Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:205

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-01-2015
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
14/00488
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:7565, Bekrachtiging/bevestiging
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2014:1458
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergrijpboete. Opzet of grove schuld. Het Hof komt tot het oordeel dat de inspecteur er niet in is geslaagd te bewijzen dat belanghebbende opzettelijk dan wel met grove schuld heeft gehandeld. De inspecteur heeft niet (nader) gesteld en met concrete feiten onderbouwd waarom het opvoeren van de factuur als aftrekpost door belanghebbende moet zijn gebeurd in de wetenschap dat te weinig belasting zou worden geheven.

De enkele omstandigheid dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake was van een tegenprestatie en dat sprake was van zakelijke kosten houdt nog niet in dat daarmee is bewezen, of moet worden geacht dat de kosten niet zakelijk waren en dat het niettemin in aftrek brengen van die kosten belanghebbende een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/262
Belastingadvies 2015/6.3
V-N 2016/9.6 met annotatie van Redactie
FutD 2015-0328
NTFR 2015/848 met annotatie van Mr. dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 14/00488

22 januari 2015

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

inzake het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van

de inspecteur van de Belastingdienst kantoor Den Haag, de inspecteur,

tegen

de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/2473 van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 12 april 2012 in het geding tussen

[X bv] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: F. van der Valk (Adviesgroep JMH B.V. te Barendrecht),

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het (eerste verlengde) boekjaar 2007/2008 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van € 317.837 (hierna: de navorderingsaanslag). Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is bij beschikking een boete ad € 10.995 opgelegd alsmede heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 10 februari 2011 de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 12 april 2012 heeft de rechtbank het tegen de uitspraak van de inspecteur ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de inspecteur vernietigd, de navorderingsaanslag verminderd, de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking vernietigd. Voorts heeft zij de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding voor proceskosten ad € 1.092,50.

1.4.

De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Voor het verloop van het geding voor Hof Den Haag verwijst het Hof naar hetgeen ter zake daarvan is vermeld in de uitspraak van hof Den Haag van 21 juni 2013, nr. BK-12/00444, onder 1.1 tot en met 1.6 en 2.1 tot en met 2.4. Bij die uitspraak heeft het hof Den Haag de uitspraak van de rechtbank vernietigd, de uitspraak van de inspecteur vernietigd, de navorderingsaanslag en de heffingsrente verminderd en de boete verminderd.

1.5.

Bij arrest van 20 juni 2014, nr. 13/03738, ECLI:NL:HR:2014:1458, BNB 2014/201 (hierna: het verwijzingsarrest), heeft de Hoge Raad zowel het tegen de uitspraak van het Hof Den Haag door belanghebbende ingestelde principale beroep in cassatie, als het door de staatssecretaris van Financiën tegen die uitspraak ingestelde incidentele beroep in cassatie gegrond verklaard, (voor zover hier van belang:) de uitspraak van het hof Den Haag voor zover betrekking hebbend op de navorderingsaanslag, de daarbij gegeven boetebeschikking en de beschikking inzake heffingsrente, vernietigd, de uitspraak van de rechtbank voor zover betrekking hebbend op de navorderingsaanslag vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep betreffende de navorderingsaanslag ongegrond verklaard en het geding verwezen naar het gerechtshof Amsterdam (het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

1.6.

Partijen zijn door de griffier van het Hof in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het arrest in te dienen. De inspecteur heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 1 augustus 2014.

1.7.

Bij brief van 11 augustus 2014 heeft mr. B.J.G.L. Jaeger laten weten dat mr. M. Muller, niet meer als gemachtigde van belanghebbende optreedt.

1.8.

Een afschrift van de onder 1.6 vermelde brief van de inspecteur is bij brief van het Hof van 9 september 2014 aan de wederpartij toegezonden.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2014. Belanghebbende is niet ter zitting verschenen. Zij heeft op 28 oktober 2014 de griffie van het Hof telefonisch laten weten dat zij ervan op de hoogte is dat haar zaak 5 november 2015 ter zitting wordt behandeld. Na de zitting heeft de griffier van het Hof uit gegevens op de internetsite van PostNL vastgesteld dat de uitnodiging op 22 september 2014 bij gemachtigde is afgeleverd en dat een handtekening voor ontvangst is. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift met deze uitspraak wordt meegezonden.

