Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2019

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
200.101.229-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

hoofdverblijfplaats, zorgregeling, Kinderen uit de knel, loyaliteitsconflict, beide ouders in staat om voor minderjarige te zorgen. Zie ook ECLI:NL:GHAMS:2013:4986, ECLI:NL:GHAMS:2014:2749 en ECLI:NL:GHAMS:2014:4146.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 1.253 a BW
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 26 mei 2015

Zaaknummer: 200.101.229/01

Zaaknummer eerste aanleg: 484845 / FA RK 11-2056 (EV/HH)

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. N. van den Berg te Ede,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen over de procesgang is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 26 augustus 2014. Bij die beschikking is vervangende toestemming verleend aan de vrouw om [minderjarige] in te schrijven op de christelijke basisschool [naam] in [plaats] en is, met ingang van [minderjarige] schoolgang, een voorlopige zorgregeling bepaald, waarbij [minderjarige] bij de man verblijft:

- als basisregeling om de week van vrijdag uit school tot zondag 18:30 uur na het avondeten, waarbij de man [minderjarige] ophaalt van school en op zondag naar de vrouw brengt, met dien verstande dat de regeling, wanneer [minderjarige] op vrijdag niet naar school gaat, aanvangt om 09.30 uur waarbij de vrouw [minderjarige] op dat tijdstip naar de woning van de man brengt;

- de helft van de herfstvakantie, door partijen in onderling overleg te bepalen, en zo zij daarin niet slagen, drie nachten en drie dagen extra aansluitend op het weekend waarin [minderjarige] krachtens de basisregeling bij de man verblijft;

- in de kerstvakantie vanaf maandag 29 december 2014 om 10.00 uur;

met dien verstande dat BJZ deze zorgregeling kan uitbreiden of beperken dan wel schorsen. Het verzoek van de man tot vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool in [plaats] is afgewezen. De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden tot 1 maart 2015.

1.3.

De Raad voor de Kinderbescherming, regio Gelderland, locatie Arnhem (hierna: de Raad) heeft het hof bij brief van 20 januari 2015 een beslissing van de Klachtencommissie, naar aanleiding van een door de vrouw ingediende klacht, doen toekomen.

1.4.

De vrouw heeft op 20 februari 2015, 26 maart 2015 en 30 maart 2015 nadere stukken ingediend.

1.5.

Jeugdbescherming Gelderland, regio midden (hierna: JbG) heeft op 23 februari 2015 en 3 april 2015 nadere stukken ingediend.

1.6.

De man heeft op 24 februari 2015, 25 februari 2015, en 27 maart 2015 nadere stukken ingediend.

1.7.

De behandeling van de zaak is op 9 april 2015 ter terechtzitting voortgezet, alwaar zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de gezinsmanager en een teamleider, vertegenwoordigers van JbG;

- mevrouw [A], vertegenwoordiger van de Raad.

2 Verdere feiten

2.1.

JbG heeft beide ouders op 16 oktober 2014 een schriftelijke aanwijzing gegeven.

2.2.

Bij beschikking van 24 februari 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 februari 2016.

3 Verdere beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

De man heeft in genoemde brief van 24 februari 2015 aan het hof zijn verzoek om hem met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten ingetrokken. De vrouw heeft het verzoek om haar met het eenhoofdig gezag te belasten ter zitting in hoger beroep van 11 augustus 2014 ingetrokken. De verzoeken betreffende het ouderlijk gezag over [minderjarige] behoeven derhalve geen verdere behandeling.

3.2.

Tussen partijen is thans nog in geschil bij wie van hen [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats dient te hebben en welke zorgregeling er dient te gelden.

