Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2148

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
05-06-2015
Zaaknummer
200.169.179-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Ontruiming wegens overlast in spoed kort geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.169.179/01 SKG

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/582694 / KG ZA 15-271

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 juni 2015

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat mr. L.E. Toet te Utrecht,

tegen

de stichting STICHTING YMERE,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat rnr. H.M.G. Brunklaus te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Ymere genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 20 april 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 3 april 2015, dat onder bovenvermeld zaak- en rolnummer is gewezen tussen Ymere als eiseres en (onder anderen) [appellante] als gedaagde. [appellante] heeft overeenkomstig de dagvaarding van grieven gediend en producties overgelegd. [appellante] heeft daarbij verzocht om behandeling van de zaak als turbo spoedappel, welk verzoek is gehonoreerd.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 12 mei 2015 doen bepleiten, [appellante] door mr. Toet voornoemd en Ymere door mr. Brunklaus voornoemd, laatstgenoemde aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellante] heeft nog één productie in het geding gebracht (een handtekeningenlijst).

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - primair Ymere niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering tot, kort gezegd, ontruiming van [appellante] uit de door haar van Ymere gehuurde woning, subsidiair [appellante] een terme de grace zal verlenen voor de duur van zes maanden dan wel een door het hof te bepalen termijn, en meer subsidiair de termijn voor de ontruiming zal bepalen op zes maanden na betekening van het in deze te wijzen arrest dan wel een door het hof te bepalen termijn, een en ander met beslissing over de proceskosten.

Ymere heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

2 Feiten

2.1.

Met ingang van 14 april 2010 verhuurt Ymere de woning aan de [adres 1]

te [woonplaats] (hierna ook: de woning) aan [appellante]. Op grond van artikel 5.11 van de op de huurovereenkomst van toepassing verklaarde Algemene Huurvoorwaarden is het [appellante] niet toegestaan om overlast aan omwonenden te veroorzaken.

2.2.

Op 25 oktober 2011 heeft […] (hierna: [A]), de onderbuurvrouw

van [appellante], bij de politie aangifte van mishandeling tegen [appellante] gedaan. In het proces-verbaal staat onder meer:

“(...) Wel heb ik al sinds dat zij ([appellante], hof) boven mij woont veel geluidsoverlast. Deze overlast bestaat voornamelijk uit geluiden die klinken als gebonk en gestamp. Boven […] ([appellante], hof) woont nog een vrouw, op de derde verdieping. Zij geeft bij mij aan dat ze heel erg veel overlast ondervind aan […], naast het gebonk ook van het geblaf van haar hond en wietlucht. (...) (O)ngeveer zes weken geleden (…) liep ik samen met de bovenbuurvrouw (…) naar de tweede verdieping en daar hebben wij aangeklopt bij […]. Ze deed open (…) Vervolgens gaf ik aan dat ik de week ervoor veel overlast van haar had ondervonden. Ik zei dat we dat de week ervoor ook hadden afgesproken maar dat het niet minder was geworden. Hierop reageerde zij plotseling heel boos en agressief. Ze (...) sloeg meerdere keren de deur boos dicht. (...) Vervolgens zei ik dat ik het niet gek vond dat ze in het verleden uit zo veel woning was gezet door de woningbouw. Toen rende ze achter me aan en ik rende naar beneden. Ik rende langs mijn eigen voordeur naar beneden. Zij kwam achter mij aan tot halverwege de trap. (...) Op zondagavond 23 oktober 2011 (...) was ik in mijn woning (...). Ik hoorde een hoop herrie op de trap (...) Ik had de week daarvoor veel overlast gehad van […] (...) Ik wachtte tot ze boven waren en (…) heb toen van onderaan de trap gevraagd of het in de loop van de avond wat zachter zou kunnen. Toen antwoorde […]: ‘O, heb je haar weer (...)’. (…) Ze ging toen erg tekeer op de overloop. Ze stond te springen en stampen. Ze riep toen: ‘Hoor je me?!’ (...) Ze liep naar binnen en belde volgens mij de politie (...). Ik ging mijn woning weer binnen en wilde ook de politie bellen omdat ik aan zag komen dat ze naar mijn woning zou komen en dat de zaak zou escaleren. (...) Ik ben daarom uit mijn woning gelopen en heb voor de deur, op straat de politie gebeld. […] kwam toen naar beneden en begon op mijn deur te rammen. (...) Ze liep vervolgens naar de centrale toegangsdeur toe om deze dicht te doen, omdat hij openstond. Ze zag toen dat ik op de stoep voor het pand stond. Ze ramde de centrale toegangsdeur toen dicht. Ik zei: ‘Doe even normaal!’ Ik opende de deur met mijn sleutel. Ze trok de deur verder open en viel mij aan. Ze kwam met een stap op mij af en sloeg met haar rechterhand. (...) Ik bracht mij linkerarm naar boven om de klap af te weren. (...) Daarna is er nog wat duw en trekwerk geweest. (...)”

