Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:1844

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
200.152.814-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0655
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.152.814/01

zaak/rolnummer rechtbank Noord-Holland: 2395040 / CV 13-6669

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2015

inzake

VOORTMAN KANTOORMEUBELEN B.V.,

gevestigd te Purmerend,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. P.F. Keuchenius te Alkmaar,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE] ,

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. D.C. Coppens te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Voortman en [geïntimeerde] genoemd.

Voortman is bij dagvaarding van 11 juli 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, afdeling privaatrecht, sectie kanton, locatie Zaandam, (hierna: de kantonrechter), van 17 april 2014, gewezen tussen haar als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met één productie;

- memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel

appel;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 27 maart 2015 doen bepleiten door hun voornoemde raadslieden, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Voortman heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, in incidenteel appel tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarbij de omvang van het door Voortman te betalen bedrag is beperkt tot € 20.000,- en Voortman te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 30.075,55 ter zake van inkomensschade en een bedrag van € 1.414,94 (het hof leest; netto) ter zake van pensioenschade en, subsidiair, in het principaal appel tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Voortman in de proceskosten van het hoger beroep.

De memorie van antwoord in het incidentele appel strekt kennelijk tot verwerping daarvan.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis een aantal feiten vastgesteld. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum], is op 16 november 1970 bij Voortman in dienst getreden.

b. Vanaf zijn geboorte is [geïntimeerde] doof en verbaal gehandicapt.

c. Tot 2004 werd [geïntimeerde], die steeds ongeschoold werk heeft verricht, ingezet bij de montage van kasten, daarna was hij belast met inpakwerkzaamheden.

d. Omstreeks 1999 kreeg [geïntimeerde] ernstige rugklachten. In verband daarmee werd hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard. Hij ontvangt thans een WAO-uitkering ten bedrage van € 1.114,87 bruto per maand. [geïntimeerde] heeft zijn werkzaamheden in het kader van de Wet Rea gedurende 20 uur per week kunnen voortzetten. Daarmee verdiende hij laatstelijk bij Voortman € 1.091,- bruto per maand.

e. Sinds 2009 wordt Voortman geconfronteerd met een sterk teruglopende markt en toenemende verliezen.

f. Op 5 juni 2012 heeft Voortman op bedrijfseconomische gronden een ontslagvergunning aangevraagd voor zes werknemers, onder wie [geïntimeerde]. Het UWV heeft de vergunningen op 23 juli 2012 verleend.

g. Voortman heeft de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] bij brief van 23 juli 2012 opgezegd tegen 31 oktober 2012.

h. Bij wijze van ontslagvergoeding heeft Voortman een bedrag betaald gelijk aan één maandsalaris. Daarnaast kon [geïntimeerde] voor rekening van Voortman voor arbeidsbemiddeling gebruik maken van een Bijl & Reuser HR-Professionals.

3.2

[geïntimeerde] heeft gevorderd voor recht te verklaren dat het hem door Voortman gegeven ontslag kennelijk onredelijk is en Voortman deswege te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 25.000,- ter zake van inkomensderving en van € 1.414,94 wegens pensioenschade. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht gegeven en Voortman veroordeeld [geïntimeerde] een bedrag te betalen van € 20.000,-. Voortman is in de proceskosten veroordeeld. Tegen dit vonnis en de gronden waarop het berust richten de grieven van Voortman zich. Het incidentele appel van [geïntimeerde] strekt, na eiswijziging, tot veroordeling van Voortman tot betaling van een schadevergoeding van € 30.075,55 wegens inkomensderving en € 1.414,94 wegens pensioenschade.

3.3

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij stellen de vraag aan de orde of het door Voortman aan [geïntimeerde] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, zodat [geïntimeerde] wegens de gevolgen die het ontslag voor hem heeft een schadevergoeding ten laste van Voortman toekomt, alsmede de hoogte daarvan. Bij de beantwoording van deze vragen moeten alle omstandigheden zoals die zich niet later dan de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd hebben voorgedaan, in aanmerking worden genomen.

3.4

Aan de kant van Voortman wordt in aanmerking genomen dat zij onbestreden heeft gesteld dat bedrijfseconomische omstandigheden haar in de loop van 2012 hebben genoodzaakt de arbeidsovereenkomst met zes werknemers, onder wie [geïntimeerde], te beëindigen. Dat daarbij de keus heeft moeten vallen op [geïntimeerde] is door deze niet betwist. Het debat tussen partijen spitst zich erop toe of Voortman, door [geïntimeerde] onder de gegeven omstandigheden een vergoeding toe te kennen gelijk aan één maand salaris en hem in aanmerking te brengen voor de arbeidsbemiddeling als hiervoor vermeld, een adequate voorziening heeft getroffen.

