Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2410

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
23-003982-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moord op eigenaar café. Schietincident. Overwegingen voorbedachte raad. Gevangenisstraf 16 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-003982-12

Datum uitspraak: 22 juni 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-657193-11 tegen:

[verdachte] ,

geboren te[geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

adres: [adres],

thans gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 14 november 2011 in de gemeente Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- voorzien van een vuurwapen, in ieder geval een dergelijk wapen/voorwerp, een cafe genaamd [bedrijf 1], betreden en/of

- meermalen, in ieder geval éénmaal, met een vuurwapen, in ieder geval met een dergelijk wapen/ voorwerp, op het lichaam van die [slachtoffer] geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2:
hij op of omstreeks 15 november 2011 in de gemeente Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 39,6 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewijsconstructie dan de door de eerste rechter gebezigde.

Bewijsoverwegingen en bespreking van de gevoerde verweren ten aanzien van feit 1


De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het

onder 1 ten laste gelegde feit, aangezien het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de verdachte de schutter is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Daartoe is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de herkenning van de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet kan bijdragen aan het bewijs en dat de camerabeelden niet met voldoende zekerheid aantonen dat de verdachte bij het schietincident betrokken is geweest. De verklaringen van de overige getuigen leveren geen belastend bewijs op en het dossier bevat voor het overige onvoldoende bewijsmiddelen om tot een veroordeling te komen, aldus de raadsvrouw. Bovendien heeft de verdachte een alibi voor het tijdstip van het schietincident.

De raadsvrouw heeft subsidiair vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde moord nu het wettig en overtuigend bewijs voor de voorbedachte raad ontbreekt. Daartoe is - zakelijk weergegeven - gesteld dat op basis van het dossier niet bewezen kan worden dat sprake was van een vooropgezet plan, dan wel het voornemen om [slachtoffer] om het leven te brengen. Iedere aanwijzing over de mogelijke aanleiding en de toedracht van het incident ontbreekt en niet kan worden vastgesteld op welk moment de schutter de beschikking over het wapen heeft gekregen. Het enkele feit dat de schutter een wapen bij zich droeg is onvoldoende om voorbedachte raad aan te nemen. Er kan sprake zijn geweest van een hevige gemoedsontwikkeling (het hof begrijpt: gemoedsopwelling) die ontstond vlak voordat de schutter het café binnenging. Het dossier biedt volgens de raadsvrouw voldoende contra-indicaties die de voorbedachte raad onaannemelijk maken en zij merkt in dit verband nog het volgende op:

- indien de schutter de schietpartij zorgvuldig zou hebben gepland, dan is het waarschijnlijk dat hij de moeite zou hebben genomen zich te vermommen;

- het feit dat de schutter op de beelden niet lijkt te aarzelen is een teken dat sprake is van één doorgaande aaneenschakeling van handelingen voortgekomen uit een enkele opwelling;

- de schoten worden gelost in een zeer kort tijdsbestek, wat betekent dat er geen moment van bezinning kan zijn geweest en dat alles uit één en dezelfde plotselinge gemoedsopwelling moet zijn voortgekomen;

- het schietincident vond plaats in een café waar andere mensen aanwezig waren, waar iedereen door de ramen naar binnen kon kijken, op een tijdstip waarop het druk is in de stad. Het is ondenkbaar dat iemand, die niet in een opwelling handelt, met al deze omstandigheden geen rekening zou houden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Inleiding

Op maandag 14 november 2011 hebben agenten rond 01:41 uur melding gekregen om naar de [straatnaam 1] te gaan. Het bleek te gaan om een schietincident in het café [bedrijf 1] aan de [straatnaam 2] in Amsterdam waarbij de (mede-)eigenaar [slachtoffer] (verder: [slachtoffer]) was neergeschoten. Op de camerabeelden die zijn veiliggesteld is te zien dat die dag omstreeks 01.36 uur het café wordt betreden door een man met een vuurwapen. [slachtoffer] staat op dat moment achter de bar met zijn rug naar de ingang van het café. De man met het vuurwapen loopt richting de bar en schiet tweemaal gericht op voornoemde [slachtoffer]. Deze komt op zijn buik achter de bar terecht. De schutter loopt om de bar heen, schiet nog meerdere malen gericht op het slachtoffer en verlaat het café. [slachtoffer] wordt kort daarna overgebracht naar het ziekenhuis alwaar hij volgens het sectierapport om 02.26 uur is overleden.

