Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:234

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2015
Datum publicatie
06-02-2015
Zaaknummer
23-001816-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW. Verdachte heeft zeer onvoorzichtig gereden door een bocht af te snijden en is frontaal op een tegemoetkomende motorrijder gereden, die zwaar lichamelijk letsel opliep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001816-14

datum uitspraak: 2 februari 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-664002-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2015, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 24 september 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto, daarmee rijdende over Jarmuiden, zich zodanig, te weten roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gecompliceerde breuk rechter onderarm/pols en hand en/of meerdere breuken in (rechter)knie, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over Jarmuiden, komende uit de richting van de Abberdaan en gaande in de richting van de Australiëhavenweg,

-terwijl het donker was en/of

-terwijl het regende en/of

-terwijl hij ter plaatse (zeer) bekend was,

verdachte is, gekomen ter hoogte van een T-kruising gelegen (ongeveer) ter hoogte van Jarmuiden 52, een (scherpe) bocht - gezien verdachtes (rij)richting naar links - in gaan rijden en is daarbij in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (gedeeltelijk) op de rijstrook bestemd voor het aan hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer gaan rijden,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van vergewist dat een motorfiets, bestuurd door voornoemde [slachtoffer], eveneens Jarmuiden bereed, komende uit de richting van de Australiëhavenweg en gaande in de richting van Abberdaan,

verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uit kunnen wijken voor deze motorfiets,

verdachte is vervolgens (frontaal) tegen deze motorfiets aangereden en/of aangebotst waardoor voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.


subsidiair:
hij op of omstreeks 24 september 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto, daarmee rijdende over Jarmuiden, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over Jarmuiden, komende uit de richting van de Abberdaan en gaande in de richting van de Australiëhavenweg,

-terwijl het donker was en/of

-terwijl het regende en/of

-terwijl hij ter plaatse (zeer) bekend was,

verdachte is, gekomen ter hoogte van een T-kruising gelegen (ongeveer) ter hoogte van Jarmuiden 52, een (scherpe) bocht - gezien verdachtes (rij)richting naar links - in gaan rijden en is daarbij in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (gedeeltelijk) op de rijstrook bestemd voor het aan hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer gaan rijden,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van vergewist dat een motorfiets, bestuurd door voornoemde [slachtoffer], eveneens Jarmuiden bereed, komende uit de richting van de Australiëhavenweg en gaande in de richting van Abberdaan,

verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uit kunnen wijken voor deze motorfiets,

verdachte is vervolgens (frontaal) tegen deze motorfiets aangereden en/of aangebotst.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Nadere bewijsoverweging

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding, alsmede de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.

Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak sprake is van strafrechtelijk verwijtbaar verkeersgedrag, namelijk het (zonder enige noodzaak) afsnijden van een bocht waardoor de verdachte - die niet voldoende heeft geremd of uitgeweken - tegen een tegemoetkomende motorrijder is aangereden en/of aangebotst, zulks terwijl het regende, het wegdek nat was, het donker was en het zicht slecht te noemen was. Voor het hof staat buiten redelijke twijfel dat de verdachte zich met zijn voertuig volledig op de rijstrook voor het hem tegemoetkomend verkeer heeft begeven. Die gang van zaken volgt niet alleen uit de verklaring van [slachtoffer], maar ook uit de eindpositie van het door de verdachte bestuurde voertuig, bezien in combinatie met diens eigen verklaring dat hij kort voor de botsing heeft getracht weer op zijn eigen weghelft te komen. De verdachte heeft aldus gehandeld in strijd met de artikelen 3 en 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Bij de beantwoording van de vraag of verdachte aldus roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gehandeld, zoals vereist voor een bewezenverklaring van een op artikel 6 van de Wegenverkeerswet geënte tenlastelegging, neemt het hof het volgende in aanmerking.

Het hof stelt voorop dat gelet op recente rechtspraak van de Hoge Raad van roekeloosheid als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 in verbinding met artikel 175, tweede lid, van deze wet, als zwaarste schuldvorm slechts in uitzonderlijke gevallen sprake is, indien uit zodanige feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

De voormelde feiten en omstandigheden zijn in dit geval toereikend voor het oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden. Deze rechtvaardigen niet het oordeel dat de verdachte “roekeloos” in voornoemde zin heeft gereden, zodat de verdachte van laatstgenoemd onderdeel van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij op 24 september 2012 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto, daarmee rijdende over Jarmuiden, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gecompliceerde breuk rechter onderarm/pols en hand en meerdere breuken in (rechter)knie werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over Jarmuiden, komende uit de richting van de Abberdaan en gaande in de richting van de Australiëhavenweg,

- terwijl het donker was en

- terwijl het regende en

- terwijl hij ter plaatse bekend was,

verdachte is, gekomen ter hoogte van een T-kruising gelegen ongeveer ter hoogte van Jarmuiden 52, een bocht - gezien verdachtes rijrichting naar links - in gaan rijden en is daarbij in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op de rijstrook bestemd voor het aan hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer gaan rijden,

verdachte heeft zich hierbij niet van vergewist dat een motorfiets, bestuurd door voornoemde [slachtoffer], eveneens Jarmuiden bereed, komende uit de richting van de Australiëhavenweg en gaande in de richting van Abberdaan,

verdachte heeft vervolgens niet voldoende afgeremd en niet voldoende uitgeweken voor deze motorfiets,

verdachte is vervolgens tegen deze motorfiets aangereden en/of aangebotst waardoor voornoemde [slachtoffer] voren omschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het primair bewezen verklaarde levert op:

zich zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 90 uur, subsidiair 45 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 160 uur, subsidiair 80 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft met een door hem bestuurde bedrijfsauto in omstandigheden waarin het zicht slecht was een bocht afgesneden en dientengevolge een hem tegemoetkomende motorrijder aangereden, die als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. In het verkeer moeten medeweggebruikers op elkaar kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van de verkeersregels die ten behoeve van de veiligheid zijn opgesteld. De verdachte heeft met zijn zeer onvoorzichtige rijgedrag er blijk van gegeven hier onvoldoende oog voor te hebben.

Gebleken is dat de verdachte zich direct na het ongeval en ook na die tijd om het slachtoffer heeft bekommerd. Bij de strafoplegging houdt het hof daar in voor de verdachte gunstige zin rekening mee.

Verder houdt het hof ten voordele van de verdachte rekening met de omstandigheid dat hij blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 januari 2015 niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld, alsook dat reeds de nodige tijd is verstreken sedert het incident en de verdachte door dit incident zijn baan is kwijtgeraakt.

Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. J.J.I. de Jong en mr. I.M.A.M. Berben, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 februari 2015.

[...]