2.3.

Op 11 november 2011 heeft [A] opnieuw bij de politie aangifte van

mishandeling tegen [appellante] gedaan. Het proces-verbaal vermeldt hierover:

“(...) Op 9 november 2011 ging ik in mijn pauze naar huis om de post te ontvangen. (...) De

buurvouw, [appellante], kwam de trap af en ik liep door de deuropening.

Door het smalste gedeelte waar ik doorliep, probeerde de buurvrouw in haar volle breedte langs me te lopen en duwde mij daarbij kennelijk opzettelijk en met kracht tegen de muur aan. Door de duw kwam ik klem te zitten tussen de buurvrouw en de muur, zij is een forse dame. Ik voelde pijn in mijn rechterschouder en ik gaf een schreeuw van de pijn maar ook van de schrik. Ik kon niets doen, ik zat helemaal klem, ik zag dat[appellante] mij met haar rechterhand sloeg. (...)”

2.4.

In januari 2012 heeft Ymere een door de (toenmalige) bewoonster van [adres 1]

(de bovenbuurvrouw van [appellante]) bijgehouden logboek ontvangen, met daarin bijgehouden de door haar van [appellante] ondervonden overlast.

2.5.

Bij brief van 10 januari 2012 met als onderwerp ‘’Overlast, laatste

waarschuwing” heeft Ymere [appellante] dringend verzocht de overlast direct te staken en geschreven dat als de overlast aanhoudt, Ymere gerechtelijke stappen zal ondernemen om tot beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning te komen. Ymere heeft in deze brief tevens aangegeven dat het, als het tot een gerechtelijke ontruiming komt, voor [appellante] lastig zal worden om via WoningNet aan een nieuwe woning te komen.

2.6.

Op 27 februari 2012 is op initiatief van Ymere een gesprek over de overlast

gevoerd tussen [appellante], de buurtregisseur en de toenmalige consulent gebiedsbeheer van Ymere. In dat gesprek zijn met [appellante] afspraken gemaakt ten einde de overlast te beëindigen.

2.7.

Bij aangetekende brief van 30 maart 2012 met wederom als onderwerp

“Overlast, laatste waarschuwing” heeft Ymere [appellante] nogmaals

gesommeerd de overlast te staken. Volgens deze brief heeft [appellante] aan Ymere heeft toegezegd een afspraak met Beter Buren te zullen maken en Ymere van de ontwikkelingen en afspraken met Beter Buren op de hoogte te zullen houden. In de sommatiebrief staat verder, voor zover hier van belang:

“Afspraken naar aanleiding van het overlastgesprek

(...)

U heeft aangegeven persoonlijk uw excuses in de vorm van een brief naar uw bovenbuurvrouw te versturen, omdat u haar ten onrechte had beschuldigd van geluidsoverlast. De overlast bleek namelijk elders vandaan (...) te komen. (...)

Op donderdag 9 februari 2012 stond er een afspraak met u ingepland voor de vloerinspectie. U heeft deze afspraak afgezegd en wij hebben elkaar telefonisch gesproken. U gaf aan nog geen excuusbrief te hebben verstuurd aan uw buurvrouw en dit gezien haar houding ook niet meer van plan was. Uw toon veranderde en u begon op een voor mij onaangename manier tegen mij te spreken. U begon luid te praten en te schelden en verbrak het telefoongesprek abrupt.”

