Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2132

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
11-08-2015
Zaaknummer
200.165.717-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen de verlenging uithuisplaatsing van het oudste kind en de verlening machtiging uithuisplaatsing voor het -ten tijde van de bestreden beschikking nog ongeboren- jongste kind. Het hof overweegt dat ten aanzien van het oudste kind zorgvuldig en uitgebreid onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van terugplaatsing bij de moeder. Het hof is van oordeel dat de gronden voor uithuisplaatsing ten aanzien van het oudste kind aanwezig waren en zijn. Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht om een beslissing te nemen over de uithuisplaatsing van het jongste kind. Het hof stelt vast dat er geen enkel – specifiek op de moeder en het jongste kind gericht – onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van de moeder om het kind zelf thuis op te voeden en te verzorgen. Het hof zal de Raad daarom gelasten nader onderzoek te (doen) verrichten naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing van het jongste kind bij de moeder.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 2 juni 2015

Zaaknummer: 200.165.717/01

Zaaknummers eerste aanleg: 14-1388/574104 en 14-1528/576351

in de zaak in hoger beroep van:

[…] ,

verblijvende te […] ,

appellante,

advocaat: mr. C.F. Roza te Zwolle,

tegen

1 William Schrikker Jeugdbescherming,

2. De Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam,

beiden gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante wordt hierna de moeder genoemd. Geïntimeerden sub 1 en 2 worden hierna respectievelijk WSJ en de Raad genoemd.

1.2.

De moeder is op 27 februari 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 2 december 2014 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter), met kenmerk 14-1388/574104 en van de beschikking van 2 december 2014 van de kinderrechter met kenmerk 14-1528/576351.

1.3.

WSJ heeft op 30 maart 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 13 april 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de gezinsvoogd en een andere vertegenwoordiger van WSJ;

- mevrouw A.M.R. Azimi, vertegenwoordiger van de Raad;

- de heer [x] (hierna: de vader).

2 De feiten

2.1.

Uit de relatie van de ouders zijn geboren: [naam kind a] (hierna: [kind a] ) [in] 2013 en [naam kind b] (hierna: [kind b] ) [in] 2014. De vader heeft beide kinderen erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind a] . De moeder oefent het gezag uit over [kind b] .

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter van 13 december 2013 is [kind a] voorlopig onder toezicht gesteld. Bij beschikking van de kinderrechter van 23 december 2013 is hij onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd.

[kind a] is in het kader van de ondertoezichtstelling uit huis geplaatst.

2.3.

Van 6 april 2014 t/m 14 juni 2014 heeft een observatieproject van de ouders en [kind a] bij de Bascule plaats gevonden.

2.4.

[kind b] is voor haar geboorte onder toezicht gesteld en direct na haar geboorte uit huis geplaatst.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking van 2 december 2014 met kenmerk 14-1388/574104 is op verzoek van WSJ de ondertoezichtstelling van [kind a] verlengd met ingang van 23 december 2014 tot 2 december 2015, namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam uit te voeren door WSJ. Voorts is de machtiging uithuisplaatsing van [kind a] voor verblijf bij een pleegouder verlengd met ingang van 23 december 2014 tot 2 december 2015.

Bij de bestreden beschikking van – eveneens – 2 december 2014 met kenmerk 14-1528/576351 is op verzoek van de Raad de op dat moment nog ongeboren [kind b] onder toezicht gesteld met ingang van 2 december 2014 voor de duur van een jaar, namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam uit te voeren door WSJ. Voorts is een machtiging uithuisplaatsing verleend voor [kind b] direct na haar geboorte voor verblijf in een (crisis)pleeggezin met ingang van de datum van geboorte tot 2 december 2015.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikkingen, de verzoeken van WSJ tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind a] alsnog af te wijzen en de verzoeken van de Raad tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind b] alsnog af te wijzen. Zij verzoekt subsidiair een nieuw onafhankelijk en deskundig onderzoek.

3.3.

WSJ verzoekt de bestreden beschikking van 2 december 2014 met kenmerk 14-1388/574104 te bekrachtigen.

3.4.