2
2. Feiten

2.1.

Voor de tussen partijen vaststaande feiten verwijst het Hof naar hetgeen is vermeld onder 1 tot en met 11 in de uitspraak van de rechtbank (belanghebbende is daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’), waartegen door partijen in hoger beroep geen bezwaren zijn ingebracht. In het verwijzingsarrest zijn de feiten als volgt samengevat:

“2.1. Belanghebbende drijft een onderneming. Zij maakt gebruik van de diensten van [A] (hierna: [A]) voor onder meer (reguliere) administratieve werkzaamheden en voor haar fiscale aangiften. [A] is een kostenmaatschap waarin onder meer wordt deelgenomen door [B bv]

2.2.

[A] heeft met dagtekening 12 mei 2008 een factuur (hierna: de factuur) aan belanghebbende uitgereikt met een te betalen bedrag van in totaal € 95.200, bestaande uit een bedrag van € 80.000 wegens “voor u verrichte en te verrichten werkzaamheden op uurbasis” en een bedrag van € 15.200 aan omzetbelasting. Belanghebbende heeft het bedrag van de factuur betaald aan [B bv] op het op de factuur genoemde rekeningnummer.”

2.2.

Het Hof Den Haag heeft in zijn uitspraak ter zake van de factuur en de betaling daarvan het volgende overwogen:

“7.1. In geschil is of tegenover de betaling op factuur van een bedrag van € 80.000 vermeerderd met de omzetbelasting ten bedrage van € 15.200 een tegenprestatie staat. Het Hof komt op basis van het geheel van de in dit geding voorhanden zijnde gegevens alsmede hetgeen door partijen over en weer is gesteld tot het oordeel dat geen sprake is van een tegenprestatie. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat belanghebbende weliswaar heeft gesteld [B bv] mondeling opdracht te hebben gegeven 15.000 meldregels uit een door derden geleverd systeem te vergelijken, maar dat belanghebbende geen feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, die de conclusie rechtvaardigen dat daarvan sprake is geweest. Veeleer is uit de gegevens af te leiden dat de factuur niet ziet op een tegenprestatie en dat belanghebbende daarvan ook van aanvang af op de hoogte is geweest.

7.2.

Gelet op het feit dat belanghebbende een betaling heeft gedaan zonder dat blijkt van een tegenprestatie, heeft voor de vennootschapsbelasting te gelden dat deze uitgave slechts dan tot de kosten van de door belanghebbende gedreven onderneming kan worden gerekend, indien zij aannemelijk maakt dat de uitgave ten behoeve van de onderneming is gedaan (vergelijk HR 21 september 1994, LJN AA2964 , BNB 1995/16 ). Het Hof komt op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat belanghebbende dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij komt dat uit de gegevens is af te leiden dat belanghebbende zich ook bewust is geweest dat geen sprake is van een ten behoeve van de onderneming gemaakte uitgave. Het gelijk is op dit punt aan de zijde van de Inspecteur.”

2.3.

In zijn verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad het oordeel van het Hof Den Haag op dit geschilpunt in stand gelaten.

3
3. Geding na cassatie

3.1.

In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad het (principale) beroep in cassatie van belanghebbende vanwege een motiveringsgebrek van het hof Den Haag gegrond verklaard. Daartoe heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.1 als volgt overwogen:

“Middel 3 richt zich onder andere met motiveringsklachten tegen ’s Hofs oordeel dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte voor de vennootschapsbelasting heeft gedaan.

Het middel slaagt in zoverre. Aangezien belanghebbende voor het Hof heeft betwist dat sprake was van opzet, diende het Hof in zijn uitspraak te vermelden op grond van welke feiten en omstandigheden het tot zijn oordeel omtrent de aanwezigheid van opzet was gekomen (zie HR 15 oktober 2010, nr. 09/00671, ECLI:NL:HR:2010:BO0404, BNB 2011/9).

