Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2318

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
200.159.851-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berichtgeving in Telegraaf over fraude beleggingsfonds Partrust niet onrechtmatig. zie ook ECLI:NL:GHAMS:2015:367.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.159.851/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/570422 / KG ZA 14-1018

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2015

inzake:

1 [appellant sub 1],

wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],

wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3],

wonend te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. S. Arts te Breda,

tegen

1 TMG LANDELIJKE MEDIA B.V,

gevestigd te Amsterdam,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam.

1 Verder verloop van het geding

Appellanten worden hierna [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en gezamenlijk [appellanten] genoemd. Geïntimeerden worden hierna TMG en [geïntimeerde sub 2] en gezamenlijk TMG c.s. genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 10 februari 2015 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

Na het tussenarrest hebben partijen de zaak ter zitting van 25 maart 2015 doen bepleiten, [appellanten] door mr. Arts voornoemd, en TMG c.s. door mr. R.S. Le Poole, advocaat te Haarlem, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. TMG c.s. hebben nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben hun eis vermeerderd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog hun vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

TMG c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

2 De feiten

2.1

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten geformuleerd die hij bij zijn beslissing tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil zodat ook het hof daar bij zijn beoordeling van zal uitgaan. De feiten komen neer op het volgende.

( i) [appellanten] waren de bestuurders van de gefailleerde beleggingsinstelling Partrust

Beheer B.V. (hierna: Partrust).

(ii) In het door TMG uitgegeven dagblad De Telegraaf is in het verleden

meerdere malen gepubliceerd over het faillissement van Partrust en de (mogelijke)

oorzaken en gevolgen hiervan. Over (de toelaatbaarheid van) deze publicaties zijn

verschillende juridische procedures gevoerd.

(iii) In De Telegraaf is op 22 mei 2014 een artikel gepubliceerd met de volgende

inhoud:

Curator wil snelle schikking met bank

Triodos Bank laatste strohalm voor Partrust-slachtoffers

[geïntimeerde sub 2]

ROTTERDAM - Triodos Bank lijkt het laatste redmiddel voor de

honderden beleggers die ruim €33 miljoen aan spaargeld zijn kwijtgeraakt

aan het frauduleus gebleken beleggingsfonds Partrust. De ‘duurzame’

bank sluisde sinds 2006 zo’n €14 miljoen naar Partrust, terwijl Fortis het

omstreden beleggingsfonds toen juist de bank uit had geschopt op

verdenking van ‘piramideren’.

Dit bleek vanmorgen tijdens een crediteuren-raadpleging door de rechter-commissaris

in de Rotterdamse rechtbank, waar zo’n veertig gedupeerde beleggers op af waren gekomen. Op de door de rechtbank uitgereikte briefjes stond hun individuele inleg vermeld: van €26.000 tot €445.000.Voorlopig is al hun inleg verdwenen. Er rest alleen nog een zieltogend houtwinningproject in Frans-Guyana.

De eveneens aanwezige curator Leo Luchtman van het in 2009 omgevallen Partrust kondigde aan het komend najaar te starten met voorlopige getuigenverhoren van Triodos-medewerkers, om te achterhalen op welk moment de bank had moeten weten dat het bij Partrust “foute boel was”.

‘Snelle schikking’

“Dan zal blijken of de bank onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de

beleggers door desondanks in zee te gaan met Partrust”, aldus Luchtman.

Kort voordat Partrust besloot om te gaan bankieren bij Triodos Bank, had

Fortis namelijk de relatie met het beleggingsfonds opgezegd. “Fortis had het vermoeden dat Partrust een verboden piramidefonds was, dat bestaande beleggers betaalde met inleg van nieuwe klanten. Vragen die Fortis daarover aan de Partrust-directie stelde, werden niet naar tevredenheid beantwoord, zodat Partrust de deur werd gewezen. Het beleggingsfonds probeerde dat nog te voorkomen door een rechtszaak tegen Fortis te voeren, maar die verloren ze”, vertelde de curator, die bovendien de hoop uitte op een snelle schikking met de bank, als de onzorgvuldigheid kan worden

aangetoond. “Dat hoeft geen jaren te gaan duren”.