De Raad verzoekt de bestreden beschikking van 2 december 2014 met kenmerk 14-1528/576351 te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan de orde zijn de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind a] en [kind b] . Het hof ziet aanleiding het hoger beroep van de moeder ten aanzien van de kinderen afzonderlijk te behandelen.

4.2.

Nu de inleidende verzoekschriften in deze zaak zijn ingediend voor 1 januari 2015, is op grond van artikel 28 lid 1 van de Overgangswet NBW op de beoordeling daarvan het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2015.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:254 (oud) Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een minderjarige onder toezicht worden gesteld indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:261 lid 1 (oud) BW kan de kinderrechter, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f (oud), van de Wet op de Jeugdzorg, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming.

De verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind a]

4.3.

De moeder voert in hoger beroep aan dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind a] niet aanwezig zijn. Zij betwist dat [kind a] ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling. Volgens de moeder is de veiligheid van [kind a] nooit in gevaar geweest.

De moeder is het niet eens met de onderzoeken en conclusies van de betrokken instanties, waaruit zou blijken dat zij over onvoldoende opvoedvaardigheden zou beschikken om [kind a] op te kunnen voeden. Zij is van mening dat deze rapportages niet met de juiste zorgvuldigheid en objectiviteit tot stand zijn gekomen. Volgens de moeder beschikt zij over voldoende basale opvoedingsvaardigheden en sluit zij aan bij de ontwikkelingsbehoeften van [kind a] . Zij wijst erop dat uit het oorspronkelijke rapport blijkt dat de problemen die hebben geleid tot de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing waren gelegen in de relatie tussen de ouders, welke problemen niet afdoen aan de bekwaamheid van de moeder als opvoeder. Het rapport onderkent voorts dat de moeder goed is voor de kinderen. De moeder benadrukt dat de relatie van de ouders inmiddels voorbij is. Zij betwist overigens dat sprake is geweest van huiselijk geweld.

Daarnaast verloopt de samenwerking met de hulpverlening volgens de moeder zeer moeizaam. De moeder ervaart de bejegening door de hulpverleningsinstanties als erg negatief. Zij is bereid hulpverlening te aanvaarden, maar zij verwacht van de hulpverlening een nette en volwassen opstelling.

4.4.

WSJ is van mening dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor [kind a] nog steeds aanwezig zijn. Er zijn grote zorgen over de opvoedingsvaardigheden en het functioneren van de ouders. De moeder heeft een verstandelijke beperking, een traumatisch verleden, een depressieve stoornis en mogelijk persoonlijkheidsproblematiek. Zij heeft geen verblijfsstatus en woont in een asielzoekerscentrum. Zij heeft volgens WSJ onvoldoende probleembesef en inzicht in wat de verzorging en opvoeding van een kind van haar vraagt. Uit de observatieperiode van de ouders en [kind a] bij de Bascule zijn ook beperkingen van de moeder naar voren gekomen, zoals bij het houden van overzicht over regelzaken en afspraken. Daarnaast heeft zij onvoldoende controle over haar emoties, hetgeen een bedreiging kan vormen voor haar kinderen. De gesprekken met de moeder over de opvoeding van [kind a] stuitten op veel weerstand. De moeder kan begeleiding maar heel moeilijk toelaten. De zorgen over de opvoedingsvaardigheden van de moeder (en de vader) zijn zo groot dat zij niet in staat geacht worden aan de behoeften van hun kinderen tegemoet te komen. Het perspectief van [kind a] ligt in het pleeggezin, aldus WSJ. WSJ heeft om die reden op 2 februari 2015 een verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel ingediend bij de Raad.

WSJ erkent dat de samenwerking tussen de moeder en de hulpverlening zeer moeizaam verloopt; dit wordt volgens WSJ veroorzaakt door de agressieve opstelling van de moeder naar de hulpverleningsmedewerkers. Dit is ook belastend voor de kinderen.

De bezoeken zijn vanaf 22 januari 2015 stopgezet omdat de ouders zich meerdere keren niet hebben gehouden aan de voorwaarden van de bezoekregeling die opgesteld zijn in een schriftelijke aanwijzing. De psychiater van GGZinGeest heeft aangegeven de bezoeken niet langer te kunnen begeleiden waardoor de moeder geen professionele begeleiding meer had.