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende willens en wetens een onjuiste aangifte heeft gedaan door het bedrag van de factuur tot de kosten van de door haar gedreven onderneming te rekenen. Ter motivering van dit oordeel heeft het Hof verwezen naar ‘de vaststaande feiten en omstandigheden’ alsmede naar ‘de gegevens’ waaruit het Hof heeft afgeleid dat belanghebbende zich ervan bewust was dat de factuur niet ziet op een tegenprestatie en dat het op de factuur betaalde bedrag niet is uitgegeven ten behoeve van de onderneming. Aangezien uit ’s Hofs uitspraak niet blijkt welke gegevens het Hof hiermee op het oog heeft en de door het Hof vastgestelde feiten onvoldoende aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat sprake is van opzet, is ’s Hofs motivering van dit oordeel ontoereikend.”

3.2.

De Hoge Raad heeft voorts overwogen dat de middelen 1 en 2 en middel 3 voor het overige niet tot cassatie kunnen leiden en dat middel 4 geen behandeling behoeft.

3.3.

Het door de staatssecretaris van Financiën ingestelde incidentele beroep in cassatie tegen de vermindering van de navorderingsaanslag door het hof Den Haag is door de Hoge Raad eveneens gegrond verklaard. De Hoge Raad heeft de zaak wat betreft de navorderings-aanslag zelf afgedaan en, kort gezegd, het beroep tegen de desbetreffende uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

3.4.

Daarnaast is de zaak naar dit Hof verwezen voor een hernieuwde beoordeling van de gelijktijdig met de navorderingsaanslag opgelegde vergrijpboete betreffende de factuur van [B bv]

4 Geschil

Na verwijzing is aldus nog in geschil of de vergrijpboete terecht aan belanghebbende is opgelegd. Voort is in geschil of aan belanghebbende voor de kosten van het geding in hoger beroep een (integrale) vergoeding van proceskosten dient te worden toegekend.

5
5. Beoordeling van het geschil

5.1.

Ingevolge artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag een vergrijpboete opleggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Het begrip ‘opzet’ omvat mede ‘voorwaardelijk opzet’, dat wil zeggen het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat de aangifte onjuist of onvolledig wordt gedaan.

5.2.1.

De rechtbank is in (onderdeel 26 van) haar uitspraak tot het oordeel gekomen dat de correctie met betrekking tot de factuur van € 80.000 ten onrechte is toegepast. Zij heeft de onderhavige boete reeds daarom vernietigd. Na cassatie is evenwel komen vast te staan dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Het Hof dient de juistheid van de boeteoplegging opnieuw te beoordelen.

5.2.2.

Voor het eerst in hoger beroep heeft de inspecteur de gronden voor de boete-beschikking subsidiair uitgebreid tot grove schuld, hetgeen is op te vatten als in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. De inspecteur heeft aan zijn stelling dat sprake is van grove schuld overigens geen conclusie verbonden wat betreft de hoogte van de boete.
Het hof Den Haag is aan de bespreking van dit geschilpunt niet toegekomen. Na verwijzing zal het Hof ook deze stelling beoordelen.

5.3.1.

In het rapport – getiteld “Gespreksnotitie inzake een ingesteld boekenonderzoek” – van 26 oktober 2009 van het in het voorjaar van 2009 bij belanghebbende ingestelde boekenonderzoek (hierna: het controlerapport) is omtrent (de gronden voor) de onderhavige boete het volgende vermeld:

“5.1 Vergrijpboete vennootschapsbelasting
(…)
De feiten en omstandigheden op grond waarvan wij deze vergrijpboete opleggen zijn de volgende:

De belastingplichtige heeft zakelijke kosten opgevoerd waarvan belanghebbende wist, althans behoorde te weten, dat de kosten een privé karakter hadden (zonwering woonhuis, hekwerk en tuingereedschappen). De leveranciers is gevraagd om de omschrijvingen op de facturen aan te passen om zo het privé karakter van de aankopen te maskeren. Feitelijk zijn zij aangezet tot valsheid in geschrifte. Daarnaast is in de administratie ons inziens een factuur opgenomen, waarvan het niet aannemelijk is dat de prestaties ooit hebben plaatsgevonden c.q. in rekening zijn gebracht. De conclusie wordt daarom getrokken dat deze factuur willens en wetens is opgevoerd om zo de fiscale winst en in concreto de vennootschapsbelasting te kunnen verlagen.

