondag om 16.00 uur zal ophalen bij Meeting point station Amsterdam Arena.

Voorts is het verzoek van de man om hem mede met het gezag over [de minderjarige] te belasten afgewezen.

Deze beschikking is, voor zover thans van belang, gegeven op het (gewijzigde) verzoek van de man te bepalen dat hij en [de minderjarige] om de week een weekend omgang hebben, waarbij hij [de minderjarige] vrijdagmiddag van de BSO haalt en de vrouw [de minderjarige] zondag om 17.00 of 18.00 uur bij het Meeting point station Amsterdam Arena ophaalt, alsmede te bepalen dat hij en de vrouw gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uitoefenen.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat hij en de vrouw gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uitoefenen, alsmede te bepalen dat de omgang tussen hem en [de minderjarige] aanvangt op vrijdagmiddag na/van school, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

3.3.

De vrouw verzoekt het door de man verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de belangen van [de minderjarige] zich verzetten tegen een gezamenlijke uitoefening van het gezag en over de invulling van de omgangsregeling.

Gezag

4.2.

De man betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om mede met het gezag over [de minderjarige] te worden belast, heeft afgewezen. In dit verband voert de man aan dat [de minderjarige] niet klem of verloren is geraakt tussen zijn ouders. De situatie is volgens de man inmiddels gestabiliseerd, de bij de bestreden beschikking bepaalde omgangsregeling verloopt goed en hij heeft een goed contact met [de minderjarige]. Partijen zijn thans geruime tijd verder en hebben bewezen dat zij over en weer het ouderschap goed invullen. De man stelt voorts dat partijen inmiddels, zij het vooral via e‑mail, met elkaar communiceren. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is niet verlengd, omdat er geen zorgen meer zijn over [de minderjarige], aldus de man.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stelt dat de huidige situatie niet is gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de bestreden beschikking. De houding van de man is boos en conflictueus en de communicatie tussen partijen komt nog steeds niet van de grond. De vrouw wil graag mediation, maar de man wijst dit af. Voorts geeft de man de vrouw niet of nauwelijks informatie over het verblijf van [de minderjarige] bij hem. De gezinsvoogd had evenmin zicht op de situatie bij de man thuis en de man bood geen ingang voor het noodzakelijke contact met de gezinsvoogd om deze in staat te stellen de communicatie tussen partijen te verbeteren. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw nader toegelicht dat volgens de Jeugd- en Gezinsbescherming de communicatie tussen partijen onvoldoende was verbeterd en een verbetering hiervan binnen afzienbare termijn niet viel te verwachten, zodat besloten is geen verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken.

4.3.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep ten aanzien van het gezag geadviseerd om de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

4.4.

Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag van de ouders over een minderjarige het uitgangspunt is van de wetgever. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253c lid 2 Burgerlijk Wetboek wordt een verzoek van de tot het gezag bevoegde vader die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten, indien de moeder daar niet mee instemt, slechts afgewezen, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.

4.5.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is voldoende aannemelijk geworden dat de onderlinge verhouding tussen partijen nog zeer spanningsvol is en de strijd tussen hen nog voortduurt. Dit komt onder meer tot uiting tijdens de overdrachtsmomenten in het kader van de omgangsregeling. De stellingen van de vrouw in dit verband dat de man tijdens de overdrachtsmomenten geen, althans zo min mogelijk contact met haar wenst te hebben en dat de moeder van de man ook thans nog steeds aanwezig dient te zijn bij de overdrachten van [de minderjarige], zijn namens de man onvoldoende weersproken. Het hof acht aannemelijk dat [de minderjarige] zich bewust is van deze spanningsvolle situatie en daar ook last van ondervindt.

Ook overigens is er nog steeds nauwelijks contact tussen partijen. Weliswaar is er sprake van e‑mailcontact tussen partijen, maar de man heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat dit contact uitsluitend ziet op praktische zaken in het kader van de omgang, zoals het ophalen van [de minderjarige]. Niet aannemelijk is geworden dat hij de vrouw informeert over hoe de omgang is verlopen of over andere zaken die [de minderjarige] aangaan. In dit verband heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep aangevoerd – hetgeen zijdens de man niet is bestreden – dat de man haar niet heeft ingelicht over de geboorte van een kind uit zijn nieuwe relatie, waardoor zij [de minderjarige] hierop niet heeft kunnen voorbereiden. Voorts is ter zitting in hoger beroep gebleken dat de vrouw de man niet telefonisch kan bereiken en dat zij in geval van nood de moeder van de man dient te bellen.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht dat een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] niet langer was aangewezen, omdat sprake was van een stabiele opvoedsituatie, maar dat de gezinsvoogd geen stappen heeft kunnen zetten in de verbetering van de communicatie tussen partijen. Volgens de Raad zijn partijen nog steeds niet in staat samen te werken, hetgeen noodzakelijk is voor een gezamenlijke uitoefening van het gezag.

