Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2224

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
200.161.670-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huur woonruimte; ontruiming wegens overlast; kort geding; bekrachtiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

______________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.161.670/01 KG

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/573474 / KG ZA 14-1252

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2015

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. M.J. Kikkert te Amsterdam,

tegen:

de stichting WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.G. Blokziel te Almere.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Eigen Haard genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 10 december 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 13 november 2014, onder bovenstaand zaak-/rolnummer in kort geding gewezen tussen Eigen Haard als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met een productie;

- memorie van antwoord, met producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen, alsnog de vorderingen van Eigen Haard zal afwijzen en Eigen Haard zal veroordelen aan [appellant] de [hof: door hem ontruimde] woning op straffe van de verbeurte van een dwangsom leeg en ontruimd ter vrije beschikking te stellen en aan hem een voorschot op schadevergoeding ter grootte van € 1.000,-- met rente te betalen, met beslissing over de proceskosten.

Eigen Haard heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, kort gezegd, het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten.

2 Feiten

2.1

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.12 de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van deze zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat, en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.1

Eigen Haard is eigenaresse van de woning aan de [adres] (hierna: de woning).

2.1.2

Eigen Haard heeft de woning met ingang van 26 april 2013 voor onbepaalde tijd verhuurd aan [appellant] voor een huur van laatstelijk € 607,88 per maand.

2.1.3

In de op de schriftelijke huurovereenkomst van toepassing verklaarde Algemene voorwaarden sociale woonruimte van 7 januari 2013 is, voor zover voor deze procedure van belang, kort gezegd bepaald dat [appellant] zich dient te gedragen als een goed huurder en zich van het veroorzaken van hinder of overlast aan omwonenden dient te onthouden.

2.1.4

Op 15 augustus 2013 heeft de wijkbeheerder bij Eigen Haard melding gemaakt van klachten van omwonenden van overlast vanuit de woning.

2.1.5

Eigen Haard heeft in de periode december 2013/januari 2014 van in totaal zes omwonenden, onder wie de onderbuurvrouw van [appellant], […] (hierna [A]) klachten ontvangen van geluidsoverlast vanuit de woning gedurende de nacht, vooral in verband met veelvuldige nachtelijke bezoeken van personen die bij de woning aanbellen en daarbij veel lawaai maken, en van agressie/intimidatie.

2.1.6

Eigen Haard heeft bij brief van 15 januari 2014 en telefonisch op 20 januari 2014 aan [appellant] een huisbezoek aangekondigd op 22 januari 2014 om de overlastklachten te bespreken. [appellant] was op het aangekondigde tijdstip niet thuis, althans heeft de deur niet opengedaan.

2.1.7

Eigen Haard heeft [appellant] bij brief van 27 januari 2014 uitgenodigd voor een gesprek op het hoofdkantoor van Eigen Haard op 3 februari 2014. [appellant] is toen niet verschenen. Eigen Haard heeft [appellant] bij brief van 12 februari 2014 gesommeerd de overlast met onmiddellijke ingang te beëindigen en zich van het veroorzaken van verdere overlast te onthouden. [appellant] is vanwege de aanhoudende klachten opnieuw voor een gesprek uitgenodigd, ditmaal - op verzoek van [appellant] - op 16 april 2014. [appellant] is ook toen niet verschenen.

2.1.8

Uit het klachtensysteem van Eigen Haard blijkt dat ook na januari 2014 geregeld door meerdere omwonenden is geklaagd over overlast vanuit de woning. De omwonenden hebben zich behalve bij Eigen Haard ook bij het Meldpunt Zorg en Overlast (Oost) van de gemeente

Amsterdam beklaagd. In dit verband heeft een medewerkster van de gemeentelijke gezondheidsdienst Amsterdam (GGD) met de politie op 20 mei 2014 een bezoek gebracht aan de woning. In het klachtensysteem van Eigen Haard is een e-mail van 23 mei 2014 van de medewerkster van de GGD opgenomen die - voor zover voor deze procedure van belang - als volgt luidt:

“Afgelopen dinsdag was ik met […] [[B] is een buurtregisseur, hof] bij dhr. [appellant] [adres]. [B] heeft hem aangesproken op de overlast. Hij ontkent alles. Hij werd hoe langer hoe opgefokter in het contact. Voorstelbaar dat mensen op de trap bang zijn voor deze man (het is dat [B] naast mij stond anders was ik ook hard weggerend). Hij komt intimiderend en dreigend over, ontkent alles, het ligt allemaal aan de buren, zij liegen. Het einde van het gesprek heeft hij mij uitgescholden voor stomme trut, hoer en weet ik allemaal niet wat. Hierop zijn wij weggegaan. (...)“

2.1.9

Eigen Haard heeft [appellant] vanwege de aanhoudende overlastklachten op 27 juni 2014 nogmaals gesommeerd de overlast te beëindigen bij gebreke waarvan zij heeft aangekondigd (juridische) stappen te ondernemen.