Uit bovenstaande trekken wij de conclusie dat belastingplichtige wist dat hij onjuist handelde en dat de kosten niet zakelijk waren. Door deze toch op te voeren heeft zij daarmee willens en wetens bewust het risico aanvaard te weinig belasting aan te geven. Dit wordt door mij aangemerkt als (voorwaardelijk) opzet.”

5.3.2.

Bij schrijven van 13 november 2009 heeft de inspecteur het definitieve rapport van het boekenonderzoek aan belanghebbende gezonden en daarbij mededeling van de boete gedaan als bedoeld in artikel 67g AWR. Voor “de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de boeten alsmede voor de gronden op basis waarvan wij de schuldgradatie hebben vastgesteld” is daarbij verwezen naar onderdeel 5.1 van het controlerapport.

5.3.3.

In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de motivering voor de boete zoals die in het controlerapport is neergelegd, herhaald.

5.3.4.

In zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft de inspecteur omtrent de onderhavige boete het volgende vermeld:

“Zoals uit het vorenstaande blijkt is een bedrag van € 80.000,- ten laste van de fiscale winst gebracht terwijl overduidelijk is dat dit bedrag geen zakelijke kosten vertegenwoordigde.

Er is een overeenkomst opgemaakt en er is een betaling verricht om de schijn te wekken dat er voor een bedrag van € 80.000,- zakelijke kosten zijn gemaakt.

Dit bedrag is in strijd met de wet in aftrek gebracht op de winst.

Hier is sprake van opzet die terecht met 50% boete is bestraft.”

5.3.5.

In zijn hogerberoepschrift heeft de inspecteur omtrent de onderhavige boete hetzelfde geschreven als in zijn verweerschrift in eerste aanleg, met dien verstande dat de aanhef luidt “[u]itgaande van hetgeen ik hiervoor heb aangevoerd en geconcludeerd” en dat het woord ‘overeenkomst’ is vervangen door het woord ‘factuur’. Voorts schrijft hij:

“Het standpunt van de rechtbank dat het gebruik van facturen met onjuiste omschrijving teneinde in strijd met de wet een aftrekpost te krijgen niet inhoudt dat opzettelijk valse aangiften worden gedaan wordt niet gedeeld door de collega’s van de belastingkamer en de strafrechtcollega’s. Ik bestrijd deze opvatting uiteraard ook.

(…)

De boete moet worden bepaald op 50% van de belasting behorende bij een correctie van € 88.712 (Hof: € 80.000 plus € 8.712).”

5.3.6.

In zijn conclusie van repliek in hoger beroep heeft de inspecteur omtrent de boete nog het volgende vermeld:

“Aanvulling tekst

Omdat ik in mijn bestrijding van de mening van de rechtbank kennelijk iets te kort van stof was geef ik hierbij de betreffende zin met cursieve aanvulling.

Het standpunt van de rechtbank dat het gebruik van facturen met onjuiste omschrijving teneinde in strijd met de wet een aftrekpost te krijgen niet inhoudt dat opzettelijk valse aangiften worden gedaan wordt blijkens de jurisprudentie niet gedeeld door de collega’s van de belastingkamer en de strafrechtcollega’s. Ik bestrijd deze opvatting uiteraard ook.”

5.3.7.

In zijn nadere conclusie in hoger beroep heeft de inspecteur omtrent de (gronden voor) de boete als volgt te kennen gegeven:

“In het beroepschrift is voor de boetes uitsluitend gesteld dat er sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Dit wil ik aanvullen met de voor de boetes subsidiaire stelling dat er tenminste sprake is van grove schuld. Het is namelijk van algemene bekendheid dat kosten die niet zakelijk zijn niet aftrekbaar zijn van de winst. Nu de kosten van de nota van [B bv] en de nota’s van de markiezen, het privé-hekwerk, de tuinmachines en de hogedrukspuiten ten laste van de winst zijn gebracht in de oorspronkelijke aangifte is het ten minste aan grove schuld te wijten dat het belastbare bedrag te laag is aangegeven. De verbeterde aangifte die is ingediend na het opleggen van de aanslag is dan ook niet aan te merken als vrijwillige verbetering.”