De aanwezigheid van de verdachte op de plaats van het delict

Op de camerabeelden die zijn gemaakt voorafgaand aan en tijdens het schietincident is te zien dat ruim een uur voor het schietincident een man meerdere malen over het trottoir van de [straatnaam 1] langs café [bedrijf 1] loopt. Daarbij kijkt de man kennelijk bij het café naar binnen. De man is gekleed in een lange broek en draagt een donkere jas tot over de broeksriem. Onder de jas komt een licht kledingstuk uit. In de jas lopen horizontaal vier banen. De man draagt onder zijn jas een tasje op zijn heup.

Om 00.28.18 uur heeft die persoon contact met, naar later blijkt, [getuige 1], een jongere broer van de verdachte. Te zien is dat [getuige 1] vlak na die ontmoeting het café [bedrijf 1] binnengaat. [getuige 1] is hierover door de politie bevraagd en heeft verklaard dat hij zijn broer [verdachte] die avond nog buiten heeft gezien voordat hij de [bedrijf 1] (ook wel: café [bedrijf 1]) binnenging. Er zijn op dat moment geen andere personen op straat te zien en het hof gaat er dan ook van uit dat het de verdachte is die een uur voor het schietincident meerdere malen langs café [bedrijf 1] loopt en op voornoemd tijdstip voor de ingang van café [bedrijf 1] kort contact heeft met zijn jongere broer.

Op de camerabeelden is voorts te zien dat de schutter is gekleed in een lange broek en een jas tot over de broeksriem. In de jas lopen horizontaal vier banen. Over de jas draagt de schutter een tasje. Het hof heeft ter zitting de camerabeelden getoond en bekeken en waargenomen dat grote gelijkenis bestaat tussen de man die ruim een uur voor de schietpartij op de beelden is te zien is en de latere schutter, met name gelet op de kleding en het postuur.

Blijkens een proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2011 is de verdachte door verbalisant [verbalisant 1] herkend op de camerabeelden van het schietincident vanaf 01.36.30 uur. Verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij op 14 november 2011 de opgenomen bewegende beelden heeft bekeken. Zijn conclusie luidt onder andere als volgt: “Ik verbalisant [verbalisant 1] herken [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) aan zijn gelaat, uiterlijk, houding, postuur en type kleding.” Daarnaast heeft hij vermeld dat hij [verdachte] al verschillende jaren kent en vaak met hem in contact is geweest.

Blijkens een proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2011 is de verdachte ook door verbalisant [verbalisant 2] herkend op de camerabeelden. [verbalisant 2] heeft bij het zien van de beelden als volgt gerelateerd: “Ik herkende de schutter aan zijn bewegingen, postuur en gezicht als zijnde voornoemde [verdachte] ”.

Beide verbalisanten zijn bij de raadsheer-commissaris uitvoerig bevraagd over de herkenning van de verdachte op de camerabeelden van het schietincident en de wijze waarop die herkenning tot stand is gekomen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft tegenover de raadsheer-commissaris verklaard dat hij volledig zeker was van zijn herkenning. Ook verbalisant [verbalisant 2] heeft tijdens zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij de verdachte heel goed kent uit het verleden en dat hij misschien wel honderden keren beroepsmatig contact met hem heeft gehad. Hij herkende de verdachte aan alles, zijn gezicht, zijn lopen, zijn bewegen, alles.

Het hof is van oordeel dat, mede gelet op de kwaliteit en duidelijkheid van de camerabeelden, de verbalisanten tot de slotsom hebben kunnen komen dat zij de verdachte op de betreffende beelden herkennen. Dat de verbalisanten voorafgaand aan het bekijken van de camerabeelden reeds de naam van de verdachte hadden gehoord alsmede dat zij de beelden in het bijzijn van anderen hebben bekeken, doet niet af aan die herkenningen.

Blijkens het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 14 november 2011 heeft zij de camerabeelden van het schietincident op haar telefoon kunnen bekijken en herkende ook zij de schutter meteen als een oude klant, genaamd [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte). [getuige 2] is mede-eigenaar van café [bedrijf 1] en als zodanig ook werkzaam in genoemd café.