3.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253a BW dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.4.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep van 9 april 2015 is het volgende gebleken. Partijen zijn in januari 2011 uit elkaar gegaan. Sindsdien kunnen partijen geen overeenstemming bereiken over de voor [minderjarige] meest wenselijke zorgregeling. Zo zijn kort gedingprocedures over een zorgregeling gevoerd in maart en juni 2011 en in maart en mei 2012. De in de onderhavige procedure bestreden beschikking dateert van 2 november 2011. Met deze beschikking is [minderjarige]’s hoofdverblijfplaats bij de vrouw bepaald, omdat de man zich daar destijds niet tegen verzette, en is een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] (kort samengevat) vijf van de veertien dagen bij de man zou verblijven. In hoger beroep heeft de vrouw om vaststelling van een andere zorgregeling verzocht en heeft de man in incidenteel hoger beroep verzocht de hoofdverblijfplaats bij hem vast te stellen.

Ter gelegenheid van de eerste mondelinge behandeling bij het hof, op 26 september 2012, is de zaak voor onderzoek naar de Raad verwezen. Op 5 februari 2013 heeft de Raad in zijn rapport het hof geadviseerd om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw te handhaven en een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijft. Bij beschikking van de kinderechter van 25 februari 2013 is [minderjarige], met name vanwege het totale gebrek aan vertrouwen tussen de ouders, onder toezicht gesteld van JbG. Het hof heeft het advies van de Raad gevolgd en op 20 maart 2013 tijdens de tweede mondelinge behandeling bepaald dat [minderjarige] de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijft. De behandeling van de zaak is aangehouden in afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling en een verslag over het verloop van de zorgregeling. In november 2013 is de omgang tussen de man en [minderjarige] op aanwijzing van JbG gestopt nadat de vrouw een vermoeden van seksueel misbruik van [minderjarige] door de man had geuit. Het hof heeft daarop op 28 november 2013 een nieuw raadsonderzoek gelast en een begeleide zorgregeling, uit te breiden door de gezinsmanager, vastgesteld. Op 25 februari 2014 heeft de Raad voor de tweede maal gerapporteerd en geadviseerd om, indien de man niet strafrechtelijk wordt vervolgd, het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem vast te stellen en een zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige] een weekend in de veertien dagen en tevens wekelijks een dagdeel bij de vrouw verblijft. Op 26 maart 2014 heeft het hof, tijdens een vierde mondelinge behandeling, in een ultieme poging om het geschonden vertrouwen tussen hen te herstellen, partijen voor professionele begeleiding verwezen naar het [naam] te [plaats] om deel te nemen aan de interventie “Kinderen uit de knel” en daarbij benadrukt dat iedere verdere escalatie van de conflicten die kan ontstaan door het voeren van procedures voorkomen dient te worden en dat partijen derhalve hun procedure(s) dienen te bevriezen. Op 14 april 2014 heeft de man de kinderrechter in de rechtbank Gelderland (onder meer) verzocht om JbG te gelasten om [minderjarige] uit huis te plaatsen en bij hem te plaatsen. Op 28 april 2014 heeft het Openbaar Ministerie (hierna: OM) de strafzaak tegen de man, wegens het vermoede seksueel misbruik, geseponeerd op de grond dat de man ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Bij beschikking van de kinderrechter van 1 mei 2014 is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing. Bij beschikking van 27 mei 2014 heeft het hof de verwijzing naar het [naam] vastgelegd en een zorgregeling bepaald waarmee [minderjarige] per veertien dagen vijf dagen bij de man verblijft. Partijen zijn het vervolgens niet eens geworden over een school voor [minderjarige], die op [geboortedatum] 2014 vier jaar is geworden. Daarom heeft het hof, mede op verzoek van JbG, op 11 augustus 2014 een (vijfde) mondelinge behandeling gehouden tijdens welke is gebleken dat er sinds mei 2014 weer (onbegeleid) omgang is tussen [minderjarige] en de man en dat de man in juni 2014 met [minderjarige] naar Italië op vakantie is geweest. Bij beschikking van 26 augustus 2014 heeft het hof vervangende toestemming aan de vrouw verleend om [minderjarige] in te schrijven op de christelijke basisschool [naam] in [plaats] en als voorlopige zorgregeling, met ingang van [minderjarige]’s schoolgang (kort samengevat en voor zover hier relevant), bepaald dat [minderjarige] om de week van vrijdag uit school tot zondag na het eten bij de man verblijft en voorts tijdens de helft van de herfst- en kerstvakantie. In deze beschikking heeft het hof, onder verwijzing naar zijn beschikking van 27 mei 2014, overwogen het niet in [minderjarige]’s belang te achten om verderstrekkende beslissingen te nemen ten aanzien van gezag en hoofdverblijfplaats, aangezien partijen zich hebben gecommitteerd aan het traject bij het [naam] en omdat op dat moment voorzichtige positieve ontwikkelingen vielen waar te nemen in de houding van partijen jegens elkaar. In verband met de wachtlijsten bij het [naam] is: “Kinderen uit de knel” eerst in oktober 2014 aangevangen en bij een andere zorgaanbieder (GGz MoleMann). JbG heeft de ouders op 16 oktober 2014 beiden een schriftelijke aanwijzing gegeven inhoudende dat zij uitvoering dienen te geven aan de zorgregeling die zij in onderling overleg op 4 september 2014 in aanwezigheid van JbG zijn overeengekomen. Sindsdien wordt er uitvoering gegeven aan deze zorgregeling waarbij [minderjarige] in de oneven weken van vrijdag uit school (en als er geen school is van vrijdag 9.30 uur) tot zondagavond na het eten bij de man verblijft en waarbij zij in de even weken op woensdag om 12.15 uur door de man wordt gehaald en om 19.00 door hem bij de vrouw wordt gebracht.

