Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2281

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-06-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
200.137.535/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; enquêterecht; beslissing voorzitter; machtiging ter inzagelegging onderzoeksverslag voor verschillende gerechtelijke procedures.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 353
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2014/784
ARO 2015/162
JONDR 2015/847
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.137.535/01 OK

beschikking van de voorzitter van de Ondernemingskamer van 15 juni 2015

inzake:

[A] ,

wonende te [....] ,

VERZOEKER,

advocaten: mrs. F.M. Peters en M.D. Hazenberg, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM I B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM II B.V.,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM III B.V.,

allen gevestigd te Hilversum,

VERWEERSTERS,

advocaten: voorheen mrs. E.M. Soerjatin en M.C. Leijten, kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

1 [B] ,

wonend te [....] ,

2. [C],

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaten: mrs. I.S. Oosterhoff, R.J.T. Kamstra en C.J. Jager, allen kantoorhoudende te Amsterdam,

3 [D] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: mrs. J.A. Meijer en K. ter Hart, beiden kantoorhoudende te Den Haag.

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen en andere personen zullen hierna als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoeker als [A] ;

  • -

    verweersters 1 tot en met 4 ieder afzonderlijk als respectievelijk Leaderland TTM, Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III en gezamenlijk als Leaderland c.s.;

  • -

    belanghebbende 1 als [B] ;

  • -

    belanghebbende 2 als [C] ;

  • -

    belanghebbende 3 als [D] .

1.2

Voor het eerdere verloop van het geding verwijst de voorzitter van de Ondernemingskamer naar de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 18 maart 2014, 11 juli 2014, 24 juli 2014, 5 december 2014, 15 december 2014, 3 februari 2015, 28 april 2015, 29 mei 2015 en 5 juni 2015 en zijn beschikking van 29 mei 2015.

1.3

Bij haar beschikking van 18 maart 2014 heeft de Ondernemingskamer onder andere en voor zover hier van belang:

- een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland c.s. over de periode vanaf 1 oktober 2012;

- Mr. F.D. Stibbe te Amsterdam en drs. N. van der Noll te Oosthuizen benoemd tot onderzoekers.

1.4

Het verslag van het door mr. Stibbe en drs. Van der Noll verrichte onderzoek met bijlagen (hierna het onderzoeksverslag te noemen) is op 28 april 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd. Bij de op die dag gegeven beschikking heeft de Ondernemingskamer onder andere bepaald dat het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.

1.5

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 4 mei 2015, heeft [A] de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht hem te machtigen het onderzoeksverslag, inclusief bijlagen, in te brengen en daaruit mededelingen te mogen doen in de volgende procedures:

- een procedure in Rusland (hof St. Petersburg);

- procedures tussen Peter Inc. en [A] in België en in Nederland;

- een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure bij de rechtbank Amsterdam tussen Leaderland TTM B.V. en [A] .

1.6

Bij beschikking van 29 mei 2015 heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer [A] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op woensdag 3 juni 2015 zijn verzoek tot machtiging als bedoeld in artikel 2:353 lid 3 BW, nader te specificeren door beantwoording van onderstaande vragen voor iedere procedure met het oog waarop bedoelde machtiging wordt gevraagd:

a. Wie zijn partij bij de procedure (dit geldt in het bijzonder voor de procedure tussen Peters Inc. en [A] )?

Kan de procedure worden geïdentificeerd aan de hand van een rolnummer of zaaknummer?

In welk stadium bevindt de procedure zich en is het gelet op dat stadium nog mogelijk in de procedure het onderzoeksverslag over te leggen en of daaruit mededelingen te doen (dit geldt in het bijzonder voor de procedure in Sint Petersburg en de procedure over de beslaglegging in België)?

De voorzitter van de Ondernemingskamer heeft de overige partijen in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op maandag 8 juni 2015 te reageren op de hierboven bedoelde uitlating en (desgewenst) ook op het verzoek van 4 mei 2015, voor zover dat strekt tot het verlenen van machtiging als bedoeld in artikel 2.353 lid 3 BW.