2.1.10

Eigen Haard heeft [appellant] bij brief van 10 juli 2014 verzocht de huurovereenkomst binnen een week op te zeggen bij gebreke waarvan zij heeft aangekondigd een ontruimingsprocedure te zullen starten. In de brief staat ter toelichting op deze beslissing - voor zover voor deze procedure van belang - het volgende:

Beter Buren

U geeft aan uw trapportaal aan te hebben gemeld voor Beter Buren, maar niets te hebben vernomen.

(...) Beter Buren heeft mij aangegeven telefonisch contact te hebben gezocht met u, maar u niet te

hebben kunnen spreken, omdat u uw telefoon niet opnam.

Niet verschijnen afspraken

Ook meldt u dat u mij vaak genoeg gesproken heeft over deze zaak. (...) Op geen van de afspraken

bent u verschenen, noch heeft u aangegeven niet aanwezig te kunnen zijn of de afspraak afgezegd.

(...) De telefoongesprekken die wij hadden heb ik als intimiderend en agressief ervaren (...), om deze

reden wens ik ook de verdere contacten tot schriftelijk te beperken.

Agressie en intimidatie

U bent op dinsdag 08 juli 2014 rond 16.20 uur zonder afspraak op ons kantoor aan de Arlandaweg

gekomen en heeft bij de receptie geëist mij te spreken te krijgen. Ik was op dat moment onderweg

naar een huisbezoek. U heeft mijn collega’s aan de receptie op zo’n agressieve en intimiderende

wijze te woord gestaan dat zij op een gegeven moment het bedrijfshulpverleningsteam hebben moeten

oproepen voor hun veiligheid en om de orde niet verder te laten verstoren voor de collega‘s en de

overige bezoekers. (...)

Op woensdag 9 juli 2014 krijg ik twee meldingen door over u van mijn collega’s. U heeft onze

wijkbeheerder gebeld en ook hem op agressieve en intimiderende wijze te woord (...) gestaan.

Zodanig dat hij geen kans kreeg iets te zeggen en hij naar meerdere pogingen in te breken in de

woordenstroom uiteindelijk de verbinding heeft moeten verbreken. Vervolgens heeft u een van mijn

collega’s op het klantcontactcentrum gebeld en ook daar heeft u op dezelfde manier tegen gesproken. U heeft zelfs aangegeven naar Eigen Haard toe te komen en daarbij gezegd: “ze zullen

spijt krijgen dat ze mij die brieven hebben gestuurd”. Hieruit maak ik (...) een bedreiging op.”

2.1.11

[appellant] heeft de huurovereenkomst niet opgezegd. Eigen Haard heeft ook na 10 juli 2014 geregeld overlastklachten van omwonenden ontvangen.

2.1.12

Bij brief van 3 september 2014 heeft de gemeente Amsterdam Eigen Haard medegedeeld dat de deelnemende instanties aan het Groot Overleg van het Meldpunt Zorg en

Overlast (Oost)- naar aanleiding van de aanhoudende overlastklachten en (mislukte) interventiepogingen gericht op het bestrijden van de extreme overlast die [appellant] in zijn woonomgeving veroorzaakt vanuit het Meldpunt op 19 augustus 2014 gezamenlijk hebben besloten tot einde interventie (hierna: de einde interventieverklaring).

3 Beoordeling

3.1

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de door Eigen Haard ingestelde vordering tot ontruiming toegewezen. De woning is inmiddels ontruimd. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering komt [appellant] op met vier grieven.

3.2

Alvorens de grieven te behandelen, stelt het hof vast dat [appellant] voor het eerst in dit hoger beroep een reconventionele vordering instelt, die ertoe strekt dat Eigen Haard de door [appellant] ontruimde woning weer aan hem ter beschikking stelt en hem een voorschot op schadevergoeding van € 1.000,-- betaalt. Op grond van artikel 353 lid 1 Rv kan in hoger beroep niet voor het eerst een eis in reconventie worden ingesteld.