4.6.

Gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden is naar het oordeel van het hof niet voldaan aan het minimale vereiste voor een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Hoewel de omgangsregeling op zichzelf goed loopt, is sprake van een minimale communicatie per e‑mail tussen partijen. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat partijen op dit moment in staat zijn in gezamenlijk overleg belangrijke beslissingen over [de minderjarige] te nemen, althans tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond [de minderjarige] kunnen voordoen zodanig dat hij niet klem of verloren raakt tussen hen. Niet te verwachten valt dat hierin binnen afzienbare termijn verbetering zal komen, te meer niet nu het ook in het kader van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] niet is gelukt om partijen gezamenlijk aan tafel te krijgen om een verbetering van de onderlinge communicatie te bewerkstelligen. Evenals de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen zijn ouders. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van het gezag derhalve bekrachtigen.

Omgang

4.7.

De man betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij [de minderjarige] vrijdagmiddag van de BSO dient op te halen. Zijn primaire wens was en is om [de minderjarige] vrijdagmiddag uit school op te halen, zodat hij contact kan hebben met de school, andere ouders en vriendjes/vriendinnetjes van [de minderjarige]. Bovendien zou dit voor [de minderjarige] minder wisselingen op die dag meebrengen en voor de vrouw minder kosten voor de BSO, aldus de man.

De vrouw heeft verweer gevoerd en stelt dat de school er de voorkeur aan geeft wanneer [de minderjarige] bij de BSO wordt opgehaald en dat het contact tussen de man en de school op een andere wijze kan worden geregeld. De vrouw acht het voorts niet in het belang van [de minderjarige] wanneer de omgangsregeling die al enige tijd functioneert en waaraan [de minderjarige] is gewend, zonder meer zou worden gewijzigd. De week verloopt op deze wijze steeds zoveel mogelijk volgens de voor [de minderjarige] bekende routine. De vrouw betwist dat haar kosten voor de BSO lager zouden worden. Ter zitting in hoger beroep heeft zij in dit verband nader toegelicht dat wanneer de man [de minderjarige] eenmaal per twee weken op vrijdag uit school zou ophalen, dit ertoe zou leiden dat haar kosten voor de BSO zouden toenemen, vanwege de voor flexibele opvang geldende toeslag van 15%. Bovendien is de man thans vaak te laat door files, terwijl hij bij de school dient te zijn zodra deze uit is. Indien de man [de minderjarige] bij de BSO ophaalt, heeft hij de mogelijkheid om uit te lopen tot 18.30 uur, aldus de vrouw.

4.8.

De Raad heeft zich ter zitting in hoger beroep onthouden van een advies ter zake van de invulling van de omgangsregeling.

4.9.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man inmiddels contact heeft met de school van [de minderjarige] en dat hij door de school betrokken wordt bij (onder meer) ouderavonden, zodat aan deze wens van de man reeds tegemoet wordt gekomen. Het contact van de man met vriendjes/vriendinnetjes van [de minderjarige] kan naar het oordeel van het hof ook op de BSO of op andere wijze plaatsvinden. Het hof overweegt dat het ophalen bij de BSO voor [de minderjarige] weliswaar een extra wisseling op die dag met zich brengt, maar dat aldus zoveel mogelijk dezelfde weekroutine wordt aangehouden, nu de vrouw [de minderjarige] in de andere week op vrijdag ook van de BSO ophaalt. Het hof acht het met de vrouw in het belang van [de minderjarige] dat hij iedere week zo veel mogelijk dezelfde structuur heeft. Voorts is zijdens de man onvoldoende weersproken dat hij soms te laat is wanneer hij [de minderjarige] ophaalt. Het hof acht het niet in het belang van [de minderjarige] als hij na schooltijd zou moeten wachten op de man. Indien de man [de minderjarige] bij de BSO ophaalt, heeft hij – anders dan wanneer hij [de minderjarige] uit school zou ophalen – de mogelijkheid om uit te lopen en kan hij [de minderjarige] zo nodig ook na 15.30 uur ophalen. Bovendien heeft de vrouw de stelling van de man dat zij minder kosten voor de BSO zou hebben als hij [de minderjarige] eenmaal per twee weken op vrijdag uit school zou ophalen, voldoende gemotiveerd betwist met haar stelling dat er juist een toeslag geldt in geval van flexibele opvang bij de BSO.

Op grond van het vorenstaande acht het hof het in het belang van [de minderjarige] wenselijk, dat de man [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen op vrijdag na 15.30 uur zal ophalen bij de BSO. De bij de bestreden beschikking bepaalde omgangsregeling, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal derhalve worden bekrachtigd.

4.10.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Wigleven, mr. R.G. Kemmers en mr. M.E. Burger in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2015.