1.7

Bij brief van 3 juni 2015 gericht aan de Ondernemingskamer heeft [A] het machtigingsverzoek als bedoeld in artikel 2:353 lid 3 BW nader toegelicht. [A] heeft voorts zijn verzoek aangevuld en een nader verzoek tot machtiging gedaan voor een procedure aanhangig bij de rechtbank Amsterdam tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.

1.8

Bij brief van 8 juni 2015 heeft [D] de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht om primair [A] in zijn verzoeken niet ontvankelijk te verklaren en subsidiair de verzoeken af te wijzen. Voorts heeft [D] verzocht om, indien de verzoeken van [A] worden toegewezen, aan [D] dezelfde rechten en machtigingen te geven.

1.9

Bij brief van 8 juni 2015 heeft [B] de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht om primair [A] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, subsidiair de verzoeken af te wijzen, en meer subsidiair om elke beslissing aan te houden totdat Leaderland c.s. zich kunnen laten vertegenwoordigen door een bestuurder.

1.10

Bij brief van 8 juni 2015 heeft [C] de voorzitter van de Ondernemingskamer medegedeeld dat hij de standpunten van [B] ondersteunt.

2 De gronden van de beslissing

2.1

[A] heeft zijn verzoek tot machtiging als bedoeld in artikel 2:353 lid 3 BW als volgt nader gespecificeerd:

- Ten aanzien van de procedure in Rusland:

Volgens [A] zijn de partijen in deze procedure [A] , Soyuz Corporation en Leaderland TTM en de tussenkomende derden zijn Soyuz TTM, Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III. De procedure is aanhangig bij “the Thirteenth Arbitrazhniy Appellate Court of St. Petersburg” (zaaknummer A21-9225/2013), de behandeling van deze zaak is uitgesteld tot 5 juni 2015 en aan partijen is gevraagd om schriftelijk te reageren, maar ook nadien is het vermoedelijk mogelijk het onderzoeksverslag in die procedure over te leggen en/of daaruit mededelingen te doen, aldus [A] .

  • -

    Ten aanzien van de procedure tussen Peters Inc. en [A] in België en Nederland: [A] heeft gesteld dat Peters Inc. (eiser) in de procedure van [A] (gedaagde) terugbetaling vordert van een lening die Peters Inc. zou hebben verstrekt. Voorst heeft [A] aangevoerd dat deze procedure aanhangig is bij de rechtbank Amsterdam en dat de eerste roldatum 17 juni 2015 is (er zijn nog geen zaaknummer van deze procedure bekend). In België vordert [A] opheffing van de door Peter Inc. in België gelegde beslagen en terzake is een procedure aanhangig is bij de beslagrechter van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen en een sekwesterprocedure bij de bij de rechtbank Antwerpen (rolnummer A.R. 15/1731/A). Deze zaak staat voor vonnis, waartegen hoger beroep openstaat, aldus (nog steeds) [A] .

  • -

    Ten aanzien van de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure tussen Leaderland en [A] :

[A] heeft aangevoerd dat deze procedure aanhangig is bij de rechtbank Amsterdam, dat Leaderland TTM de eisende partij en [A] gedaagde is. Deze procedure (rolnummer: 13/557158) staat op de parkeerrol van 7 oktober 2014, voor conclusie van antwoord in een exhibitieincident aan de zijde van Leaderland TTM, aldus [A] .

Met betrekking tot het nadere verzoek tot machtiging op grond van artikel 2:353 lid 3 BW heeft [A] aangevoerd dat indien de rechtbank Amsterdam het verzoek van [B] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toewijst, [A] het onderzoeksverslag met bijlagen in deze procedure wil gebruiken en daaruit mededelingen wil doen.

