Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:1831

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
22-05-2015
Zaaknummer
200.107.326-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit woning (asbest). Artikel 5.4.3 van de koopovereenkomst (Aan verkoper is niet bekend of [...] in de onroerende zaak asbest is verwerkt) acht het hof in het kader van de in dit geding zijnde kwestie een mededeling van geïntimeerden over de zaak als bedoeld in artikel 7:17 lid 2 BW, dan wel een inlichting als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 BW. Dat de bepaling in een standaard koopovereenkomst voor onroerend goed is opgenomen maakt niet dat deze het karakter van een mededeling of inlichting verliest. Getuigenbewijs. Deskundigenbericht.

Zie ook: ECLI:NL:GHAMS:2013:988, ECLI:NL:GHAMS:2014:14 en ECLI:NL:GHAMS:2014:3441.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.107.326/01

zaak/rolnummer rechtbank Noord-Holland: 130656 / HA ZA 11-510

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2015

inzake

1 [appellant 1] en

2. [appellante 2],

beiden wonende te [woonplaats 1],

appellanten,

advocaat: mr. E.C.J. Ris te Amsterdam,

tegen:

1 [geïntimeerde 1] en

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerden,

advocaat: mr. N. Hollander te Groningen.

1 Het verdere geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellanten] en [geïntimeerden] genoemd.

In het tussenarrest van 19 augustus 2014 heeft het hof een deskundigenbericht bevolen. Nadat het deskundigenbericht was uitgebracht hebben [appellanten] en [geïntimeerden] gelijktijdig een memorie na deskundigenbericht genomen.

Vervolgens is arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het tussenarrest van 19 augustus 2014 zijn vier vragen aan de deskundige geformuleerd. Deze vragen, alsmede de door de deskundige daarop gegeven antwoorden, luiden als volgt:

1. Welke kosten zijn verbonden aan het verwijderen en afvoeren van het asbest dat zich bevindt in de gevels en in het dakbeschot van de woning van [appellanten] aan het [adres] te [woonplaats 1]?

De kosten voor het verwijderen en afvoeren van het asbest dat zich bevind in de gevels en het dakbeschot van de woning van [appellanten] aan de [adres] te [woonplaats 1] bedragen € 10.889,45 exclusief BTW .

Dit bedrag bestaat voor € 6.072,00 uit loonkosten (inclusief 10% staartkosten) (…) Over het overige deel van € 4.817,45 geldt een BTW tarief van 21%.

De onderbouwing van het genoemde bedrag treft u aan in bijlage 5A.

2. Welke kosten zijn verbonden aan het herstel van de gevels en het dakbeschot na verwijdering van het asbest, mede rekening houdend met de mogelijkheid van hergebruik van materialen?

De kosten voor het herstel van de gevels en het dakbeschot na verwijdering van het asbest bedragen € 22.132,00 exclusief BTW .

(…)

3. Dient bij bovenvermelde bedragen rekening te worden gehouden met “nieuw voor oud” aftrek en zo ja, in welke mate?

Er hoeft geen rekening te worden gehouden met ‘nieuw voor oud aftrek’.

Wij zijn van mening dat er geen noodzaak bestaat voor de verwijdering van het asbest. Het is de keuze van de huidige eigenaar om het asbest al of niet te verwijderen. De totale kosten van het de asbestverwijdering is waar het om gaat.

4. Hebt u nog overige opmerkingen die voor de beslissing van het hof van belang kunnen zijn?

Geen

2.2

[geïntimeerden] hebben het antwoord van de deskundige op vraag 1 in twijfel getrokken met als argument dat uit het rapport Wijnker, dat [appellanten] hebben laten opstellen, een lager bedrag volgt. [geïntimeerden] worden daarin echter niet gevolgd. Het enkele gegeven dat er een lagere offerte bestaat, brengt niet met zich dat de door de deskundige begrote kosten onjuist zijn, terwijl bovendien niet vast staat dat [appellanten] de werkzaamheden nog immer voor het (op 21 juni 2011) door Wijnker geoffreerde bedrag kunnen laten uitvoeren.

2.3

[geïntimeerden] begrijpen verder de uitsplitsing van het bedrag van € 4.817,45 niet. Het hof volgt hen daarin. Uit de toelichting in bijlage 5A blijkt, dat de overige kosten in totaal € 4.379,50 bedragen (excl. 21 % btw). Een verklaring voor het verschil ontbreekt. Het hof zal dit laatste bedrag dan ook als uitgangspunt nemen.

