Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2506

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
23-004082-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, Betrouwbaarheid getuigenverklaring en voldaan aan bewijsminimum uit artikel 342 lid 2 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-004082-13

Datum uitspraak: 18 juni 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 augustus 2013 in de strafzaak onder parketnummer 15-700864-12 tegen:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,

[adres].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot 8 september 2011 te Krommenie, gemeente Zaanstad en/of te Amersfoort, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] ([geboortedatum]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (meermalen) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte (telkens):

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of die [slachtoffer] getongzoend en/of

- zijn penis in/tegen de vagina en/of anus van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt en een andere straf aan de verdachte zal opleggen dan de rechtbank Noord-Holland heeft opgelegd.

Bewijsoverweging

[slachtoffer] werd in januari 2010 op Hyves aangesproken door de verdachte, die zich in het begin voorstelde als ‘[verdachte]’. Na twee maanden begon hij zichzelf ‘[verdachte]’ te noemen; later noemde hij zich ‘[verdachte]’. [slachtoffer] was op dat moment l4 jaar oud. In augustus 2010 vroeg de verdachte via MSN of [slachtoffer] het leuk vond om zijn kant op te komen.

In oktober 2010 was [slachtoffer] net 15 jaar oud. Zij is tijdens de herfstvakantie 2010 naar het huis van de verdachte gegaan. De verdachte begon [slachtoffer] te tongen. [slachtoffer] moest van de verdachte haar broek uittrekken en hij trok ook bij zichzelf zijn kleding uit. [slachtoffer] trok haar onderbroek uit, waarna de verdachte [slachtoffer] bij haar armen pakte en haar op bed duwde. Eerst begon hij haar weer te tongen. Terwijl verdachte bovenop [slachtoffer] lag, voelde [slachtoffer] dat hij met zijn hand zijn penis in haar vagina bracht. De verdachte begon op en neer te bewegen. Het geslachtsdeel van de verdachte werd half in en uit geschoven. Na een tijdje haalde de verdachte zijn penis uit de vagina van [slachtoffer]. Zij moest van de verdachte op haar knieën gaan zitten. [slachtoffer] voelde dat hij zijn penis in haar anus probeerde te doen. Ze voelde dat er wat tegenaan gedrukt werd. Daarna heeft [slachtoffer] de verdachte moeten pijpen. Hij stond met zijn penis in zijn hand half voor het gezicht van [slachtoffer]. Zij deed het geslachtsdeel in haar mond en bewoog haar hoofd erlangs terwijl zij zijn penis vasthield. De verdachte bewoog een beetje mee, hij ging met zijn heupen naar voren en naar achteren.

De tweede keer dat de verdachte en [slachtoffer] seksueel contact met elkaar hadden was in februari 2011. De verdachte heeft [slachtoffer] opgehaald en ze gingen naar zijn huis. De verdachte deed weer bijna hetzelfde als de keer daarvoor. [slachtoffer] heeft de verdachte moeten pijpen. Daarna heeft de verdachte [slachtoffer] uitgekleed en heeft hij zijn geslachtsdeel weer in haar vagina gestopt, terwijl [slachtoffer] op haar rug lag op bed. Vervolgens moest zij weer op haar knieën zitten terwijl de verdachte probeerde in haar anus te komen. Ook moest [slachtoffer] de verdachte weer pijpen.

De verklaringen van [slachtoffer] dat zij de verdachte heeft bezocht in zijn woning in [plaatsnaam] vinden steun in de tekening die [slachtoffer] heeft gemaakt van de plattegrond van de woning van de verdachte. Deze tekening komt vrijwel geheel overeen met de plattegrond van de woning die de politie heeft getekend bij gelegenheid van de doorzoeking van de woning van verdachte.

Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer] [slachtoffer] betrouwbaar. [slachtoffer] [slachtoffer] heeft in de verschillende verklaringen die zij heeft afgelegd - zowel als aangeefster ten overstaan van de politie als bij de rechter-commissaris als getuige - consistent, eenduidig en gedetailleerd verklaard, in het bijzonder op die punten die de kern van het delict, te weten de ten laste gelegde ontuchtige handelingen behelzen. Dat zij bij de politie aanvankelijk heeft verklaard dat bij haar eerste bezoek aan de verdachte in zijn woning in augustus 2010 geen seks heeft plaatsgevonden, terwijl zij later bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij die eerste keer wel seks met hem heeft gehad, vormt geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] die de seksuele handelingen betreffen die volgens haar bij haar volgende bezoeken aan de verdachte hebben plaatsgevonden. Daarbij betrekt het hof ook de rapportage betreffende de verklaringen van [slachtoffer] [slachtoffer] [slachtoffer] opgemaakt door [deskundige] d.d.

15 december 2014. Uit deze rapportage volgt dat het op basis van de werking van het geheugen goed te verklaren is dat [slachtoffer] [slachtoffer] zich op dit soort aan data en tijdlijn gerelateerde punten, vergist. De periode waarover op dat moment gesproken wordt, is bijna tweeënhalf jaar eerder. Daarnaast volgt uit de rapportage dat de verklaringen van [slachtoffer] [slachtoffer] niet summier of vaag zijn en geen onmogelijkheden of tegenstrijdigheden over de seksuele handelingen bevatten. Voorts benoemt [slachtoffer] uit zichzelf de seksuele handelingen zonder dat dit wordt ingevuld of gestuurd door de verhorende verbalisanten. Voor zover er sprake is geweest van sturing, betrof dit, blijkens de rapportage, alleen het gegeven dat er sprake is geweest van seksuele handelingen.

Gelet hierop en nu ook anderszins geen reden bestaat om aan de juistheid van de verklaringen van aangeefster te twijfelen, zijn deze verklaringen betrouwbaar, geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs.

De verklaringen van [slachtoffer] over het seksuele contact dat heeft plaatsgevonden tussen haar en verdachte in de woning van verdachte vinden, anders dan de raadsman heeft bepleit, wel steun in andere verklaringen, namelijk in de verklaringen van [klasgenoot], een klasgenoot van [slachtoffer]. Uit zijn verklaringen volgt dat hij via msn en telefonisch contact heeft gehad met de verdachte. Hij heeft bij de politie verklaard dat de verdachte uit zichzelf tegen hem heeft verklaard over zijn relatie met [slachtoffer]. De verdachte heeft aan hem verteld dat hij seks heeft gehad met [slachtoffer] en dat “er geen spier meer in zat, alsof haar vagina was uitgerekt” omdat zij al zo vaak seks had gehad. Hij heeft ook aan [klasgenoot] verteld dat [slachtoffer] zelf geen seks wilde maar dat het achteraf toch was gebeurd. Tijdens zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft [klasgenoot] deze passage verduidelijkt in de zin dat hij met ‘seks hebben met [slachtoffer]’ heeft bedoeld: penetreren, met [slachtoffer] naar bed gaan. Het hof acht de door [klasgenoot] afgelegde verklaringen betrouwbaar, geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs.

Gelet op de uiteenzetting van bovenstaande bewijsmiddelen in onderlinge verband en samenhang bezien is naar het oordeel van het hof voldaan aan het ‘bewijsminimum’ als bedoeld in artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering en zal het hof het verweer van de raadsman dat dit niet het geval zou zijn, verwerpen. Op basis van het bovenstaande is voorts het aan de verdachte ten laste gelegde en nog aan de orde zijnde feit wettig en overtuigend bewezen.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de getuige [klasgenoot], indien en voor zover het hof de chatberichten tussen [klasgenoot] en de verdachte voor het bewijs zal gebruiken. Nu het hof deze chatberichten niet voor het bewijs zal gebruiken is aan de door de raadsman gestelde voorwaarde niet voldaan en ligt derhalve geen door het hof te nemen beslissing meer voor.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 1 mei 2010 tot 8 september 2011 te Krommenie, gemeente Zaanstad, met [slachtoffer] [slachtoffer] ([geboortedatum]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] gebracht en die [slachtoffer] getongzoend en