3.2.1

Het hof vat het eerste onderdeel van de vordering echter niet op als een reconventionele vordering doch als een vordering die in geval van een eventuele vernietiging strekt tot ongedaanmaking van hetgeen Eigen Haard ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft verricht, zodat [appellant] hierin kan worden ontvangen. Of deze vordering tot resultaat leidt, zal bij de hierna te bepreken grieven aan de orde komen.

De vordering tot betaling van een voorschot stuit wel af op het bepaalde in artikel 353 Rv en leidt in zoverre tot niet-ontvankelijkheid van [appellant].

3.3

Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant] door zijn gedrag niet aan te passen na op dat gedrag door omwonenden en andere instanties te zijn aangesproken, zijn morele verplichtingen jegens zijn buren en zijn contractuele verplichting jegens Eigen Haard heeft geschonden. Volgens [appellant] is hij nooit door buren aangesproken op vermeende overlast. Dat dit wel het geval is, blijkt niet uit de anonieme verklaringen. Ook (de niet anonieme) klager [C] verklaart niet dat hij [appellant] heeft aangesproken en weet niet zeker uit welke woning de aanloop komt. Er zijn dus geen duidelijk aantoonbare voorbeelden waaruit blijkt dat en hoe [appellant] op zijn gedrag zou zijn aangesproken en hoe hij daarop zou hebben gereageerd, aldus [appellant]. Uit verschillende verklaringen van buren is op te maken dat [appellant] juist beleefd en vriendelijk overkomt. Zijn opvliegend gedrag jegens de politie vindt zijn oorzaak in de discriminatoire houding van de politie jegens hem, terwijl er geen normaal contact is met de buurtregisseur. [appellant] leest in het hele dossier van Eigen Haard van meet af aan een bevooroordeeldheid van de wijkbeheerder, de politie en de overlastmedewerkers van Eigen Haard. Ondanks het verweer van [appellant] neemt de voorzieningenrechter alle suggesties als bewijs aan, aldus nog steeds [appellant].

3.3.1

Het hof stelt voorop dat het in deze kortgedingprocedure erom gaat of Eigen Haard

voldoende aannemelijk heeft gemaakt (en niet: heeft bewezen) dat [appellant] heeft gehandeld in strijd met zijn contractuele verplichting zich als goed huurder te gedragen en zich te onthouden van het veroorzaken van overlast of hinder aan omwonenden. Naar het voorlopig oordeel van het hof is Eigen Haard hierin geslaagd. Eigen Haard heeft met stukken

onderbouwd dat zes omwonenden (waarvan vier anoniem, door middel van een verklaring bij de notaris) al dan niet veelvuldig hebben geklaagd bij zowel Eigen Haard als het Meldpunt Zorg en Overlast (Oost) over overlast van [appellant] en dat [appellant], aangesproken op de overlast, agressief gedrag vertoont tegenover omwonenden, de medewerkster van de GGD, de buurtregisseur, de receptioniste en de wijkbeheerder van Eigen Haard. Ook blijkt uit de hiervoor weergegeven feiten (rov 2.1.6 en 2.1.7) dat [appellant] niet thuis was en/of niet op uitnodigingen van Eigen Haard is verschenen om de overlastklachten te bespreken. Het hof hecht tevens betekenis aan het feit dat het Meldpunt Zorg en Overlast in augustus 2014 een einde interventieverklaring heeft afgegeven, hetgeen - zoals de voorzieningenrechter op goede gronden heeft overwogen - een belangrijke aanwijzing vormt dat er in der minne alles aan is gedaan om de overlast weg te nemen. Aldus heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat [appellant] door zijn gedrag niet aan te passen na op dat gedrag door omwonenden en andere instanties te zijn aangesproken, zijn uit de regels van het maatschappelijk verkeer voortvloeiende verplichtingen jegens zijn buren en zijn contractuele verplichting jegens Eigen Haard heeft geschonden.

