Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2234

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
15-06-2015
Zaaknummer
23-004228-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:40, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 4 Vw2000

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004228-14

datum uitspraak: 9 juni 2015

tegenspraak

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige kamer, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 21 oktober 2014 in de strafzaak onder de parketnummer 15/108757-14 tegen

[verdachte].

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2015 en 9 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 25 september 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk in Nederland, als vervoerder ([vlucht gegevens]) door wiens tussenkomst de vreemdeling, genaamd [betrokkene], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] [geboorteland], aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht, niet de nodige maatregelen heeft genomen en/of niet het toezicht heeft gehouden dat redelijkerwijs van haar kon worden gevorderd om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan artikel 5, eerste lid, onder a, van de Schengengrenscode of artikel 3, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000, immers was voornoemde vreemdeling in het bezit van een document voor grensoverschrijding/paspoort waarin het benodigde visum ontbrak.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, nu hiervan slechts aantekening is gedaan ex artikel 395 van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 25 september 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer als vervoerder vanaf [vlucht gegevens], door wiens tussenkomst de vreemdeling, genaamd [betrokkene], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] [geboorteland], binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht, niet de nodige maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan artikel 5, eerste lid, onder a, van de Schengengrenscode en artikel 3, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000, immers was voornoemde vreemdeling in het bezit van een document voor grensoverschrijding, een paspoort, waarin het benodigde visum ontbrak.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Vrijspraakverweren

(I)

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan ‘te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk in Nederland.’ Daartoe is aangevoerd dat a) [verdachte] in de Verenigde Staten de nodige maatregelen heeft genomen; b) de richtlijn van het Openbaar Ministerie stelt dat de plaats van het delict veelal in het buitenland is gelegen; c) het een formeel delict betreft, zonder daarbij een gevolg te noemen, zodat niet is vereist dat de vreemdeling naar Nederland wordt vervoerd; d) uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat het delict in Nederland is gepleegd.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte wordt verweten dat door haar tussenkomst een vreemdeling binnen het grondgebied van Nederland is gebracht. Gelet hierop is het hof van oordeel dat Schiphol mede als plaats van het delict kan worden beschouwd, nu het delict eerst bij binnenkomst in Nederland is voltooid.

Hetgeen de raadsvrouw voorts ter onderbouwing van haar verweer heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

(II)

De raadsvrouw van de verdachte heeft eveneens vrijspraak bepleit omdat de inhoud van het proces-verbaal van verhoor van de binnen Nederland gebrachte vreemdeling oncontroleerbaar, onbetrouwbaar of zelfs onjuist is en dat het proces-verbaal daarom niet kan bijdragen aan het bewijs. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat a) de verklaring in deze zaak grotendeels identiek is aan de verklaringen van de vreemdeling in de andere gelijktijdig behandelde zaken; b) niet staat vermeld in welke taal de vreemdeling is gehoord; c) het proces-verbaal niet door de vreemdeling is ondertekend.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Nog afgezien van de vraag of bij bewijsuitsluiting tot vrijspraak moet worden gekomen, is het hof van oordeel dat de inhoud van het proces-verbaal van verhoor van de vreemdeling oncontroleerbaar noch onbetrouwbaar noch onjuist is.

Het mag zo zijn dat –gelet op het grote aantal zaken- de vragen en de verslaglegging van de antwoorden in het proces-verbaal grotendeels gestandaardiseerd is, echter het hof ziet niet in dat daardoor de voor de zaak relevante inhoud van de verklaring oncontroleerbaar, onbetrouwbaar of onjuist wordt weergegeven. Ook in het door de raadsvrouw gegeven voorbeeld van het verbaliseren van het aantal dagen dat de vreemdeling in Nederland wil verblijven, is dit niet anders. Of de verdachte precies 1 dag of een deel daarvan in Nederland wil zijn, is voor de beoordeling van de zaak niet bijzonder relevant. Daarbij komt nog dat de raadsvrouw dit zelf kan vaststellen en controleren aan de hand van de instapkaarten die (of in ander zaken: het reisschema) zich in het dossier bevinden.

Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat het de voorkeur verdient dat in het proces-verbaal staat vermeld in welke taal de vreemdeling is gehoord. Het achterwege blijven hiervan maakt de verklaring evenwel niet oncontroleerbaar, onbetrouwbaar of onjuist. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de verbalisant het proces-verbaal op ambtseed opmaakt. Hetzelfde geldt voor wat betreft het niet door de vreemdeling laten tekenen van het proces-verbaal.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van voorschrift bepaald bij artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

AVAS-verweer

De raadsvrouw heeft afwezigheid van alle schuld bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de norm een inspanningsverplichting betreft en [verdachte] al het mogelijke heeft gedaan om aan die inspanningsverplichting te voldoen.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. In het midden kan blijven of hier sprake is van een inspannings-, dan wel resultaatsverbintenis. Uit het onderzoek ter terechtzitting is weliswaar gebleken dat [verdachte] grote inspanningen heeft verricht om aan de op haar rustende zorgverplichting te voldoen, zoals aanpassing van de bedrijfsvoering, opleiding van haar medewerkers, informatievoorziening aan haar medewerkers, etc. om overtreding te voorkomen, desalniettemin is het hof van oordeel dat dit onvoldoende is voor afwezigheid van alle schuld. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat het onderhavige feit relatief eenvoudig was te ondervangen nu in het [land] nationale paspoort van de verdachte geen enkel (Schengen) visum was aangebracht. De door [verdachte] genomen maatregelen zijn kennelijk niet voldoende geweest. Dat [verdachte] veel passagiers naar Nederland of via Nederland naar andere landen vervoert, maakt dit niet anders.

Oplegging van straffen

De kantonrechter rechtbank Noord-Holland (Haarlem) heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 4,000,00.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 4.000,00.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 4 en 108 van de Vreemdelingenwet 2000.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 4.000,00 (vierduizend euro).

Dit arrest is gewezen door de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting had mr. N.A. Schimmel, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juni 2015.