De vrouw heeft intensieve ambulante gezinsbegeleiding gekregen van [naam] (voorheen de [naam]). Hiervan heeft de vrouw een eindverslag, gedateerd 13 november 2014, overgelegd. In dit eindverslag is geconcludeerd dat de situatie van [minderjarige] bij de vrouw thuis is verbeterd. De vrouw stelt duidelijker grenzen aan [minderjarige] en lijkt haar emoties meer in bedwang te kunnen houden in het bijzijn van [minderjarige]. Er blijven echter zorgen bestaan, omdat [minderjarige] de spanningen, die de scheiding van partijen met zich brengt, meekrijgt. [minderjarige] ervaart dat de bezoekregeling niet stabiel is.

Partijen hebben tussen oktober 2014 en februari 2015 bij GGz MoleMann acht groepssessies in het kader van de interventie “Kinderen uit de knel” bijgewoond; [minderjarige] heeft aldaar deelgenomen aan parallelsessies in een kindergroep en partijen hebben nog een apart gesprek gehad. De therapie is op 2 februari 2015 door partijen en GGz MoleMann in het bijzijn van JbG geëvalueerd waarvan de gezinsmanager verslag heeft uitgebracht. Uit dit verslag blijkt dat [minderjarige] ernstig in de knel zit tussen beide ouders. Partijen hebben zich tijdens de sessies erg ingespannen en hebben actief meegedaan. Desondanks blijven zij zich beiden onvoldoende gehoord voelen, hebben zij weliswaar vertrouwen in elkaar als opvoeder van [minderjarige], maar blijven de emoties hoog oplopen waardoor zij niet verstandig met elkaar in gesprek kunnen gaan. Zij willen beiden dat de conflicten stoppen, dat er rust komt voor [minderjarige] en dat er heldere afspraken zijn over de zorgregeling, maar zij zijn niet in staat om dit samen te bereiken.

3.5.

Uit het hiervoor onder 3.4. geschetste en de stukken in het dossier komt naar voren dat de verhouding tussen partijen sinds de verbreking van hun relatie in januari 2011 ernstig verstoord is geraakt. Aanvankelijk hebben zij elkaar over en weer beschuldigd van (aanzetten tot) fysiek geweld. De vrouw heeft er met enige regelmaat blijk van gegeven geen vertrouwen te hebben in de verzorgingscapaciteiten van de man en zij hebben elkaar over en weer van ernstige psychische problematiek beschuldigd. De vrouw heeft daarnaast de man ervan beschuldigd [minderjarige] seksueel te hebben misbruikt en de man heeft vervolgens tegen de afspraken in toch een procedure geëntameerd en verzocht [minderjarige] met een machtiging tot uithuisplaatsing bij hem te doen plaatsen. Aldus is er tussen januari 2011 en voorjaar 2014 een flinke escalatie van de tussen partijen bestaande onenigheden opgetreden, waarvan [minderjarige] het slachtoffer is: zij is niet in staat om onbelast contact met haar beide ouders te hebben en laat onder meer tijdens “Kinderen uit de knel” zien dat zij lijdt onder deze situatie.

