Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:1908

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
200.150.770-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARN:2010:1571
Na prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2012:BW6734
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verwijzing door Hoge Raad, machtiging tot uithuisplaatsing

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 422a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 19 mei 2015

Zaaknummer na verwijzing HR: 200.150.770/01

Zaaknummer eerste aanleg: 277897 / JE RK 09-2822

Zaaknummer hoger beroep: 200.060.651

Zaaknummer cassatie: 10/04073

Beslissing van de meervoudige familiekamer

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellante,

tegen

Samen Veilig Midden-Nederland (voorheen: Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht),

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de moeder en Samen Veilig genoemd.

1.2.

De Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) heeft bij beschikking van 10 augustus 2012 de beschikking van het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 15 juni 2010 in de zaak met zaaknummer 200.060.651 (hierna: de bestreden beschikking) vernietigd en heeft het geding verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

1.3.

Voor het verloop van de procedure tot de beschikking van de Hoge Raad verwijst het hof naar rechtsoverweging 1 uit voornoemde beschikking van de Hoge Raad en het hierna onder 2 en 3 vermelde.

1.4.

De moeder heeft op 13 mei 2014, 20 augustus 2014, 4 november 2014, 26 november 2014 en 4 december 2014 brieven ingediend. Zij heeft (per brief van 14 december 2014) op 5 januari 2015 een klacht ingediend.

1.5.

Het Platform Herstel Rechtsstaat heeft op 5 december 2014 een brief ingediend.

1.6.

De zaak is op 23 februari 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- Samen Veilig, vertegenwoordigd door de voormalige gezinsmanager en voormalige voogd van de na te noemen minderjarige [minderjarige].

1.8.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Uit de moeder is op [geboortedatum] 1996 […] (hierna: [minderjarige]) geboren. De moeder heeft alleen het gezag over hem uitgeoefend. [minderjarige] verblijft sinds 24 november 2003 (aanvankelijk op vrijwillige basis) in een pleeggezin.

2.2.

Bij beschikking van 13 juni 2007 van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht (hierna: de kinderrechter) is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Samen Veilig, welke ondertoezichtstelling nadien telkens is verlengd, laatstelijk (bij beschikking van 20 mei 2010) tot 19 september 2010.

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter van 20 december 2007 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, welke machtiging nadien telkens is verlengd, aanvankelijk tot 19 mei 2010 en laatstelijk (bij beschikking van 20 mei 2010) tot 19 september 2010.

2.4.

Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 23 juni 2010 is de moeder ontheven van het gezag over [minderjarige] en is Samen Veilig benoemd tot voogdes over hem.

Deze beschikking is bij beschikking van 16 augustus 2011 van het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, bekrachtigd. Het door de moeder hiertegen ingestelde cassatieberoep is bij beschikking van de Hoge Raad van 1 februari 2013 verworpen.

3 Het geschil

3.1.

De kinderrechter heeft, bij beschikking van 24 december 2009 en op verzoek van Samen Veilig, de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor verblijf pleeggezin 24 uurs, verlengd met ingang van 1 januari 2010 voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 19 mei 2010.

3.2.

De moeder heeft in hoger beroep (ingekomen ter griffie van het hof op 23 maart 2010) verzocht de beschikking van 24 december 2009 te vernietigen en een verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] per direct te weigeren.

3.3.

Samen Veilig heeft in zijn verweerschrift (ingekomen ter griffie van het hof op 16 april 2010) verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep althans de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3.4.

Bij beschikking van het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 15 juni 2010 is de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep, nu zij geen belang meer heeft bij een beslissing op haar verzoek in hoger beroep omdat de termijn van de in dit hoger beroep bestreden machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op 19 mei 2010 is verstreken.

3.5.

De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 10 augustus 2012 de bestreden beschikking vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing.

3.6.

De moeder heeft in de onder 1.4 genoemde brieven aangegeven dat zij wenst dat de zaak, na de verwijzing van de Hoge Raad, behandeld wordt, maar daarbij meegedeeld dat zij dit hof onbevoegd acht om deze zaak te behandelen.

4 De verdere beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ten aanzien van de bevoegdheid van dit hof om deze zaak verder te behandelen, overweegt het hof als volgt.

Ingevolge artikel 422a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt het geding door de Hoge Raad verwezen naar de rechter, wiens uitspraak vernietigd is, tenzij er overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 76 en 355 reden is tot verwijzing naar de rechter van eerste aanleg, of de Hoge Raad gebruik maakt van de hem in artikel 423, onder 2 Rv, gegeven bevoegdheid om het geding naar een ander gerechtshof te verwijzen. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 10 augustus 2012 onder 4 overwogen:

“De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 15 juni 2010;

verwijst het geding naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing.”

