Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:1743

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-04-2015
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
14/00346
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:2829
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2550
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is er niet in geslaagd feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die een hogere aftrek voor kosten van levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar rechtvaardigen dan de bij de aanslagregeling verleende aftrek.

De kosten van incontinentiemateriaal komen niet voor aftrek in aanmerking nu dat hulpmiddel in het onderhavige jaar tot het basispakket van de zorgverzekering hoorde en belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat overigens de voor aftrek van specifieke zorgkosten geldende drempel wordt overschreden.

Er bestaat geen recht op aftrek van alimentatie, nu niet aan de wettelijke vereisten van art. 6.3. lid 1 IB is voldaan en ook overigens de betaling van alimentatie niet aannemelijk is geworden.

Evenmin is aannemelijk geworden dat kosten zijn gemaakt ter verwerving, inning of behoud van uitkeringen. Dat geldt ook voor de kosten van de rechtsbijstandverzekering, omdat een dergelijke verzekering in het algemeen plaagt te worden afgesloten ter zake van kosten van juridische bijstand op een veelheid aan terreinen terwijl voorts niet aannemelijk is te achten dat die verzekering specifiek betrekking heeft op rechtsbijstand ter verwerving, inning of behoud van uitkeringen.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.108
Wet inkomstenbelasting 2001 6.1
Wet inkomstenbelasting 2001 6.3
Wet inkomstenbelasting 2001 6.13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1049
V-N 2015/37.2.3
FutD 2015-1223
PFR-Updates.nl 2015-0168
NTFR 2015/1665
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 14/00346

16 april 2015

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak van 4 april 2014 in de zaak met kenmerk AWB 13/3283 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 4 juli 2012 aan belanghebbende voor het jaar 2009 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.614. Gelijktijdig is bij beschikking
€ 187 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 7 juni 2013, de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 4 april 2014, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.618 en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 14 mei 2014, aangevuld bij brief van 14 juli 2014. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarop door de inspecteur is gereageerd bij conclusie van dupliek.

1.6.

Op 9 maart 2005 is van belanghebbende een nader stuk met bijlagen ontvangen, waarvan een afschrift is verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2015. Belanghebbende is niet verschenen. Bij brief van 19 februari 2015 heeft belanghebbende meegedeeld op 10 februari 2015 de oproep te hebben ontvangen, zodat het Hof ervan uitgaat dat zij op een juiste wijze is uitgenodigd voor de zitting. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.5 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’:

“2.1. Eiseres is in het jaar 2009 ongehuwd en woont op het adres [A-straat 1] te [Z].

2.2.

Eiseres heeft twee dochters: [dochter 1], geboren [datum], en [dochter 2], geboren [datum]. Zij staan in 2009 op het woonadres van eiseres ingeschreven.

[dochter 1] is in 2009 voltijds studente aan de [universiteit] (VS) en feitelijk woonachtig in de Verenigde Staten.

2.3.

Eiseres heeft aangifte over 2009 gedaan naar een belastbaar inkomen van € 24.892. In deze aangifte heeft zij onder meer een aftrek kosten levensonderhoud voor kinderen jonger dan 30 jaar van € 2.800 in aanmerking genomen alsmede een aftrek specifieke zorgkosten ten bedrage van € 175.

2.4.

In de aanslagregelende fase is de aftrek van kosten levensonderhoud kinderen en de aftrek specifieke zorgkosten zonder onderzoek verleend tot de in de aangifte geclaimde bedragen.

2.5.

In bezwaar geeft eiseres aan recht te hebben op een hoger bedrag aan aftrek kosten levensonderhoud kinderen en aan specifieke zorgkosten.”

2.2.

Nu tegen deze feiten in hoger beroep geen bezwaren zijn aangevoerd, zal ook het Hof van de door de rechtbank vastgestelde feiten uitgaan. Hieraan voegt het Hof nog de volgende feiten toe.

2.3.

Bij ambtshalve genomen beschikking van 2 mei 2014 heeft de inspecteur de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.618.

2.4.

Bij schriftelijke mededeling van 7 mei 2014 heeft de Belastingdienst belanghebbende in kennis gesteld van een vermindering van het openstaande bedrag van de aanslag met € 1.809 en het op basis daarvan nieuw vastgestelde bedrag aan verschuldigde belasting van € 781.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld. Daarbij zijn de volgende elementen in geschil.