2.2

[D] heeft verweer gevoerd en heeft aangevoerd dat het machtigingsverzoek van [A] is gebaseerd op onjuiste grondslagen en betwist dat sprake is vennootschappelijk met elkaar samenhangende partijen die direct of indirect bij de enquêteprocedure en in het onderzoek betrokken zijn. Daarnaast is [D] van mening dat toewijzing van het verzoek prematuur zou zijn en dat de nadelen van het “rondzingen van een ondeugdelijk onderzoeksrapport” zwaarder moeten wegen dan de belangen van [A] bij toewijzing van zijn verzoek. Ten aanzien van het nadere verzoek tot machtiging heeft [D] gesteld dat dit verzoek niet ontvankelijk moet worden verklaard aangezien dit verzoek moet worden aangemerkt als tardief, als misbruik van procesrecht en dat in een nadere toelichting geen plaats is voor een nieuw verzoek. Subsidiair heeft [D] aangevoerd dat het nadere verzoek onvoldoende concreet is en om die reden moet worden afgewezen.

2.3

[B] heeft verweer gevoerd en heeft gesteld dat de Leaderland c.s. geen bestuurder meer hebben, zodat de beslissing over het machtingsverzoek moet worden aangehouden om aan het beginsel van hoor en wederhoor te kunnen voldoen. Voorts heeft [B] gesteld dat zowel in de procedure in Rusland als in de procedures in België geen nadere stukken meer kunnen worden ingebracht, dat de Russische rechter het onderzoeksverslag niet op waarde kan schatten, interpreteren en daaraan juridische consequenties kan verbinden, en dat [A] het onderzoeksverslag in de Russische procedure en in de procedure jegens Peters Inc. wil gebruiken jegens andere procespartijen dan de partijen in de enquêteprocedure. Ten zien van het nieuwe machtingsverzoek heeft [B] aangevoerd dat de rechtbank Amsterdam het desbetreffende verzoek van [B] tot gelasten van een voorlopig getuigenverhoor heeft afgewezen, dat daarmee het belang van [A] om het onderzoekverslag in die procedure in te brengen is komen te vervallen en dat het verzoek daarom moet worden afgewezen.

2.4

De voorzitter van de Ondernemingskamer stelt bij zijn beoordeling voorop dat nu alle betrokkenen bij Leaderland c.s., inclusief de door de Ondernemingskamer aangewezen beheerder van aandelen, in de gelegenheid zijn gesteld om op de machtingsverzoeken te reageren en Leaderland c.s. voorafgaand aan de ontheffing van mr. W.G. van Hassel als bestuurder van Lederland c.s. bij beschikking van de Ondernemingskamer van 5 juni 2015 geen bezwaren kenbaar hebben gemaakt tegen toewijzing van de machtigingsverzoeken, er geen aanleiding is om de beslissing op de verzoeken van [A] aan te houden, totdat Leaderland c.s. weer een of meer bestuurders hebben. Nu aannemelijk is dat bij Leaderland c.s. geen of nauwelijks activiteiten meer plaatsvinden, kan niet gezegd worden dat gewichtige belangen van Leaderland c.s. zich tegen toewijzing van de machtiging te verzetten.

