Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2165

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2015
Datum publicatie
05-06-2015
Zaaknummer
23-000888-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

medeplegen diefstal met geweld. Uit de beschreven feiten en omstandigheden volgt duidelijk dat de verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de overval, zodat het bestanddeel tezamen en in vereniging bewezen wordt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000888-14

datum uitspraak: 22 mei 2015

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 februari 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-743614-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 november 2013 te Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 10.000 Euro en/of een of meer (auto)sleutels(s), in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of heeft/hebben gericht gehouden en/of pepperspray, althans een bijtende stof, in het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben gespoten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewijsconstructie dan de door de eerste rechter gebezigde.

Bewijsoverweging

Uit de verklaringen van aangever en de medeverdachten blijkt dat de tenlastegelegde diefstal met geweld is gepleegd door vier personen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte ontkend dat hij de vierde persoon is geweest die betrokken was bij de overval op het slachtoffer [slachtoffer]. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de gemachtigd raadsvrouw van de verdachte namens hem naar voren gebracht dat hij dit standpunt in hoger beroep niet wenst te handhaven. Dit brengt mee dat het hof – met de rechtbank – als vaststaand aanneemt dat de verdachte als vierde persoon, door de medeverdachten aangeduid als [medeverdachte 1] of [medeverdachte 1], op 15 november 2013 bij de overval aanwezig is geweest. Dat de verdachte deze vierde persoon was, volgt uit de bewijsmiddelen.

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit, daartoe stellende dat de gedragingen van de verdachte geen medeplegen opleveren. Verdachte was niet op de hoogte van het plan om het slachtoffer van zijn geld te beroven zodat zijn opzet ontbreekt ten aanzien van het tenlastegelegde grondfeit en ten aanzien van de samenwerking met de medeverdachten.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast. Het slachtoffer [slachtoffer] had het voornemen om een vuurwapen aan te schaffen en had hiertoe medeverdachte [medeverdachte 2] benaderd. [medeverdachte 2] nam hierop contact op met de verdachte en er werd bij het winkelcentrum de Mare te Alkmaar afgesproken om een vuurwapen te leveren. De verdachte was ervan op de hoogte dat het slachtoffer [slachtoffer] € 10.000 bij zich had. Vervolgens werd door de verdachte, medeverdachten [medeverdachte 2] en diens broer [broer medeverdachte 2] besloten om naar een afgelegen plek, te weten [plaatsnaam], te rijden waar de overdracht van het wapen zou plaatsvinden. Aangekomen op de parkeerplaats te [plaatsnaam] ontstond onenigheid over de prijs van het vuurwapen. [medeverdachte 2] en verdachte liepen van de auto weg en spraken met elkaar. Het slachtoffer ving flarden van het gesprek op en hoorde dat de overval op hem werd besproken. Zo hoorde hij onder andere: “En anders schieten we hem door zijn kop”. Hij had toen direct door dat dit op hem betrekking had. Hierop vroeg [medeverdachte 2] aan het slachtoffer om zijn geld te laten zien.

Uit de verklaring van getuige [getuige] bij de raadsheer-commissaris blijkt dat de verdachte een aanzienlijk aandeel had tijdens de uitvoering van de overval. De verdachte heeft het slachtoffer bespoten met pepperspray, hem een pistool op het hoofd gezet en de enveloppe met geld uit zijn handen gepakt. Het slachtoffer heeft gezien dat het geld op de grond viel en hij zag de verdachte en medeverdachte [getuige] graaien naar het geld.

Uit de zojuist beschreven feiten en omstandigheden volgt duidelijk dat de verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de overval, zodat het bestanddeel tezamen en in vereniging bewezen wordt geacht.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 november 2013 in de gemeente Langedijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en sleutels, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededaders een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] hebben gericht en pepperspray in het gezicht van die [slachtoffer] hebben gespoten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval, waarbij gebruik is gemaakt van een vuurwapen en van pepperspray en waarbij een aanzienlijk bedrag aan geld is buitgemaakt. Aan deze overval heeft de verdachte een substantiële bijdrage geleverd door te zorgen voor het wapen en het kiezen van de afgelegen plaats waar het delict in alle rust kon worden gepleegd. Uit de verklaring van het slachtoffer is gebleken dat hij nog steeds last heeft van de gevolgen van de overval. De ernst van het feit maakt dat hierop niet anders kan worden gereageerd dan door het opleggen van een gevangenisstraf. Het hof zal een gedeelte van deze straf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 1 mei 2015 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.565,43. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 556,67. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw – beperkt – gevoegd. Uit de vordering van de benadeelde partij omtrent de schade aan de auto blijkt dat deze beperkt is tot de vervanging van de deurpanelen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 556,67. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering met betrekking tot de materiële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu zonder nader onderzoek niet is vast te stellen hoeveel geld de benadeelde partij op de pleegdatum bij zich had. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering met betrekking tot de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu niet duidelijk is wat het aandeel is geweest van de benadeelde partij in het ontstaan van de situatie voorafgaand aan de overval. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 551,22 (vijfhonderdeenenvijftig euro en tweeëntwintig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 551,22 (vijfhonderdeenenvijftig euro en tweeëntwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. R.A.F. Gerding en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van O.F. Qane, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 mei 2015.

Mr. M. Gonggrijp-van Mourik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[..]