3.2.

De heffing over de in 2009 door belanghebbende genoten uitkering op grond van de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers 1940 – 1945 (Wuv).

3.3.

De aftrek voor kosten van levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar, met name ter zake van [dochter 1] (hierna: [dochter 1]).

3.4.

De aftrek voor specifieke zorgkosten.

3.5.

De aftrek van kosten voor alimentatie.

3.6.

De aftrek van kosten voor het behoud van de Wuv-uitkering.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.1.

Na bij brief van het Hof van 9 februari 2015 te zijn uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het hoger beroep op 18 maart 2015, is van belanghebbende op 19 februari 2015 een verzoek om uitstel ontvangen. Als reden is voor het verzoek is verwezen naar een "continu inhaalsituatie van vele werkzaamheden en andere verplichtingen als gevolg van chronische ziekte met ziekteverergering". Het verzoek is bij brief van het Hof van 19 februari 2015 afgewezen, omdat de aangegeven grond voor uitstel niet voldoende dringend is geacht.

4.1.2.

Bij brief van 20 februari 2015 heeft belanghebbende opnieuw om uitstel van de zitting verzocht. In deze brief verwijst belanghebbende naar vallen, ziek zijn en ouderdom. Dit verzoek is afgewezen op dezelfde gronden als hiervoor vermeld. Op 2 maart 2015 is door een griffiemedewerker driemaal getracht telefonisch contact met belanghebbende op te nemen, teneinde de afwijzing van het uitstelverzoek nader toe te lichten en aan te geven dat ter zitting van het Hof eventuele problemen betreffende het verstrekken van (nadere) informatie kunnen worden voorgelegd. Bij brief van het Hof van 9 maart 2015 is belangheb-bende uitgenodigd telefonisch met de griffie van het Hof contact op te nemen. Op deze brief is geen reactie ontvangen. Wel is van belanghebbende, zoals vermeld onder 1.6, van belanghebbende een nader stuk ontvangen, gedagtekend 5 maart 2015, met 10 bijlagen.

Gelet op deze gang van zaken heeft, bij afweging van het belang van belanghebbende bij uitstel en het belang van een redelijke voortgang van de behandeling van de zaak, dit laatste belang geprevaleerd en heeft de zitting van 18 maart 2015 doorgang gevonden.

4.2.1.

Ter zake van de Wuv-uitkering heeft de rechtbank het volgende overwogen.

“4.1. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat de WUV-uitkering ten onrechte dubbel is belast zodat het belastbaar inkomen moet worden verminderd met € 3.996. De rechtbank heeft geen aanleiding verweerder hierin niet te volgen en zal de aanslag op de door verweerder voorgestane wijze verminderen.”

4.2.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur geen uitvoering heeft gegeven aan de vermindering van de aanslag met de voor € 3.996 teveel in aanmerking genomen Wuv-uitkering.

4.2.3.

De inspecteur heeft in zijn conclusie van dupliek een specificatie verstrekt van het vastgestelde belastbaar inkomen dat is vastgesteld bij ambtshalve genomen verminderingsbeschikking van 2 mei 2014. Deze gaat uit van een belastbaar inkomen (na persoonsgebonden aftrek) van € 26.618 en sluit aan op het volgens de mededeling van 7 mei 2014 nog door belanghebbende verschuldigde bedrag van € 781.

4.2.4.

Naar het oordeel van het Hof is er, gelet op de toelichting van de inspecteur, geen reden eraan te twijfelen dat, conform de uitspraak van de rechtbank, de aanslag is verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.618.

4.3.1.

Ter zake van de aftrek kosten levensonderhoud kinderen jonger dan 30 jaar heeft de rechtbank het volgende overwogen:


“4.3.1. Ingevolge artikel 6.13, eerste lid, van de Wet IB 2001 komen voor aftrek in aanmerking uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Volgens artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (tekst 2009) wordt een kind geacht in belangrijke mate op kosten van de ouder te worden onderhouden als de op de ouder drukkende uitgaven voor het kind ten minste € 408 per kwartaal bedragen.

Van op de ouder drukkende kosten is sprake indien de ouder zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van de uitgaven.
Wanneer een kind zelf over voldoende eigen inkomsten of vermogen beschikt om te voorzien in zijn levensonderhoud, is er voor de ouder geen sprake van gedrongenheid en is er derhalve geen aanleiding om de uitgaven van de ouder in aftrek toe te laten.

