Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2134

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
14/00131
Formele relaties
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2014:292
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:22145, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Hoger beroep na verwijzing. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur had het op de weg van belanghebbende gelegen bewijs te leveren van zijn (blote) stelling dat hij in 2008 in gemeenschap van goederen was gehuwd. Dit bewijs is achterwege gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1247
V-N 2015/38.15.14
FutD 2015-1453
NTFR 2015/2262 met annotatie van MR. E. ALINK
PFR-Updates.nl 2015-0201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 14/00131

28 mei 2015

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

inzake het beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. M.P. Santokhi (Stichting Gemeenschappelijke Organisatie Dienen) te Den Haag,

tegen een uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/4027 van de rechtbank

's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 13 september 2012 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 26 augustus 2011 aan belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd berekend naar - voor zover hier van belang - een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.462. Bij gelijktijdig genomen beschikkingen is heffingsrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur de aanslag verminderd tot een berekend naar - voor zover hier van belang - een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.217. De inspecteur heeft de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd en de verzuimboete gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 13 september 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Op het hoger beroep van belanghebbende heeft het gerechtshof Den Haag bij uitspraak van 29 mei 2013 de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

1.6.

Bij arrest van 14 februari 2014, nr. 13/03362, ECLI:NL:HR:2014:292, BNB 2014/85, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof Den Haag vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Amsterdam (het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

1.7.

Partijen zijn door de griffier van het Hof in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het arrest in te dienen. De inspecteur heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 21 maart 2014, belanghebbende bij brieven van 24 en 27 maart 2014.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest op basis van hetgeen in de feitelijke instanties was vastgesteld, het volgende tot uitgangspunt genomen:

"3.1.1. Belanghebbende leefde gedurende het gehele jaar 2008 duurzaam gescheiden van zijn in België wonende echtgenote.

3.1.2.

Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende is vastgesteld uitgaande van het gemiddelde vermogen in 2008 ten bedrage van € 305.445, zoals belanghebbende dat had vermeld in zijn in de bezwaarfase ingeleverde aangiftebiljet."

2.2.

In een tot de gedingstukken (bijlage G4 bij het verweerschrift in eerste aanleg) behorende brief van 23 juni 2011 heeft de inspecteur onder meer het volgende meegedeeld aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende:

"Van de totale rendementsgrondslag volgens de aangifte ad. € 453.627 is € 153.627 toegedeeld aan de partner. Op mijn brieven (...) waarin ik daarover nadere informatie heb gevraagd, heeft u niet gereageerd. Daarom reken ik de volledige rendementsgrondslag aan uw cliënt toe."

2.3.

In een tot de gedingstukken (bijlage K2 bij het verweerschrift in eerste aanleg) behorende brief van 19 maart 2012 heeft de inspecteur onder meer het volgende meegedeeld aan het kantoor van de gemachtigde:

"In uw brief van (...) geeft u aan niet te begrijpen waarom er geen toedeling van het vermogen in box 3 kan plaatsvinden aan de partner waarmee uw cliënt gehuwd is (...). Uit mijn informatie blijkt dat (...) de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2008 van de partner waarmee uw cliënt gehuwd is, inmiddels definitief is vastgesteld. Bij het vaststellen van de aanslag is rekening gehouden met de toedeling van het vermogen aan de partner. Ik ben dan ook van plan hierin geen wijziging aan te brengen en het gemiddelde vermogen van uw cliënt, conform [uw] brief (...), vast te stellen op € 305.445."

2.4.

In zijn reactie van 21 maart 2014 op het verwijzingsarrest heeft de inspecteur onder meer het volgende geschreven:

"(Ik) stuur (...) u een kopie van een hypotheekakte van 1 juni 2011 (bijlage A) toe, waaruit kan worden opgemaakt dat belanghebbende en [de echtgenote] op huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd. De huwelijkse voorwaarden als zodanig zijn mij niet bekend. Belanghebbende en [de echtgenote] zijn volgens de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie op 19 augustus 2005 gehuwd (bijlage B). De rendementsgrondslag is conform hetgeen belanghebbende in de bezwaarfase heeft verzocht vastgesteld. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende en [de echtgenote] op huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd, weerspreek ik belanghebbendes stelling dat de helft van de bestanddelen van de rendementsgrondslag (...) aan [de echtgenote] toebehoort. Derhalve zie ik vooralsnog geen aanleiding om op die grond de rendementsgrondslag in belanghebbendes aangifte tot de helft te verminderen".