De raadsvrouw heeft verklaard dat er naast de personen die de verdachte hebben herkend op de camerabeelden ook personen zijn die de verdachte zeggen niet te herkennen. Het hof is van oordeel dat uiterste behoedzaamheid moet worden betracht bij het beoordelen van de verklaringen van de ooggetuigen van het schietincident nu op de camerabeelden te zien is dat de schutter na afloop van het schietincident tot tweemaal toe de overige aanwezigen in het café kennelijk bedreigt. Daarnaast dient behoedzaam te worden omgegaan met verklaringen van familieleden die verklaren de verdachte niet te herkennen op de aan hen getoonde “stills” van de camerabeelden, waarbij het hof opmerkt dat [getuige 3], de zus van de verdachte, bij de politie heeft verklaard hem wel te herkennen. Bij deze stand van zaken leggen de door de raadsvrouw bedoelde verklaringen onvoldoende gewicht in de schaal.

Alibi

De verdachte heeft bij zijn eerste verhoor bij de politie op 15 november 2011 verklaard dat hij, nadat hij zijn vriendin rond 19.00 uur à 20.00 uur in de avond heeft thuisgebracht, op zondagavond (het hof begrijpt: 13 november 2011) naar [bedrijf 2], ook wel genoemd [bedrijf 2], is gegaan en daar tot 02.00 uur à 02.30 uur is gebleven. Dat de verdachte in [bedrijf 2] was ten tijde van het schietincident wordt allereerst ontkracht door de verklaring van de getuige [getuige 4], die op dat moment in datzelfde café aanwezig was. Hij heeft verklaard dat de verdachte rond 01.00 uur uit het café is vertrokken en dat hij rond 02.00 uur à 03.00 uur weer even in het café is geweest. Ook de eigenaar van het café, [bedrijf 3], heeft bij de politie verklaard dat de verdachte rond 00.50 uur in de zaak was. De eigenaar is toen ongeveer 20 minuten weggeweest uit het café en de verdachte was bij terugkomst niet meer in het café aanwezig.


Concluderend is het hof van oordeel dat het de verdachte is die op de camerabeelden ruim een uur voor het schietincident meerdere malen bij het café [bedrijf 1] te zien is en dat hij de schutter is die op 14 november 2011 in café [bedrijf 1] [slachtoffer] middels een vuurwapen van het leven heeft beroofd.

De voorbedachte raad

Het hof ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of de verdachte al dan niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar aan contra-indicaties kan een zwaarder gewicht worden toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) uiteindelijk tot het oordeel leiden dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat hij gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Voor de beantwoording van de hierboven geformuleerde vraag gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte op 14 november 2011 omstreeks 00.28.13 uur over het trottoir van de [straatnaam 1] loopt in de richting van de ingang van café [bedrijf 1]. Hij kijkt kennelijk door het raam van het café naar binnen. Hij loopt omstreeks 00.28.22 uur weer over het trottoir langs [bedrijf 1] en kijkt kennelijk door het raam naar binnen en om 00.31.49 uur herhaalt de verdachte dit nogmaals. Om 01.36.30 uur komt de verdachte opnieuw in beeld en loopt over het trottoir van de [straatnaam 1] in de richting van de [straatnaam 1] naar de toegangsdeur van café [bedrijf 1]. De verdachte komt het café binnen, waar op dat moment ook klanten aanwezig zijn, met een wapen in zijn rechterhand. Het slachtoffer staat op dat moment achter de bar met zijn rug naar de ingang van het café. De verdachte richt zijn wapen op het slachtoffer, loopt in een aantal stappen naar de bar toe en schiet dan meteen twee keer gericht achter elkaar op het slachtoffer. Tijdens het tweede schot komt het slachtoffer op de grond terecht achter de bar. Het slachtoffer probeert weg te kruipen. De verdachte loopt om de bar heen, richt het wapen op het lichaam van het slachtoffer en schiet. Daarna schiet de verdachte nog een keer gericht op het hoofd van het slachtoffer, die op dat moment op zijn buik ligt. De verdachte schiet nogmaals, van zo dichtbij dat het bijna een contactschot is.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep op de beelden waargenomen dat de verdachte het café resoluut is binnengelopen en met een zekere doelgerichtheid op het slachtoffer is afgelopen om hem vervolgens dood te schieten. Hij schiet zonder enig aarzelen. Dat de verdachte het voornemen had het slachtoffer dood te schieten volgt ook uit de waarneming dat hij, nadat het slachtoffer achter de bar op de grond terecht was gekomen, om de bar is heengelopen om van zeer dichtbij opnieuw meermalen op het slachtoffer te schieten, kennelijk om zeker te zijn dat hij in zijn opzet zou slagen. Van een confrontatie (ruzie, woordenwisseling) kort voor het schietincident, waaruit een plotselinge gemoedsopwelling zou kunnen zijn voortgekomen, is niet gebleken. Ook voor een andere gebeurtenis, die een plotselinge gemoedsopwelling kan hebben veroorzaakt, bestaat geen aanwijzing. Hierbij is nog van belang dat de verdachte ruim een uur voor het schietincident meermalen aan het café voorbij is gelopen en daarbij nadrukkelijk naar binnen heeft gekeken. Dit kan niet anders worden bezien dan in samenhang met het latere schietincident en leidt tot de vaststelling dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit [slachtoffer] van het leven te beroven.