Het hof ziet echter vanaf mei 2014 ook ontwikkelingen die positiever stemmen: [minderjarige] heeft sindsdien weer regulier en onbegeleid contact met de man en zij geniet daarvan. Het gaat in [plaats] (voor het overige) goed met [minderjarige], ook op school, en zij geniet ook van haar contact met de vrouw. Beide ouders zijn zich, mede als gevolg van de gevolgde therapieën, bewuster geworden van de noodzaak om de conflicten over [minderjarige] te stoppen én zij zijn zich bewuster geworden van het feit dat zij beiden een aandeel in het ontstaan van dergelijke conflicten hebben. Het valt enerzijds te betreuren dat dit (nog) niet heeft geleid tot een tussen hen gedeeld inzicht in wat in [minderjarige]’s belang is, waar zij het beste hoofdverblijf kan hebben en welke zorgregeling voor haar dient te gelden, maar anderzijds was, gelet op de voorgeschiedenis, niet te verwachten dat partijen inmiddels in staat zouden zijn alle voor [minderjarige] van belang zijnde afspraken in goede harmonie te maken.

Met de Raad en partijen is het hof van oordeel dat van belang is dat [minderjarige] thans duidelijkheid wordt verschaft over waar zij verder zal wonen en naar school zal gaan en hoe de zorgregeling er uit zal zien. Het hof acht deze duidelijkheid van belang om rust te creëren, zowel voor [minderjarige], als voor partijen, die vervolgens, uitgaande van de beslissing van het hof, (verder) herstel van hun verhouding als ouders van [minderjarige] dienen te bevorderen.

3.6.

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] overweegt het hof als volgt.

[minderjarige] is sedert haar geboorte een substantieel deel van de tijd door de man verzorgd en opgevoed. Zo heeft hij de eerste (drie à vier) maanden na haar geboorte voor haar gezorgd en heeft hij sedert de verbreking van de relatie met de vrouw, op de onderbreking van november 2013 tot mei 2014 na, steeds een ruime zorgregeling gehad. Dit neemt echter niet weg dat de vrouw tot nog toe de meeste tijd voor [minderjarige] heeft gezorgd. De man ging er dan ook aanvankelijk mee akkoord dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zou hebben, zo blijkt ook uit de in deze procedure bestreden beschikking. Daar komt bij dat [minderjarige] sinds september 2014 in [plaats] naar school gaat. Partijen en de gezinsmanager zijn het erover eens dat het goed gaat op school, behalve dat [minderjarige] ook daar met haar gedrag laat zien last te hebben van een loyaliteitsconflict. [minderjarige] heeft in [plaats] de gebruikelijke contacten met (school)vriendjes en vriendinnetjes en met het (familie)netwerk van de vrouw. Uit het verslag van basisschool [naam] van januari 2015 blijkt onder meer dat [minderjarige] enige tijd nodig heeft gehad om te wennen, dat de omgang tussen [minderjarige] en de andere kinderen positief is en dat bij de groepsbespreking op 9 februari 2015 is besloten om te stoppen met het geven van extra hulp in het kader van de VVE-indicatie, vanwege de vooruitgang van [minderjarige]. In verband met de schoolgang heeft zij sedert september 2014 een beperktere zorgregeling met de man dan voorheen.

Het centrum van [minderjarige]’s leven is, gelet op het voorgaande, in [plaats] komen te liggen. De Raad, JbG en de man zijn van mening dat [minderjarige]’s belang desondanks niet wordt geschaad als de continuïteit hiervan wordt doorbroken en zij alsnog bij de man zou gaan wonen. Zij achten [minderjarige] in staat een dergelijke ingrijpende en belastende verandering zonder schade te kunnen doorstaan en achten deze noodzakelijk omdat naar hun mening de man stabieler is dan vrouw, meer open staat voor advies van de gezinsmanager en naar zich laat aanzien beter in staat zal zijn om [minderjarige] een onbelast contact met de vrouw te laten onderhouden dan omgekeerd.

