Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2047

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
29-05-2015
Zaaknummer
200.161.285-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mededeling werkgever in het kader van onderhandelingen over een beëindigingsovereenkomst, dat eventueel informatie zal worden verstrekt aan CID, is gezien het ontbreken van schade niet onrechtmatig in de zin van artikel 6:106 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/948
Prg. 2015/196
AR-Updates.nl 2015-0500
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.161.285/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/564805/ HA ZA 14-491

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 mei 2015

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. B.F. Eblé te Haarlem,

tegen

HET PAROOL BV,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Schulp te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Het Parool genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 2 december 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, van 3 september 2014, onder bovenvermeld zaaknummer in conventie gewezen tussen [appellant] eiser en Het Parool als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft in het petitum van de appeldagvaarding geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - de vorderingen van Het Parool alsnog zal afwijzen met veroordeling van Het Parool in de kosten van het geding in beide instanties. Bij memorie van grieven heeft hij gevorderd dat het hof voor recht verklaard dat Het Parool onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat Het Parool zal worden veroordeeld in de kosten van de beide instanties.

Het Parool heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellant] in de proceskosten - naar het hof begrijpt - van het hoger beroep, te betalen binnen vijftien dagen na het wijzen van het arrest en te verhogen met de wettelijke rente daarover indien niet binnen die termijn is betaald.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 2 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

2.1.

[appellant] is op 18 december 1978 in dienst getreden van Het Parool en was daar laatstelijk werkzaam als account manager op de advertentieafdeling..

2.2.

Op 20 juni 2011 is [appellant] wegens arbeidsongeschiktheid uitgevallen. Gedurende de ziekteperiode van [appellant] heeft De Persgroep Nederland B.V. (hierna: De Persgroep), waar Het Parool deel van uitmaakt, een anonieme brief, gedateerd 2 december 2011, ontvangen, waarin [appellant] wordt beschuldigd van onder meer bedreiging, het uitbuiten van zwakke en/of zieke mensen, drugssmokkel, mensensmokkel en het uitbaten van prostituees.

2.3.

Naar aanleiding van de inhoud deze anonieme brief heeft De Persgroep Hoffmann Bedrijfsrecherche ingeschakeld om [appellant] te observeren. Uit de rapportage van Hoffmann Bedrijfsrecherche bleek dat [appellant] over een bordeelvergunning voor een pand aan de [adres] op de Amsterdamse Wallen beschikt.

2.4.

Per e-mail van 3 februari 2012 heeft mevrouw [A] namens De Persgroep.

voor zover hier van belang, aan [appellant] bericht:

“De arbeidsovereenkomst tussen u en het Parool wordt verbroken op de volgende gronden:

1. Wij hebben geconstateerd dat u activiteiten ontplooit tijdens uw ziekte. Deze activiteiten staan in geen enkel verband met re-integratie en zijn geen activiteiten voor de werkgever.

2. In het algemeen ontplooit u activiteiten die niet verenigbaar zijn met uw werk voor Het Parool en ook niet verenigbaar met de normen die de Persgroep Nederland, waarvan de krant deel uitmaakt, aan haar werknemers stelt. Hierbij doelen wij op de activiteiten van onderneming [X] en ook overige activiteiten.

(...)

4. Wij hebben u een vaststellingsovereenkomst overhandigd die we uiterlijk maandag 7 februari 15.00 uur aangetekend retour ontvangen. (...) Indien we deze

vaststellingsovereenkomst onverhoopt niet maandag om 15.00 uur getekend retour

ontvangen, dan zullen wij onmiddellijk en zonder dralen ontslag aanvragen hij de

kantonrechter en tevens alle ons ter beschikking staande stukken overleggen aan de

criminele inlichtingendienst (CID) van de politie Amsterdam-Amstelland.”

2.5.

De vaststellingsovereenkomst waar in de hiervoor geciteerde e-mail van De

Persgroep aan wordt gerefereerd (hierna: de vaststellingsovereenkomst) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“DE ONDERGETEKENDEN:

(1) de besloten vennootschap Het Parool BV. (de “Werkgever’) (..)

(2) de heer [appellant] (de “Werknemer’) (..)