Gelet op deze beslissing van de Hoge Raad, dient dit hof deze zaak verder te behandelen en te beslissen. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat de rechter naar wie de Hoge Raad het geding heeft verwezen, het geding zelf verder moet behandelen en beslissen, zonder dit weer verder te verwijzen naar een andere rechter, tenzij de Hoge Raad bij de verwijzing met zoveel woorden de mogelijkheid tot verdere verwijzing heeft geopend (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2012:BU6510). Dit laatste is niet het geval, zodat dit hof derhalve bevoegd is.

4.2.

Ten aanzien van de beschikking van de Hoge Raad van 10 augustus 2012 overweegt het hof als volgt.

De Hoge Raad heeft in voornoemde beschikking het navolgende overwogen:

“3.2 Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 24 december 2009 is een eerder gegeven machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 19 mei 2010, zulks met ingang van 1 januari 2010.

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Het hof heeft haar bij beschikking van 15 juni 2010 niet-ontvankelijk verklaard in dit beroep op de grond dat zij daarbij geen belang meer had omdat de termijn van uithuisplaatsing inmiddels was verstreken.

3.3

Het hiertegen gerichte middel treft doel. In een geval als het onderhavige heeft de moeder, gelet op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en behoort haar mitsdien niet het procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken (HR 20 april 2012, LJN BV6484). De beschikking van het hof kan derhalve niet in stand blijven.”

4.3.

Aan het hof ligt na verwijzing door de Hoge Raad derhalve de vraag voor of de kinderrechter, bij beschikking van 24 december 2009, terecht en op juiste gronden de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 19 mei 2010, heeft verlengd.

4.4.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep op 23 februari 2015 is het volgende gebleken.

[minderjarige] is aanvankelijk gedurende vier jaar op vrijwillige basis uit huis geplaatst bij het pleeggezin, in verband met psychische problemen van de moeder. Sinds bij beschikking van 20 december 2007 een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend, heeft [minderjarige] in een gedwongen kader in het pleeggezin verbleven. [minderjarige] had in die periode te kampen met internaliserende gedragsproblemen en een loyaliteitsconflict. Samen Veilig heeft een traject tot thuisplaatsing van [minderjarige] ingezet, maar de daarbij horende hulpverlening heeft de moeder geweigerd en afgehouden. De moeder heeft voortdurend strijd geleverd en geweigerd met de hulpverlening samen te werken. Zij heeft consequent geweigerd met de pleegouders, de gezinsvoogd en pleegzorg in gesprek te gaan. Eind 2009 heeft Samen Veilig een poging gedaan om met hulp van bemiddeling een samenwerkingsrelatie met de moeder op te bouwen, maar de moeder heeft voor de start hiervan meermaals aangegeven niet mee te zullen werken. Zij heeft onder meer de publiciteit gezocht om de uithuisplaatsing van [minderjarige] aan de orde te stellen en affiches van [minderjarige] in zijn woonplaats verspreid met zijn foto en de tekst dat hij weg is dankzij jeugdzorg en de pleegouders.

Ten tijde van de beschikking van 24 december 2009 was [minderjarige] goed ingegroeid in het pleeggezin en hij ontwikkelde zich goed. Hij vond het ook fijn om bij de moeder te zijn.

[minderjarige] verblijft tot op heden in hetzelfde pleeggezin, dat in dezelfde buurt als de moeder woont. Hij heeft altijd veel contact met de moeder gehouden.

4.5.

Het hof overweegt als volgt.

Voldoende aannemelijk is geworden dat de moeder ten tijde van de beschikking van de kinderrechter van 24 december 2009 onvoldoende in staat was om [minderjarige] een stabiele opvoedomgeving te bieden. Zij weigerde consequent om met de hulpverlening samen te werken en in gesprek te gaan, hetgeen noodzakelijk was om een traject naar thuisplaatsing van [minderjarige] in te zetten. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de moeder er blijk van heeft gegeven onvoldoende rekening te houden met de belangen van [minderjarige], door bijvoorbeeld de publiciteit te zoeken met betrekking tot zijn uithuisplaatsing. Daar tegenover staat dat [minderjarige] zich goed ontwikkelde in het pleeggezin en daar goed ingegroeid was.

Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat de gronden voor verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling ten tijde van het geven van de beschikking van 24 december 2009 aanwezig waren.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en mr. J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. D.M. Jansen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2015.