De bedoeling is dat de bezoeken met ingang van 1 april 2015 weer worden opgestart. De gezinsvoogd heeft hier ter zitting in hoger beroep aan toegevoegd dat de bezoeken thans goed verlopen en dat de moeder begeleid wordt door iemand van Cordaan.

4.5.

De Raad heeft ter zitting verklaard dat inmiddels zowel ten aanzien van [kind a] als [kind b] een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel is gestart. De Raad is van mening dat door de Bascule grondig onderzoek is gedaan naar de opvoedvaardigheden van de ouders, waaruit zorgen en duidelijke conclusies naar voren zijn gekomen. De resultaten van dat onderzoek zijn ook van betekenis voor de zaak ten aanzien [kind b] . De ouders zijn zeer belast uit het verleden, maar zijn ook belast met persoonlijke problematiek. Zij zijn niet leerbaar en zij zijn niet in staat hun boosheid te onderdrukken, zoals nu ook blijkt bij de bezoekregeling met de kinderen. De Raad ziet geen meerwaarde in nader onderzoek.

4.6.

De vader heeft ter zitting verklaard dat de relatie met de moeder is beëindigd, maar dat zij nog wel eens contact hebben. Zo heeft de vader de moeder geholpen een begeleider te vinden voor de bezoeken met de kinderen. Volgens de vader heeft de moeder van de hulpverlening geen enkele kans gekregen om de kinderen op te voeden. De vader is van mening dat de moeder het goed deed.

4.7.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken en het ter zitting verhandelde komt het volgende naar voren. Beide ouders hebben een belaste voorgeschiedenis. De ouders hadden tijdens hun relatie veel ruzie en zij hadden veel onbegrip en wantrouwen jegens elkaar. Nadat de moeder was bevallen van [kind a] is Families First van Altra ingezet om een inschatting te maken van de veiligheid in de thuissituatie. Na twee weken is tijdens een tussenevaluatie aangegeven dat de situatie onveilig is. Gelet op de spanningen in de thuissituatie is een tijdelijke plaatsing van de moeder (met [kind a] ) elders geadviseerd. De moeder heeft een week met [kind a] in het AzielZoekersCentrum (AZC) verbleven, maar zij is weer naar de vader teruggekeerd. De ouders hebben toen in een gesprek met de hulpverlening aangegeven dat zij geen hulp meer willen accepteren. [kind a] is vervolgens uit huis geplaatst, hij was toen één maand oud. Spirit (spoedhulp) heeft de ouders daarna acht weken begeleid bij de bezoekregeling met [kind a] . Het contact tussen de ouders en [kind a] zag er goed uit, maar Spirit had onvoldoende informatie om advies te geven over een terugplaatsing van [kind a] . Om die reden is een klinische behandeling en observatie bij de Bascule geadviseerd teneinde te onderzoeken of thuisplaatsing mogelijk is. Het gezin is van 6 april 2014 tot 14 juni 2014 in behandeling geweest bij de Bascule, eerst de ouders twee weken alleen en vervolgens acht weken met [kind a] . De vader heeft halverwege de behandeling de kliniek verlaten. De moeder heeft het traject afgemaakt. De Bascule constateert tijdens de observatieperiode verschillende beperkingen aan de zijde van de moeder. Daarnaast ging [kind a] gedurende het traject bij de Bascule achteruit, hij werd onrustiger, huilde veel en had moeite met eten. Deze zorgen waren niet goed met de moeder te bespreken. De Bascule komt na de observatieperiode tot de conclusie dat de moeder een beperkte en kwetsbare vrouw is en zeer intensieve begeleiding behoeft om alleen haar zoon op te kunnen voeden. Het toelaten van die begeleiding is voor de moeder heel moeilijk. Zij probeert wel haar afspraken na te komen, maar zij kan niet in gesprek gaan. Ondertussen zijn er wel zorgen over de emotionele ontwikkeling van [kind a] , aldus de Bascule. WSJ heeft op grond van deze zorgen besloten [kind a] niet terug te plaatsen bij de moeder. [kind a] verblijft inmiddels sinds 9 juli 2014 in een perspectiefbiedend pleeggezin.

