Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:1919

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
200.036.383-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 5 februari 2013. Wetenschap van gebreken aan schip bij scheepsmakelaar niet bewezen. Wel ontbinding van overeenkomst met expertisebureau, wegens wanprestatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.036.383/01

zaaknummer rechtbank (Noord-Holland): 82877 / HA ZA 05-845

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 mei 2015

inzake

[APPELLANT] ,

wonend te [woonplaats],

advocaat: mr. M.J. van Dam te Rotterdam,

appellant,

tegen

1 [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonend te [woonplaats], en

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonend te [woonplaats],

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam,

3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3],

wonend te [woonplaats],

advocaat: mr. M.F. Hilberdink te Amsterdam,

4. de vennootschap onder firma

[GEÏNTIMEERDE SUB 4] ,

gevestigd te [plaats], en

5. [GEÏNTIMEERDE SUB 5],

wonend te [woonplaats],

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam,

geïntimeerden.

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd. Geïntimeerden worden gezamenlijk als [geïntimeerden] aangeduid, terwijl geïntimeerden sub 1 en 2 tezamen [geïntimeerde sub 1 en 2] (in enkelvoud) worden genoemd en geïntimeerde sub 3 als [geïntimeerde sub 3] en geïntimeerden sub 4 en 5 als respectievelijk [geïntimeerde sub 4 en 5] worden aangeduid.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Voor het verloop van het geding tot het tussenarrest van 5 februari 2013 verwijst het hof naar dat arrest.

Ingevolge voornoemd tussenarrest zijn op 27 mei 2013 en op 13 januari 2014 een getuigenverhoren aan de zijde van [appellant] gehouden, waarvan in beide gevallen proces-verbaal is opgemaakt.

Daarna heeft [appellant] een memorie na enquête en hebben [geïntimeerde sub 1 en 2], [geïntimeerde sub 3] alsmede [geïntimeerde sub 4 en 5] elk een antwoordmemorie genomen.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1.

Het hof heeft in zijn genoemde tussenarrest [appellant] toegelaten tot het bewijs van de stelling dat [geïntimeerde sub 3] wist althans heeft moeten weten dat het zeiljacht was behept met wezenlijke gebreken die een gevaar opleveren en dat deze wetenschap van [geïntimeerde sub 3] in de gegeven omstandigheden aan [geïntimeerde sub 1 en 2] kan worden toegerekend.

2.2.

Ter voldoening aan deze bewijslevering heeft [appellant] achtereenvolgens [geïntimeerde sub 3], [X], [Y], [Z] en [A] als getuigen voorgebracht.

2.3.

[geïntimeerden] hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om getuigen in tegengetuigenverhoor te doen horen.

2.4.

Het hof komt tot de volgende bewijswaardering.

2.5.

Het hof stelt allereerst vast dat de getuige [geïntimeerde sub 3] zelf heeft verklaard dat hij voordat [appellant] het zeiljacht in 2004 kocht, niet op de hoogte was van het feit dat dit was behept met wezenlijke gebreken die een gevaar opleveren. Het hof stelt voorts vast dat geen van de overige getuigen heeft verklaard dat hij [geïntimeerde sub 3] voordien van die omstandigheid op de hoogte heeft gesteld of dat [geïntimeerde sub 3] daarvan voordien op andere wijze kennis had of moet hebben gehad. Die vaststellingen baseert het hof op het hierna in rechtsoverweging 2.6 tot en met 2.8 overwogene.

2.6.

De getuige [geïntimeerde sub 3] zelf heeft onder meer verklaard dat hij in 1988, een jaar voordat [B] het zeiljacht kocht, met [B] heeft gesproken op een scheepsbeurs in Hamburg, maar nadien geen contact met [B] heeft onderhouden, dat, voor zover hij ten tijde van het optreden van de oorlogsschade aan het zeiljacht (omstreeks 1991) al werkzaam was, het voormalige Joegoslavië – waar die schade werd toegebracht – in elk geval niet zijn werkgebied was, dat hij op dat moment ook niet als verzekeringsexpert van Panthenius door deze laatste bij het zeiljacht en de daaraan toegebrachte schade is betrokken en dat [B] hem in 1998 bij verkoop van het zeiljacht aan [geïntimeerde sub 1 en 2] niet heeft verteld dat het schip was beschadigd.

2.7.