5.3.8. ’

s Inspecteurs pleitnota voor hof Den Haag luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Subsidiair grove schuld

Belanghebbende is van mening dat het niet toegestaan is dat de inspecteur pas in hoger beroep subsidiair grove schuld stelt.

Recentelijk heeft de Hoge Raad nog geoordeeld dat het een procespartij, dus ook de inspecteur, vrijstaat om zich in hoger beroep te verweren met alle gronden die hij dienstig acht (HR 10 december 2010, NTFR 2010/2877).

Omdat bij het opleggen van de oorspronkelijke boete voldaan is aan de mededelingsplicht van art. 5:9 Awb, kan in beginsel in hoger beroep de onderliggende juridische kwalificatie van (voorwaardelijke) opzet gewijzigd worden in (subsidiair) grove schuld. Zie HR 22 september 1999, BNB 2000/122 voor een wijziging gedurende de bezwaarfase alsmede HR 4 april 2001, NTFR 2001/563 en HR 24 december 2004, NTFR 2004/1916 voor een wijziging van de juridische kwalificatie gedurende de (hoger)beroepsfase. Nu de belanghebbende in hoger beroep voldoende mogelijkheden heeft zich te verweren tegen de gewijzigde juridische kwalificatie van de boete wordt hij niet in zijn verdediging geschaad.”

5.4.

In het verwijzingsarrest is overwogen dat uit de uitspraak van het hof Den Haag niet blijkt welke gegevens dat hof, met zijn oordeel dat belanghebbende willens en wetens een onjuiste aangifte heeft gedaan door het bedrag van de factuur tot de kosten van de door haar gedreven onderneming te rekenen, op het oog heeft gehad en dat de door het hof Den Haag vastgestelde feiten onvoldoende aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat sprake is van opzet. Het Hof overweegt dat het op de weg van de inspecteur heeft gelegen feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen op grond waarvan het oordeel gerechtvaardigd is of kan zijn dat het aan opzet of grove schuld van belanghebbende te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

5.5.

In zijn schriftelijke reactie op het verwijzingsarrest heeft de inspecteur vermeld:

“Zoals uit het beroepschrift voor Hof Den Haag blijkt is een bedrag van € 80.000,- ten laste van de fiscale winst gebracht terwijl overduidelijk is dat dit bedrag geen zakelijke kosten vertegenwoordigde. Er is een overeenkomst opgemaakt en er is een betaling verricht om de schijn te wekken dat er voor een bedrag van € 80.000,- zakelijke kosten zijn gemaakt.

Dit bedrag is in strijd met de wet in aftrek gebracht op de winst in de aangifte vennootschapsbelasting. Het is, gezien de vastgestelde feiten, onmogelijk dat belanghebbende – vertegenwoordigd door de heren [C] en [D] – niet wist dat er bedragen ten laste van het belastbare bedrag zijn gebracht die niet aftrekbaar zijn.

Iedere ondernemer/bestuurder van een onderneming weet dat het ten laste van de winst brengen van uitgaven die niets te maken hebben met de onderneming niet is toegestaan.

Door toch de betreffende factuur op te voeren in de administratie en het bedrag van € 80.000 af te trekken van de winst is er derhalve bewust een onjuiste aangifte gedaan.

Er is mijns inziens opzettelijk een onjuiste aangifte gedaan.

Belanghebbende heeft ten minste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangifte voor een aanzienlijk bedrag onjuist zou zijn.”

5.6.

Het Hof komt tot het oordeel dat de inspecteur niet erin is geslaagd te bewijzen dat belanghebbende in de hiervoor bedoelde zin opzettelijk dan wel met grove schuld heeft gehandeld. Daarbij stelt het Hof voorop dat de enkele omstandigheid dat op basis van de gewraakte factuur tot een aanzienlijk bedrag een aftrekpost is geclaimd en dat niet aannemelijk is geworden dat zulks terecht was, niet, althans niet zonder meer, inhoudt dat belanghebbende met betrekking tot het te weinig betalen van belasting opzet dan wel grove schuld is te verwijten (verg. – inzake opzet – HR 15 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010: BO0404, BNB 2011/9). Anders dan met betrekking tot de aftrekbaarheid van een kostenpost geldt immers ten aanzien van de aanwezigheid van opzet of grove schuld dat de inspecteur dient te stellen en – zoals in casu – in geval van betwisting dient te bewijzen op grond van welke feiten en omstandigheden de hiervoor bedoelde (voorwaardelijke) opzet dan wel grove schuld bij belanghebbende aanwezig is.