Het hof stelt vast dat [kind a] op jonge leeftijd al veel wisselingen in zijn opvoedsituatie heeft meegemaakt als gevolg waarvan hij extra kwetsbaar is. Naar het oordeel van het hof is zorgvuldig en uitgebreid onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van terugplaatsing van [kind a] bij de moeder. Gebleken is dat de moeder onvoldoende in staat is bij de ontwikkelingsbehoeften van [kind a] aan te sluiten en dat zij niet, althans onvoldoende open staat voor adviezen en begeleiding door de hulpverlening, zodat hierin geen verbetering optreedt.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog zijn. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van [kind a] dan ook bekrachtigen.

De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind b]

4.8.

De moeder is het niet eens met de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind b] . [kind b] is reeds voordat zij geboren was onder toezicht gesteld, waarbij volgens de moeder dezelfde onjuiste argumentatie is gehanteerd als ten aanzien van [kind a] . De moeder acht het onbegrijpelijk dat [kind b] uit huis is geplaatst. Volgens de moeder was er geen sprake van omstandigheden die reeds op voorhand een uithuisplaatsing rechtvaardigden, er waren slechts twijfels. De moeder is van mening dat volstaan had kunnen worden met een ondertoezichtstelling. De situatie had op die manier kunnen worden beheerst en er had, indien nodig, tijdig ingegrepen kunnen worden. De moeder benadrukt dat het niet zo is dat zij de hulpverlening niet aanvaardt of niet accepteert. De moeder heeft ter zitting bij monde van haar advocaat hieraan toegevoegd dat zij op zichzelf geen bezwaar heeft tegen de ondertoezichtstelling, maar dat zij hiervan in hoger beroep is gekomen vanwege de bejegening door WSJ.

De moeder verzoekt om een nieuw onafhankelijk en deskundig onderzoek. De moeder wil nog steeds graag een poging wagen met het babyhuis.

4.9.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat bij het onderzoek naar de opvoedvaardigheden van ouders ook naar de situatie van de ouders zelf wordt gekeken, onder meer hun voorgeschiedenis, relaties en gedrag. De Raad is van mening dat door de Bascule ten aanzien van [kind a] goed is onderzocht wat de opvoedvaardigheden van de ouders zijn en dat daaruit is gebleken dat er sprake is van veel beperkingen. De Raad heeft daaraan toegevoegd dat een nieuw observatieonderzoek alleen maar zinvol is bij nieuwe – positieve – ontwikkelingen, bijvoorbeeld als de omgang goed loopt, maar de problemen met de ouders in het kader van de bezoekregeling bevestigen alleen maar dat de ouders onmachtig zijn, aldus de Raad.

4.10.

WSJ is van mening dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ten aanzien van [kind b] aanwezig zijn. WSJ verwijst in dit verband naar al hetgeen dat in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind a] is geconstateerd ten aanzien van de opvoedvaardigheden en beperkingen van de ouders.

Met betrekking tot [kind b] merkt WSJ voorts op dat er grote zorgen waren over een mogelijke uitzetting van de moeder en [kind b] omdat de vader in eerste instantie niets met [kind b] te maken wilde hebben. [kind b] had als gevolg hiervan de Marokkaanse nationaliteit en er kon geen verblijfsvergunning voor haar worden aangevraagd. Pas nadat de jeugdzorgmedewerker de advocaat van de ouders heeft benaderd heeft de vader [kind b] erkend.

De gezinsvoogd heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat ook ten aanzien van [kind b] een verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel is ingediend omdat het in haar belang is dat zo spoedig mogelijk duidelijkheid over haar opvoedsituatie ontstaat. De gezinsvoogd is van mening dat de ouders niet in staat zijn de kinderen thuis met ondersteuning door de hulpverlening op te voeden. De samenwerking met de hulpverlening verloopt erg moeizaam en de ouders zijn allebei niet aanspreekbaar. Het toekomstperspectief van beide kinderen ligt niet bij de moeder, aldus de gezinsvoogd.

4.11.

Het hof overweegt als volgt.

