Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:1746

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-04-2015
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
14/00143, 14/00146 en 14/00147
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:857
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Woz-waarde voldoende aannemelijk gemaakt.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1046
V-N 2015/34.25.15
FutD 2015-1285
NTFR 2015/1722
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 14/00143, 14/00146 en 14/00147

16 april 2015

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak van 7 februari 2014 in de zaken met kenmerken AWB 13/2943 tot en met 13/2945 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 30 september 2012 op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde

van de onroerende zaak bekend als [A-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak) op de waardepeildatum 1 januari 2009 voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld op € 195.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2010 bekend gemaakt.

1.1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 30 september 2012 op de voet van artikel 22 Wet WOZ de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2010 voor het kalenderjaar 2011 vastgesteld op € 195.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het belastingjaar 2011 bekend gemaakt.

1.1.3.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 30 september 2012 op de voet van artikel 22 Wet WOZ de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2011 voor het kalenderjaar 2012 vastgesteld op € 195.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het belastingjaar 2012 bekend gemaakt.

1.2.

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar, gedagtekend 6 mei 2013, de vastgestelde waarde van de onroerende zaak (en de aanslag onroerendezaakbelastingen) voor het kalenderjaar 2010 gehandhaafd en voor de kalenderjaren 2011 en 2012 verminderd naar respectievelijk € 185.000 en € 175.000, met dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen onroerendezaakbelastingen voor de kalenderjaren 2011 en 2012.

1.3.

De rechtbank heeft de hiertegen ingestelde beroepen bij uitspraak van 7 februari 2014 ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 4 maart 2014, aangevuld bij brieven van 12 maart 2014 en 18 maart 2014. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarop door de inspecteur is gereageerd bij conclusie van dupliek.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2015. Tijdens de zitting zijn gelijktijdig en met instemming van partijen behandeld het hoger beroep van belanghebbende betreffende de hiervoor vermelde WOZ-beschikkingen en aanslagen onroerendezaak-belastingen (met als kenmerken 14/00143, 14/00146 en 14/00147), en het hoger beroep van belanghebbende inzake de WOZ-beschikkingen en aanslagen onroerendezaakbelastingen voor de kalenderjaren 2010, 2011 en 2012 betreffende de onroerende zaak [B-straat 1] te [Z] (met als kenmerken 14/00148 t/m 14/00150). Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt in deze uitspraak aangeduid als ‘eiser’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’.

“2.1. Eiser is zakelijk gerechtigde tot de onroerende zaak.

2.2.

De onroerende zaak is een twee-onder-een-kapwoning met een tuin. De inhoud van de woning is ongeveer 216 m³ en de oppervlakte van het perceel is 651 m². Het perceel heeft de bestemming “bebouwing met eengezinswoningen”.

2.3.

De onroerende zaak ligt onder een kap met [A-straat 2]. De woning wordt bewoond door de zus van eiser.

2.4.

In de uitspraak van Hof Amsterdam van 5 november 2009, nummer 07/00325, ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4149, betreffende [A-straat 2] heeft het Hof in rechtsoverweging 2.1.3 en verder het volgende bepaald:

“2.1.3. De onroerende zaak valt binnen het bereik van de op 2 mei 1968 door de raad van de gemeente [Q] vastgestelde “Voorschriften bestemmingsplan [Y] 1967” (hierna: het Bestemmingsplan) en het op 8 juli 2004 door dezelfde raad vastgestelde Paraplubestemmingsplan Luchthavenindeling (hierna: het Paraplubestemmingsplan).

2.1.4.

Artikel 20 van het Bestemmingsplan luidt voorzover hier van belang als volgt:

“1. In afwijking van de kaart van het bestemmingsplan en deze voorschriften mag een niet met het plan overeenkomend gebouw, dat rechtens een voorgaande regeling tot stand is gekomen of waarvoor rechtens een voorgaande regeling reeds een bouwvergunning was verleend:

a. voor een gedeelte worden vernieuwd of in beperkte mate worden veranderd, mits daardoor de bestaande afwijking van de aard van de bestemming niet wordt vergroot;

b. tot ten hoogste 15% van de bestaande oppervlakte worden uitgebreid, mits daardoor de bebouwingsgrenzen niet worden overschreden en overigens de bestaande afwijking van de aard van de bestemming niet wordt vergroot;

c. geheel worden vernieuwd, zonodig met overschrijding van de grens van de bebouwing naar de wegzijde, indien een gebouw ten gevolge van een onheil is vernield, mits de bestaande afwijking van de aard van de bestemming niet wordt vergroot, een en ander behoudens onteigening overeenkomstig de wet.”