‘Geld beleggers komt niet terug’

Van eventueel verhaal op de voormalige Partrust-bestuurders [appellant sub 1] en [appellant sub 3], die momenteel door de curator worden aangeklaagd wegens bestuurdersaansprakelijkheid moeten de gedupeerden niet teveel verwachten, voorspelde de rechter-commissaris. “De kans dat er in Nederland iemand rondloopt met dure juwelen die gekocht zijn van uw spaargeld, of rondrijdt in een door u betaalde sportwagen is groot. Maar de kans dat die spullen ooit teruggehaald kunnen worden, acht ik uitermate klein. Dat lukt eigenlijk alleen als ze worden ingeleverd bij de curator, maar dat gebeurt zelden”, grapte rechter-commissaris De Winkel met een zuur lachje.

Geschrokken van bedragen

De Winkel is inmiddels de derde rechter-commissaris die het faillissement van het vijf jaar geleden omgevallen Partrust begeleidt. “Bij mijn voorbereidingen ben ik enorm geschrokken van de enorme bedragen die u heeft toevertrouwd aan Partrust. Het zijn zo te zien opbrengsten van verkochte woningen geweest, en complete oudedagsvoorzieningen. Ik begrijp de emoties als u zich realiseert dat het allemaal weg is”, aldus de onderzoeksrechter, die van de aanwezige gedupeerden wilde weten of zij nog heil zien in het voortzetten van het door Partrust aangekochte houtwinningproject in Frans-Guyana, dat nu in handen is van de failliete boedel. De curator presenteerde vandaag een plan om het project weer nieuw leven in te blazen. Hierbij toonde hij foto’s van enkele bulldozers die momenteel in de Guyaanse jungle staan te verroesten. Met een half miljoen euro aan nieuwe (door de Nederlandse staat gefinancierde) investeringen moet de productie daar weer op gang gebracht kunnen worden. Als dat lukt, maakt het zo’n €400.000 winst per jaar. Volgens de belangenvereniging van beleggers is het een kansloos project, omdat de curator ter plaatse samenwerkt met onbetrouwbare partijen.

Triodos Bank ontkende al eerder haar zorgplicht te hebben geschonden voor klanten die via de bank investeerden in Partrust. De bank zou niets zijn gebleken van malversaties die later aan het licht kwamen.”

(iv) Op 19 juni 2014 is in De Telegraaf een artikel gepubliceerd met de volgende

inhoud:

“Wraking van rechter

Rotterdam - Voormalig bestuurder [appellant sub 1] van het door fraude

omgevallen beleggingsfonds Partrust wraakt de onderzoeksrechter in het

faillissement.

Volgens [appellant sub 1] is rechter-commissaris De Winkel van de rechtbank Rotterdam ‘evident vooringenomen’ en houdt hij bovendien onvoldoende toezicht op de curator in het faillissement die een - in de ogen van [appellant sub 1] kostbare en nutteloze procedure wil gaan starten tegen Triodos Bank. Aanleiding voor de wraking vormde een recent verslag in De Telegraaf over een crediteurenvergadering van Partrust onder leiding van de

onderzoeksrechter. Daarbij suggereerde de rechter dat [appellant sub 1] rondrijdt in een sportauto en behangen is met dure juwelen, die betaald werden door gedupeerde beleggers.”

( v) Op 16 juli 2014 is in De Telegraaf een artikel gepubliceerd met de volgende

inhoud:

“Voorwaardelijke straffen voor top Partrust

BREDA - Drie oprichters van het Bredase beleggingsfonds Partrust zijn woensdag veroordeeld tot voorwaardelijke celstraffen. De rechtbank in Breda legt de straffen op omdat ze tot 2004 zonder vergunning obligaties hebben uitgegeven en geld hebben opgehaald bij beleggers.

Tegen het drietal waren werkstraffen geëist. De straffen vielen lager uit omdat een deel van de beschuldigingen is verjaard en omdat hun zaak 5 jaar langer heeft geduurd dan redelijk is.

De rechter zei dat de mannen het vertrouwen in de effectenmarkt hebben geschaad. Een deel van de investeringen is niet terugbetaald, waardoor investeerders zijn benadeeld. Hoeveel hun verlies is, kon de rechter niet zeggen.