De getuige [Z] (destijds directeur van de bouwwerf Conyplex), die heeft verklaard wel bekend te zijn geraakt met het feit dat het zeiljacht omstreeks 1991 oorlogsschade heeft opgelopen, omdat [B] hem rond die tijd op een beurs over die schade en de voorgenomen reparatie ervan in Italië heeft verteld, heeft tevens verklaard dat hij niet meer weet of [geïntimeerde sub 3] bij dit gesprek aanwezig is geweest, maar dat hij denkt dat dit niet het geval was, en dat hij, [Z], hierover vervolgens met niemand, dus ook niet met [geïntimeerde sub 3], heeft gesproken. Voorts heeft [Z] verklaard dat hij in 1998 bij de verkoop van het zeiljacht door [B] aan [geïntimeerde sub 1 en 2] en de aankoop door [B] van een nieuw schip bij bouwwerf Conyplex, uitsluitend contact heeft gehad met [X] (destijds directeur van Contest Brokerage), en niet met [geïntimeerde sub 3]. Noch uit de verklaring van [Z], noch uit die van een van de andere getuigen, kan worden afgeleid dat [Z] ten tijde van de verkoop van het zeiljacht door [geïntimeerde sub 1 en 2] aan [appellant] contact met [geïntimeerde sub 3] heeft gehad, laat staan [geïntimeerde sub 3] op enigerlei moment op de hoogte heeft gebracht van wat hij wist omtrent de oorlogsschade aan het zeiljacht.

2.8.

Uit de verklaringen van de getuigen [Y] en [A] kan worden afgeleid dat na het intreden van de schade aan het zeiljacht enkele medewerkers van bouwwerf Conyplex, onder wie [Y], bekend zijn geraakt met het feit dat het zeiljacht oorlogsschade had opgelopen, maar niet is komen vast te staan dat de toen circulerende informatie over, en foto van, het gehavende schip aan het dossier van Contest over het zeiljacht is toegevoegd. In dit verband is overigens ook relevant dat de getuige [X] heeft verklaard dat bij Contest geen volgsysteem bestond van schepen die bij haar waren gebouwd. De getuigen [Y] en [A] hebben voorts verklaard dat zij hierover nooit contact hebben gehad met [geïntimeerde sub 3] en evenmin heeft een van de getuigen verklaard dat andere werknemers van Conyplex die op de hoogte waren van de oorlogsschade aan het zeiljacht, daarover met [geïntimeerde sub 3] hebben gesproken. Uit de verklaringen van de getuigen [Y] en [A] kan voorts worden afgeleid dat eerst op het moment dat het zeiljacht geruime tijd na aankoop daarvan door [appellant] in Nederland was gearriveerd en de schadeplekken waren ontdekt, voor de desbetreffende werknemers duidelijk is geworden dat het hier ging om het schip waaromtrent zij destijds hadden begrepen dat het oorlogsschade had opgelopen. Ook uit de verklaring van de getuige [X] kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerde sub 3] voorafgaand aan de verkoop van het zeiljacht door [geïntimeerde sub 1 en 2] aan [appellant] via [X] op de hoogte is geraakt van de oorlogsschade aan dit schip. [X] heeft immers verklaard dat hij niet bekend is geweest met die schade totdat Winterhoff, na aankoop van het schip door [appellant], op de werf van Medemblik Yacht Service oneffenheden aan het schip constateerde. [X] heeft voorts verklaard dat hij eerst na die ontdekking door Winterhoff contact daaromtrent met [geïntimeerde sub 3] heeft opgenomen, zodat deze in elk geval niet op een eerder moment via [X] op de hoogte kan zijn geraakt van de schade aan het schip.

2.9.