4.3.2.

In artikel 36, eerste lid, onder d, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is geregeld dat de in artikel 6.15 van de Wet IB 2001 bedoelde uitgaven voor levensonder-houd van een kind van 18 jaar of ouder in aanmerking worden genomen voor een bedrag van € 350 per kwartaal. Op grond van het tweede lid, onder a, wordt dit bedrag verhoogd tot
€ 700 indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 700 per kwartaal belopen en de kosten van het onderhoud van het kind tevens grotendeels op de belastingplichtige drukken.

Ingevolge het tweede lid, onder b, van voornoemd artikel wordt het bedrag van € 350 verhoogd tot € 1.050 indien het kind niet tot het huishouden van de belastingplichtige behoort en indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 1.050 per kwartaal belopen en de kosten van het onderhoud van het kind tevens geheel of nagenoeg geheel op de belastingplichtige drukken. Nagenoeg geheel betekent tenminste voor 90%.

4.4.

Eiseres claimt in beroep een aftrek van € 4.200. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat op grond van de overgelegde stukken recht bestaat op een forfaitaire aftrek van € 350 per kwartaal. Daarbij heeft verweerder aangegeven zich niet te beroepen op interne compensatie.
Nu verweerder betwist dat eiseres voor de thans gevraagde aftrek van € 1.050 per kwartaal in aanmerking komt, brengt een redelijke bewijslastverdeling met zich mee dat eiseres, die een aftrekpost wil toepassen, aannemelijk maakt dat zij aan alle vereisten voor de hogere aftrek voldoet.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten van het levensonderhoud van [dochter 1] in 2009 geheel af nagenoeg geheel op haar drukten. Eiseres heeft geen enkel inzicht verschaft in het bestedingspatroon van haar dochter. Verder acht de rechtbank van belang dat [dochter 1] blijkens de verklaring van eiseres in haar brief van 3 april 2013 in 2009 zelf een inkomen heeft genoten van € 6.942 netto. Ook blijkt uit het verzoek van [dochter 1] aan haar moeder (e-mail van 31 mei 2009, bijlage 20 bij het nader stuk van 14 maart 2014) om financiële bijstand dat zij wel een gedeelte van haar kosten zelf kan dragen. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt dat recht bestaat op een hogere aftrek dan de bij aanslagregeling verleende aftrek van € 700 per kwartaal.”

4.3.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat [dochter 1] geen vermogen bezit, voltijds studente is in de Verenigde Staten, niet in staat is om voldoende arbeid te verrichten om in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl zij hoge kosten heeft. In dat verband verwijst belanghebbende naar een opstelling van kosten van [dochter 1] voor het jaar 2009 welke uitkomt op een totaalbedrag van € 46.581 per jaar. Voorts stelt belanghebbende dat het vanwege een natuurramp in de staat [...] niet mogelijk is om van de kosten (al de) bewijzen te overleggen. Tot de overgelegde stukken behoort een pagina van een stuk van [dochter 1] over het Internationaal Atoom en Energie Agentschap en een stuk over de kosten van een United Nations-seminar in 2008. In totaal stelt belanghebbende € 8.946,92 aan het levensonderhoud van [dochter 1] te hebben bijgedragen.

4.3.3.

De inspecteur acht de beslissing van de rechtbank juist en heeft verwezen naar zijn verweerschrift in eerste aanleg. Daarin is onder meer het volgende vermeld:


“Uit de correspondentie, ook die over andere belastingjaren, blijkt dat de beide dochters van de belanghebbende al jaren in de Verenigde Staten wonen. Beide dochters zijn actief op diverse internetsites (…), waaruit onder andere blijkt dat zij een actieve carrière als fotomodel hebben. (…) Het feitelijk woonadres van beide dochters is dus niet op belanghebbendes woonadres gelegen. (…)
In de aanslagregelende fase is de Aftrek van Kosten levensonderhoud kinderen zonder onderzoek verleend tot het in de aangifte geclaimde bedrag van € 2.800.”


De inspecteur stelt dat belanghebbende niet aan de ter zake van de aftrek van kosten voor levensonderhoud op haar rustende bewijslast heeft voldaan. In het bijzonder heeft belanghebbende in de bezwaarfase – desgevraagd – geen, althans onvoldoende, inzicht verstrekt in feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de vraag of bij [dochter 1] sprake is van de op grond van artikel 6.13, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 vereiste behoeftigheid.