- zijn penis in de vagina en tegen de anus van die [slachtoffer] gebracht en geduwd en

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden, waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf (5) jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft gedurende een lange periode en heel geleidelijk, eerst via internet en vervolgens door ontmoetingen op een station en bij hem thuis, het vertrouwen van [slachtoffer] [slachtoffer] gewonnen en een relatie met haar opgebouwd. Uiteindelijk is hij overgegaan tot het meermalen plegen van ontuchtige handelingen. Aangeefster was toen 14 tot 16 jaar oud, terwijl verdachte de leeftijd had van 49 tot 50 jaar. De verdachte heeft misbruik gemaakt van de jonge leeftijd en de kwetsbaarheid van [slachtoffer] door haar te benaderen middels chatgesprekken op internet, zich voor te doen als 19-jarige dan wel 26-jarige en een relatie op te bouwen waarbij hij haar cadeaus heeft geschonken. Door voornoemde handelingen heeft de verdachte het vertrouwen van aangeefster gewonnen. De verdachte heeft vervolgens op verschillende momenten ontucht met haar gepleegd. De ontuchtige handelingen die resulteerden in seksuele penetratie, vonden plaats in de woning van de verdachte. Hij heeft zich meermalen laten pijpen door [slachtoffer], hij heeft zijn geslachtsdeel tegen haar anus geduwd en geprobeerd bij haar anaal binnen te dringen, hij heeft zijn penis in de vagina van [slachtoffer] gebracht en hij heeft haar getongzoend, wetende dat zij op dat moment pas 15 jaar oud was. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij aldus in ernstige mate inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van een jong meisje. Bovendien liet hij haar geloven dat de bewezenverklaarde seksuele handelingen bij hun relatie hoorden, dat zij het geheim moest houden en dat hij anders met een geweer haar kant op zou komen.

Een schoolvriend van [slachtoffer], [klasgenoot], heeft verklaard dat [slachtoffer] ‘echt bang leek te zijn voor de verdachte’. [slachtoffer] heeft dit ook in haar eigen verklaringen aangegeven. Blijkens de schriftelijke slachtoffer verklaring heeft [slachtoffer] in de periode na haar aangifte moeite gehad met zich te concentreren en sliep zij slecht. Dit heeft invloed gehad op haar schoolprestaties.

Hoewel het thans goed lijkt te gaan met [slachtoffer], kunnen jeugdige slachtoffers van ontucht, naar de ervaring leert, hiervan op latere leeftijd ernstig nadelige gevolgen ondervinden.

Ten nadele van de verdachte neemt het hof in aanmerking dat de verdachte blijkens voornoemd uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 27 mei 2015 in het verleden is veroordeeld voor een soortgelijk feit, waarbij hij onder meer ter beschikking is gesteld. Kennelijk heeft dit hem er niet van weerhouden om opnieuw een soortgelijk ernstig strafbaar feit te plegen. Om die reden is een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats. Het hof zal een gedeelte van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen met daaraan verbonden een aantal, door de raadsman voorgestelde, bijzondere voorwaarden. Daarnaast zal het hof de verdachte een taakstraf van aanzienlijke omvang opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur respectievelijk omvang passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] [slachtoffer]