Het hof volgt de adviezen van de Raad en JbG en het standpunt van de man hierover niet. Daartoe overweegt het hof dat, naast het gegeven dat het centrum van [minderjarige]’s leven zich inmiddels in [plaats] bevindt, de Raad ook heeft aangegeven dat beide ouders in staat zijn voor [minderjarige] te zorgen en dat [minderjarige] aan beide ouders is gehecht. De vrouw is derhalve, evenals de man, in staat om [minderjarige] goed te verzorgen en op te voeden. Dit wordt ook bevestigd door het onder 3.4. aangehaalde verslag van [naam]. JbG heeft ter zitting in hoger beroep van 9 april 2015 aangegeven zich zorgen te maken over [minderjarige]’s ontwikkeling, maar het hof constateert dat deze zorgen zijn gebaseerd op het gesignaleerde loyaliteitsconflict en niet op recente observaties van de gezinsmanager of JbG zelf. Zoals hiervoor weergegeven, is de grootste (ontwikkelings)bedreiging voor [minderjarige] het geëscaleerde conflict tussen haar ouders over haar woonplaats en zorgregeling. Dit leidt bij haar tot loyaliteitsproblemen. Naar het oordeel van het hof hebben partijen in het ontstaan van deze dreiging en problemen beiden hun aandeel gehad. Dat de man, meer dan de vrouw, bereid en in staat is geweest om de gerezen conflicten te de-escaleren en verminderen, is niet gebleken. Daarbij is het hof er niet van overtuigd geraakt dat de man, beter dan de vrouw, in staat zal zijn om [minderjarige] niet (langer) te belasten met de strijd tussen haar ouders.

Gebleken is wel dat partijen zich beiden inspannen om de houding ten opzichte van de ander te veranderen. Dat dit gepaard gaat met vallen en opstaan, is, gelet op de mate van escalatie van het onderlinge conflict, niet verwonderlijk. De vrouw is sinds mei 2014 weer in staat om [minderjarige] regelmatig en onbegeleid contact met de man te laten hebben gedurende de weekenden, vakanties en woensdagmiddagen. Weliswaar zijn er sindsdien nog herhaaldelijk discussies tussen partijen gevoerd over de uitvoering van de zorgregeling, maar doorgaans verloopt deze volgens afspraak en planning. Het hof ziet in ieder geval sedert mei 2014 geen verslechtering van de situatie of nieuwe ernstige escalatie van conflicten. Daarbij heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep van 9 april 2015 aangegeven dat zij het nu goed vindt gaan met [minderjarige], dat zij geen nadere onderzoeken en therapieën voor haar nodig vindt en dat zij zich niet langer zorgen maakt over [minderjarige]’s gedrag. Noch uit de stukken in het dossier, noch in hetgeen de man tijdens de laatste mondelinge behandeling heeft aangevoerd komt naar voren dat vrouw het gedrag van [minderjarige] thans nog problematiseert of hulpverleners met haar afloopt.