VERKLAREN HET VOLGENDE TE ZIJN OVEREENGEKOMEN:

1. De arbeidsovereenkomst tussen de Werkgever en de Werknemer eindigt met wederzijds goedvinden per 7 februari 2012.

3. Aan Werknemer zal een vergoeding van 4 maandinkomens worden voldaan ad EUR 18.763 bruto. (...).“

2.6.

[appellant] heeft de vaststellingsovereenkomst niet ondertekend.

2.7.

Op 20 februari 2012 heeft Het Parool een verzoekschrift tot ontbinding van de

arbeidsovereenkomst met [appellant] ingediend bij de sector kanton van de rechtbank Amsterdam. Bij beschikking van 4 april 2012 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 april 2012 ontbonden, onder toekenning van een ontslagvergoeding aan [appellant] van € 36.939,00 bruto.

2.8.

[appellant] heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat Het Parool onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem en daarmee in beginsel schadeplichtig is en veroordeling van het Parool tot betaling van een schadevergoeding van € 950,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het onrechtmatig handelen.

[appellant] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat Het Parool jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door in de e-mail van 3 februari 2012 te dreigen met het ter beschikking stellen van “alle ons ter beschikking staande stukken” aan de criminele inlichtingendienst van de politie Amsterdam-Amstelland. [appellant] stelt dat hij door dit geuite dreigement in zijn persoon is geraakt en dat hij dientengevolge immateriële schade heeft geleden.

2.9.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Zij overwoog daartoe, kort samengevat, dat de bewuste passage in de betreffende e-mail van 3 februari 2012 inderdaad kan worden aangemerkt als maatschappelijk onzorgvuldig en derhalve als onrechtmatig . Vervolgens oordeelde de rechtbank echter dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij door de bewuste mededeling van Het Parool schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106 BW. Voor zover [appellant] door de wijze waarop hij is ontslagen in zijn persoon is aangetast, geldt bovendien - aldus de rechtbank - dat de kantonrechter een ontslagvergoeding heeft toegekend, waarin dit is verdisconteerd. Andere dan immateriële schade is niet gesteld, zo vervolgt de rechtbank, zodat [appellant] geen rechtens te respecteren belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht. Tegen de beslissing de gevraagde verklaring voor recht niet te geven alsook tegen de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met vijf grieven op.

3 Beoordeling

3.1

Het Parool heeft allereerst gesteld dat de dagvaarding in hoger beroep nietig is, omdat [appellant] in het petitum daarvan vraagt de vorderingen van Het Parool af te wijzen, terwijl die eis niet aansluit bij de oorspronkelijke vorderingen van [appellant], en die vorderingen in eerste aanleg bovendien reeds zijn afgewezen. Het Parool weet aldus ook niet waar zij zich tegen dient te verweren.

3.2.

Het hof verwerpt het betoog van Het Parool. Daarbij overweegt het hof dat weliswaar het door [appellant] in de appeldagvaarding geformuleerde petitum niet correspondeert met zijn oorspronkelijke vorderingen maar gezien de kennelijke strekking van zijn in de grieven neergelegd verzoek alsnog het vonnis voor zover in conventie gewezen te vernietigen en zijn vorderingen alsnog toe te wijzen, komt daaraan geen doorslaggevende betekenis toe. De omvang van het geschil in hoger beroep wordt immers bepaald door aard en strekking van de grieven, waarbij het hof opmerkt dat in de appeldagvaarding niet valt te lezen dat [appellant] de rechtsstrijd in hoger beroep reeds op dat moment wenste te beperken. Het Parool is door deze slordigheid aan de zijde van [appellant] ook niet in haar procespositie geschaad, hetgeen ook blijkt uit het in de memorie van antwoord gevoerde verweer. Het vorenstaande betekent dat het (overigens niet zeer duidelijke) betoog in de memorie van grieven sub 1.2 eveneens strandt.

3.2.1.

De eerste vier grieven richten zich, kort samengevat, tegen het oordeel van de rechtbank dat er weliswaar sprake is van onrechtmatig handelen van de kant van Het Parool, maar dat deze vaststelling niet kan leiden tot het afgeven van een verklaring voor recht, nu [appellant] daar geen rechtens te respecteren belang bij heeft, een en ander als hiervoor onder rov. 2.9. nader aangegeven.

