Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2137

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
05-06-2015
Zaaknummer
200.107.735-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding huurovereenkomst woonruimte. Huurder heeft zich niet gedragen zoals een goed huurder betaamt door, toen verhuurder in verband met de uitvoering van werkzaamheden door een loodgieter en een timmerman in het gehuurde aanwezig was, met een honkbalknuppel dreigende bewegingen naar verhuurder te maken. Het gestelde jarenlange onrecht disculpeerde huurder niet. Evenmin voldaan aan de verplichting van 7:220 lid 1 BW om verhuurder gelegenheid te geven dringende werkzaamheden aan het gehuurde uit te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.107.735/01

zaak-/rolnummer rechtbank: 489869/CV EXPL10-15339

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 juni 2015

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. L.F.M. Meles te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M. Velsink te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 2 mei 2012 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Haarlem, locatie Haarlem, (hierna: de kantonrechter), van 2 februari 2012 (hierna: het vonnis), onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, en [appellant] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie.

De partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

Ten slotte is arrest gevraagd.

Het hof zal de - vier - grieven met Romeinse nummers aanduiden.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het vonnis onder "De feiten", 1 tot en met 10, de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

2.2

Zij houden, voor zover thans van belang, en aangevuld met het verder nog over en weer onbestreden gestelde, het volgende in.

( a) [appellant] huurde van [geïntimeerde] woonruimte aan de [adres] te [woonplaats] met ingang van 1 april 1996.

( b) De overeengekomen huurprijs beliep laatstelijk € 302,38 per maand.

( c) Op het door [appellant] op 24 maart 2010 gedane verzoek en na inspectie van de woonruimte op 19 mei 2010 heeft de Huurcommissie op 3 september 2010 uitspraak gedaan en geoordeeld dat de woonruimte twee ernstige gebreken vertoont en op grond daarvan de huurprijs met ingang van 1 januari 2010 verlaagd tot € 151,44 per maand, tijdelijk, namelijk tot de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de gebreken zijn verholpen. Deze uitspraak is op 20 september 2010 verzonden.

( d) Op 18 oktober 2010 is [geïntimeerde] met zijn zoon, een loodgieter en een timmerman naar de woonruimte gegaan om herstelwerkzaamheden te verrichten. In de woning heeft [appellant] een honkbalknuppel gepakt en [geïntimeerde] gesommeerd de woning te verlaten.

( e) Naar aanleiding hiervan heeft [appellant] diezelfde dag bij de politie aangifte gedaan van huisvredebreuk door [geïntimeerde] en heeft deze laatste op zijn beurt op 21 oktober 2010 bij de politie aangifte gedaan van bedreiging door [appellant]. Blijkens het proces-verbaal van de eerstgenoemde aangifte heeft [appellant] toen onder meer verklaard dat hij op 18 oktober 2010 eerst de werklieden in zijn woning had binnengelaten en ineens zag dat ook [geïntimeerde] in die woning stond en foto's van hem maakte, wat hij niet wilde en ook kenbaar maakte aan [geïntimeerde]; dat hij [geïntimeerde] meermalen in de richting van de voordeur heeft gewezen en daarbij heeft gezegd dat [geïntimeerde] moest oprotten en de woning verlaten en daar niet welkom was; dat [geïntimeerde] niet wegging en dat hij hem toen een aantal keren in de richting van de voordeur heeft geduwd en vervolgens de honkbalknuppel heeft gepakt, daarmee probeerde indruk te maken op [geïntimeerde], wilde dat [geïntimeerde] bang van hem werd en dan wél de woning zou verlaten; dat hij alleen dreigende bewegingen in de richting van [geïntimeerde] heeft gemaakt en eindelijk indruk op [geïntimeerde] maakte want zag dat [geïntimeerde] schrok.

( f) [appellant] heeft ingevolge het bestreden vonnis het gehuurde ontruimd en maakt niet langer aanspraak op voortzetting van de huurovereenkomst.