De door de raadsvrouw in dit verband genoemde omstandigheden leveren naar het oordeel van het hof onvoldoende contra-indicaties op voor het aannemen van voorbedachte raad.

Verbaliseringsplicht

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verbalisanten een incorrect proces-verbaal van het vijfde verhoor van de verdachte hebben opgemaakt. Hierdoor hebben de verbalisanten hun verbaliseringsplicht veronachtzaamd. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim met als gevolg dat de verdediging de zaak in eerste aanleg niet goed heeft kunnen voorbereiden, aldus de raadsvrouw. Dit dient haars inziens te worden verdisconteerd in de strafmaat, gelet op het bepaalde in artikel 359a Sv.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe als volgt.

Voor zover de verbalisanten de woorden van de verdachte in de zakelijke weergave daarvan in het aanvankelijk opgemaakte proces-verbaal van zijn verhoor niet correct zouden hebben weergegeven, is de in artikel 152 Sv geformuleerde verbaliseringsplicht geschonden. Een dergelijk verzuim is evenwel met de woordelijke uitwerking van dit verhoor in hoger beroep hersteld en daarmee is geen sprake meer van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

Bespreking van een gevoerd verweer ten aanzien van feit 2

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het niet klopt dat de drugs op 15 november 2011 in zijn scooter zijn aangetroffen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De verdachte is op dinsdag 15 november 2011 te 0.10 uur in het pand [straatnaam 3] te Amsterdam aangehouden. Aansluitend heeft een doorzoeking plaatsgevonden van genoemd pand waarbij in een zwarte jas een scootersleutel werd aangetroffen en in de slaapkamer van de verdachte in een zwarte broek een afstandsbediening die gebruikt wordt voor het aan en uit zetten van een (scooter)alarm Voor genoemd pand werd een zwarte Piaggio scooter aangetroffen. De sleutel bleek te passen op deze scooter en de afstandsbediening bleek geschikt te zijn om het alarm van de scooter aan en uit te zetten.

Eveneens op 15 november 2011 is bij nader onderzoek in een afgesloten ruimte onder het stuur van de betreffende scooter onder meer een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Onderzoek heeft uitgewezen dat deze verdovende middelen cocaïne betreft.

Ter terechtzitting van 30 augustus 2012 heeft de verdachte verklaard dat hij wat de aangetroffen cocaïne betreft blijft bij zijn eerdere verklaring en dat het klopt dat hij op 15 november 2011 39,6 gram cocaïne aanwezig had en dat hij deze cocaïne op de pof had gekocht.

Het hof verwerpt het door de verdachte gevoerde verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 14 november 2011 in de gemeente Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- voorzien van een vuurwapen een café genaamd [bedrijf 1] betreden

en

- meermalen met een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer] geschoten,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2:
hij op 15 november 2011 in de gemeente Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 39,6 gram cocaïne.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1

1. Een proces-verbaal 2011-292923 van 21 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], doorgenummerde pagina’s A01 042 tot en met 054.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op woensdag 16 november 2011 stelde ik een onderzoek in naar de in beslag genomen

videobeelden van café [bedrijf 1] aan de [straatnaam 2] te Amsterdam.

14 november 2011:

Camera 1:

(hangt aan de gevel op de [straatnaam 1]/[straatnaam 1] en geeft zicht op de [straatnaam 1] en een gedeelte op de brug van de [straatnaam 1]).

01.36.30 uur: De schutter komt in beeld. Hij loopt over het trottoir van de [straatnaam 1] in de richting van de [straatnaam 1] naar de toegangsdeur van café [bedrijf 1]. De schutter is gekleed in een lange broek en een jas tot over de broeksriem. In de jas lopen horizontaal 4 banen c.q. stiksels.

01.37.33 uur: De schutter heeft een sigaret in zijn mond en draagt vermoedelijk een baardje.

Camera 3:

(hangt aan de gevel op de [straatnaam 1] bij de toegangsdeur van het café [bedrijf 1]. De camera heeft zicht vanaf de toegangsdeur, gericht op het trottoir vlakbij de deur).