De ouders van de benadeelde partij [slachtoffer] [slachtoffer] hebben als haar wettelijke vertegenwoordigers een vordering tot schadevergoeding van € 9.540,56 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die [slachtoffer] [slachtoffer] als gevolg van de ten laste gelegde feiten heeft geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit reiskosten voor de bezoeken van [slachtoffer] aan haar psycholoog in het Universitair Medisch Centrum te Utrecht, aan de politie te Zaandam en Amersfoort, aan haar advocaat te Utrecht, aan SSV Utrecht (het hof verstaat: voor het opmaken van de schriftelijke slachtofferverklaring te Utrecht) en voor het per auto brengen en halen van [slachtoffer] naar en van school gedurende negen weken (totaal € 766,56) en schade wegens studievertraging die [slachtoffer] stelt te hebben opgelopen door de psychische gevolgen van het tenlastegelegde (€ 2.774,00). De gevorderde immateriële schade bedraagt € 6.000. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot immateriële schade dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 4.500 en de vordering tot materiële schade tot een bedrag van

€ 766,25. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat daarbij de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk verklaard te worden.

De raadsman heeft primair bepleit de vordering van de benadeelde partij in het geval van vrijspraak af te wijzen.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij inzake de gevorderde reiskosten voorzover die betrekking hebben op het brengen en halen van [slachtoffer] naar school niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering wegens het ontbreken van causaal verband. De raadsman heeft voorts de vordering tot vergoeding van schade door studievertraging betwist en zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat nader onderzoek naar die vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Onvoldoende blijkt dat deze schade geheel veroorzaakt is door de gedraging van de verdachte. De raadsman heeft inzake de immateriële schade verzocht om deze kosten in het geval van toewijzing fors te matigen.

Het hof is, met de advocaat-generaal, van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 766,56 (te weten de reiskosten) rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Anders dan de raadsman

is het hof van oordeel dat voldoende causaal verband bestaat tussen het bewezen verklaarde feit en de reiskosten in verband met het halen en brengen van [slachtoffer] naar en van school. Het hof acht goed voorstelbaar, gelet ook op de dreigementen die verdachte richting [slachtoffer] heeft geuit, dat [slachtoffer] na het bekend worden van haar relatie met verdachte en haar aangifte jegens verdachte gedurende enige weken niet alleen naar school heeft durven gaan uit angst verdachte op straat tegen te komen. Naar het oordeel van het hof levert de beoordeling van het resterende gedeelte van de gestelde materiële schade een

onevenredige belasting van het strafgeding op.

Met de raadsman van verdachte is het hof van oordeel dat (het oorzakelijk verband met) de studievertraging onvoldoende is onderbouwd en dat niet op voorhand voldoende aannemelijk is geworden dat deze resterende gevorderde materiële schade ook (geheel) door het bewezen verklaarde feit is veroorzaakt. In zoverre zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van de materiële schade.

Voorts komt het hof vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 4.500 billijk voor, gelet op de onderbouwing hiervan, het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen voor soortgelijke delicten plegen te worden toegewezen. Voor het overige zal het hof de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De toe te wijzen vordering tot schadevergoeding, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

8 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft

gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de

benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 (negentien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op dagen en tijdstippen te melden bij Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [slachtoffer] [slachtoffer], haar familie en [klasgenoot] [klasgenoot].

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde gedurende de proeftijd medewerking dient te verlenen aan structurele en mogelijk onaangekondigde computercontroles door de wijkagent of een andere medewerker van politie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1.00

STK computer HP Pavillion s7520 CNH6230VW8

1.00

STK Computer Western digital WCAU 48662629

1.00

STK Computer Legend SIN 4278287044

1.00

STK Telefoon Toestel Kl: Zwart Iphone 4 169656

1.00

STK Computer HP CZC04615VW.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.266,56 (vijfduizend tweehonderdzesenzestig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 766,56 (zevenhonderdzesenzestig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] [slachtoffer], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.266,56 (vijfduizend tweehonderdzesenzestig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 766,56 (zevenhonderdzesenzestig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 (eenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. P.C. Römer en mr. M.R. Cox, in tegenwoordigheid van mr. A.J.E. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juni 2015.

=========================================================================

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....][.....][.....]

[.....][.....][.....]

[.....][.....][.....]

[.....]

[.....][.....][.....]

[.....]

[.....][.....]

[.....][.....][.....][.....]

[.....]