4.3.4.

Het Hof sluit zich aan bij het oordeel in onderdeel 4.5 van de uitspraak van de rechtbank. In hoger beroep is geen nader bewijs geleverd van feiten die de door belanghebbende verlangde aftrekpost onderbouwen. In het bijzonder is, gelet ook op hetgeen de inspecteur omtrent de activiteiten en leefsituatie van [dochter 1] heeft gesteld, geen dan wel onvoldoende bewijs geleverd van feiten en omstandigheden die inzicht geven in de specifieke leefsituatie, in het bijzonder de behoeftigheid, van [dochter 1]. Ook overigens is belanghebbende niet erin geslaagd feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die een hogere aftrek voor kosten van levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar rechtvaardigen dan de bij aanslagregeling verleende aftrek van € 700 per kwartaal.
4.4.1. Ter zake van de aftrek van specifieke zorgkosten heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“4.6.1. Bij het opleggen van de aanslag heeft verweerder aan eiseres een aftrek voor specifieke zorgkosten van € 175 toegekend. Eisers voert thans een aftrek op van € 204.

Artikel 6.1 van de Wet IB 2001 luidt - voor zover van belang - als volgt:

“1. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van:

a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en (…)

2. Persoonsgebonden aftrekposten zijn de:

(…) d. uitgaven voor specifieke zorgkosten (afdeling 6.5);

(…)”

4.6.2.

Het begrip uitgaven voor specifieke zorgkosten is nader uitgewerkt in artikel 6.17 van de Wet IB 2001. Dit artikel luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

a. genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen;

b. vervoer;

c. farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts;

d. andere hulpmiddelen, met uitzondering van brillen, contactlenzen en overige hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen;

(…)”

4.6.3.

In het tweede lid van artikel 6.17 van de Wet IB 2001 wordt het begrip ander hulpmiddel nader gedefinieerd:

“Als ander hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt mede aangemerkt een middel dat de persoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn. (…)”

4.6.4.

Met betrekking tot de uitgaven die niet in 2009 zijn gedaan geldt dat deze niet alsnog in de aangifte van 2009 in aanmerking kunnen worden genomen. Eiseres voert deze kosten op onder het kopje ‘restant persoonsgebonden aftrek’. Een restant persoonsgebonden aftrek betreft echter het bedrag dat wel in het desbetreffende jaar op de aangifte is vermeld maar welke aftrek in dat jaar niet te gelde kon worden gemaakt. Indien hiervan sprake is, wordt dat bedrag gelijktijdig met of kort na het opleggen van de aanslag over dat jaar door verweerder bij beschikking vastgesteld. Verweerder heeft verklaard dat ten aanzien van eerdere jaren geen sprake is geweest van een restant persoonsgebonden aftrek.

Ten aanzien van het jaar 2009 heeft eiseres bonnetjes overgelegd voor vervoer van en naar het ziekenhuis voor een bedrag van € 19,20 en een afschrift die ziet op een betaling aan de zorgverzekering van € 107,90. Deze bedragen kwalificeren als aftrekbare zorgkosten. Hetzelfde geldt voor de aan eiseres voorgeschreven en niet vergoede medicijnen ten bedrage van € 8,55.
Ten aanzien van bij de drogist of supermarkt aangekocht incontinentiemateriaal (totaal
€ 27,31) overweegt de rechtbank dat een medisch voorschrift ontbreekt, hetgeen aan aftrek in de weg staat.
Eiseres heeft ook zorgkosten van haar dochter [dochter 1] vermeld. Voor de aftrek van specifieke zorgkosten van kinderen geldt dat deze aftrekbaar zijn totdat het kind de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt (artikel 6.16 van de Wet IB 2001). Kosten ten behoeve van [dochter 1] die zijn gemaakt na 25 juli 2009 zijn reeds op die grond niet aftrekbaar. Resteert een bedrag van
€ 3,57 wegens aan [dochter 1] voorgeschreven medicijnen.
Met betrekking tot het door eiseres onder het kopje ‘Rekenhulp specifieke zorgkosten van Belastingdienst’ genoemde bedrag aan genees- en heelkundige hulp van € 507,03 overweegt de rechtbank dat niet duidelijk is op welke kosten dit bedrag betrekking heeft.
Op grond van het al vorenoverwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres met de door haar overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bedrag aan specifieke zorgkosten dat de drempel van € 488 (1,65% x € 29.539) overstijgt.
Zij kan daarom niet met succes aanspraak maken op een hogere aftrek dan de aftrek van
€ 175 die verweerder in de aanslagfase reeds heeft toegekend.”