2.8.

In oktober 2012 is de bewoonster van de woning op de derde verdieping

verhuisd. Zij had (zie onder 2.4) bij herhaling bij Ymere geklaagd over door [appellante] veroorzaakte overlast, bestaande uit gestamp en gebonk en agressief gedrag. Na haar vertrek heeft [B] de woning boven die van [appellante] betrokken.

2.9.

Op 29 juli 2014 heeft [A] een e-mail aan Ymere gestuurd, waarin voor

zover van belang staat:

“(...) Anderhalf jaar geleden ben ik gestopt om bij Ymere de klachten door te geven of de politie te bellen omdat [appellante] mij had gedreigd en gechanteerd om, als ik dat zou doen, zij valse aangiftes tegen mij zou doen “zodat ik mijn VOG wel kon vergeten”; ik werkte toentertijd in de kinderopvang. (...)

Nu, anderhalf jaar later, na haar angstvallig vermeden te hebben en alle overlast te hebben geaccepteerd, heeft [appellante] mij vrijdag weer proberen aan te vallen en heb ik de politie gebeld. Ik kwam thuis van boodschappen en de dochter (7 jaar) van [appellante] kwam net naar buiten, deed de deur dicht en liep weg. Ik opende de deur en sloot deze weer achter mij. Op twee hoog begon haar moeder te schreeuwen en te schelden dat ik de deur voor haar dochter had dichtgesmeten. Dit weerlegde ik en vluchtte mijn woning in om de politie te bellen want ik wist dat ze naar me toe zou komen. En dit deed ze dan ook. Ze begon tegen mijn deur te bonken en dreigde haar vriend wel even voor me te bellen. (...)”

2.10.

In een e-mail van [A] aan Ymere van 31 oktober 2014 staat onder meer:

“Vanavond was er inderdaad een zeer heftige ruzie/gevecht tussen [appellante]

en haar vriend, waar 6 politiemensen op af waren gekomen. (...)”

2.11.

Diezelfde dag heeft [B] aan Ymere een e-mail geschreven met, voor

zover hier van belang, de volgende inhoud:

“Ik heb bij een eerdere ruzie tussen [appellante] en haar vriend en waar de politie voor is

gebeld een melding gemaakt bij de buurtregisseur dhr. [C] over [appellante]. Bij dit incident waarbij een krat bier over het trappenhuis is gegooid en is geschreeuw en een handgemeen was ben ik naar beneden gegaan om te kijken. Haar vriend viel toen tegen mij uit en gedroeg zich vrij agressief. Mijn dochter heeft mij toen weggetrokken. Na dit incident voelt mijn dochter (...) die bij mij woont zich niet veilig meer in huis en in het trappenhuis. Mijn jongste dochter die bij mijn ex woont voelt zich ook niet echt op haar gemak en komt hierdoor minder bij mij op bezoek. (...)”

2.12.

In een e-mail van de inwonende dochter van [B], [D], aan Ymere van

31 oktober 2014 staat de volgende passage:

“(...) Ook vandaag - 31/10 - omstreeks 19:00 uur is er een incident geweest. De buurvrouw van [adres 1] ([appellante]; hof) heeft opnieuw slaande ruzie gehad met haar vriend en haar kind stond er opnieuw hartverscheurend bij te gillen. Meerdere buurtbewoners (...) hebben de politie gebeld en die was zeer snel ter plaatse. De vriend van de buurvrouw van [adres 1] is meegenomen naar het politiebureau. (...) Ik durf niet goed door het trappenhuis omdat er vaak vreemde mannen zijn die iets komen afleveren bij de buurvrouw van [adres 1]. Ook ben ik bang om de vriend van mevrouw tegen het lijf te lopen. Ik heb meerdere keren gezien hoe agressief hij kan zijn en ben getuige geweest van hoe hij bij het vorige incident bijna mijn vader aanvloog toen mijn vader polshoogte ging nemen in het trappenhuis. (...) Ook heb ik erg last van de wietlucht die vanuit de woning onder ons door de vloer onze woning binnentrekt. (...)”

