Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2029

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
01-06-2015
Zaaknummer
200.163.928-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

hoofdverblijfplaats, beide ouders capabel en gelijkwaardig, financiële voordelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 26 mei 2015

Zaaknummer: 200.163.928/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/521011 / FA RK 12-5492 (PG/SM)

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R. Gardeslen te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 30 januari 2015 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 12 november 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/521011 / FA RK 12-5492 (PG/SM).

1.3.

De vrouw heeft op 31 maart 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 15 april 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de heer [X], vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1994 in Alvite, Moimenta da Beira, Portugal, gehuwd. Zij hebben de Portugese nationaliteit. Hun huwelijk is op 29 augustus 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 mei 2014 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren […] (hierna: [kind A]) [in] 2005. Uit hun huwelijk is ook geboren […] [in] 1997 (hierna: [kind B]). Beide kinderen zijn in Amsterdam geboren. Partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over hen.

2.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 14 mei 2014 van de rechtbank Amsterdam is, voor zover thans van belang, de hoofdverblijfplaats van [kind B] bij de man bepaald en is de Raad verzocht onderzoek te doen naar onder meer de vraag welke hoofdverblijfplaats in het belang van [kind A] wordt geacht.

2.3.

Bij de stukken bevindt zich het naar aanleiding daarvan uitgebrachte raadsrapport van 1 augustus 2014.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de hoofdverblijfplaats van [kind A] bij de vrouw bepaald.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de hoofdverblijfplaats van [kind A] bij hem te bepalen.

3.3.

De vrouw verzoekt het door de man verzochte af te wijzen en – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking in zoverre te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor bij wie van partijen de hoofdverblijfplaats van [kind A] vastgesteld dient te worden. Uitgangspunt is dat de rechter in een geschil betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag een zodanige beslissing neemt als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Het belang van het kind vormt daarbij een eerste overweging, maar dat neemt niet weg dat ook andere belangen daarbij moeten worden afgewogen.

4.2.

De man stelt dat de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [kind A] ten onrechte bij de vrouw heeft bepaald. Volgens de man is het niet in het belang van de kinderen om gescheiden van elkaar te wonen en is een hoofdverblijf van [kind A] bij de man beter voor de rust en de stabiliteit van de kinderen. De man stelt dat [kind A] volgens de huidige zorgregeling vier dagen in de week bij hem verblijft en drie dagen bij de vrouw. Daar komt bij dat de vrouw thans op woensdagmiddagen werkt tot 17.30 uur als gevolg waarvan zij [kind A] niet van school kan halen en hij de hele woensdagmiddag alleen thuis is. Aangezien [kind A] het merendeel van de tijd bij de man verblijft, behoren de fiscale voordelen verbonden aan de hoofdverblijfplaats van [kind A] aan hem toe te komen, aldus de man.

4.3.

De vrouw betwist de stellingen van de man en voert aan dat door het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [kind A] bij haar een meer gelijkwaardige situatie tussen partijen wordt gecreëerd, hetgeen in het belang is van de kinderen en van partijen. De vrouw stelt dat [kind A] het leuk vindt om op woensdagmiddag bij een vriendje te verblijven zodat hij niet elke woensdagmiddag alleen thuis is.

4.4.

De Raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen. De Raad heeft verklaard dat het van belang is dat partijen in mediation gaan om hun onderlinge communicatie te verbeteren.

4.5.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Partijen zijn medio 2012 uit elkaar gegaan, waarna de vrouw de echtelijke woning verlaten heeft en de man met de kinderen in de echtelijke woning is blijven wonen. Uit het raadsrapport van 1 augustus 2014 valt op te maken dat de ouders weliswaar niet in staat zijn om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren maar dat zij beiden in staat zijn om voor [kind A] te zorgen, dat zij beiden in staat zijn om vanuit het belang van [kind A] te redeneren, dat zij hem beiden een stabiele opvoedomgeving kunnen bieden, dat er geen contra-indicaties zijn die maken dat de ene ouder meer of minder geschikt zou zijn dan de andere ouder en dat het in een geval waarin sprake is van twee pedagogisch geschikte ouders volgens de Raad niet ongebruikelijk is dat zij na de echtscheiding de inschrijving van de kinderen verdelen. Ten aanzien van [kind A] is gebleken dat de scheiding van zijn ouders belastend is voor hem, dat het naar omstandigheden goed met hem gaat en dat hij met beide ouders een goede band heeft.

Evenals de rechtbank, acht het hof het van belang dat in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een echtscheiding en twee capabele ouders, een zo evenwichtig mogelijke situatie wordt gecreëerd tussen de ouders en dat aldus aan [kind A], maar ook aan [kind B], het signaal wordt gegeven dat de beide ouders gelijkwaardig zijn. Gelet hierop, en nu de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [kind B] bij de man heeft bepaald, is het hof van oordeel dat het belang van [kind A] meebrengt dat zijn hoofdverblijfplaats wordt bepaald bij de vrouw. Het enkele gegeven dat [kind A] volgens de huidige zorgregeling het merendeel van de tijd bij de man verblijft, leidt niet tot een ander oordeel, nu [kind A] ook een aanzienlijk deel van de week bij de vrouw doorbrengt. De man heeft zijn stelling dat [kind A] nog meer dan de afgesproken regeling bij hem verblijft, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd. Nu ter zitting is gebleken dat de kinderen in het kader van de huidige zorgregeling over het algemeen samen naar de vrouw gaan, en vervolgens ook weer samen naar de man gaan, gaat het hof voorbij aan de stelling van de man dat het niet in het belang is van de kinderen om gescheiden van elkaar te wonen, wat daar verder ook van zij. Ook de stelling van de man dat aan hem, als ouder bij wie [kind A] de meeste tijd doorbrengt, de met de hoofdverblijfplaats samenhangende financiële voordelen behoren toe te komen, legt – daargelaten de vraag of bepaling van de hoofdverblijfplaats bij een ouder steeds impliceert dat aan deze ouder die financiële voordelen toekomen – onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het belang van [kind A] en [kind B] bij een zoveel mogelijk gelijkwaardig ouderschap van hun ouders. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Kleene-Eijk, A.V.T. de Bie en J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2015.