De hoogste straf is voor [appellant sub 3] ([leeftijd]) uit [woonplaats]. Hij kreeg 2 maanden voorwaardelijke celstraf. De andere directeuren [appellant sub 1] ([leeftijd]) uit [woonplaats] en [appellant sub 2] ([leeftijd]) uit [woonplaats] kregen ieder 6 weken voorwaardelijke gevangenisstraf

Partrust beloofde geld te investeren in hardhoutplantages in Guyana en Costa Rica. De Autoriteit Financiële Markten oordeelde dat Partrust een piramidefonds was omdat tot driekwart van de inleg van nieuwe beleggers als rendement aan eerdere investeerders werd uitgekeerd.

In 2009 ging Partrust failliet. Ongeveer 300 beleggers zeggen dat ze in totaal 33 miljoen euro hebben verloren. De drie directeuren worden sindsdien ook nog verdacht van faillissementsfraude.”

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg hebben [appellanten] gevorderd TMG c.s. te veroordelen tot - kort gezegd - rectificaties van de weergegeven artikelen (met in de vordering nader omschreven inhoud) op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500.000,-, alsmede tot een voorschot op schadevergoeding van € 30.000,-. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen. Tegen die beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [appellanten] met hun grieven op. Bij wege van vermeerdering van eis hebben zij in hoger beroep nog gevorderd [geïntimeerde sub 2] te veroordelen tot rectificatie over te gaan van een na het bestreden vonnis door hem op zijn twitter-account geplaatst twitterbericht, zulks op straffe van een dwangsom van

€ 50.000,-.

3.2

Bij de beoordeling van het hoger beroep moet het volgende voorop worden gesteld.

a Tegenover elkaar staan in deze zaak (i) het grondwettelijk en verdragsrechtelijk verankerde recht van TMG c.s. op vrijheid van meningsuiting en (ii) het onder andere door artikel 6:162 BW beschermde recht van [appellanten] om niet te worden blootgesteld aan publicaties die, door daarin geuite ongefundeerde of lichtvaardige verdachtmakingen, inbreuk maken op hun eer en goede naam respectievelijk op hun recht op bescherming daarvan. Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten zwaarder dient te wegen is afhankelijk van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval, die hiertoe moeten worden beoordeeld en bij welke beoordeling aansluiting moet worden gezocht bij hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 24 juni 1983, NJ 1984/801 ter zake heeft overwogen. Daarbij komt aan de positie van TMG c.s. bijzondere betekenis toe gelet op enerzijds de taak van de pers om informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en om haar vitale rol van publieke waakhond te spelen, en gelet op anderzijds het recht van het publiek om informatie en ideeën te ontvangen. Van belang is voorts dat niet noodzakelijkerwijze voorrang moet worden gegeven aan een van beide hierboven genoemde rechten van partijen.

b In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de vorderingen van [appellanten] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van voorzieningen zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

3.3

Als algemene grief stellen [appellanten] dat TMG c.s. bij hun publicaties hardnekkig het beeld in stand laten dat sprake is van een piramidespel, dan wel grootschalige beleggingsfraude, terwijl als het openbaar ministerie (OM) al tot vervolging overgaat, die daarop niet zal zien.