2.4

[geïntimeerden] worden niet gevolgd in hun overige kritiek op de beantwoording van vraag 1 door de deskundige. Het maken van de inschattingen waar [geïntimeerden] zich tegen verzetten, behoort bij uitstek tot het domein van de deskundige en zijn voorwerp van zijn expertise, kennis en ervaring. De eigen opvattingen die [geïntimeerden] daar tegenover stellen, volstaan niet om hetgeen de deskundige heeft aangenomen in twijfel te trekken. Het hof neemt wat betreft de berekening van de kosten dan ook (met inachtneming van het onder 2.3 overwogene) de bevindingen van de deskundige over en maakt deze tot de zijne.

2.5

Naar aanleiding van vraag 2 voeren [geïntimeerden] aan dat de deskundige voor ceder gevelhout € 104,= exclusief btw per m2 heeft gerekend, terwijl dat op internet wordt aangeboden voor maximaal € 60,= per m2 inclusief btw. Verder vinden zij dat hij ook te hoge materiaalkosten heeft gerekend voor dakherstel, omdat het van vervanging van dakpannen uitgaat terwijl de dakpannen worden hergebruikt.

Ook hiervoor geldt dat het maken van een goede inschatting van de reële kosten bij uitstek het domein van de deskundige betreffen. Het gegeven dat op internet beduidend goedkoper cederhout te vinden is, volstaat niet om aan te nemen dat de deskundige in dit opzicht zijn opdracht niet naar behoren heeft vervuld, al was het maar omdat kwaliteitsverschillen en bijkomende kosten een (grote) rol kunnen spelen. Verder blijkt uit het deskundigenbericht dat de deskundige er (anders dan [geïntimeerden]) vanuit gaat dat hergebruik van materialen niet mogelijk is, hetgeen een belangrijke verklaring vormt van de hoogte van de materiaalkosten voor dakherstel. [geïntimeerden] hebben, tegenover het andersluidende rapport van deskundige, onvoldoende onderbouwd dat hergebruik van materialen bij het dakherstel mogelijk is. Het hof constateert verder dat uit het deskundigenrapport blijkt, dat [geïntimeerden] de gelegenheid die zij hadden om vragen te stellen naar aanleiding van het conceptrapport niet hebben gebruikt om over de hoogte van deze materiaalkosten opheldering te vragen. In dit een en ander ziet het hof aanleiding ook hier de bevindingen van de deskundige over te nemen.

2.6

Volgens [geïntimeerden] heeft de deskundige de vraag naar “nieuw voor oud aftrek” niet goed begrepen en heeft hij daarom een onjuist antwoord gegeven. Het hof volgt hen daarin: de deskundige heeft deze vraag inderdaad niet beantwoord op de wijze die het hof voor ogen stond. De vraag naar “nieuw voor oud” heeft de deskundige ontkennend beantwoord - kennelijk - omdat hij asbestverwijdering niet noodzakelijk acht, maar dat laatste was niet aan de deskundige ter beoordeling. Hij had ervan uit moeten gaan dat de verwijdering zou plaatsvinden.

2.7

Volgens [geïntimeerden] is het cederhout van de gevelbeplating meer dan 35 jaar oud, heeft dat hout een levensduur van 25 jaar en is het dus aan vervanging toe. [appellanten] hebben dat laatste bij gelegenheid van de comparitie na antwoord in eerste aanleg ook expliciet erkend. Het hof zal daarom de kosten van vervanging van het cederhout alsmede voor het aanbrengen daarvan als “nieuw voor oud” aftrekken van het totaal door [geïntimeerden] te betalen bedrag. Dat ook het dak aan vervanging toe zou zijn, is gesteld noch gebleken en [geïntimeerden] hebben ook overigens geen aanknopingspunten verschaft waarom, zoals zij stellen, ook hier aftrek vanwege "nieuw voor oud" zou moeten plaatsvinden. Het hof zal de door de deskundige begrote kosten voor dakherstel dus als uitgangspunt nemen.

2.8

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de kosten voor verwijdering van het asbest worden begroot op € 6.072,= excl. btw aan loonkosten en € 4.379,50 excl. btw aan overige kosten. Dat resulteert in een totaalbedrag van € 10.451,50 excl. btw.

De deskundige heeft voor herstel van gevels en dak een totaalbedrag opgenomen. Alleen de kosten voor het dak komen echter voor vergoeding in aanmerking, zoals onder rov. 2.7 overwogen. Op het totaalbedrag dat de deskundige heeft genoemd (€ 22.132,000 ex btw) dienen derhalve niet alleen de kosten voor het cederhout (€ 7.600,00) in mindering te worden gebracht maar ook een deel van de overige kosten. Bij gebreke van enig concreet aanknopingspunt in de stellingen van [geïntimeerden] en in het deskundigenbericht voor de hoogte van die overige kosten zal het hof dit gedeelte schatten, en wel op € 1.900,=. Daarmee komen de totale kosten voor het dak neer op een bedrag van (€ 22.132,00 -/- € 7.600,00 -/- € 1.900,00 = ) € 12.632,= excl. btw. Het hof gaat ervan uit dat ook dit bedrag voor 45% uit loonkosten en voor 55% uit materiaal kosten bestaat, zodat over deze bedragen ook de ten tijde van het herstel toepasselijke btw-tarieven moeten worden betaald. De totale kosten vanwege verwijdering en herstel bedragen mitsdien (€ 10.451,50 + € 12.632,=) € 23.083,50 excl. btw.

aanvullende vragen

2.9

Beide partijen hebben eigener beweging de gelegenheid te baat genomen de deskundige een of meer aanvullende vragen te stellen. De deskundige heeft ook deze aanvullende vragen beantwoord.

