Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2225

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
200.163.760-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2275, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Zie ECLI:NL:GHAMS:2016:1543.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2016/22 met annotatie van mr. T. Gardenbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.163.760/01

kenmerk rechtbank Amsterdam : CV 14-5000

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2015

inzake

[appellante] ,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. M.E. Zweers te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats 2] ,

3. [geïntimeerde sub 3],

wonend te [woonplaats 2] ,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

eisers in het incident,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerden] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 23 december 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 29 september 2014, onder bovenvermeld kenmerk gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers en [appellante] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord in principaal appel, memorie van grieven in incidenteel appel tevens houdende incidentele vordering op de voet van artikel 234 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties;

- memorie van antwoord in het incident;

- akte overlegging producties, met een productie.

Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

In het incident hebben [geïntimeerden] gevorderd dat het bestreden vonnis voor wat betreft de onderdelen I en II alsnog op de voet van artikel 234 Rv uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het incident.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incident.

2 Beoordeling

in het incident

2.1

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan de [adres] ontbonden (I). Verder heeft de kantonrechter [appellante] veroordeeld om de woning uiterlijk op 1 januari 2015 te ontruimen en ter beschikking van eisers te stellen - onder de voorwaarde dat zij een maandelijkse vergoeding gelijk aan de huur vermeerderd met servicekosten betaalt - welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm (II). De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt (III), en het meer of anders gevorderde is afgewezen (IV). Het bestreden vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.2

Ter toelichting op hun incidentele vordering hebben [geïntimeerden] - samengevat - aangevoerd dat zij in eerste aanleg de uitvoerbaarverklaring bij voorraad hebben gevorderd, dat daartegen door [appellante] geen verweer is gevoerd en dat de verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad om onduidelijke redenen achterwege is gebleven, zodat hier waarschijnlijk sprake is van rechterlijke slordigheid. De vorderingen van [geïntimeerden] zijn immers vrij probleemloos toegewezen en [appellante] heeft nog een lange ontruimingstermijn gekregen. [geïntimeerden] stellen dat zij belang hebben bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, aangezien zij al sinds 2004 door een fout van de beheerder een lagere huur voor de woning ontvangen dan de bedoeling was. [appellante] daarentegen profiteert al sinds 2004 van de wettelijke regeling waardoor zij een lage huur betaalt. Bovendien heeft zij € 6.000,- per jaar aan de woning verdiend door, zo begrijpt het hof, onderverhuur. Nu [appellante] al sinds september 2014 als gewezen huurster in de woning verblijft, dient volgens [geïntimeerden] de ontruiming van de woning, alles in aanmerking genomen, op zeer korte termijn plaats te vinden.

2.3

[appellante] heeft daartegen aangevoerd dat zij, voor zover zij in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd tegen de verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad, dat verweer in ieder geval nu voert. Volgens [appellante] weegt haar belang bij behoud van de bestaande situatie zwaarder dan het belang van [geïntimeerden] bij toewijzing van de incidentele vordering, gelet op het volgende. Dat de door [geïntimeerden] ingeschakelde beheerder een verkeerde huurprijs in de huurovereenkomst heeft opgenomen en dat [appellante] de wettelijke mogelijkheid heeft benut om de hoogte van de huurprijs te laten toetsen door de huurcommissie, kan geen grond opleveren voor een uitvoerbaar- verklaring bij voorraad. Bovendien heeft de beheerder [geïntimeerden] gecompenseerd voor de gederfde huurinkomsten. [appellante] heeft voldoende belang bij afwijzing van de incidentele vordering omdat zij met haar minderjarige, leerplichtige en schoolgaande zoon, over wie zij co-ouderschap heeft, in de woning woont en hun leven door een (voortijdige) ontruiming ernstig zal worden ontwricht. Hangende het appel zal [appellante] met haar lage inkomen niet in staat zijn om tijdelijk een vervangende woonruimte in (de buurt van) Amsterdam te betrekken, terwijl zij en haar zoon wel economisch en sociaal gebonden zijn aan Amsterdam. Er is geen sprake van een voortdurende wanprestatie en evenmin van onderverhuur. Na een eventuele ontruiming zal de woning niet leeg blijven staan, zodat [appellante] bij een succesvol appel niet naar de woning zal kunnen terugkeren. Het is twijfelachtig of [geïntimeerden] haar in dat geval een andere, vergelijkbare woning tegen vergelijkbare voorwaarden zouden kunnen verhuren bij wijze van schadevergoeding.

2.4

Het hof stelt voorop dat de kantonrechter geen overweging heeft gewijd aan de vordering van [geïntimeerden] tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Op grond van inhoud en dictum van het bestreden vonnis moet worden aangenomen dat het feit dat het bestreden vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard berust op een vergissing (omissie).

2.5

Bij de beoordeling van de incidentele vordering neemt het hof tot uitgangspunt dat, indien verweer wordt gevoerd tegen een vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de belangen van partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij dient te worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkrijgt zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel behoort hierbij in de regel buiten beschouwing te blijven. Voorts geldt dat mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, op zichzelf niet in de weg staan aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar (slechts) moeten worden meegewogen.

2.6

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] , gelet op het stadium waarin de procedure in appel thans verkeert (er hoeft alleen nog van antwoord in incidenteel appel te worden gediend), onvoldoende hebben gesteld om te kunnen concluderen dat hun belang bij de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zwaarder weegt dan dat van [appellante] bij behoud van de bestaande situatie totdat in de hoofdzaak eindarrest is gewezen. In beginsel hebben [geïntimeerden] er, mede in verband met de lage huurprijs die [appellante] betaalt, belang bij dat zij niet hoeven te wachten op de ontruiming waartoe [appellante] bij het bestreden vonnis is veroordeeld tot die veroordeling onherroepelijk is geworden, maar daar staat tegenover dat het hof het aannemelijk acht dat - zoals [appellante] stelt - ontruiming van de woning haar leven en dat van haar zoon ernstig zal ontwrichten, terwijl bij een vernietiging van het bestreden vonnis het niet mogelijk zal zijn om (van [geïntimeerden] ) dezelfde dan wel een vergelijkbare woning te huren en zodoende die ontwrichting te herstellen. Dat laatste dient in deze zaak, gelet op de stand waarin de appelprocedure zich thans bevindt, zwaarder te wegen. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat [appellante] de woning thans nog onderverhuurt en dat [appellante] ingevolge de door de kantonrechter in het dictum van het bestreden vonnis onder II opgenomen voorwaarde een maandelijkse vergoeding gelijk aan de huur vermeerderd met de servicekosten dient te betalen en - naar het hof aanneemt omdat het tegendeel gesteld noch gebleken is - ook daadwerkelijk betaalt. Dit betekent dat de incidentele vordering van [geïntimeerden] zal worden afgewezen.

2.7

[geïntimeerden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij bij het eindarrest worden veroordeeld in de kosten van het incident.

2.8

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord in incidenteel appel door [appellante] .

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 7 juli 2015 voor het nemen van een memorie van antwoord in incidenteel appel door [appellante] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, C. Uriot en C.C. Meijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2015.