2.5

Ten aanzien van machtigingsverzoeken voor de Russische procedure, de procedure tussen Peters Inc. en [A] in België en in Nederland, en de procedure tussen Leaderland TTM en [A] betreffende bestuurdersaansprakelijkheid bij de rechtbank Amsterdam, oordeelt de voorzitter van de Ondernemingskamer als volgt. Gezien de beschikking van 18 maart 2014 en de nader uiteenzetting van [A] , acht de voorzitter het voldoende aannemelijk dat alle partijen in deze procedures, direct dan wel indirect op enigerlei wijze betrokken zijn, althans voor wat betreft Peters Inc. was, bij de onderhavige enquêteprocedure en voorts dat de onderwerpen van de geschillen in meer of minder mate gerelateerd zijn aan hetgeen in de enquêteprocedure aan de orde is. [A] heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat het onderzoeksverslag van belang kan zijn voor de oordeelsvorming in de door [A] genoemde procedures. De door [A] gestelde belangen zijn naar het oordeel van de voorzitter van de Ondernemingskamer voldoende zwaarwegend om het verzoek in te willigen. De bezwaren van [B] en [D] die betrekking hebben op het onderzoeksverslag en de onderzoekers, staan, wat er van die bezwaren ook zij, aan toewijzing van de onderhavige verzoeken niet in de weg. Die bezwaren kunnen aan de orde komen tijdens de mondelinge behandeling op 2 juli 2015 van het verzoek van [D] tot ontheffing van de onderzoekers en benoeming van andere onderzoekers teneinde het onderzoek geheel opnieuw te doen verrichten. Bovendien geldt dat de partijen in de procedures met het oog waarop machtiging is gevraagd, desgewenst over het voetlicht kunnen brengen wat naar hun mening de status van het onderzoeksverslag is. De voorzitter van de Ondernemingskamer kan niet vooruitlopen op de betekenis die de desbetreffende rechters in de desbetreffende procedures aan het onderzoeksverslag en/of mededelingen uit het onderzoeksverslag kunnen of zullen hechten.

2.6

Het door [A] op 3 juni 2015 gedane nadere machtigingsverzoek strekt er, naar de voorzitter van de Ondernemingskamer begrijpt, toe om, indien het desbetreffende verzoek van [B] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor door de rechtbank wordt toegewezen, het onderzoeksverslag met bijlagen te kunnen gebruiken tijdens de getuigenverhoren. De door [B] overgelegde beschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2015 houdt in dat het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is afgewezen. Aldus is niet voldaan aan de voorwaarden waaronder [A] dit nadere machtigingsverzoek heeft gedaan, zodat daarop niet beslist behoeft te worden.

2.7

Ten aanzien van het verzoek van [D] om hem bij toewijzing van de verzoeken dezelfde machtiging/rechten te geven als [A] , oordeelt de voorzitter van de Ondernemingskamer dat dit verzoek als onvoldoende onderbouwd zal afwijzen.

2.8

De slotsom is dat het verzoek tot machtiging om mededelingen uit het onderzoeksverslag te doen, wordt toegewezen ten aanzien van de Russische procedure, de procedure tussen Peter Inc. en [A] in België en in Nederland, en de procedure tussen Leaderland TTM en [A] betreffende bestuurdersaansprakelijkheid bij de rechtbank Amsterdam. Alle andere verzoeken worden afgewezen.

3 De beslissing

De voorzitter van de Ondernemingskamer:

machtigt [A] , wonende te Amsterdam, om uit het verslag met bijlagen naar het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III neergelegd ter griffie van de Ondernemingskamer op 28 april 2015:

i mededelingen te doen aan het “Thirteenth Arbitrazhniy Appelate Court of St. Petersburg” in Rusland in het kader van de procedure onder zaaknummer A21-9225/2013 en aan de daarbij betrokken partijen, alsmede het onderzoeksverslag met bijlagen in deze procedure in te brengen;

ii mededelingen te doen aan de rechtbank Amsterdam in het kader van de procedure tussen Peters Inc. en [A] betreffende de terugbetaling van de lening die Peters Inc. verstrekt zou hebben aan Leaderland TTM c.s. en aan de daarbij betrokken partijen, alsmede het onderzoeksverslag met bijlagen in deze procedure in te brengen;

iii mededelingen te doen aan de rechtbank Antwerpen in het kader van de procedure met rolnummer A.R. 15/1731/A en aan de daarbij betrokken partijen, alsmede het onderzoeksverslag met bijlagen in te brengen;

vi mededelingen te doen aan de rechtbank Amsterdam in het kader van de procedure onder zaaknummer: 13/557158 en aan de daarbij betrokken partijen, alsmede onderzoeksverslag met bijlagen in deze procedure in te brengen.

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

De beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter van de Ondernemingskamer, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Meerdink-Schenau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2015.