3 Beoordeling

3.1

Bij inleidende dagvaarding, die op 5 november 2010 is uitgebracht, zoals nadien aangevuld, heeft [geïntimeerde] gevorderd, kort samengevat, ontbinding van de huurovereenkomst, veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde, vernietiging van de uitspraak van de Huurcommissie van 3 september 2010 en bepaling van de huurprijs per 1 januari 2009 op € 302,38 per maand (met subsidiaire vorderingen), met nevenvorderingen. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden, [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, de uitspraak van de Huurcommissie vernietigd en de huurprijs met ingang van 1 januari 2010 bepaald op € 302,38 per maand, [appellant] in de kosten verwezen, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.2

De vordering van [geïntimeerde] tot vernietiging van de uitspraak van de Huurcommissie en bepaling van de huurprijs op € 302,38 per maand (met subsidiaire vorderingen) is een vordering als bedoeld in artikel 7:262, lid 1, BW. Ingevolge lid 2 van dit artikel is tegen de beslissing van de kantonrechter op die vordering geen hogere voorziening toegelaten. [appellant] noemt - en het hof ziet - geen grond waarop niettemin hoger beroep voor hem openstaat. Dat brengt mee dat [appellant] in zoverre niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen en dat grief II, die gericht is tegen de voormelde beslissing van de kantonrechter op een vordering als bedoeld in artikel 7:262, lid 1, BW, buiten behandeling moet blijven.

3.3

De vorderingen van [appellant] in reconventie - die de kantonrechter heeft afgewezen - zijn in hoger beroep niet meer aan de orde, nu [appellant] heeft meegedeeld dat hij tegen het oordeel van de kantonrechter dienaangaande geen grief richt en geen belang meer heeft bij toewijzing van die vorderingen. Dat brengt mee dat [appellant] ook in zoverre niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.

3.4

Met de grieven I en III komt [appellant] op tegen de oordelen van de kantonrechter dat [appellant] zich niet als goed huurder heeft gedragen en dat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst daarom toewijsbaar was, en dat de overige stellingen en verweren geen bespreking behoefden.

3.5

De kantonrechter heeft haar oordeel dat [appellant] zich niet als goed huurder heeft gedragen, meer in het bijzonder gebaseerd op enerzijds het gedrag van [appellant] op 18 oktober 2010 en anderzijds zijn handelwijze na de comparitie van de partijen van 21 juli 2011.

3.6

[appellant] bestrijdt niet dat hij op 18 oktober 2010 een honkbalknuppel heeft gepakt toen [geïntimeerde], ingevolge een tevoren daartoe gemaakte afspraak, met een loodgieter en een timmerman in zijn woning was om reparaties uit te voeren, dat [appellant] toen dreigende bewegingen met die knuppel in de richting van [geïntimeerde] heeft gemaakt en wilde dat [geïntimeerde] bang van hem werd.

[appellant] betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met zowel de lange voorgeschiedenis als de omstandigheden van het incident. Het hof gaat in dit verband veronderstellenderwijs uit van de juistheid van [appellant] stellingen omtrent die voorgeschiedenis en die omstandigheden, hoewel zij op onderdelen zijn bestreden. Zij doen echter onvoldoende af aan de ernst van het gedrag van [appellant] tegen zijn verhuurder [geïntimeerde]. Het gestelde onrecht dat [appellant] in 2010 al jarenlang was aangedaan, rechtvaardigde of disculpeerde [appellant] geenszins ten aanzien van zijn gedrag.

3.7

Ook bestrijdt [appellant] niet dat - nadat de partijen ter comparitie hadden verklaard afspraken te zullen maken over de te verrichten onderhoudswerkzaamheden - [appellant] vier door [geïntimeerde] voorgestelde dagen voor het verrichten van die werkzaamheden heeft afgewezen, ten slotte ook een voor 1 september 2011 daartoe gemaakte afspraak heeft afgezegd en de zoon van [geïntimeerde], die niettemin op 1 september 2011 bij de woonruimte was verschenen, niet open heeft gedaan hoewel hij thuis was, hoorde dat de voordeurbel bij herhaling werd bediend en ook wist dat de zoon van [geïntimeerde] daar toen was gekomen, en dat hij aldus wederom niet heeft meegewerkt aan het laten uitvoeren van herstelwerkzaamheden.

[appellant] beweert dat hij op de vier door [geïntimeerde] voorgestelde dagen geen verlof van zijn werkgever mocht nemen, maar nu hij daarover in eerste aanleg slechts had gesteld dat genoemde data voor hem niet mogelijk waren, had het op zijn weg gelegen deze stelling te concretiseren en te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten, zodat de stelling ter zijde moet worden gelaten.

[appellant] voert aan, zo begrijpt het hof, dat hij de afspraak voor 1 september 2011 heeft afgezegd omdat [geïntimeerde] niet bereid bleek tevoren mee te delen welke werklieden zouden verschijnen. De door [appellant] genoemde redenen waarom hij tevoren wilde weten welke werklieden zouden verschijnen, vermag het hof niet aan te merken als voldoende zwaarwichtig om in de gegeven situatie - waarin de partijen gelet op het ter comparitie verhandelde in beginsel vóór 15 september 2011 tot een compromis dienden te komen - niet alleen de moeizaam tot stand gekomen afspraak voor 1 september 2011 alsnog op een laat moment af te zeggen, maar ook niet open te doen toen hij waarnam dat de zoon van [geïntimeerde] toch aan de deur was verschenen.