De door [appellant] overgelegde verklaringen van een viertal buren dat zij geen overlast van hem ondervinden, de verklaring van broer [D] [appellant], de gezamenlijke verklaring van de zuster en ouders van [appellant] en de toelichting van een medewerker van WerkZorg leggen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. Twee van de vier verklaringen van buren zijn tot stand gekomen naar aanleiding van een vragenlijst van broer [D], waarin melding wordt gemaakt van de rechtszaak op 30 oktober 2014, terwijl de andere verklaringen niet zijn gedateerd. [D], de overige familieleden van [appellant] en [E] van WerkZorg geven met hun verklaringen weliswaar inzicht in de persoon van [appellant] maar deze verklaringen doen, mede in aanmerking genomen dat de betrokkenen geen van allen omwonenden van [appellant] zijn, niet af aan de aannemelijkheid van de door Eigen Haard gestelde overlast. De grief faalt.

3.4

Met grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat [appellant] vanwege het structureel veroorzaken van overlast dermate ernstig is tekortgeschoten in zijn contractuele verplichtingen dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De voorzieningenrechter had op grond van de vermeende klachten van Eigen Haard en het verweer hiertegen van [appellant] niet tot een dermate verstrekkende conclusie mogen komen, aldus [appellant].

3.4.1

Onder verwijzing naar het onder 3.3.1 overwogene is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat [appellant] dermate ernstig is tekortgeschoten in zijn contractuele verplichtingen zich als goed huurder te gedragen en zich te onthouden van het veroorzaken van overlast of hinder aan omwonenden dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Ook in hoger beroep heeft [appellant] geen stukken in het geding gebracht of anderszins nieuwe argumenten aangevoerd die het hof tot een ander voorlopig oordeel zouden moeten brengen. De grief moet worden verworpen.

3.5

Met grief 3 betoogt [appellant] dat het recht op een eerlijke procesgang en fundamentele rechtsbeginselen - het verdedigingsbeginsel, het onpartijdigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel - zijn geschonden. Tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg

heeft de voorzieningenrechter wel alle door Eigen Haard meegebrachte getuigen het woord gegeven maar niet de door [appellant] meegebrachte broer [D]. [D] had een goed

beeld kunnen schetsen van zijn broer, terwijl hij ook contact heeft gehad met andere buren die menen dat er niets aan de hand is en geen klachten over [appellant] hebben. Voorts zijn de

persoonlijke omstandigheden van [appellant] buiten beschouwing gelaten. Zijn ziektebeeld verklaart een groot deel van zijn gedrag, aldus [appellant].

3.5.1

Wat er zij van de klacht van [appellant] dat de voorzieningenrechter de hiervoor genoemde rechtsbeginselen heeft geschonden, deze kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. [appellant] gaat daarmee voorbij aan de herstelfunctie van het hoger beroep dat dient tot herstel van fouten of verzuimen in het geding in eerste aanleg, zodat [appellant] in hoger beroep opnieuw de gelegenheid heeft gehad het hof een verklaring van broer [D] te verstrekken, welke gelegenheid hij niet heeft benut.

Aangezien [appellant] ook in hoger beroep niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd waaruit zijn ziektebeeld bestaat en in hoeverre zijn agressieve gedrag hierdoor kan worden verklaard, kan reeds om die reden worden voorbijgegaan aan zijn persoonlijke omstandigheden. De grief faalt.

3.6

Grief 4 is gericht tegen de toewijzing van de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad.

Ondanks het feit dat [appellant] hoger beroep heeft aangekondigd, heeft Eigen Haard niet ingestemd met een aanhouding van de ontruiming, met als gevolg dat [appellant] inmiddels al twee maanden dakloos is. De voorzieningenrechter heeft het vonnis zonder nadere motivering uitvoerbaar bij voorraad verklaard, terwijl dit een uitzonderlijke maatregel is die afwijkt van de algemene regel dat het hoger beroep tegen een eindvonnis de tenuitvoerlegging ervan schorst, aldus [appellant].

3.6.1

[appellant] gaat met deze grief voorbij aan het karakter van het kort geding als hier aan de orde. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis behoort tot de essentie van een voorlopige voorziening, die de voorzieningenrechter zelfs ambtshalve kan toepassen. In deze zaak, waarin Eigen Haard ontruiming binnen 48 uur had gevorderd, heeft de voorzieningenrechter een ontruimingstermijn van acht dagen redelijk geacht. Ook deze grief heeft geen succes.

3.7

De conclusie is dat de grieven falen en het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. De in beroep ingestelde vordering tot het weer ter beschikking stellen van de woning aan [appellant] zal derhalve worden afgewezen. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot betaling van een voorschot op schadevergoeding;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Eigen Haard begroot op € 704,-- aan verschotten en € 894,-- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, R.J.M. Smit en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2015.