2.10

[appellanten] hebben in dat verband aangevoerd dat het hof ten onrechte de vraagstelling aan de deskundige heeft beperkt tot het asbest dat zich in de gevels en in het dakbeschot bevindt, omdat ook op andere plekken in de woning asbest aanwezig is, te weten in de cv-ruimte, in de dorpels en het kruip-luik, in de waterkering onderaan en in vensterbanken. [appellanten] hebben de deskundige verzocht een kostenraming te geven voor de sanering van deze “overige” asbestplekken. De deskundige heeft deze kosten geraamd op een bedrag van € 9.367,04.

2.11

Het hof constateert dat de rechtbank blijkens de rechtsoverwegingen 4.1 en 4.3 van het vonnis van 21 maart 2012 de vordering van [appellanten] in eerste aanleg als toegespitst op het in de gevels en het dakbeschot aanwezige asbest heeft beschouwd. Dat de rechtbank daar een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd hebben [appellanten] met hun grief 1 onvoldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht. Indien zij de mening waren toegedaan dat hun vordering ook betrekking had op asbest dat op andere plaatsen in de woning aanwezig was, had het op hun weg gelegen dat (uiterlijk in hun memorie van grieven) concreet naar voren te brengen, zodat ook voor [geïntimeerden] duidelijk was waartegen zij zich hadden te verweren. Dat hebben [appellanten] nagelaten. Dat brengt mee dat ook het hof gehouden was van diezelfde uitleg van de vorderingen uit te gaan, hetgeen ook is gebeurd. Verwezen wordt naar de bewoordingen van de bewijsopdracht in het tussenarrest van 26 maart 2013 alsmede de vragen aan de deskundige. De vraag naar de kosten van de sanering voor asbest op overige plaatsen maakt aldus geen onderdeel uit van dit geding. Een eisvermeerdering als kennelijk door [appellanten] gewenst acht het hof in dit stadium van de procedure in strijd met de goede procesorde.

2.12

[geïntimeerden] hebben op hun beurt de deskundige gevraagd of verwijdering van het in de woning aanwezige asbest noodzakelijk is, welke vraag de deskundige ontkennend heeft beantwoord. Het antwoord op deze vraag is echter niet meer relevant voor deze procedure, hetgeen reeds volgt uit hetgeen in het tussenarrest van 7 januari 2014 is overwogen en beslist, in het bijzonder in de rechtsoverwegingen 2.8 en 2.13. Daaruit volgt dat de kern van deze procedure niet is of de woning een gebrek heeft maar of [geïntimeerden] hebben geleverd wat [appellanten] mochten verwachten (voor zover [geïntimeerden] andere conclusies trekken berust dat op een onjuiste lezing van de bewuste rechtsoverwegingen in het tussenarrest van 7 januari 2014). Die vraag is door het hof ontkennend beantwoord. De gevolgen daarvan zullen [geïntimeerden] moeten dragen.

slotsom

2.13

Het hiervoor overwogene brengt mee dat [geïntimeerden] de schade van [appellanten] bestaande uit de kosten die zijn verbonden aan het verwijderen en afvoeren van het asbest dat zich bevindt in de gevels en in het dakbeschot van de woning en het herstellen van dak en gevel onder aftrek van nieuw voor oud zullen moeten vergoeden. Zij zullen worden veroordeeld tot betaling van eerdergenoemd bedrag van € 23.083,50, te vermeerderen met de ten tijde van het herstel toepasselijke btw-tarieven op de onderscheiden onderdelen van dat bedrag (materiaalkosten dan wel arbeidsloon). Het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd. [geïntimeerden] worden als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep veroordeeld, waaronder de kosten van de deskundige en van de getuige.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerden] om aan [appellanten] te betalen een bedrag van € 23.083,50, te vermeerderen met de ten tijde van het herstel toepasselijke btw-tarieven op de onderscheiden onderdelen van dat bedrag;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] begroot op € 901,29 aan verschotten en € 1.158,= voor salaris en in hoger beroep tot op heden aan de zijde van [appellanten] begroot op € 5.923,86 aan verschotten (waaronder de kosten van de deskundige en van de getuige), op € 4.632,= voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, R.H. de Bock en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2015.