5.7.

Omtrent de gronden voor de boete heeft de inspecteur niet (nader) gesteld en met concrete feiten onderbouwd waarom het opvoeren van de factuur als aftrekpost door belanghebbende bewust moet zijn gebeurd in de wetenschap dat te weinig belasting zou worden geheven. Hiertoe acht het Hof de notie dat in algemene zin iedere ondernemer/ bestuurder weet – dan wel dat het onmogelijk is dat belanghebbende niet wist – dat voormelde gedraging niet is toegestaan, niet toereikend. Ook overigens heeft de inspecteur – in het bijzonder met hetgeen hij na verwijzing naar voren heeft gebracht – niet (voldoende) specifiek gesteld en met feiten onderbouwd waarop zijn stelling is gebaseerd dat het aan belanghebbendes opzet dan wel grove schuld te wijten is dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven.

5.8.

Met betrekking tot de door de inspecteur gestelde aanwezigheid van grove schuld overweegt het Hof nader als volgt.

5.9.1.

Niet is komen vast te staan dat tussen belanghebbende en [A] dan wel [B bv] sprake is van enige gelieerdheid, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de genoemde partijen in beginsel voor belanghebbende derde partijen vormen. Het Hof stelt vast dat de inspecteur niets heeft gesteld omtrent de reden waarom belanghebbende, zoals de inspecteur klaarblijkelijk stelt, ‘om niet’ een betaling van € 80.000 aan een derde partij zou doen. Het Hof stelt voorts vast dat belanghebbende overigens met meer of minder gerenommeerde derde partijen zaken deed.

5.9.2.

Niet is komen vast te staan dat in het geheel geen sprake was van voor belang-hebbende door [A]/[B bv] verrichte werkzaamheden en (derhalve) is evenmin komen vast te staan dat geen sprake was van voor belanghebbende in beginsel zakelijke kosten. De enkele omstandigheid immers, dat belanghebbende niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake was van een tegenprestatie en dat – tot het in aftrek geclaimde bedrag – sprake was van zakelijke kosten, houdt nog niet – automatisch – in dat daarmee door de inspecteur bewezen is of moet worden geacht dat de kosten niet zakelijk waren en dat belanghebbende van het niettemin in aftrek brengen van die kosten een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

5.9.3.

Hetgeen partijen over de werkzaamheden van [A]/[B bv] en de factuur over en weer in de gedingstukken hebben gesteld, voor het laatst in (de bijlagen bij) de nadere conclusies voor het hof Den Haag, leidt het Hof tot het oordeel dat niet zonder gerede twijfel kan worden vastgesteld dat belanghebbende niet in redelijkheid kon menen dat de factuur zakelijk was. De door de inspecteur geuite vermoedens van fraude en de door hem aangedragen aanwijzingen en bewijsmateriaal daarvoor zijn door belanghebbende steeds gemotiveerd betwist; de door belanghebbende gegeven verklaringen voor de gang van zaken rondom de factuur en de gestelde werkzaamheden zijn weliswaar niet bij voorbaat aannemelijk maar evenmin ongeloofwaardig of onbestaanbaar.

Al met al komt het Hof tot het oordeel dat de inspecteur het door hem geschetste scenario niet zodanig met feiten en omstandigheden heeft gestaafd dat dit in deze procedure tot uitgangspunt moet worden genomen.

5.9.4.

Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het Hof niet, althans niet zonder meer, worden gezegd dat belanghebbende had behoren te beseffen dat haar handelwijze ertoe kon leiden dat te weinig belasting zou worden geheven.