2.13.

Bij brief van 3 november 2014 heeft Ymere [appellante] nogmaals gesommeerd

de overlast per direct te staken.

2.14.

Op 18 december 2014 heeft [A] per e-mail aan Ymere geschreven:

“(...) Ik ging snel naar mijn woning en toen [appellante] daarna de voordeur binnenkwam kreeg ik een hele lading scheldwoorden naar mijn voordeur geslingerd terwijl ze voor mijn kijkgaatje bleef staan met een woedende uitdrukking op haar gezicht. Eenmaal in haar woning is ze zo hard gaan stampen dat mijn lampen aan mijn plafond aan en uit begonnen te knipperen. (...)”

2.15.

Op 2 februari 2015 is er in het pand een ruzie geweest tussen [appellante] en

haar toenmalige partner, waarbij het dochtertje van deze partner, van drie à vier jaar oud, van de (gemeenschappelijke) trap is gevallen.

2.16.

Bij aangetekende brief van 20 februari 2015 heeft Ymere [appellante] voor de

vierde en laatste maal gesommeerd de overlast te beëindigen, bij gebreke waarvan rechtsmaatregelen zijn aangekondigd.

2.17.

Op 22 februari 2015 heeft Ymere meldingen van [A] en [B] ontvangen

dat [E] (de ex-man van [appellante] en de vader van haar dochter) weer bij haar is ingetrokken en dat de overlast als gevolg daarvan weer is toegenomen.

2.18.

Op 25 februari 2015 heeft Ymere een melding ontvangen van agressief gedrag

van [appellante] gericht tegen een bewoner van het pand en haar hondje.

2.19.

Op 27 februari 2015 heeft Ymere een melding van [A] ontvangen van

onder meer geluidsoverlast (gestamp) door [appellante] veroorzaakt.

2.20.

Op 10 maart 2015 heeft het Meldpunt Zorg en Overlast van het stadsdeel zuid

Amsterdam, met betrekking tot de overlast waarvoor [appellante] verantwoordelijk wordt gesteld, een Einde Interventie verklaring afgegeven.

2.21.

In een mutatieoverzicht van de politie, opgesteld op 11 maart 2015, staat onder

meer het volgende:

“21 december 2014 (...)

[…] (een zekere [F]; hof) vertelde over een mishandeling die de avond van 21 december 2014 had plaatsgevonden. […] was aan het zoeken naar een parkeerplek bij haar in de buurt ([naam buurt]). Plotseling hoorde ze gebonk op haar auto, toen zij naar de linkerkant van de straat keek zag ze daar haar buurvrouw, [appellante] staan. […] hoorde [appellante] schreeuwen. […] opende haar autoraam. Het gesprek was vooral eenzijdig, [appellante] bleef schreeuwen en schelden en al snel drukte zij opzettelijk haar sigaret uit in het gezicht van […]. (...)”

2.22.

Op 19 maart 2015 heeft de gezinsmanager van Jeugd Bescherming Regio

Amsterdam (hierna: JBRA), die betrokken is bij de dochter van [appellante], een

e-mail aan het Meldpunt Zorg en Overlast gestuurd waarin zij schrijft, zakelijk, dat een ontruiming haaks staat op het hulpverleningstraject van JBRA. Volgens deze e-mail zijn op 1 november 2014 en 1 februari 2015 huisverboden opgelegd aan de (inmiddels) ex-partners van [appellante].

2.23.

Diezelfde dag heeft [E] een e-mail aan Ymere geschreven waarin hij

erkent dat er een aantal keren overlast is geweest omdat hij tijdens een meningsverschil met [appellante] “nogal luidruchtig tekeer” is gegaan.

2.24.

Aan het verzoek van Ymere om de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen,

heeft [appellante] niet voldaan.

3 Beoordeling

3.1.

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, samengevat en voor

zover van belang, [appellante] veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen een maand na betekening van het vonnis, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op.

3.2.