4.4.2.

Ter zake van de aftrek van specifieke zorgkosten heeft belanghebbende in hoger beroep aangevoerd dat op grond van een medisch voorschrift incontinentiemateriaal is aangekocht. Belanghebbende verwijst daarvoor naar een recept voor in totaal 10.400 st. Tena Lady Mini dat is uitgeschreven op 25 juni 2010. Voorts heeft belanghebbende bij haar nader stuk van 5 maart 2015 een kopie overgelegd van een herhalingsrecept van 8 oktober 2004, waarin 120 st. Tena Lady Mini worden voorgeschreven. Op grond van deze bewijsstukken meent belanghebbende wel voor aftrek van de kosten ad. € 27,31 van bij drogist of supermarkt aangeschaft incontinentiemateriaal in aanmerking te komen. Voorts heeft belanghebbende in hoger beroep nog gesteld dat een nader in bijlagen gespecificeerd bedrag van € 450,02 als specifieke zorgkosten van haar en [dochter 1] voor aftrek in aanmerking komt.

4.4.3.

De inspecteur heeft gesteld dat de door belanghebbende overgelegde recepten op andere jaren zien dan het onderhavige jaar en dat het incontinentiemateriaal waarop de in aftrek gebrachte kosten betrekking hebben in 2009 was opgenomen in het basispakket van de zorgverzekering.

4.4.4.

Naar het oordeel van het Hof komen de kosten van het incontinentiemateriaal niet voor aftrek in aanmerking, nu de inspecteur gemotiveerd en niet of onvoldoende weersproken door belanghebbende, heeft gesteld dat dat hulpmiddel in 2009 tot het basispakket van de zorgverzekering behoorde. Bovendien heeft belanghebbende, ook indien deze kosten wel in aanmerking zouden worden genomen, niet aannemelijk gemaakt dat overigens de voor aftrek van specifieke zorgkosten geldende drempel van – in haar geval – € 488 wordt overschreden. In dit verband wijst het Hof in het bijzonder erop dat ter zake van de door haar in bijlage 3 bij het nader stuk van 5 maart 2015 vermelde kosten ad € 450,02, de op die kosten betrekking hebbende en bij voormeld stuk gevoegde bijlagen 4 tot en met 7, geen bewijs vormen van in 2009 verrichte betalingen van specifieke zorgkosten. Voorts zou ook indien ervan wordt uitgegaan dat tot die kosten een door de zorgverzekeringsmaatschappij in 2009 in rekening gebracht eigen risico behoort van € 155, de hiervoor bedoelde drempel niet worden overschreden. Voor het overige sluit het Hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. Met betrekking tot de specifieke zorgkosten komt het Hof derhalve niet tot een andere conclusie dan de rechtbank.

4.5.1.

Met betrekking tot de aftrek van kosten voor alimentatie heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:


“4.7. In het nader stuk van 14 maart 2014 stelt eiseres dat zij recht heeft op een alimentatieaftrek van totaal € 6.000. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een alimentatiecontract, gesloten tussen eiseres en de heer [Q], overgelegd waarop hij heeft getekend voor de ontvangst van telkens € 6.000 in de jaren 2007 tot en met 2013. De rechtbank acht het opmerkelijk dat eiseres zich in maart 2014 voor de eerste maal beroept op aftrek wegens betaalde alimentatie terwijl zij volgens het door haar ingebrachte stuk al sinds 2007 jaarlijks deze betalingen heeft gedaan.

Met betrekking tot alimentatiebetalingen is artikel 6.3 van de Wet IB 2001 van belang, welk artikel, voor zover van belang, als volgt luidt:

“1. Onderhoudsverplichtingen zijn:
a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;
(…)
f. in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.
(…).”