3.4

Voorts wordt door hen als grief 1 in algemene zin naar voren gebracht dat het oordeel van de voorzieningenrechter (aangaande het gebruik van de passages “frauduleus gebleken beleggingsfonds”, “het door fraude omgevallen beleggingsfonds” en “De drie directeuren worden sindsdien ook nog verdacht van faillissementsfraude”) dat TMG c.s. niet onrechtmatig jegens [appellanten] hebben gehandeld en de grondslagen waarop dit oordeel berust, onjuist zijn. Ter toelichting stellen [appellanten] dat niet waar is dat er sprake is van fraude en dat daardoor het beleggingsfonds is omgevallen. Immers vijf jaar na de aangifte van de curator in 2009, die zag op grootschalige beleggingsfraude, is nog geen vervolging ingesteld en het OM heeft inmiddels ook kenbaar gemaakt dat hoe dan ook geen vervolging zal worden ingesteld voor grootschalige beleggingsfraude dan wel een piramidespel. De concept tenlastelegging ziet slechts op het niet vermelden van de juiste gegevens in de jaarrekeningen en (het hof begrijpt:) een zestal zaken betreffende oplichting van beleggers. Het stond TMG c.s. dan ook niet vrij te beweren dat [appellanten] 300 beleggers zouden hebben opgelicht voor een bedrag van € 33 miljoen. De schriftelijke stukken waarop TMG c.s. zich in eerste aanleg beriepen doen daar niet aan af. Onjuist is dan ook de bewering dat het OM artikel 341 Wetboek van Strafrecht aan [appellanten] ten laste legt. Hoewel het niet vermelden van de juiste gegevens in een jaarrekening, strafbaar gesteld bij voornoemd artikel, ook als bedrieglijke bankbreuk kan worden gekwalificeerd is dit heel wat anders dan het verdichten van schulden of onttrekken van vermogensbestanddelen aan de boedel. De voorzieningenrechter gaat ten onrechte voorbij aan de koppeling die TMG c.s. maken tussen faillissementsfraude en voornoemd bedrag van € 33 miljoen, dat honderden beleggers zouden zijn kwijtgeraakt aan Partrust. Daarbij is nog steeds alleen sprake van een verdenking en zeker niet van vastgestelde feiten. Een en ander rechtvaardigt niet het gebruik van het woord fraude. Dat geldt evenzeer voor de omstandigheid dat [appellanten] door de curatoren in een bestuurdersaansprakelijkheids- procedure zijn betrokken. TMG c.s. en in het bijzonder [geïntimeerde sub 2] waren niet in hoor en wederhoor geïnteresseerd, maar hadden eenvoudig kunnen achterhalen dat van fraude geen sprake is. Het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 29 mei 2012 (ECLI:NL:RBBRE:2010:BM0812) waaraan de voorzieningenrechter refereert is oud, door later onderzoek achterhaald en betrof slechts een voorlopige voorziening. De belangenafweging tussen partijen is daarom ten onrechte in het nadeel van [appellanten] uitgevallen, aldus steeds [appellanten]

3.5

Bij de beoordeling van deze grief staat voorop dat of, en voor welke feiten door het OM vervolging tegen [appellanten] is ingesteld op zichzelf beschouwd niet doorslaggevend is voor de vraag of de berichtgeving van TMG c.s., waarin gesproken wordt over fraude en een koppeling wordt gemaakt tussen die fraude en het omvallen van het beleggingsfonds Partrust met vorenomschreven schade voor beleggers tot gevolg, onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig is jegens [appellanten] Hetzelfde geldt ten aanzien van de andere omstandigheden die [appellanten] naar voren brengen, zoals de procedure die de curatoren tegen [appellanten] zijn gestart en het feit dat voornoemd arrest een voorlopige voorziening betrof. Voor het antwoord op die vraag dienen immers alle omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang, in de beschouwing te worden betrokken.

3.6

TMG c.s. hebben naar voren gebracht dat de berichtgeving haar grond vond in:

- de aangifte van de AFM van 6 mei 2009 tegen Partrust wegens oplichting, daaruit bestaande dat Partrust geld van nieuwe beleggers had gebruikt voor de aflossing van rente van oude beleggers;

- de omstandigheid dat in het faillissement van Partrust van 20 mei 2009 zich 290 beleggers hebben aangemeld met een gezamenlijke vordering van in totaal € 33 miljoen, welk bedrag niet is terug te vinden in de financiële administratie en een tekort vormt in het faillissement;

- het in 2013 starten door de curatoren van een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure tegen [appellanten], waarin de bestuurders voor het gehele tekort van € 33 miljoen aansprakelijk worden gehouden, onder meer omdat is gebleken dat een groot gedeelte van de door beleggers ingelegde gelden is besteed aan betaling van rente en aflossing;

- genoemd arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 29 mei 2012 waarin voorshands is geoordeeld dat [appellanten] zich hebben schuldig gemaakt aan onrechtmatig ‘piramideren’ en daarvoor persoonlijk aansprakelijk zijn;

- de concept tenlastelegging die op 26 juli 2013 aan [appellanten] beschikbaar is gesteld, inhoudend dat [appellant sub 1] als bestuurder strafrechtelijk zal worden vervolgd voor oplichting van een zestal beleggers en bedrieglijke bankbreuk, alsmede de bevestiging door het OM aan TMG c.s. dat zij voornemens is om [appellant sub 1] en [appellant sub 3] na afronding van het strafrechtelijk onderzoek te dagvaarden voor oplichting en faillissementsfraude.