Voor zover [appellant] heeft betoogd dat [geïntimeerde sub 3] zelf de oorlogsschade had moeten ontdekken op grond van de eigen controles die hij aan het zeiljacht heeft uitgevoerd, overweegt het hof als volgt. Met betrekking tot de inspecties althans bezichtigingen die [geïntimeerde sub 3] in 1998 en 2004 heeft uitgevoerd aan het zeiljacht heeft [geïntimeerde sub 3] allereerst verklaard dat hij daarbij de oorlogsschade of reparaties daarvan niet heeft opgemerkt. [geïntimeerde sub 3] heeft, toen hem bij gelegenheid van zijn verhoor als getuige foto’s van de schadeplekken werden voorgehouden, ook ontkend dat hij deze zelf al op een eerder moment had waargenomen, behoudens voor zover het ging om enkele gebreken die bij alle Contest-boten voorkomen en enkele gebreken die tot verlaging van de koopprijs hebben geleid. Voorts heeft [geïntimeerde sub 3] verklaard dat hij bij zijn inspectie van het zeiljacht op osmose, in 1998, de meest eenvoudige methode heeft gebruikt en geen oneffenheden heeft waargenomen. Niet is komen vast te staan dat aanleiding voor [geïntimeerde sub 3] bestond om op dat moment een andere methode te gebruiken of dat het gebruik van deze methode tot het ontdekken van de oneffenheden had moeten leiden. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat [appellant] niet heeft betwist dat [geïntimeerde sub 3] het zeiljacht op dat moment in beginsel voor zichzelf wilde kopen en dat hij zowel in 1998 als 2004 niet als expert was ingeschakeld die naar (bekende of vermoede) schade op zoek was, maar als scheepsmakelaar optrad. Daar komt nog bij dat vaststaat dat het zeiljacht in de loop der jaren, en voordat [appellant] het schip kocht, door een viertal experts is onderzocht die geen van alle de oorlogsschade en de reparatie daarvan hebben geconstateerd. Het hof verwijst in dit verband onder meer naar het rapport van [C] van 9 juli 1998 (productie E bij conclusie van antwoord van [geïntimeerde sub 3]), het taxatierapport van PolyExpert van 18 juni 2001 (productie G bij conclusie van antwoord van [geïntimeerde sub 3], productie 3 bij conclusie van antwoord van [geïntimeerde sub 1 en 2]) en de taxatie door Pronautique van 23 april 2004 (productie 4 bij conclusie van antwoord van [geïntimeerde sub 1 en 2]). Vaststaat dat het zeiljacht, toen het na aankoop door [appellant] op de werf van Medemblik Yacht Service werd onderzocht, op het droge stond en onder TL-buizen is geplaatst, en dat volgens de getuige [A] de schadeplekken ook toen nog zeer moeilijk en slechts met een “geoefend oog” waarneembaar waren, waarbij bovendien bepaalde delen van de binnenbetimmering van het schip moesten worden verwijderd om de desbetreffende plekken te kunnen zien. Blijkens het hiervoor onder 2.5 overwogene moet ervan worden uitgegaan dat [geïntimeerde sub 3], voordat [appellant] het zeiljacht in 2004 kocht, niet op de hoogte was van het feit dat dit was behept met wezenlijke gebreken die een gevaar opleveren. Op grond van het voorgaande kan voorts niet de conclusie worden getrokken dat [geïntimeerde sub 3] zelf de oorlogsschade had moeten ontdekken op grond van de eigen controles die hij aan het zeiljacht heeft uitgevoerd.

2.10.

Voor zover [appellant] heeft betoogd dat [geïntimeerde sub 3] met de oorlogsschade bekend had moeten zijn op grond van het feit dat in het Duitse tijdschrift ‘Die Yacht’ in 1992 een artikel heeft gestaan over het zeiljacht waarin in niet mis te verstane bewoordingen de oorlogsschade aan het schip werd beschreven, overweegt het hof als volgt. [appellant] baseert deze stelling hierop dat als [geïntimeerde sub 3] destijds al geen abonnement op dit blad heeft gehad, het ervoor moet worden gehouden dat hij dit blad ontving, omdat hij daarin adverteerde en niet vol te houden is dat [geïntimeerde sub 3], die Duits spreekt en leest, ‘Die Yacht’ niet zou lezen. Het hof kan [appellant] niet in dit betoog volgen. Allereerst heeft [geïntimeerde sub 3] als getuige verklaard dat hij niet op het tijdschrift ‘Die Yacht’ is geabonneerd. Voorts blijkt uit de door [appellant] bij memorie na enquête overgelegde producties (7, 8 en 9) evenmin dat [geïntimeerde sub 3] in 1992 geabonneerd was op genoemd tijdschrift dan wel dit tijdschrift destijds heeft ontvangen althans het desbetreffende artikel zou kennen. De desbetreffende producties betreffen immers een advertentie op de site van [geïntimeerde sub 3] zelf en twee advertenties van schepen van [geïntimeerde sub 3] op de internetsite van ‘Die Yacht’, die dateren van 24 maart 2014.

2.11.