Ter toelichting op deze grieven heeft [appellant] erop gewezen dat hij, naast een eventuele immateriële schadevergoeding, wel degelijk een zelfstandig belang heeft bij een verklaring voor recht, onder meer om - al dan niet in de vorm van een publicatie - de buitenwereld te kunnen laten weten dat de rechter Het Parool op de vingers heeft getikt vanwege haar ( mogelijk zelfs strafbaar) gedrag en ook dat hij zich weliswaar onder druk gezet heeft gevoeld door Het Parool, maar dat hij daar niet voor is gezwicht. Met betrekking tot de immateriële schadevergoeding heeft [appellant] aangevoerd dat het hem niet zozeer gaat om de hoogte van het bedrag, maar dat ”feit blijft dat er aan psychische, juridische en financiële druk een persoonlijk nadeel kan kleven”. De aard en de mate van die psychische druk en de chantage betekent nog niet dat iedere vorm van schadevergoeding zou moeten worden afgewezen, aldus [appellant].

3.2.2.

Vaststaat dat Het Parool per e-mail van 3 februari 2012 aan [appellant] heeft medegedeeld dat wanneer hij de door het Parool voorgestelde vaststellingsovereenkomst niet op korte termijn zou ondertekenen Het Parool “ontslag (zal, hof) aanvragen bij de kantonrechter en tevens alle ons ter beschikking staande stukken overleggen aan de criminele inlichtingendienst (CID) van de politie Amsterdam-Amstelland”.

De rechtbank heeft dit handelen van het Parool als onrechtmatig aangemerkt.

Het Parool heeft (ook) in appel bestreden dat haar handelen als zodanig kan worden gekwalificeerd. Een oordeel op dit punt kan in het midden blijven op grond van het volgende.

3.2.3.

Voor ligt de vraag of er door voornoemd handelen van Het Parool bij [appellant] sprake is (geweest) van een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 BW. Uitgangspunt voor een zodanige aantasting is dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen, tenzij de bijzonder ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer een uitzondering rechtvaardigen. Om van geestelijk letsel te kunnen spreken is niet voldoende dat sprake is van meer of minder psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.

[appellant] heeft ten aanzien hiervan niet of nauwelijks iets gesteld anders dan dat hij zich gechanteerd en psychisch bedreigd voelde, omdat hij in onzekerheid verkeerde, nu hij de gegevens niet kende waarover het Parool stelde te beschikken en die mogelijk zouden kunnen leiden tot vervolging en gevangenisstraf. Dat is echter onvoldoende om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 BW. Van een uitzondering in de hiervoor genoemde zin op grond van de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor [appellant] is niets gesteld of gebleken.

3.2.4.

[appellant] zoekt voor het belang van een verklaring voor recht in dit verband ook aansluiting bij zijn wens ten overstaan van derden dan wel het publiek, met de uitspraak van een rechter in de hand, kenbaar te kunnen maken dat hij onbetamelijk is behandeld door Het Parool. Daargelaten dat dit oordeel onderdeel uitmaakt van het vonnis van de rechtbank en het [appellant] vrij staat dit oordeel naar buiten te brengen, valt vorenschreven wens niet te zien als een voldoende belang in de zin van artikel 3: 303 BW. De grieven 1 tot en met 4, die een ander oordeel voorstaan, falen dus.

3.3.1.

De vijfde en laatste grief heeft betrekking op de veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg. [appellant] stelt dat hij, terwijl hij is beledigd en bedreigd, niettemin de proceskosten dient te dragen. Hij wenste een oordeel te verkrijgen over het onbehoorlijke en onrechtmatige handelen van het Parool, nu het Parool een dergelijk handelen steeds (ten onrechte) als niet fout heeft aangemerkt.

3.3.2.

De grief faalt. De rechtbank heeft de vordering(en) van [appellant] terecht afgewezen en hem vervolgens dan ook met recht in de kosten van de procedure veroordeeld.

3.4.

Alle grieven falen, zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in conventie gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Het Parool begroot op € 704,- aan verschotten en € 632,- voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit arrest, indien niet binnen die termijn aan de kostenveroordeling is voldaan;

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Goslings, C.M. Aarts en A.M.A. Verscheure en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2015.