5.10.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank de aan belanghebbende opgelegde boete, zij het op onjuiste gronden, terecht heeft vernietigd.

Slotsom

5.11.

De slotsom is dat het (principale) hoger beroep van de inspecteur, wat de gelijktijdig met de navorderingsaanslag opgelegde boete betreft, ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient op dit punt, met verbetering van gronden als hiervoor weergegeven, te worden bevestigd.

6 Kosten

6.1.

Nu het hoger beroep van de inspecteur wat de boetebeschikking betreft ongegrond is, is het Hof van oordeel dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van de door haar voor het gevoerde verweer gemaakte kosten.

6.2.1.

Belanghebbende heeft – (voor het eerst) in haar verweerschrift in hoger beroep tevens incidentele hogerberoepschrift – verzocht haar voor de kosten van het geding in hoger beroep op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) een proceskostenvergoeding toe te kennen van € 17.000 (bij dupliek in hoger beroep verhoogd tot € 17.500), zijnde 50% van de door haar tot dat tijdstip werkelijk gemaakte proceskosten.

6.2.2.

Zij heeft in dit verband aangevoerd dat zij meent slachtoffer te zijn van een strijd tussen de inspecteur en [B bv] en/of de heren [E] en [F] en daartoe verwezen naar de beschuldigingen door de inspecteur aan haar adres, namelijk van: het maken/betalen van valse facturen, het anderen aanzetten tot valsheid in geschrifte, het wegsluizen van gelden en de samenwerking met personen die veroordeeld zouden zijn wegens beleggingsfraude. Ook nadat de inspecteur was geïnformeerd dat de procedures tegen de genoemde personen nog liepen, heeft hij bij zijn bewoordingen volhard, aldus belanghebbende. Ter zitting van het hof Den Haag heeft belanghebbende haar voorgaande argument herhaald.

6.3.

Het Hof overweegt dat van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit onder meer sprake is indien het bestuursorgaan een beschikking geeft dan wel een uitspraak doet of in rechte handhaaft terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802, BNB 2007/260). Ook kunnen dergelijke omstandigheden zich voordoen indien het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975, BNB 2011/103).

Het Hof is van oordeel dat de door de inspecteur gebezigde bewoordingen, zoals hiervoor in 6.2.2 beschreven, weliswaar fors zijn, doch op zichzelf en zonder méér (zoals belangheb-bende kennelijk meent, nu zij haar stellingen overigens niet heeft toegelicht) niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die een afwijking van de forfaitaire normering van de proceskostenvergoeding rechtvaardigen.

6.4.

De overige door belanghebbende aangevoerde argumenten, te weten “de onzorgvuldig-heden van de inspecteur” en het “willens en wetens volharden in een onterechte afwijzing van aftrekposten”, zijn onvoldoende (feitelijk) toegelicht dan wel ontberen feitelijke grondslag en worden reeds daarom verworpen.

6.5.

Op grond van het vorenstaande ziet het Hof in het onderhavige geval geen aanleiding om af te wijken van de forfaitaire berekening van de proceskostenvergoeding. Het incidentele hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de kosten van het incidentele hoger beroep.

6.6.

Op grond van het voorgaande zal het Hof de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van belanghebbende ter zake van haar verweer in het principale hoger beroep op de in het Besluit voorgeschreven forfaitaire wijze vaststellen.

6.7.

De rechtbank heeft aan belanghebbende reeds een (forfaitaire) vergoeding toegekend voor de kosten die zij voor de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Het Hof zal deze vergoeding in stand laten.

6.8.

Het Hof stelt de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van belang-hebbende ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder letter a, van het Besluit en overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief voor het (principale) hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag op: 2,5 (proceshandelingen: verweerschrift (1), dupliek (0,5), verschijnen zitting (1)) x € 487 (waarde per punt) x 1,5 (wegingsfactor) = € 1.826,25.

Na verwijzing is niet gebleken van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

7 Beslissing

Het Hof:

in het principale hoger beroep

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de
boetebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.826,25;

- bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 493;

in het incidentele hoger beroep

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de
proceskostenvergoeding.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, E.F. Faase en H.N. van der Kolk, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder als griffier. De beslissing is op 22 januari 2015 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.