[kind b] is voor haar geboorte onder toezicht gesteld en meteen na haar geboorte uit huis geplaatst. In het inleidend verzoekschrift van de Raad staat als onderbouwing van het verzoek dat de Raad grote twijfels heeft of de moeder in staat is de dagelijkse verzorging van een kind op zich te nemen en dat de Raad zorgen heeft over het functioneren en de opvoedvaardigheden van de moeder. Inmiddels is reeds een onderzoek gestart naar een gezagsbeëindigende maatregel.

Het hof acht zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om een beslissing te nemen over de uithuisplaatsing van [kind b] . Het hof stelt vast dat er geen enkel – specifiek op de moeder en [kind b] gericht – onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van de moeder om [kind b] zelf thuis op te voeden en te verzorgen. Uit het observatieonderzoek van de Bascule ten aanzien van [kind a] zijn weliswaar ernstige beperkingen aan de zijde van de moeder geconstateerd, maar de conclusies uit dit onderzoek kunnen naar het oordeel van het hof niet onverkort worden toegepast ten aanzien van [kind b] . Een uithuisplaatsing kort na de geboorte is een zeer ingrijpende inbreuk op het family life, die alleen kan worden gerechtvaardigd als daarvoor zeer zwaarwegende redenen bestaan. Een dergelijke maatregel dient in ieder geval te worden gebaseerd op (nader) onderzoek dat zich toespitst op de specifieke situatie van de moeder en [kind b] . Het hof laat hierbij bovendien meewegen dat de relatie tussen de ouders inmiddels is beëindigd en dat de situatie in die zin anders is dan ten tijde van de uithuisplaatsing van [kind a] ; bovendien is [kind b] een ander kind dan haar broer.

Ook de problemen met de bezoekregeling rechtvaardigen op zichzelf niet het oordeel dat de moeder niet in staat is [kind b] thuis op te voeden en te verzorgen. Na de uithuisplaatsing heeft de moeder [kind b] slechts een paar keer onder zeer strenge voorwaarden gezien en is de bezoekregeling enige tijd stopgezet omdat de ouders zich niet (voldoende) aan deze voorwaarden hielden. De moeder was in deze periode erg emotioneel en had haar boosheid niet onder controle. De bezoekregeling is in april 2015 hervat en verloopt nu beter, zo is gebleken.

Gelet op het door WSJ ingezette traject, gericht op een verderstrekkende maatregel, zou bekrachtiging van de bestreden beschikking ten aanzien van de uithuisplaatsing van [kind b] thans erop neer komen dat reeds nu een duidelijk signaal wordt afgegeven aan de moeder dat zij er rekening mee moet houden dat [kind b] niet bij haar zal opgroeien. Dit benadrukt des te meer de noodzaak tot onderzoek naar de mogelijkheden van de moeder om [kind b] zelf op te voeden. Het hof zal de Raad daarom gelasten nader onderzoek te (doen) verrichten naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing van [kind b] bij de moeder, waarbij bijvoorbeeld gedacht kan worden aan onderzoek bij de Bascule. Het hof zal de zaak pro forma aanhouden tot zondag 18 oktober 2015 in afwachting van de resultaten van het onderzoek van de Raad. Het hof wijst de moeder erop dat het van groot belang is dat zij, ondanks haar wantrouwen jegens de hulpverlening, haar volledige medewerking verleent aan het onderzoek.

4.12.

Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat ten tijde van de bestreden beschikking en ook nu nog sprake is van een situatie als bedoeld in art. 1:254 (oud) BW, zodat de bestreden beschikking voor wat betreft de ondertoezichtstelling van [kind b] zal worden bekrachtigd.

4.13.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in het hoger beroep tegen de beschikking van 2 december 2014 met kenmerk 14-1388/574104

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep,

in het hoger beroep tegen de beschikking van 2 december 2014 met kenmerk 14-1528/576351

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor wat betreft de ondertoezichtstelling;

gelast de Raad een onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing van [kind b] bij de moeder;

houdt de zaak pro forma aan tot zondag 18 oktober 2015, met het verzoek aan de Raad het hof voor die datum te berichten omtrent de voortgang en resultaten van voornoemd onderzoek;

beveelt de oproeping van partijen en belanghebbenden tegen een nog nader te bepalen terechtzitting;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. M. Wigleven en
mr. S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2015.