2.1.5.

De onroerende zaak is gelegen binnen de zogenoemde 58-decibelcontour.”

(…)

3.3.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildata niet te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft onder meer verwezen naar een door hem overgelegd taxatierapport, opgemaakt door [taxateur], taxateur. In dit taxatierapport is de onroerende zaak op de waardepeildata 1 januari 2009, 1 januari 2010 en 1 januari 2011 getaxeerd op de waarde zoals deze bij beschikking (2010) en bij uitspraken op bezwaar (2011 en 2012) is vastgesteld. Naast gegevens van de onroerende zaak bevat het taxatierapport gegevens van vergelijkingsobjecten. De onroerende zaak is met de volgende

objecten vergeleken.

Adres

m³ / m²

Prijs per m³, m²

Bijgebouwen

Totale waarde bijgebouwen

Verkoop-datum

Verkoop-

prijs

2010

[A-straat 1]

Eengezinswoning

216 m³

651 m²

€ 150

€ 214

Berging/schuur 1 stuks

Garage 42 m²

1 dakkapel 1 m²

1 dakkapel 1 m²

€ 24.000

2011

[A-straat 1]

Eengezinswoning

216 m³

651 m²

€ 150

€ 198

Berging/schuur 1 stuks

Garage 42 m²

1 dakkapel 1 m²

1 dakkapel 1 m²

€ 24.000

2012

[A-straat 1]

Eengezinswoning

216 m³

651 m²

€ 150

€ 183

Berging/schuur 1 stuks

Garage 42 m²

1 dakkapel 1 m²

1 dakkapel 1 m²

€ 24.000

[B-straat 2]

Eengezinswoning

302m³, 217m²

€553, €350

1 dakkapel 2m

1 dakkapel 2m

1 dakkapel 2m

€ 12.000

11/01/2008

€ 255.000

[C-straat 1]

Wonen

2.158m³, 1.150m²

€316, €125

1 dakkapel 2m

€ 4.000

14/10/2008

€ 216.000

[B-straat 3]

Openbaar groen

378m³, 264m²

€366, €350

1 dakkapel 2m

garage 102m²

€ 24.000

20/04/2009

€ 255.500

[D-straat 1]

Dijksbermen

180m³, 407m²

€145, €315

Carport

€ 1.000

10/08/2009

€ 155.000

[E-straat 1]

Openbaar groen

248m³, 313m²

€183,€350

Berging/schuur 12m²

1 dakkapel 2m

1 dakkapel 2m

€ 10.000

10/11/2009

€ 165.000

[C-straat 2]

Eengezinswoning

245m³, 431m²

€501, €303

Berging/schuur 5m²

1 dakkapel 2m

€ 6.500

01/04/2010

€ 260.000

[C-straat 3]

Agrarische doeleinden A

190m³, 735m²

€758, €190

Berging/schuur 10m²

1 dakkapel 2m

1 dakkapel 3m

Garage 40m²

€ 45.000

25/02/2011

€ 329.000

[D-straat 2]

Wonen

290m³, 343m²

€100, €350

Berging/schuur 10m²

1 dakkapel 4m

1 dakkapel 4m

€ 21.000

02/03/2011

€ 170.000

[B-straat 4]

Eengezinswoning

328m³, 255m²

€368, €350

Berging/schuur 10m²

1 dakkapel 2m

1 dakkapel 2m

Garage 15m²

€ 26.500

12/08/2011

€ 236.600

[B-straat 5]

Eengezinswoning

270m³, 229m²

€503, €350

Berging/schuur 10m²

1 dakkapel 2m

1 dakkapel 4m

€ 17.000

29/09/2011

€ 233.000

2.2.

Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat het Hof ook van die feiten uit.

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is voor het Hof in geschil of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak voor de kalenderjaren 2010, 2011 en 2012 bij de bestreden uitspraken op bezwaar niet te hoog heeft vastgesteld.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen:

“4.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.

4.2.

Ter onderbouwing van de waarde van de onroerende zaak heeft verweerder verwezen naar de verkoopgegevens van de vergelijkingsobjecten vermeld onder 3.3. Inzake de vergelijkbaarheid van deze objecten met de onroerende zaak overweegt de rechtbank als volgt. De ter vergelijking gehanteerde objecten [B-straat 3], [D-straat 1], [E-straat 1] en [C-straat 3] hebben een andere bestemming dan de onroerende zaak. De rechtbank acht deze objecten reeds om die reden niet goed vergelijkbaar met de onroerende zaak. Verweerder heeft zijn stelling dat deze objecten desondanks als vergelijkingsobject kunnen dienen op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De rechtbank gaat hieraan dan ook voorbij en laat genoemde objecten buiten beschouwing. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verkoopprijzen van de ter vergelijking gehanteerde objecten [B-straat 2] en [C-straat 1] dienen ter onderbouwing van de vastgestelde waarde betreffende 2010, het ter vergelijking gehanteerde object [C-straat 2] ter onderbouwing van de vastgestelde waarde betreffende 2011 en de ter vergelijking gehanteerde objecten [B-straat 4] en [B-straat 5] ter onderbouwing van de vastgestelde waarde betreffende 2012. Deze objecten hebben immers dezelfde bestemming als de onroerende zaak en zijn kort vóór of na de waardepeildatum verkocht en wat type betreft voldoende vergelijkbaar met de onroerende zaak. Weliswaar vertonen de vergelijkingsobjecten verschillen met de onroerende zaak, zoals verschil in isolatie en ligging, maar gelet op de prijs per m³ en m² van genoemde, ter vergelijking gehanteerde objecten ten opzichte van de vastgestelde prijs per m³ en m² van de onroerende zaak heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat met deze verschillen voldoende rekening is gehouden. Daarom kan niet worden gezegd dat de aan de onroerende zaak op de waardepeildata 1 januari 2009, 1 januari 2010 en 1 januari 2011 toegekende waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. Uit het voorgaande kan voorts geconcludeerd worden dat verweerder, anders dan eiser meent, voldoende rekening gehouden heeft met de uitgangspunten genoemd in de uitspraak van Hof Amsterdam, vermeld onder 2.4.

4.3.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de waarde van onroerend goed de afgelopen jaren met 30% is gedaald. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald aan de hand van marktgegevens van vergelijkingsobjecten die rond de waardepeildatum zijn verkocht. Aan de verhouding tussen voor twee opvolgende tijdvakken vastgestelde waarden komt in dat kader geen zelfstandige betekenis toe. Eiser heeft met de algemene prijsontwikkeling op de onroerendgoedmarkt dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildata 1 januari 2009, 1 januari 2010 en 1 januari 2011 moet worden verlaagd met het algemene dalingspercentage, nu een dergelijke algemene prijsontwikkeling onvoldoende zegt over die van een onroerende zaak in het bijzonder.

4.4.

Tot slot heeft eiser nog verwezen naar compromissen die met betrekking tot eerdere jaren tussen eiser en verweerder tot stand gekomen zijn. Hieromtrent overweegt de rechtbank dat ieder jaar op zich staat. Een compromis dat in een voorgaand jaar is gesloten, kan dus voor de in geding zijnde jaren niet als uitgangspunt genomen worden.

4.5.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de onroerende zaak per de onderhavige peildata alsmede de daarop gebaseerde aanslagen niet te hoog zijn vastgesteld. De beroepen dienen daarom ongegrond te worden verklaard.”