In de eerste plaats is niet aannemelijk geworden dat aan de voorwaarden van voormeld artikel is voldaan. Verweerder betwist dat sprake is van een familierechtelijke verplichting, nu uit de gegevens van de Belastingdienst niet blijkt dat eiseres met de heer [Q] gehuwd is geweest en er van [Q] sinds 1991/1992 geen woonadres in Nederland bekend is. Eiseres heeft niets overgelegd waaruit kan blijken dat wel sprake is van een uit het familierecht voortvloeiende verplichting. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de betalingen zijn aan te merken als in rechte vorderbare periodieke uitkeringen, zoals omschreven in onderdeel f van genoemd artikel.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiseres, in verband met haar verzoek om kwijtschelding, op 21 september 2013 een overzicht heeft verstrekt van al haar maandelijkse betalingen (bijlage 60 bij het nader stuk van 14 maart 2014). Hierop staan geen alimentatiebetalingen vermeld. Weliswaar betreft dit een overzicht van uitgaven in 2013, maar aangezien [Q] op het door eiseres overgelegde alimentatiecontract ook heeft getekend voor de ontvangst van een bedrag van € 6.000 in 2013, had het voor de hand gelegen dat deze betalingen op het overzicht waren vermeld.
Nu niet aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en ook overigens de betaling van € 6.000 niet aannemelijk is geworden, komt de rechtbank tot de conclusie dat geen recht bestaat op een alimentatieaftrek.”

4.5.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende herhaald dat zij aanspraak maakt op aftrek ter zake van alimentatie. Hetgeen belanghebbende op dit punt in hoger beroep heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel dat dat waartoe de rechtbank is gekomen.
4.6.1. Ter zake van de aftrek van kosten ter behoud van periodieke uitkeringen heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“4.2. Eiseres claimt in haar nader stuk van 14 maart 2014 een aftrek wegens uitgaven voor behoud van de periodieke uitkering. Op grond van artikel 3.108 van de Wet IB 2001 zijn kosten gemaakt tot verwerving, inning en behoud van aangewezen uitkeringen en uitkeringen uit inkomensvoorzieningen aftrekbaar. De rechtbank overweegt dat uit de dossierstukken niet kan worden afgeleid dat eiseres in 2009 handelingen heeft ondernomen ten behoeve van het behoud van (de hoogte van) haar uitkering. Evenmin is gebleken dat de uitkering in 2009 dreigde te worden stopgezet dan wel te worden verlaagd. Verweerder heeft verklaard dat eiseres de desbetreffende uitkering al jaren geniet en dat hierin geen verandering is gekomen. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres in 2009 kosten heeft gemaakt ter verwerving, inning of behoud van haar uitkering. Zij heeft derhalve geen recht op deze aftrekpost.”

4.6.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat zij voor het behoud van WAO- en Wuv-uitkeringen in totaal € 791,92 aan kosten heeft gemaakt ter zake van rechtsbijstand, vakbonden en juridische literatuur. Belanghebbende verwijst in dit verband naar de bijlagen 52 tot en met 57 bij haar nader stuk in eerste aanleg van 14 maart 2014, waaronder kosten die betrekking hebben op een rechtsbijstandverzekering.

4.6.3.

Het Hof deelt het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is dat kosten zijn gemaakt ter verwerving, inning of behoud van de uitkeringen. Dat geldt ook voor de kosten van de rechtsbijstandverzekering, omdat een rechtsbijstandverzekering in het algemeen pleegt te worden afgesloten ter zake van kosten van juridische bijstand op een veelheid aan terreinen, terwijl voorts niet aannemelijk is te achten dat die verzekering specifiek betrekking heeft op rechtsbijstand ter verwerving, inning en behoud van de uitkeringen. Ook de omstandigheid dat een overgelegde factuur van 3 maart 2009 betrekking heeft op een handboek over de Wuv, maakt op zichzelf nog niet dat de desbetreffende kosten gemaakt zijn ter verwerving, inning en behoud van de Wuv-uitkering. Het Hof neemt hierbij mede in aanmerking dat – zoals de rechtbank heeft overwogen – belanghebbende die uitkering al jaren geniet en dat hierin geen verandering is gekomen, zij het dat in 2009, blijkens een door belanghebbende bij haar conclusie van repliek overgelegde brief van de Pensioen- & Uitkeringsraad van 27 juli 2009, een in 2008 uitgekeerd voorschot Wuv-uitkering aanpassing behoefde. Dat de door belanghebbende gestelde kosten voldoende verband houden met deze kwestie is overigens niet aannemelijk geworden.

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5
5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.


De uitspraak is gedaan door mrs. J. den Boer, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler-Cox, als griffier. De beslissing is op 16 april 2015 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.