3.5

Aan de kant van [geïntimeerde] gaat het hof uit van de volgende omstandigheden. [geïntimeerde] is meervoudig gehandicapt. Ten tijde van het eindigen van de arbeidsovereenkomst was [geïntimeerde] 60 en was hij bijna 42 jaar bij Voortman in dienst. Zijn arbeidsverleden moet als eenzijdig worden aangemerkt. Het hof acht het reeds op grond hiervan niet realistisch om aan te nemen dat [geïntimeerde] nog kansen op de arbeidsmarkt had. In verband daarmee komt het belang te ontvallen aan het verwijt van [geïntimeerde] dat Voortman door het ter beschikking stellen van de hiervoor bedoelde arbeidsbemiddeling zich ter zake onvoldoende heeft ingespannen. Hetzelfde geldt voor Voortmans tegenwerping dat [geïntimeerde] niet genoeg heeft gedaan om ander werk te vinden.

3.6

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de in de voorgaande alinea genoemde omstandigheden een bijzondere verantwoordelijkheid meebrachten voor Voortman als werkgever, ook waar het de afloop van de arbeidsrelatie betreft. Anders dan Voortman aanvoert wordt zij aldus niet ‘gestraft’ voor het feit dat zij [geïntimeerde], die reeds bij zijn indiensttreding een meervoudige handicap had, in dienst heeft genomen en gehouden. Voor zover Voortman betoogt dat zij, door [geïntimeerde] in haar bedrijf te laten werken, heeft voldaan aan haar maatschappelijke verplichting en juridische verplichtingen, ook bij het einde van de arbeidsovereenkomst, verwerpt het hof dat betoog. Als goed werkgever behoorde zij zich de belangen van [geïntimeerde] aan te trekken, zonder dat daarmee gezegd is dat zij daarmee het risico van de arbeidshandicap van [geïntimeerde] moet dragen. Ook zonder die beperking zou [geïntimeerde], gezien zijn leeftijd en eenzijdige arbeidsverleden, praktisch gesproken niet meer bemiddelbaar zijn geweest op de arbeidsmarkt.

3.7

Verder heeft Voortman aangevoerd dat als volgens de door [geïntimeerde] gehanteerde maatstaven ontslagvergoedingen hadden moeten worden verstrekt, aan de afgevloeide werknemers in totaal € 588.048,- had moeten worden betaald. Voortman miskent hierbij dat per individuele werknemer moet worden nagegaan of een vergoeding is geïndiceerd en zo ja, voor welk bedrag. Uit het door haar als productie 6 bij de conclusie van antwoord overgelegde overzicht blijkt dat [geïntimeerde] niet alleen het oudst was van de zes ontslagen werknemers maar ook dat de duur van zijn dienstverband vrijwel het dubbele bedraagt van degene met het op één na langste dienstverband. Reeds daarom gaat de extrapolatie van Voortman die resulteert in de door haar genoemde (fictieve) schadevergoeding van € 588.048,- niet op.

3.8

Waar Voortman een beroep erop doet dat [geïntimeerde] zich ten onrechte in een uitzonderingspositie heeft geplaatst door in tegenstelling tot zijn ontslagen collega’s aanspraak te maken op een vergoeding, kan dat betoog niet als juist worden aanvaard. Het stond [geïntimeerde] vrij te procederen zoals hij heeft gedaan. Voortman stelt overigens niet in welk opzicht zij daardoor zou zijn geschaad.

3.9

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt het hof in navolging van de kantonrechter tot het oordeel dat Voortman een financiële voorziening voor [geïntimeerde] had moeten treffen die verder gaat dan de aangeboden arbeidsbemiddeling en de betaling van één maandsalaris. Dat Voortman gezien haar financiële positie slechts hiertoe in staat was, is niet aannemelijk geworden. In het onderhavige geval laat de schadevergoeding zich niet begroten of schatten maar zal het hof deze naar billijkheid vaststellen op € 12.500,- bruto. Het hof is zich ten volle bewust van het tot op zekere hoogte arbitraire karakter van de mate waarin, zoals het in de wetsgeschiedenis wordt genoemd, een ‘pleister op de wonde’ moet worden aangebracht, maar meent dat met genoemd bedrag moet worden volstaan. Daarmee wordt [geïntimeerde] in staat gesteld zijn WW-uitkering gedurende ruim twee jaar aan te vullen. Verder neemt het hof hierbij in aanmerking dat [geïntimeerde] naast deze uitkering een WAO-uitkering ontvangt en dat hij pensioenschade heeft tot het door hem opgevoerde bedrag. De omstandigheden geven onvoldoende aanleiding om een vergoeding toe te kennen als door [geïntimeerde] gevorderd, bestaande uit zijn volledige inkomstenderving tot aan zijn pensioenleeftijd en zijn pensioenschade.

3.10

De slotsom is dat het principale appel gedeeltelijk slaagt en dat de grieven in het incidentele appel falen. Als overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Voortman worden veroordeeld in de kosten van het principale appel. In incidenteel appel moet [geïntimeerde] de kosten dragen.

4 Beslissing

Het hof:

recht doende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover Voortman daarbij is veroordeeld aan [geïntimeerde] een bedrag te betalen van € 20.000,- ,

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Voortman tot betaling van een schadevergoeding aan [geïntimeerde] ten bedrage van € 12.500,- bruto;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt Voortman in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 704,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris;

veroordeelt Voortman in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van begroot op € 894,- voor salaris;

wijst af de in hoger beroep vermeerderde vordering van [geïntimeerde];

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, S.F. Schütz en D. Kingma en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2015.