3.7

[appellanten] hebben op zichzelf de juistheid van deze feiten en omstandigheden niet betwist maar betogen in de kern dat op elk daarvan (thans) zoveel is af te dingen dat het niet aangaat dat TMG c.s. in hun berichtgeving spreken over (grootschalige) fraude en ‘piramideren’, of de koppeling leggen tussen fraude van Partrust en schade daarvan voor beleggers. Een aanzienlijk deel van de berichten in ‘de media’ heeft echter betrekking op verschijnselen waarvan de betrokkenen verschillende (feitelijke) lezingen geven, en waaraan ook verschillende gevolgtrekkingen (kunnen) worden verbonden. De in de klachten van [appellanten] doorklinkende opvatting dat pas over feiten zou mogen worden gepubliceerd nadat - aan de hand van gedegen eigen feitelijk onderzoek - de juistheid van de feitelijke basis van hetgeen wordt gepubliceerd, min of meer onomstotelijk is komen vast te staan, kan niet als juist worden aanvaard. Deze opvatting zou betekenen dat de nieuwsvoorziening en het commentaar op nieuws in de media voor een belangrijk deel onmogelijk zou worden.

3.8

Opgemerkt wordt verder dat TMG c.s. in de berichtgeving altijd hebben benadrukt dat [appellanten] in de onderhavige kwestie verdachten zijn. [appellanten] verwijten TMG c.s. nog dat onvoldoende sprake is geweest van hoor en wederhoor. Bij pleidooi in eerste aanleg hebben TMG c.s. echter gesteld dat de publicaties tot stand zijn gekomen nadat [geïntimeerde sub 2] contact heeft gehad met [appellant sub 1] of zijn advocaat en dat laatstgenoemden ook zelf met hem contact hebben gezocht om informatie te geven. Dit is door [appellanten] onvoldoende betwist. Nog daargelaten dat de omstandigheid dat niet om een weerwoord zou zijn gevraagd de publicaties niet reeds daarom onrechtmatig zouden maken, is gelet op het voorgaande onvoldoende onderbouwd dat van hoor en wederhoor onvoldoende sprake is geweest. De slotsom is dat de betreffende passages voldoende steun vonden in de feiten en dat het belang van TMG c.s. om daarover in die vorm te publiceren zwaarder moet wegen dan het belang van [appellanten] dat zulks niet gebeurt . De grief faalt.

3.9

Grief 2 houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat TMG c.s. niet onrechtmatig jegens [appellanten] hebben gehandeld door in het artikel dat verder betrekking heeft op overtreding van de Wet Toezicht Effectenverkeer en de Wet Toezicht Kredietwezen (oud) (zie feit (v)) aan het slot te refereren aan de andere procedures (het hof begrijpt: de beweerdelijke faillissementsfraude) nu voldoende verband tussen de procedures zou bestaan. Ter toelichting stellen [appellanten] dat eerstbedoelde procedure ging over economische ordeningswetgeving, gepleegd in de periode van 1999 tot en met 2005 die ook met een bestuurlijke boete had kunnen worden afgedaan. Fraude of oplichting is in die procedure niet aan de orde geweest. Dit wist [geïntimeerde sub 2], aldus steeds [appellanten] .

3.10

Deze grief faalt omdat het TMG c.s. vrijstaat in hun berichtgeving die accenten en verbanden te leggen die hun goeddunken. Dat er geen enkel verband bestaat tussen beide zaken kan niet worden gezegd reeds omdat beide procedures betrekking hebben op dezelfde hoofdrolspelers, te weten [appellanten] en Partrust.