Het gewicht van de omstandigheid die [appellant] in dit verband aanvoert namelijk dat de loodgieter, de heer [A], over het incident van 18 oktober 2010 eerst leugenachtig maar daarna waarheidsgetrouw heeft verklaard, maakt [appellant] geenszins duidelijk.

De omstandigheid dat [geïntimeerde] eerst circa drie weken na de comparitie contact met [appellant] opnam voor het maken van een afspraak, is zonder betekenis, nu [appellant] niet aanvoert dat hij zelf al eerder heeft gepoogd contact op te nemen.

Het gedrag van [geïntimeerde], anders dan een goed verhuurder betaamt, en de gebreken die de Huurcommissie aanleiding gaven tot tijdelijke verlaging van de huurprijs, waarop [appellant] wijst, wegen niet op tegen de voormelde tekortkomingen aan de kant van [appellant].

3.8

Ook wanneer mede wordt gelet op alle omstandigheden die volgens het in hoger beroep gevoerde betoog van [appellant] moeten worden meegewogen, komt het hof niet tot andere oordelen dan de kantonrechter inzake het gedrag van [appellant] op 18 oktober 2010 en na 21 juli 2011. [appellant] heeft zich zowel op de eerstgenoemde dag als in de laatstgenoemde periode niet als goed huurder gedragen en niet voldaan aan zijn in artikel 7:220, lid 1, BW neergelegde wettelijke verplichting de verhuurder gelegenheid te geven dringende werkzaamheden aan het gehuurde uit te voeren. Hij is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als huurder. Mocht [appellant] zich erop hebben willen beroepen dat zijn tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of haar geringe betekenis, een ontbinding als de onderhavige met haar gevolgen niet rechtvaardigde - een dergelijk beroep heeft hij overigens niet duidelijk gedaan -, dan wordt dat beroep verworpen, nu de omstandigheden die [appellant] heeft aangewezen, niet opleveren dat zich hier een relevante bijzondere aard of een geringe betekenis van de tekortkoming kan voordoen. De grieven missen hun doel.

3.9

[appellant] herhaalt in hoger beroep een in de eerste aanleg gedaan algemeen bewijsaanbod, maar daaraan wordt voorbijgegaan omdat het niet voldoende is betrokken op concrete, ter zake dienende omstandigheden. Hij biedt verder bewijs aan "over de staat van het pand en het contact (van de desbetreffende personen) met [geïntimeerde] en [appellant]", "over het contact (van de heer[B]) met [appellant]", "over de nette staat van (de woonruimte)" en over de omstandigheden "dat de beugels aan de voorzijde van het pand zich aldaar sinds 1998 bevonden" en "dat [geïntimeerde] wilde dat [appellant] zou vertrekken", doch ook daaraan wordt voorbijgegaan, nu hetgeen hij op dit stuk mogelijk wil bewijzen, indien bewezen, niet tot andere beslissingen zou nopen. Het hof zal [appellant] ten slotte ook niet alsnog de gelegenheid geven de door hem genoemde bewijsstukken in het geding te brengen van de omstandigheden "dat [geïntimeerde] aan [appellant] op 7 juli 2009 letterlijk de oorlog heeft verklaard" en "dat [geïntimeerde] jarenlang teveel servicekosten in rekening heeft gebracht bij [appellant], de heer [C] en mevrouw [D]", reeds omdat hij daarvoor al toereikende gelegenheid heeft gehad maar deze onbenut heeft gelaten.

3.10

Niet blijkt van grond voor vernietiging van het vonnis, dat dus - voor zover in hoger beroep aan het oordeel van het hof onderworpen - moet worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst heeft [appellant] de kosten van beide instanties te dragen. Grief IV is vergeefs voorgedragen. Beslist moet worden zoals hierna te doen.

4 Beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het vonnis,

voor zover daarin in conventie de uitspraak van de Huurcommissie is vernietigd en de huurprijs met ingang van 1 januari 2010 op € 302,38 per maand is bepaald,

alsmede voor zover in reconventie gewezen;

bekrachtigt het vonnis voor al het overige;

verwijst [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover aan de kant van [geïntimeerde] gevallen, op € 291,- aan verschotten en € 894,= aan salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, J.C. Toorman en C.C. Meijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2015.