De wenselijkheid van een wijziging van [minderjarige]’s hoofdverblijfplaats is naar het oordeel van het hof volgens de redenering van de man, de Raad en JbG enkel gebaseerd op de veronderstelling dat [minderjarige] bij de man “minder belast” zal opgroeien, oftewel dat verondersteld wordt dat het voor [minderjarige] bij de man gemakkelijker zal zijn om zich te onttrekken aan de tussen haar ouders bestaande spanningen. Nog daargelaten dat, zoals hiervoor is weergegeven, de man, evenzeer als de vrouw, een aandeel heeft in de in het verleden ontstane conflicten, is het hoe dan ook de vraag in hoeverre deze veronderstelling klopt. De man geeft er immers nog steeds blijk van, bijvoorbeeld in de in hoger beroep laatstelijk overgelegde stukken en zijn uitlatingen ter zitting in hoger beroep van 9 april 2015, dat zijn vertrouwen in de vrouw gering is en dat zijn vertrouwen in het herstel van werkbare onderlinge verhoudingen nog (lang) niet is hersteld. Het hof ziet dan ook niet dat er enige zekerheid bestaat dat het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man kan bijdragen aan een harmonieuzere verhouding tussen partijen. Uiteraard valt ook niet te voorspellen welke uitwerking een voortgezet verblijf van [minderjarige] in [plaats] zal hebben op de onderlinge verhoudingen. Gelet op de onzekere en onvoorspelbare gevolgen die een beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] zal hebben voor de verdere de-escalatie van de tussen partijen bestaande conflicten, is het hof van oordeel dat het gegeven dat de vrouw [minderjarige] het grootste deel van de tijd heeft verzorgd en derhalve haar hoofdopvoeder is, alsmede het feit dat [minderjarige] inmiddels in [plaats] naar school gaat en daar sinds geruime tijd het centrum van haar leven heeft, in dezen van doorslaggevend belang moet worden geacht.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw het meest in het belang van [minderjarige] is. Dit leidt tot de conclusie dat het hof het verzoek van de man tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem zal afwijzen.

Dat de man adviezen van de gezinsmanager beter dan de vrouw lijkt te accepteren en dat de vrouw discussies is aangegaan met JbG, de Raad en het OM (onder meer door klachten in te dienen), brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het hof beschouwt deze houding van de vrouw jegens genoemde instanties als sterk bepaald door haar angst om [minderjarige] kwijt te raken en de daardoor gevoelde noodzaak om stellingen van de man te ontkrachten waar zij het idee had dat deze zonder meer door de genoemde instanties werden gevolgd. Het hof verwacht van de vrouw dat zij, nu de hoofdverblijfplaats bij haar komt vast te staan, voortaan loyaal mee zal werken aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige].

3.7.

De vrouw heeft, na wijziging van haar aanvankelijke verzoeken, verzocht om, in het geval de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar zal zijn, de volgende zorgregeling tussen [minderjarige] en de man vast te stellen:

o in de oneven weken haalt de man [minderjarige] op vrijdag om 12.00 uur uit school in [plaats] en brengt haar op zondag naar de vrouw om uiterlijk 19.00 uur;

o in de even weken haalt de man [minderjarige] uit school op woensdagmiddag om 12.15 uur en brengt haar naar de vrouw om 19.00 uur;

o indien [minderjarige] op vrijdag vrij is van school brengt de vrouw [minderjarige] naar de man in [plaats] om 09.30 uur;

o indien het hof beslist om de andere vrije middagen van school (13.15 uur - 15.30 uur) bij helfte te verdelen verzoekt de vrouw rekening te houden met de turnles van [minderjarige] op dinsdagmiddag bij de vrouw van 15.45 uur tot 16.45 uur;

o de man betaalt een benzinekostenvergoeding aan de vrouw van € 20,- per keer dat zij [minderjarige] vanuit [plaats] naar [plaats] brengt;

o de vakantie- en feestdagen worden bij helfte verdeeld;

o de vrouw heeft in de even jaren de eerste keus ten aanzien van de zomervakantie en de man in de oneven jaren;

o [minderjarige] viert kerst in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;

o [minderjarige] viert oud & nieuw in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;

o [minderjarige] viert haar verjaardag in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man (ingaande dag ervoor om 18.30 uur tot dag erna 10.00 uur);

o het vonnis van 2 november 2011 betreffende de verjaardagen van de ouders en de grootouders wordt aangepast aan de schoolgang en schooltijden van [minderjarige] of wordt gevierd in het eigen omgangsweekend;

o ouders informeren elkaar iedere twee weken en voor de overdracht per email over [minderjarige] en haar welzijn.

De man verzoekt een zorgregeling te bepalen waarbij hij [minderjarige], naast de weekendregeling, iedere woensdag om 12.15 uur ophaalt van school en om 19.00 uur na het avondeten bij de vrouw terugbrengt. Daarnaast verzoekt de man om de reguliere schoolvakanties bij helfte te verdelen, met handhaving van de keuzemogelijkheid voor de eerste of tweede helft van de zomervakantie in de even respectievelijk oneven jaren, voor de vrouw respectievelijk de man.