Met grief 1 bestrijdt [appellante] dat Ymere spoedeisend belang heeft bij de

ontruiming van de woning omdat na de ontvangst van de brief van Ymere van 20 februari 2015 geen sprake is geweest van (overmatige) geluidsoverlast.

3.3.

Ymere heeft [appellante] bij brieven van 10 januari 2012, 30 maart 2012,

3 november 2014 en 20 februari 2015 gesommeerd de overlast te beëindigen. Daarna heeft Ymere nog vier meldingen van overlast ontvangen (twee meldingen op 22 februari 2015 en een op 25 en 27 februari 2015) en is door het Meldpunt Zorg en Overlast op 10 maart 2015 een Einde Interventie verklaring afgegeven. Daarmee is het spoedeisend belang van Ymere gegeven. De grief faalt derhalve.

3.4.

Met grief 2 bestrijdt [appellante] het oordeel van de voorzieningenrechter dat

voldoende aannemelijk is dat [appellante] structureel ernstige overlast heeft veroorzaakt, waardoor evenzeer aannemelijk is dat zij haar verplichtingen jegens Ymere op zo ernstige wijze heeft geschonden dat dit ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

3.5.

Ymere heeft aan haar vordering tot ontruiming onder meer een aantal klachten

en aangiften bij de politie van buurtbewoners van [appellante] ten grondslag gelegd. [appellante] heeft aangevoerd dat deze klachten voornamelijk van dezelfde persoon afkomstig zijn, haar onderbuurvrouw [A], waarmee zij, [appellante], al jarenlang ruzie heeft. Op de klachten en aangiften van [A] mag daarom niet klakkeloos worden afgegaan. [appellante] betwist dat zij [A] heeft bedreigd en mishandeld. Navraag bij de politie heeft geleerd dat een van de twee zaken waarin [A] aangifte tegen [appellante] heeft gedaan, is geseponeerd en dat [appellante] in de andere zaak niet als verdachte is aangemerkt, aldus steeds [appellante].

3.6.

Wat er zij van het geschil tussen [A] en [appellante], voldoende

aannemelijk is dat naast de klachten van [A] ook klachten zijn ingediend door andere directe buren van [appellante], namelijk de voormalige bovenbuurvrouw en de huidige bovenbuurman [B] en zijn dochter. [appellante] heeft wel gesteld dat deze klachten (ook) niet serieus te nemen zijn, maar die stelling heeft zij niet voldoende handen en voeten gegeven. [appellante] heeft kennelijk zelf ook onderkend dat sprake was van overlast, gezien de inhoud van de brief van Ymere van 30 maart 2012 waarin staat dat [appellante] naar aanleiding van het gesprek tussen haar en Ymere over de overlast op 20 januari 2012 heeft toegezegd een afspraak met Beter Buren te zullen maken en Ymere van de ontwikkelingen en afspraken met Beter Buren op de hoogte te zullen houden. Niet gesteld of aannemelijk geworden is dat [appellante] op enig moment de juistheid van de inhoud van die brief tegenover Ymere heeft betwist. Daarnaast zijn er, anders dan [appellante] betoogt, voldoende aanwijzingen dat zij onberekenbaar en agressief gedrag vertoont. Uit voornoemde brief van 30 maart 2012 blijkt dat [appellante] de schrijver van de brief, de toenmalige consulent gebiedsbeheer, heeft uitgescholden. Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat herhaaldelijk sprake is geweest van huiselijk geweld tussen [appellante] en haar beide ex-partners, en dat naar aanleiding daarvan aan deze beide ex-partners een huisverbod is opgelegd door de burgemeester. Als dieptepunt heeft de ruzie op 2 februari 2015 te gelden, waarbij een klein kind van de trap is gevallen en de tussenkomst van de politie noodzakelijk was. Gezien het voorgaande is niet aannemelijk dat dit slechts incidenten betroffen die de medebewoners van [appellante] niet of nauwelijks overlast hebben bezorgd, zoals [appellante] heeft gesteld. De omstandigheid dat beide affectieve relaties volgens [appellante] inmiddels zijn beëindigd, maakt het voorgaande niet anders. Tot slot kan niet onvermeld blijven dat een buurtbewoonster bij de politie heeft gemeld dat [appellante] opzettelijk een peuk in haar gezicht heeft uitgedrukt, hetgeen [appellante] in hoger beroep niet heeft betwist. Op grond van het vorenstaande is voldoende aannemelijk geworden dat [appellante] structureel ernstige overlast heeft veroorzaakt en dat zij (derhalve) haar verplichtingen jegens Ymere op zo ernstige wijze heeft geschonden dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat deze wanprestatie van [appellante] de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Gelet op het voorgaande kunnen de door [appellante] overgelegde verklaringen van haar familieleden en vrienden, die ertoe strekken dat [appellante] geen overlast veroorzaakt en dat juist [A] een bron van overlast is en [appellante] provoceert, niet tot een ander oordeel leiden. [appellante] heeft ook een verklaring van [G], de bewoner van [adres 2], overgelegd. [G] is echter geen directe buurman van [appellante] en zijn woning komt ook niet uit op het gezamenlijke trappenhuis, alwaar de meeste gebeurtenissen die tot klachten hebben geleid, hebben plaatsgevonden. Om die reden is ook de verklaring van [G] onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden. Ditzelfde geldt voor de door [appellante] overgelegde lijst met handtekeningen van buurtbewoners, nog daargelaten dat de juistheid daarvan niet kan worden geverifieerd. Al het voorgaande brengt met zich dat grief 2 faalt.