4.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de waarde van de onroerende zaak voor de jaren 2010, 2011 en 2012 te hoog is vastgesteld. Daarbij heeft hij verwezen naar – niet nader aangeduide – uitspraken van het Hof van 5 november 2009 op door hem ingestelde hogere beroepen inzake het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006, alsmede naar een met de heffingsambtenaar gesloten compromis voor de belastingjaren 2007 tot en met 2009, waarbij voor de onroerende zaak een lagere waarde is overeengekomen. De heffingsambtenaar dient zich ook voor de onderhavige jaren hieraan te houden, zo stelt belanghebbende. Voorts heeft belanghebbende zijn in eerste aanleg ingenomen standpunten herhaald dat de in het taxatierapport opgenomen vergelijkingsobjecten niet vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak en dat zich ten opzichte van eerdere tijdvakken een waardedaling van onroerende zaken heeft voorgedaan met 30%. Voorts heeft belanghebbende onder meer gesteld dat op de onroerende zaak een agrarische bestemming rust en dat onvoldoende rekening is gehouden met de slechte isolatie van de onroerende zaak en met de toegenomen overlast als gevolg van de toename van het vliegverkeer. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en verminderding van de vastgestelde waarde tot € 156.600 (2010), € 140.940 (2011) respectievelijk € 126.846 (2012).

4.3.1.

De heffingsambtenaar heeft deze standpunten van belanghebbende betwist.
De uitspraken van het Hof over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 kunnen niet tot maatstaf worden genomen voor de onderhavige kalenderjaren, waarin de waarde op de relevante waardepeildata (1 januari) 2009, 2010 respectievelijk 2011 moet worden bepaald. Het compromis waarop belanghebbende zich heeft beroepen heeft geen betrekking op de onderhavige jaren, waarbij bovendien moet worden bedacht dat een compromiswaarde geen goede maatstaf is voor het bepalen van de waarde in het economische verkeer. De heffingsambtenaar heeft berust in het oordeel van de rechtbank (in onderdeel 4.2 van haar uitspraak) dat een aantal van de in het taxatierapport aangevoerde objecten onvoldoende vergelijkbaar is met de onroerende zaak. De gemiddelde prijs per kubieke meter van de vijf objecten die door de rechtbank wél als voldoende vergelijkbaar zijn aangemerkt is in zodanige mate hoger (gemiddeld € 448) dan de voor de onroerende zaak in aanmerking genomen waarde van € 150 per kubieke meter, dat daardoor ook voldoende rekening is gehouden – evenals met de overige verschillen – met het verschil in isolatie tussen de vergelijkingsobjecten en de onroerende zaak. De heffingsambtenaar heeft hierbij aangetekend dat uit het bouwvergunningensysteem van de gemeente bovendien blijkt dat de vergelijkingsobjecten [C-straat 2] en [B-straat 5] evenmin zijn geïsoleerd, zodat de waardedrukkende invloed van de gebrekkige isolatie geacht moet worden te zijn verdisconteerd in de gerealiseerde verkoopprijzen van de twee laatstgenoemde vergelijkingsobjecten.

4.3.2.

De waardedrukkende invloed van de geluidsoverlast door het (toegenomen) vliegverkeer is reeds verdisconteerd (behalve bij [B-straat 5], zo heeft de heffingsambtenaar ter zitting in hoger beroep erkend) in de gerealiseerde verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. Deze objecten zijn namelijk (met uitzondering van [B-straat 5]) in dezelfde zone (geluidscontour) gelegen wat betreft maximale geluidsbelasting overdag en ’s nachts als gevolg van het vliegverkeer vanaf en naar Schiphol. De heffingsambtenaar verwijst in dit verband naar de door hem bij zijn dupliek in hoger beroep overgelegde kopieën van kleurenkaarten met daarop de ‘geluidscontouren’ met de maximale geluidsbelasting (overdag en ’s nachts) in het relevante gebied ten tijde van de onderhavige waardepeildata. Verder heeft de heffingsambtenaar een kopie overgelegd van (een gedeelte uit) het voor de onroerende zaak geldende bestemmingsplan, waaruit volgens hem blijkt dat de bestemming van de onroerende zaak ‘bebouwing met eengezinshuizen’ is; in het door hem overgelegde taxatierapport is bij de waardebepaling dan ook de juiste bestemming van de onroerende zaak in aanmerking genomen. Aldus de heffingsambtenaar, die concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.4.1.