3.8

Het hof overweegt omtrent de zorgregeling dat zowel JbG als partijen hebben verzocht een duidelijke en gedetailleerde regeling vast te leggen. Met name de uitleg van de eerder vastgelegde en (aanvullend) afgesproken zorgregeling heeft namelijk na de laatste beschikking van het hof nog voor discussie tussen partijen gezorgd. Het hof ziet hierin aanleiding om in het belang van [minderjarige] een zorgregeling vast te stellen als hierna te bepalen, maar overweegt daarbij dat een rechterlijke beslissing niet kan voorzien in een - tot de meerderjarigheid van [minderjarige] - voor alle situaties sluitende zorgregeling. Op partijen blijft derhalve de verantwoordelijkheid rusten om zich redelijk jegens elkaar op te stellen in de gevallen waarin de vastgelegde regeling onverhoopt niet voorziet. De door het hof te bepalen zorgregeling komt in grote lijnen overeen met de verzoeken van de vrouw zoals hiervoor onder 3.7. weergegeven. De man heeft zich tegen deze verzoeken van de vrouw niet (langer) verweerd, met uitzondering van het verzoek betreffende de woensdagmiddag en het verzoek betreffende de reiskostenvergoeding. Met de vrouw is het hof van oordeel dat een zorgregeling zoals die inmiddels tot stand gekomen is, waarbij [minderjarige] eenmaal per twee weken in het weekend en eenmaal per twee weken op woensdagmiddag bij de man verblijft, het meest in het belang van [minderjarige] moet worden geacht. Het hof is in dit verband van oordeel dat het voor [minderjarige], gelet op haar jonge leeftijd, van belang is dat zij een zekere mate van rust tijdens de schoolweek ervaart en op woensdagmiddag ook regelmatig met haar schoolvriend(innet)jes in [plaats] kan spelen. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man een benzinekostenvergoeding aan de vrouw betaalt van € 20,- per keer dat zij [minderjarige] vanuit [plaats] naar [plaats] brengt, zal worden afgewezen nu het hof daartoe onvoldoende aanleiding ziet en de man reeds het merendeel van het halen en brengen van [minderjarige] voor zijn rekening neemt.

3.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij een zorgregeling is bepaald en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt een zorgregeling tussen de man en [minderjarige] waarbij:

  • -

    [minderjarige] in de oneven weken op vrijdag 12.00 uur door de man uit school wordt gehaald en op zondag 19.00 uur bij de vrouw terug wordt gebracht,

  • -

    indien zij in de oneven weken op vrijdag vrij is van school door de vrouw om 9.30 uur naar de man in [plaats] wordt gebracht;

  • -

    [minderjarige] in de even weken op woensdag van 12.15 uur door de man uit school wordt gehaald en om 19.00 uur bij de vrouw terug wordt gebracht;

  • -

    de reguliere schoolvakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld, waarbij:

o de vrouw in de even jaren de eerste keuze ten aanzien van de zomervakantie heeft en de man in de oneven jaren;

o [minderjarige] kerst in de oneven jaren bij de man viert en in de even jaren bij de vrouw;

o [minderjarige] oud & nieuw in de oneven jaren bij de vrouw viert en in de even jaren bij de man;

o [minderjarige] haar verjaardag in de oneven jaren bij de vrouw viert en in de even jaren bij de man (ingaande de dag ervoor om 18.30 uur tot de dag erna 10.00 uur);

o het verblijf van [minderjarige] bij de verjaardagen van de ouders en de grootouders wordt aangepast aan de schoolgang en schooltijden van [minderjarige] of deze verjaardagen worden gevierd in het eigen (omgangs)weekend;

bepaalt dat ouders elkaar iedere twee weken en voor de overdracht per email informeren over [minderjarige] en haar welzijn;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.F.G.H. Beckers, C.E. Buitendijk en P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2015.