01.36.36 uur: De schutter draagt een donkere muts en heeft een sigaret in zijn mond.

01.37.29 uur: De schutter verlaat het café. De schutter draagt een donkere jas met een brede, donkere riem over zijn linkerschouder. De riem is van een heuptas, die hij op zijn rechterheup draagt.

Camera 7:

(de camera hangt, bij binnenkomst, rechts achter in het café, nabij de toiletten. De camera heeft zicht over bijna de gehele zaak, behoudens de hoek van de gokkasten. De ruimte achter de bar is goed zichtbaar, evenals de klanten aan de bar en de toegangsdeur).

01.36.39 uur: De schutter heft zijn rechterarm omhoog en wijst met zijn rechterhand, met daarin een vuurwapen op [slachtoffer] en schiet dan meteen gericht twee keer achter elkaar op [slachtoffer].

01.36.40 uur: tijdens het tweede schot duikt [slachtoffer] op de grond achter de bar, met zijn hoofd in de richting van het einde van de bar.

01.36.43 uur: de schutter is met een aantal grote sprongen aan het einde van de bar gekomen en ziet daar [slachtoffer] op handen en voeten over de grond kruipen. In zijn rechterhand heeft hij duidelijk zichtbaar een donker vuurwapen, vermoedelijk een pistool. Hij richt op het lichaam van [slachtoffer] en duidelijk is een lichtflits te zien, kennelijk vuurt hij nogmaals een schot af.

01.36.45 uur: de schutter schiet kennelijk nogmaals, nu gericht op het hoofd van [slachtoffer], die probeert weg te kruipen, de lichtflits is duidelijk zichtbaar.

01.36.46 uur: de schutter schiet, kennelijk nogmaals gericht op het hoofd van [slachtoffer], die op zijn buik ligt. Het vuurwapen heeft hij zo dicht bij het hoofd van [slachtoffer], dat het bijna een contactschot is. Tijdens het schieten prikt de schutter steeds met zijn vuurwapen in de richting van het hoofd van [slachtoffer].

01.36.47 uur: de schutter schiet kennelijk nogmaals gericht op het hoofd van [slachtoffer], wederom bijna een contactschot en weer is er een lichtflits te zien.

2. Een proces-verbaal 2011-292923 van 22 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], doorgenummerde pagina’s A01 055 tot en met 060.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 21 november 2011 stelde ik nader onderzoek in naar de in beslag genomen

videobeelden van café [bedrijf 1] aan de [straatnaam 2] te Amsterdam.

Op 14 november 2011 omstreeks 00.28.13 uur loopt een man over het trottoir van de

[straatnaam 1] in de richting van de ingang van café [bedrijf 1]. Deze man draagt dezelfde kleding als de latere schutter in café [bedrijf 1], alleen heeft hij geen muts op. Hij kijkt kennelijk door het raam van het café naar binnen. Deze man loopt omstreeks 00.28.22 uur over het trottoir van de [straatnaam 1] langs het café [bedrijf 1]. Kennelijk kijkt hij weer door het raam naar binnen. De man draagt duidelijk zichtbaar een tasje, kennelijk van het merk: "Dolce Gabbana". De man is behoudens het mutsje hetzelfde gekleed als de latere schutter in het café [bedrijf 1], die ook zo'n tasje draagt. Omstreeks 00.31.49 uur loopt dezelfde man over het trottoir van de [straatnaam 1] langs het café [bedrijf 1]. Kennelijk kijkt hij weer door het raam naar binnen.

Omstreeks 00.31.49 uur loopt dezelfde man over het trottoir van de [straatnaam 1] in de richting van de [straatnaam 1]. Deze man draagt dezelfde kleding als de latere schutter in café [bedrijf 1], alleen heeft hij geen muts op. Hij kijkt wederom kennelijk door het raam van het café naar binnen. Op zijn linker bovenbeen is duidelijk het tasje zichtbaar.

3. Een proces-verbaal 2011-292923 van 23 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], doorgenummerde pagina’s A01 095 tot en met 121.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Ik stelde onderzoek in aan de hand van de in beslag genomen videobeelden van stichting [bedrijf 4], gevestigd in perceel [straatnaam 1] in Amsterdam en de in beslag genomen videobeelden van café [bedrijf 1], gevestigd in perceel [straatnaam 2] te Amsterdam.

Tijdlijn maandag 14 november 2011.

00.28.18 uur: Aannemelijk [verdachte] en [getuige 1] staan voor de ingang van café “[bedrijf 1]”. Verder zijn daar geen personen aanwezig. Kennelijk hebben ze contact met elkaar. [getuige 1] blijft bij de ingang van “[bedrijf 1]” staan en de verdachte loopt door.