2.5.

In zijn reactie van 24 maart 2014 op het verwijzingsarrest heeft de gemachtigde onder meer het volgende geschreven:

"[D]e Belastingdienst [heeft] gesteld dat geen sprake is van partnerschap sedert het jaar 2008 (...) Dat de Belastingdienst naar een volmacht vraagt is volstrekt ondubbelzinnig, nu belanghebbende in gemeenschap van goederen is gehuwd met [de echtgenote] en geen voorafgaande toestemming behoeft van de echtgenote voor het verrichten van een rechtshandeling (...) Gezien het vorenstaande kunnen wij niet anders concluderen dat belanghebbende minstens doch hoogstens de onverdeelde helft van het gemeenschappelijk vermogen in aanmerking mag nemen (...) voor de rendementsgrondslag in Box III (...)".

2.6.

In zijn reactie van 27 maart 2014 op de in 2.4 vermelde reactie van de inspecteur heeft de gemachtigde het volgende geschreven:

"Namens belanghebbende (...), delen wij u hierbij mede (...) dat de huwelijkse voorwaarden niet bij het aangaan van het huwelijk op 19 augustus 2005 zijn opgemaakt en evenmin in het jaar 2008."

3 Het geschil na verwijzing

In het geding na verwijzing is nog in geschil of de inspecteur het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te hoog heeft vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende in gemeenschap van goederen gehuwd is geweest met de echtgenote.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“3.2.2. Belanghebbende heeft voor het Hof gesteld dat de bestanddelen die door hem in het aangiftebiljet waren vermeld, krachtens het tussen hem en zijn echtgenote geldende huwelijksgoederenrecht voor de helft aan de echtgenote toebehoren en dat daarmee geen rekening is gehouden bij de vaststelling van belanghebbendes rendementsgrondslag (...)

3.3. (...)

Aangezien belanghebbende en zijn duurzaam van hem gescheiden levende echtgenote geen fiscale partners zijn, had het Hof voormelde stelling niet onbesproken mogen laten.

(...)

3.5. (...)

Verwijzing moet volgen voor de behandeling van de onbesproken gebleven stelling.”

4.2.

Uit de stukken van het geding - het Hof verwijst naar de in 2.2 en 2.3 vermelde brieven - volgt dat de inspecteur van het box-3-vermogen dat in de in de bezwaarfase ingediende (aanvullende) aangifte was vermeld - en waarin volgens die aangifte ook vermogen van de echtgenote was begrepen - conform die aangifte een gedeelte van € 153.267 in aanmerking heeft genomen bij de echtgenote, en een gedeelte van (uiteindelijk) € 305.445, bij belanghebbende, één en ander na toepassing van het heffingvrije vermogen.

4.3.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur in diens schriftelijke reactie van 21 maart 2014 heeft het op de weg van belanghebbende gelegen bewijs te leveren van zijn (blote) stelling dat hij in 2008 in gemeenschap van goederen was gehuwd met de echtgenote. Dit bewijs is achterwege gebleven, en de in 2.6 vermelde verklaring van belanghebbende roept meer vragen op dan zij beantwoordt. Ook overigens vindt het Hof geen grond om aan te nemen dat enig deel van het door belanghebbende in zijn (aanvullende) aangifte als aan hemzelf toebehorend, aangegeven vermogen, rechtens aan de echtgenote toebehoorde.

4.4.

Hetgeen belanghebbende in zijn reacties na het verwijzingsarrest overigens aanvoert, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Slotsom

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor de veroordeling van een partij in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. J. den Boer, voorzitter, E.F. Faase en J.A. van Horzen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder als griffier. De beslissing is op 28 mei 2015 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.