Uit al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, concludeert het hof dat [appellant] niet is geslaagd in het bewijs van de stelling dat [geïntimeerde sub 3] wist althans heeft moeten weten dat het zeiljacht was behept met wezenlijke gebreken die een gevaar opleveren, zodat de vraag of deze wetenschap van [geïntimeerde sub 3] in de gegeven omstandigheden aan [geïntimeerde sub 1 en 2] kan worden toegerekend, geen bespreking meer behoeft.

2.12.

Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 3.15 van het tussenarrest van 5 februari 2013 is overwogen, betekent het voorgaande dat de vordering van [appellant] tegen [geïntimeerde sub 3] uit onrechtmatige daad en de vordering van [appellant] tegen [geïntimeerde sub 1 en 2] tot ontbinding van de koopovereenkomst en schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming, gezien de daarop betrekking hebbende bepalingen in de koopovereenkomst, moeten worden afgewezen.

2.13.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 14 maart 2007 de vordering van [appellant] tegen [geïntimeerde sub 1 en 2] tot vernietiging van de koopovereenkomst voor zover gebaseerd op bedrog, onbesproken gelaten. Daartegen heeft [appellant] zijn zesde grief gericht, die in zoverre slaagt. Niettemin kan deze grief niet tot vernietiging van dit vonnis leiden, omdat [appellant] zijn stellingen in dit opzicht onvoldoende heeft onderbouwd.

2.14.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 14 maart 2007 de vordering van [appellant] tegen [geïntimeerde sub 1 en 2] tot vernietiging van de koopovereenkomst voor zover gebaseerd op dwaling, afgewezen. Daartegen heeft [appellant] zijn vierde grief gericht. Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat de grief feitelijke grondslag mist voor zover daarmee wordt betoogd dat de rechtbank heeft overwogen dat [appellant] geen onderzoek heeft gedaan en dat de dwaling daarom voor zijn rekening dient te blijven, hoewel de rechtbank in de daarop volgende overweging onderkent dat een aankoopkeuring door [geïntimeerde sub 5] is verricht. Het hof begrijpt de desbetreffende rechtsoverweging (4.11) van de rechtbank echter aldus dat de rechtbank tot uitdrukking brengt dat, gelet op de inhoud van de koopovereenkomst (in het bijzonder section 4.1 tot en met 4.7), op [appellant] een onderzoeksplicht rustte, dat als [appellant] geen onderzoek zou doen, hij zich niet op dwaling zou kunnen beroepen, en dat, nu hij wel onderzoek heeft gedaan maar dit geen resultaat heeft opgeleverd (dat wil zeggen de oorlogsschade niet is ontdekt), de dwaling voor zijn rekening blijft, tenzij sprake was van ernstige tot gevaar leidende gebreken waarvan [geïntimeerde sub 1 en 2] kennis had, in welk geval dus wel een beroep op dwaling zou kunnen worden gedaan door [appellant]. Het hof onderschrijft deze (aldus begrepen) overweging van de rechtbank, waarbij het onder ‘ernstige tot gevaar leidende gebreken’ verstaat wezenlijke gebreken die een gevaar opleveren. Hierop is, zo begrijpt het hof, het beroep op dwaling van [appellant] ook gebaseerd (zie de dagvaarding in eerste aanleg onder 40). Daarvan uitgaande verwerpt het hof het beroep van [appellant] op dwaling, omdat het in zijn tussenarrest (onder 3.15) reeds heeft overwogen dat ervan moet worden uitgegaan dat [geïntimeerde sub 1 en 2] in beginsel niet wist dat het zeiljacht was behept met wezenlijke gebreken die een gevaar opleveren en hiervoor (onder 2.11) heeft overwogen dat het [appellant] niet geslaagd acht in het bewijs van de stelling dat [geïntimeerde sub 3] wist althans heeft moeten weten dat het zeiljacht was behept met wezenlijke gebreken die een gevaar opleveren, zodat de vraag of deze wetenschap van [geïntimeerde sub 3] in de gegeven omstandigheden aan [geïntimeerde sub 1 en 2] kan worden toegerekend, buiten bespreking kan worden gelaten. Voor zover [appellant] zich in dit verband erop heeft beroepen dat sprake is van een geval van wederzijdse dwaling, wijst het hof dat betoog af omdat ook die dwaling, gezien de bepalingen in de koopovereenkomst en de overige omstandigheden van het onderhavige geval, voor rekening van [appellant] moet blijven.