Het Hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de vijf door de rechtbank genoemde vergelijkingsobjecten ([B-straat 2] en [C-straat 1] voor het jaar 2010, [C-straat 2] voor 2011 en [B-straat 5] en [B-straat 4] voor 2012) en de onroerende zaak in zodanige mate met elkaar vergelijkbaar zijn, dat de verkoopprijzen van die objecten terecht als uitgangspunt zijn genomen bij het onderbouwen van de waarde van de onroerende zaak.
Uit het door de heffingsambtenaar overgelegde taxatierapport, waaruit blijkt dat de onroerende zaak op 12 juni 2012 inpandig is opgenomen, leidt het Hof af dat de taxateur zich rekenschap heeft gegeven van de verschillen in type, ouderdom, onderhoudsstaat, ligging, inhoud en oppervlakte tussen die objecten en de woning. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar met het overgelegde taxatierapport en de daarop gegeven toelichting inzake de vijf hiervoor vermelde objecten aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de waardevaststelling voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen deze objecten en de onroerende zaak, zodat hij de waarde van de onroerende zaak voor de kalenderjaren 2010, 2011 en 2012 niet te hoog heeft vastgesteld. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hierover in de onderdelen 4.1 tot en met 4.5 van haar uitspraak heeft overwogen; het Hof maakt de beslissing van de rechtbank en de daartoe gebezigde gronden tot de zijne.

4.4.2.

Hetgeen belanghebbende tegen deze beslissing in hoger beroep heeft aangevoerd, treft geen doel. De stelling van belanghebbende dat de waarde moet worden verminderd in verband met uitspraken van het Hof over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 (nog daargelaten dat belanghebbende niet heeft verwezen naar een uitspraak die specifiek betrekking heeft op de onderhavige onroerende zaak) en/of de bij een compromis over eerdere jaren vastgestelde waarde, verminderd met de volgens belanghebbende in de markt opgetreden waardedaling met 30%, stuit af op hetgeen de rechtbank in de onderdelen 4.3. en 4.4 van haar uitspraak heeft overwogen. Gelet op het aanzienlijke verschil tussen de uit de gerealiseerde verkoopprijzen afgeleide (gemiddelde) waarde per kubieke meter van de vijf hiervoor vermelde vergelijkingsobjecten - voor 2010: [B-straat 2] en [C-straat 1] (€ 553 respectievelijk € 316 per m³); voor 2011: [C-straat 2] (€ 501 per m³); voor 2012: [B-straat 4] (€ 368 per m³) en [B-straat 5] (€ 503 per m³) - en de voor de onroerende zaak in aanmerking genomen waarde van € 150 per m³, heeft de heffingsambtenaar naar ’s Hofs oordeel aannemelijk gemaakt dat hij ook voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen in (mate van) isolatie tussen (een deel van) de vergelijkingsobjecten en de onroerende zaak. Met de door hem in hoger beroep overgelegde gegevens uit het bestemmingsplan heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat hij bij de waardevaststelling is uitgegaan van de juiste bestemming volgens het bestemmingsplan.
Met de door hem bij zijn dupliek in hoger beroep overgelegde bewijsstukken en de daarop gegeven toelichting heeft de heffingsambtenaar voorts aannemelijk gemaakt dat de vijf vergelijkingsobjecten, op [B-straat 5] na, op de relevante waardepeildata in dezelfde mate geluidsoverlast ondervonden van het vliegverkeer. Het waardedrukkende effect daarvan is, naar het Hof aannemelijk acht, reeds verdisconteerd in de gerealiseerde verkoopprijzen van deze vier vergelijkingsobjecten, zodat de heffingsambtenaar ook wat betreft dit aspect aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld.

4.4.3.

Hetgeen belanghebbende voor het overige nog in hoger beroep naar voren heeft gebracht, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Slotsom

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en J. den Boer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler-Cox, als griffier. De beslissing is op 16 april 2015 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.