3.7.

[appellante] heeft voorts in grief 3 het oordeel van de voorzieningenrechter

bestreden dat niet aannemelijk is dat er nog alternatieven zijn voor ontruiming.

3.8.

Vast staat dat Ymere [appellante] vanaf 2012 meerdere keren, in ieder geval bij

de in 3.3 genoemde sommatiebrieven, heeft gewaarschuwd dat zij, als zij de overlast niet zou staken, rekening moest houden met ontruiming. Ymere heeft ook tevergeefs aangestuurd op het doorlopen van een traject via Beter Buren en het Meldpunt Zorg en Overlast. [appellante] heeft desondanks kennelijk onvoldoende inzet getoond om een einde te maken aan het veroorzaken van overlast. Bij deze stand van zaken is er, gelet op de belangen van haar directe omwonenden, geen alternatief voor de ontruiming van de woning door [appellante].

3.9.

In grief 4 heeft [appellante] ten slotte betoogd dat het belang van [appellante]

en haar dochter bij afwijzing van het door Ymere gevorderde zwaarder weegt dan het belang dat Ymere heeft bij de ontruiming van de woning.

3.10.

Vast staat dat de dochter van [appellante] bij haar vader verblijft. De

omstandigheid dat [appellante] het gezag heeft en niet de vader, en dat door JBRA wordt aangestuurd op hereniging van de dochter met [appellante], doet daar niet aan af. Gezien de structurele overlast die is veroorzaakt gedurende een langere periode, en gezien de omstandigheid dat [appellante] tot nu toe kennelijk onvoldoende inzet heeft getoond de door haar veroorzaakte overlast te beëindigen, weegt het belang bij de gevorderde ontruiming van Ymere, die tevens als goed verhuurder het rustig genot van de overige huurders aan de [adres 1] dient te waarborgen, zwaarder dan het belang van [appellante] bij afwijzing van het gevorderde. Dit betekent dat de gevorderde ontruiming terecht is toegewezen. Nu de tekortkoming van [appellante] het veroorzaken van overlast betreft - en derhalve een tekortkoming om niet te doen - ziet het hof geen grond om aan [appellante] een terme de grace in de zin van artikel 7:280 BW te verlenen. In het licht van voorgaande belangenafweging ziet het hof evenmin voldoende grond de ontruimingstermijn te verlengen, althans een ‘informele’ terme de grace te verlenen. Ook grief 4 faalt derhalve.

3.11.

De slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden

bekrachtigd. [appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover tussen partijen gewezen;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Ymere begroot op € 711,00 aan verschotten en € 2.682,00 voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Polak, R.J.M. Smit en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2015.