00.28.21 uur: [getuige 1] gaat café “[bedrijf 1]” binnen.

4. Een proces-verbaal met nummer 2011292923 van 6 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5], doorgenummerd pagina B20 001 tot en met 011.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 december 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 1]:

De vragen aan de getuige worden voorafgegaan door V:.
De antwoorden van de getuige worden vooraf gegaan door A:.

V: Ben jij weleens in het café [bedrijf 1] geweest?
A: Ja, voor het laatst … de nacht dat [slachtoffer] werd vermoord

V: Heb jij die avond [verdachte] nog gezien?

A: Ja, ik zag hem in [bedrijf 5] en ik zag hem buiten voordat ik de [bedrijf 1] in ging, ik bedoel hiermee [bedrijf 1].

5. Een proces-verbaal 2011292923-61 van 16 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], doorgenummerde pagina’s A01 018 tot en met 020.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 14 november 2011 zag ik opgenomen bewegende beelden naar aanleiding van een schietincident welke had plaatsgevonden in café [bedrijf 1], gevestigd [straatnaam 2] te Amsterdam.

Op voornoemde beelden zag ik een man gekleed in een zwarte glimmende jas, met een zwarte muts op, die een spijkerbroek droeg met daaronder witte sportschoenen, voornoemd café binnenkomen en naar de bar lopen, waarna hij met een vermoedelijk vuurwapen tweemaal schoot op een man achter de bar. Vervolgens zag ik dat voornoemde man in de zwarte jas nog tweemaal schoot op dezelfde man achter de bar. Hierna zag ik dat de man in de zwarte jas naar het eind van de bar liep en van dichtbij nogmaals tweemaal schoot op de man die achter de bar stond. Deze man achter de bar lag toen reeds op de grond met zijn gezicht naar beneden. De hierboven genoemde man met de zwarte jas die verschillende keren op de man achter de bar heeft geschoten herken ik als mij ambtshalve bekende [verdachte] , geboren te Amsterdam op [geboortedag] 1976. Ik herken hem aan zijn gelaat, uiterlijk, houding, postuur en type kleding. Ik

ken voornoemde [verdachte] al verschillende jaren. Ik ben vele keren in contact geweest met voornoemde [verdachte]. Hierbij heb ik [verdachte] aangehouden, proces-verbaal aangezegd

en tevens korte gesprekken over koetjes en kalfjes gehad. Indien [verdachte] mij ziet tijdens een surveillance in uniform of in burger groet hij mij.

6. Een proces-verbaal 2011292923 van 21 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], doorgenummerde pagina’s A01 040 en 041.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

In en om café "[bedrijf 1]" is een digitale video-installatie aanwezig met 8 camera's. Op de videobeelden is te zien, dat de schutter het café binnenloopt en meteen op de barkeeper afloopt en hem neerschiet.

Ik herkende de schutter aan zijn bewegingen, postuur en gezicht als zijnde [verdachte] .

Ik, verbalisant, heb in de jaren 1996 tot en met 2005 gewerkt bij het wijkteam De Pijp. In deze jaren heb ik een persoon genaamd [verdachte] , diverse malen gehoord als verdachte en eenmaal als slachtoffer van een steekincident. Tijdens mijn periode in dit wijkteam heb ik tijdens

mijn diensten op straat eveneens vele malen contact gehad met [verdachte] .

7. Een proces-verbaal met nummer 2011292923 van 14 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5], doorgenummerd pagina C02 028 tot en met 047.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 december 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven
V: vraag verbalisant

A: antwoord verdachte

V: Je broer [getuige 1] heeft ons verklaard dat hij jou gesproken heeft, vlak voordat hij café de [bedrijf 1]/[bedrijf 1] binnenging. Er zijn zelfs videobeelden dat jij met je broer staat te praten.

A: niet echt gesproken, maar ik heb hem wel gezien ja.

8. Een proces-verbaal van 21 januari 2014, opgemaakt door mr. N.F. van Manen, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het hof Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 januari 2014 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [verbalisant 1]:

Ik heb destijds de beelden gezien waar andere mensen bij waren. Het was niet mogelijk om het op een andere manier te doen dan in de container die op de plaats delict was geplaatst. Het had voor mij niet uitgemaakt of al dan niet een naam was genoemd. De beelden waren voor mij direct duidelijk. Ik herkende [verdachte].