3.11

Met grief 3 betogen [appellanten] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat TMG c . s. niet onrechtmatig hebben gehandeld door te stellen dat ‘de Autoriteit Financiële Marketen (AFM) oordeelde dat Partrust een piramidefonds was omdat tot driekwart van de inleg van nieuwe beleggers als rendement aan eerdere investeerders werd uitgekeerd’. Immers, zo stellen [appellanten], er is geen aangifte gedaan van een piramidespel. De AFM heeft alleen aangifte gedaan van een vermoeden daarvan, althans van een rentecarrousel. TMG c.s. suggereren in weerwil daarvan dat de AFM een uitgebreid zelfstandig onderzoek heeft uitgevoerd, dat zij op grond daarvan meende dat sprake was van een piramidespel en dat dit een uitgemaakte zaak was, aldus [appellanten] De stelling dat ‘tot driekwart van de inleg van nieuwe beleggers als rendement aan eerdere investeerders werd uitgekeerd’ is evenmin onderbouwd en zeker niet van ondergeschikt belang, zoals de voorzieningenrechter meent. Gezien de beperkte eventuele vervolging door het OM mag evenmin een koppeling gemaakt worden tussen de onjuiste stelling dat de AFM zou hebben geoordeeld dat sprake was van een piramidespel en het verdwenen geld van 300 beleggers. [appellanten] hebben, anders dan de voorzieningenrechter stelt, voldoende aangetoond dat de beschuldigingen van fraude onjuist zijn, aldus steeds [appellanten], waarbij zij aantekenen dat het aan TMG c.s. is om de beschuldigingen van feitelijke onderbouwing te voorzien. Zij herhalen dat hun persoonlijke belangen groot zijn en ten onrechte minder zwaar wegen dan die van TMG c.s. en dat uit de beschikbare schriftelijke stukken, zoals het rapport van BDO, het arrest van het gerechtshof in kort geding uit 2012, de tekst van de concept tenlastelegging en een door [geïntimeerde sub 2] op 19 september 2014 ontvangen e-mail, niet blijkt van een piramidespel of grootschalige beleggingsfraude . [appellanten] worden immers alleen nog verdacht van oplichting van zes beleggers ter hoogte van een totaal bedrag van € 560.900,- en fouten in de jaarrekening, die niet gelijk gesteld kunnen worden met faillissementsfraude.

3.12

Dat ‘de Autoriteit Financiële Markten (AFM) oordeelde dat Partrust een piramidefonds was omdat tot driekwart van de inleg van nieuwe beleggers als rendement aan eerdere investeerders werd uitgekeerd’, is een zinsnede die TMG c.s., naar zij onvoldoende weersproken naar voren hebben gebracht, hebben overgenomen uit een persbericht van het ANP van 16 juli 2014. In beginsel, bijzondere omstandigheden daargelaten waarvan hier niet is gebleken, mogen media afgaan op de feitelijke juistheid van persberichten van het ANP en hoeven zij niet ook zelf nog daarnaar onderzoek te doen, alvorens tot publicatie daarvan over te gaan. Daarbij is het volgende van belang. In zijn algemeenheid duidt het doen van aangifte er op dat een aangever van oordeel is dat jegens hem en/of in die aangifte omschreven ander(en) door een of meer al dan niet nader aangeduide verdachten een strafbaar feit is gepleegd. Dit laat onverlet dat het vervolgens aan de desbetreffende opsporingsdienst en het OM is daarnaar nader onderzoek te doen en (verder) bewijs te verzamelen en dat - in beginsel - een verdachte slechts na een veroordeling door de rechter als dader kan en mag worden aangemerkt. In dit licht bezien is weliswaar juist dat een verdachte zijn status (als - kort gezegd - vermoedelijke dader) behoudt tot een veroordeling door de rechter, maar duidt het feit dat aangifte door de AFM is gedaan van wat [appellanten] als een rentecarrousel betitelen - anders dan zij betogen - er niet zonder meer op dat de AFM van oordeel was dat slechts sprake was van een vermoeden van een strafbaar feit en met de aangifte alleen het OM heeft willen uitnodigen daar onderzoek naar te doen. Dat is onvoldoende onderbouwd. [appellanten] hebben ook niet gesteld, noch is gebleken dat de AFM in het geheel geen eigen onderzoek heeft verricht naar de gedragingen van [appellanten] dan wel Partrust, alvorens tot de aangifte te besluiten. Uit de zich bij de stukken bevindende producties (zie bijvoorbeeld de brief van de AFM aan [appellanten] van 15 april 2009) blijkt juist dat zodanig onderzoek heeft plaatsgevonden. In het licht van het voorgaande, en overigens gezien hetgeen in 3.6 is weergegeven, is publicatie van de bewuste zinsnede niet onrechtmatig jegens [appellanten] ., ook niet als in aanmerking wordt genomen dat naar nu kan worden vastgesteld mogelijk niet (geheel) juist is dat tot driekwart van de inleg van nieuwe beleggers als rendement aan eerdere investeerders werd uitgekeerd. De persoonlijke belangen van [appellanten] om verschoond te blijven van zodanige publicatie leggen daarbij minder gewicht in de schaal dan de belangen van TMG c.s. om wel te publiceren . Voor het overige wordt verwezen naar hetgeen bij de bespreking van grief 1 is opgemerkt. De grief faalt.