2.15.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [appellant] voor zover gericht tegen [geïntimeerde sub 1 en 2] en [geïntimeerde sub 3] dient te worden afgewezen en dat de bestreden vonnissen van 14 maart 2007 en 28 januari 2009 zullen worden bekrachtigd voor zover deze zijn gewezen tussen enerzijds [appellant] en anderzijds [geïntimeerde sub 1 en 2] en [geïntimeerde sub 3]. [appellant] zal ten opzichte van [geïntimeerde sub 1 en 2] en [geïntimeerde sub 3] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep.

2.16.

Het hof heeft in zijn tussenarrest van 5 februari 2013 reeds geconcludeerd (onder 3.21) dat Expertisebureau [geïntimeerde sub 5] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met betrekking tot de aankoopexpertise, en dat die tekortkoming de ontbinding van die overeenkomst alsmede schadevergoeding door [geïntimeerde sub 4 en 5] rechtvaardigt. Het hof zal de vordering van [appellant] tot ontbinding van die overeenkomst dan ook toewijzen, evenals de daaraan gekoppelde vordering tot terugbetaling van het door [appellant] ter zake betaalde bedrag ad € 1.685,75 (met wettelijke rente). De aan ontbinding van die overeenkomst door [appellant] tevens gekoppelde vordering tot schadevergoeding komt in dit geding niet voor toewijzing in aanmerking, omdat het debat tussen partijen op dit punt onvoldragen is gebleven. Omdat het hof de mogelijkheid van schade echter wel aannemelijk acht, is de subsidiaire vordering van [appellant] tot schadevergoeding op te maken bij staat wel toewijsbaar. Een en ander betekent dat de bestreden vonnissen van 14 maart 2007 en 28 januari 2009 zullen worden vernietigd voor zover deze zijn gewezen tussen enerzijds [appellant] en anderzijds [geïntimeerde sub 4 en 5] en dat de vorderingen van [appellant] alsnog zullen worden toegewezen als hierna geformuleerd. [geïntimeerde sub 4 en 5] zullen als de ten opzichte van [appellant] in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in beide instanties. Hieruit vloeit voort dat de vordering van [appellant] tot terugbetaling van door [geïntimeerde sub 4 en 5] van wat [appellant] op grond van het bestreden vonnis van 28 januari 2009 aan dezen ter zake van proceskosten heeft betaald (€ 10.584,=), eveneens voor toewijzing gereed ligt.

3 De beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn vordering in hoger beroep voor zover deze is gericht tegen de bestreden vonnissen van 11 januari 2006, 5 juli 2006 en 9 januari 2008;

vernietigt de vonnissen waarvan beroep van 14 maart 2007 en 28 januari 2009 voor zover gewezen tussen enerzijds [appellant] en anderzijds [geïntimeerde sub 4 en 5], en, in zoverre opnieuw recht doende:

ontbindt de overeenkomst met betrekking tot de aankoopexpertise tussen [appellant] en Expertisebureau [geïntimeerde sub 5];

veroordeelt [geïntimeerde sub 4 en 5] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 1.685,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat [appellant] dit bedrag aan [geïntimeerde sub 4 en 5] heeft betaald;

veroordeelt [geïntimeerde sub 4 en 5] tot betaling aan [appellant] van schadevergoeding op te maken bij staat;

veroordeelt [geïntimeerde sub 4 en 5] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [appellant] gevallen, op € 7.071,60 aan verschotten en op € 6.000,= aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [geïntimeerde sub 4 en 5] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [appellant] gevallen, op € 7.654,98 aan verschotten en op € 16.315,= aan salaris advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde sub 4 en 5] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 10.584,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat [appellant] dit bedrag aan [geïntimeerde sub 4 en 5] heeft betaald;

verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep van 14 maart 2007 en 28 januari 2009 voor zover gewezen tussen enerzijds [appellant] en anderzijds [geïntimeerde sub 1 en 2] en [geïntimeerde sub 3];

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerde sub 1 en 2] gevallen, op € 6.174,= aan verschotten en op € 14.683,50 aan salaris advocaat;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerde sub 3] gevallen, op nihil aan verschotten en op € 4.894,50 aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, A.M.A. Verscheure en J.E. Molenaar, en is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2015 door de rolraadsheer.