Er is toen van alles besproken. Daar is toen de naam van [verdachte] genoemd. Ik weet niet meer precies door wie en onder welke omstandigheden. Ik heb in de container gewacht en ben niet in de horecagelegenheid geweest en heb ook niet met getuigen gesproken. Ik was met name opgeroepen om de beelden te bekijken want ik werk al zo'n 30 jaar in de wijk en ik heb een goed geheugen wat betreft gezichten. Ik keek wel in mijn eentje naar het beeldscherm.

Ik herkende de schutter aan zijn uiterlijk en aan zijn postuur. Ik kan zeggen dat ik [verdachte] kende en dat ik hem herkende omdat ik omgang met hem heb gehad. Ik ken iemand of ik ken hem niet. Ik was volledig zeker anders had ik geen proces-verbaal opgemaakt. Ik ken [verdachte] al vele jaren. Vroeger zat hij in overlastgroepen. Ik heb hem zien ouder worden en ik heb veel face to face contacten met hem gehad.

9. Een proces-verbaal van 21 januari 2014, opgemaakt door mr. N.F. van Manen, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het hof Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 januari 2014 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [verbalisant 2]:

Ik heb alleen de beelden bekeken en ik heb [verdachte] in deze zaak één keer verhoord omdat ik [verdachte] heel goed uit het verleden kende. Ik heb misschien wel honderden keren met hem contact gehad, eenmaal was hij slachtoffer van een steekpartij. Ze vroegen mij om de beelden te bekijken en ik hoorde wie mogelijk op de beelden zou staan. Ik wilde wel kijken of hij het was. Dat bleek feitelijk ook zo te zijn omdat ik hem zo goed ken. Voor mij wat het meteen duidelijk. Ik heb toen gezegd: dit is [verdachte] . Ik herkende hem gewoon aan alles, zijn gezicht, zijn lopen, zijn bewegen, alles. Je herkent iemand of je herkent iemand niet. Het gezicht, de wenkbrauwen, alles. Ik heb hem 40 à 50 uur in verhoor gehad en honderden keren op straat gesproken. Hoe ik hem specifiek herkende, dat is een bekende discussie, ik geef een concreet historisch voorbeeld. Toen er 100 duizend man op het museumplein stonden op Koninginnedag pikte ik [verdachte] er zo uit. Als ik twijfel zeg ik geen ja, maar de beelden waren van goede kwaliteit. Dus ik had geen enkele twijfel.

10. Een proces-verbaal met nummer 2011292923 van 14 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7], doorgenummerd pagina B07 003 tot en met 007.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 november 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [benadeelde]:

We zijn de eigenlijke beelden van de zaak gaan bekijken. Dus ik heb alleen het beeld gezien van degene die binnenkwam en dus ook schoot. Het is een oude klant. [naam] is zijn bijnaam, en zijn achternaam [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte, [verdachte] ).

11. Een deskundigenverslag, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, van 2 december 2011, opgemaakt door dr. [deskundige 1], arts en (forensisch) patholoog, betreffende zaaknummer 2011.11.14.075 en sectienummer 2011-376.

Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] is overleden in het VU ziekenhuis te Amsterdam op 14 november 2011 omstreeks 02.26 uur.

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer], wordt het intreden van de dood zondermeer verklaard door orgaanfunctiestoornissen, zowel direct (hersenen en mogelijk ook de longen), alsook indirect (door algehele weefselschade ten gevolge van doorgemaakt fors bloedverlies), opgelopen door meervoudig ingewerkt uitwendig mechanisch perforerend geweld, passend bij schotletsels.

Ten aanzien van feit 2

12. Een proces-verbaal 2011292923 van 16 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8], doorgenummerd pagina A01 022.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op dinsdag 15 november 2011 heb ik een onderzoek ingesteld aan de inbeslaggenomen bromfiets, merk Piaggio. Deze bromfiets is aangetroffen en inbeslaggenomen voor de woning waar de verdachte [verdachte] op dat moment verbleef, aan de [straatnaam 1] te Amsterdam. In een afgesloten ruimte onder het stuur zag ik twee doorzichtige plastic zakjes met daarin een hoeveelheid op verdovende middelen gelijkende waar liggen.

13. Een deskundigenverslag, zijnde een rapport van BRE Forensische Opsporing, van 30 november 2011, opgemaakt door dr. [deskundige 2], forensisch expert, doorgenummerd pagina D07 001.

Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Itemnr: 4182580; omschrijving: 2 plastic zakjes met 39,6 gram wit poeder; bevat cocaïne.

14. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 augustus 2012.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik op 15 november 2011 in de gemeente Amsterdam opzettelijk 39,6 gram van een

materiaal bevattende cocaïne aanwezig heb gehad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

moord.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van het voorarrest

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van het voorarrest

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Op 14 november 2011 heeft verdachte in koelen bloede [slachtoffer] vermoord in diens café [bedrijf 1] te Amsterdam. Verdachte heeft het café betreden met één duidelijk doel: het doden van voornoemde [slachtoffer]. Verdachte is hierbij niets en niemand ontziend recht op zijn doel afgegaan, zijn slachtoffer geen enkele kans biedend. Dat er op het moment van de moord andere mensen in het café aanwezig waren, heeft verdachte er kennelijk ook niet van weerhouden om het slachtoffer te doden. Kortom: de moord heeft alle kenmerken van een koelbloedig geplande en uitgevoerde liquidatie.

Moord wordt algemeen beschouwd als het ernstigste commune delict. Verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht wat hem toekwam, het recht op leven, ontnomen. De dood van het slachtoffer heeft ook aan de nabestaanden een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht. Dit is ook gebleken uit de ter terechtzitting geuite emoties en de voorgelezen slachtofferverklaringen, afkomstig van de moeder en de ex-vriendin van het slachtoffer. Bovendien zal het dochtertje van het slachtoffer nu zonder haar vader op moeten groeien. Aangenomen moet worden dat in het bijzonder de nabestaanden van het slachtoffer door zijn overlijden nog lang psychische schade zullen ondervinden. Het feit dat verdachte geen openheid van zaken omtrent zijn motieven heeft gegeven, maakt dat de nabestaanden zelfs geen antwoord op de vraag naar het 'waarom' krijgen. Ook in bredere kring heeft de moord op het slachtoffer een schok teweeg gebracht. Een dergelijk feit schokt bovendien de rechtsorde in het algemeen en draagt bij aan algemene gevoelens van onveiligheid.

Voorts heeft de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne aanwezig gehad, kennelijk bedoeld om met de verkoop ervan geld te verdienen en de inkoopsom te voldoen nu hij heeft verklaard de cocaïne op de pof te hebben gekocht. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verdere verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is gelet op de bewezenverklaarde moord de enige passende straf. Het hof ziet in dit verband geen aanleiding om af te wijken van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf.

Beslag

Onder de verdachte zijn een aantal voorwerpen in beslaggenomen zoals vermeld op de door de advocaat-generaal ter terechtzitting overgelegde beslaglijst. Het hof zal hierover beslissen overeenkomstig de op deze lijst vermelde aantekeningen, met dien verstande dat het in beslag genomen heuptasje (volgnummer 36) zal worden verbeurd verklaard nu het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is voorbereid met behulp van dit voorwerp.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 14.034,60. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 13.533,60. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Dit geldt naar het oordeel van het hof eveneens ten aanzien van de gevorderde kosten voor de verklaring van erfrecht. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering integraal zal worden toegewezen, te vermeerderen met de door de benadeelde partij tevens gevorderde wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

36. Dolce & Gabbana heuptas (4181725).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

3. Munitie (4179271) 4. Munitie (4176912) 5. Munitie (4176938) 9. Huls (4176868) 10. Huls (4176875) 11. Huls (4176943) 12. Set munitie (4176843) 13. Set munitie (4179322) .

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2. Munten en biljetten (4179271).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

6. Ed Hardy T-shirt (4176869) 7. Hemd Claesens (4176878) 8. Zak (4187028) 14. Broek 15. Schoensel Nike 16. Ondergoed (4176937) 17. Flesje Fanta (4176941) 18. Flesje Chaudfontaine (4176945) 19. Flesje Chaudfontaine (4176952) 20. Flesje Lipton ice tea (4176960) 21. Glas (4176963) 22. USB-stick (4181649) 23. Broek (4181652) 24. Foto (4181668) 25. Brief (4181672) 26. Brief (4181678) 27. Heuptas (4181681) 28. Stof (4181682) 29. Muts (4181684) 30. Muts (4181686) 31. Portemonnee (4181691) 33. Sjaal Versace (4181702) 34. Kentekenbewijs (4181718) 35. Groene kaart (4181721).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 14.034,60 (veertienduizend vierendertig euro en zestig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 14.034,60 (veertienduizend vierendertig euro en zestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 105 (honderdvijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. P.C. Römer en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van

mr. M. Venderbosch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

22 juni 2015.

=========================================================================

[......]