3.13

In grief 4 stellen [appellanten] aan de orde dat het oordeel van de voorzieningenrechter dat het artikel van [geïntimeerde sub 2] , zoals bij de feiten onder (iv) weergegeven, niet onrechtmatig is en voldoende steun vindt in (het proces-verbaal van) de desbetreffende zitting, onjuist is. Zij lichten toe dat de voorzieningenrechter voorbij gaat aan het oordeel van de wrakingskamer te Rotterdam en de stellingen van de rechter-commissaris (RC) in het faillissement Partrust. Volgens [appellanten] heeft de RC ontkend dat hij een verband heeft willen leggen tussen de verrijking van bestuurders van Partrust en de verloren gegane investering van beleggers en is de wrakingskamer te Rotterdam, oordelend over de wraking van de RC, tot een tegengesteld oordeel als TMG c.s. gekomen. Het artikel is zonder hoor en wederhoor tot stand gekomen, terwijl [geïntimeerde sub 2] geen toestemming had bij de crediteurenvergadering aanwezig te zijn, en mist elke nuancering. Dergelijke berichtgeving, zoals ook in de voorgaande grieven aan de orde was, is gevaarlijk voor de bestuurders van Partrust, die met enige regelmaat zijn bedreigd, aldus [appellanten]

3.14

Volgens het proces- verbaal van de crediteurenvergadering van 22 mei 2014 is aldaar onder meer het volgende opgemerkt.

‘[A] (…):
Zijn de bestuurders nog in leven?
Mr . Louwerier:
Dat is het geval. Tegen hen wordt geprocedeerd. De paspoortsignalering is opgeheven en kan niet meer verlengd worden .

[A](…):

De bestuurders kunnen nog gewoon verdwijnen.

Rechter- commissaris :
Je kunt alles op naam van anderen laten zetten. Pas als iemand het komt inleveren bij de curator dan heeft die het tot zijn beschikking, maar dat gebeurt niet. Wel eventueel via de rechter. Het zou zo maar kunnen zijn dat er vrouwen rondlopen met dure juwelen en mensen rondrijden in luxe sportauto’s die betaald zijn van uw geld. Het faillissement duurt wel lang. (…)’

Dat de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld dat de RC met deze uitlatingen geen blijk heeft gegeven van een schijn van partijdigheid jegens [appellanten] en dat de RC te kennen heeft gegeven dat hij geen verband heeft willen leggen tussen de verrijking van bestuurders van Partrust en de verloren gegane investering van beleggers betekent niet dat TMG c .s. de woorden van de rechter-commissaris in de context van hetgeen op de vergadering is voorgevallen niet zo heeft kunnen en mogen interpreteren als in het desbetreffende artikel weergegeven. Kennelijk bestaat in dit geval een verschil tussen wat daadwerkelijk is gezegd en bedoeld en hoe dit door TMG c.s. is opgevat. Dit wordt bevestigd doordat ook [appellanten] zelf de uitlatingen van de RC aanvankelijk op dezelfde wijze hebben geduid als TMG c.s., gezien (de inhoud van) hun verzoek tot wraking van, en hun aangifte tegen de RC. Het gaat dan niet aan TMG c.s. te verwijten dat zij de woorden van de RC in dezelfde zin hebben begrepen. Dat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden maakt dat niet anders, noch dat [geïntimeerde sub 2] geen toestemming had bij de vergadering aanwezig te zijn. Dat derden in dergelijke berichtgeving aanleiding hebben gezien tot bedreigingen van [appellanten] over te gaan is niet onderbouwd, maar ook overigens niet aan TMG c.s. te verwijten. De slotsom is dat ook op dit punt de berichtgeving van TMG c.s. niet onrechtmatig is geweest. De grief faalt.

3.15

De conclusie is dat de afzonderlijke grieven falen en daarmee ook de inleidende algemene grief. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Voor bewijslevering is in dit kort geding geen plaats. [appellanten] zullen als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van TMG c.s. begroot op € 1.920,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, C.M. Aarts en J.C. Toorman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2015.