Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:1738

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
200.158.445-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klaagster verwijt de notaris en/of het notariskantoor en/of X niet te hebben gehandeld zoals een goed notaris betaamt. i. er is onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van klaagster; ii. er is duidelijk en weloverwogen partij gekozen voor de ex-partner van klaagster; iii. er is medewerking verleend aan wanprestatie en onrechtmatig handelen, als gevolg waarvan de belangen van klaagster en van derden zijn geschonden; iv. er is toegestaan dat X zich jegens klaagster als notaris heeft voorgedaan.

De kamer heeft klaagster in haar klacht tegen het notariskantoor, X en deels tegen de notaris (wat klachtonderdeel iv. betreft) niet-ontvankelijk verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard.

Het hof heeft klaagster in klachtonderdeel iv. ontvankelijk verklaard, dit klachtonderdeel ongegrond verklaard en de beslissing van de kamer voor het overige bevestigd.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 93, 99, 107
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.158.445/01 NOT

nummer eerste aanleg : SHE/2013/100

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 12 mei 2015

inzake

[appellante],

wonend te [plaats], gemeente [gemeente],

appellante,

tegen

[geïntimeerde],

notaris te [plaats],

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante (hierna: klaagster) heeft op 28 oktober 2014 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort 's-Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 20 oktober 2014 (ECLI:NL:TNORSHE:2014:18).

De kamer heeft in de bestreden beslissing klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen het notariskantoor [kantoornaam] en tegen mr.[X] en tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) voor zover het zijn handelen vóór 23 november 2010 betreft en heeft de klacht voor het overige ongegrond verklaard.

1.2.

De notaris heeft op 27 november 2014 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.3.

Van klaagster is vervolgens een brief met producties gedateerd 21 januari 2015 bij het hof ingekomen. Hierop heeft het hof aan partijen bericht dat de brief voor zover die een inhoudelijke reactie op het verweerschrift van de notaris behelst buiten beschouwing wordt gelaten, omdat het van toepassing zijnde procesreglement verzoekschriftprocedures in handels- en insolventiezaken voor het indienen van andere stukken dan het beroepschrift en het verweerschrift geen ruimte biedt, tenzij het hof daarom uitdrukkelijk vraagt. Verder is aan partijen bericht dat het hof wel kennis neemt van de bij de brief gevoegde producties (4 tot en met 6) die tijdig zijn ingediend.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 5 februari 2015. Klaagster en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klaagster aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Samengevat weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Sinds 15 maart 1993 is mr.[X] (verder: [X]) als jurist werkzaam bij (thans) [kantoornaam] (verder: [kantoornaam]), toen [naam] geheten. Tot 1 juli 1997 was mr. [Y] als notaris aan het kantoor verbonden. [X] is de zoon van mr. [Y]. De notaris is sinds 1 maart 2006 verbonden aan het kantoor, eerst als kandidaat-notaris en vanaf 1 mei 2007 als notaris. Per die datum is de kantoornaam gewijzigd.

3.2.2.

Klaagster heeft een affectieve relatie gehad met [naam] (verder de ex-partner). De ex-partner regelde zowel privé- als zakelijke aangelegenheden bij [kantoornaam].

De ex-partner heeft bij akte van levering van 11 september 2001 verleden voor de destijds aan [kantoornaam] verbonden notaris, mr.[naam], een woning met toebehoren in eigendom verkregen (hierna: de woning). Door inschrijving in de openbare registers op 8 maart 2002 van de akte van levering op 6 maart 2002 verleden voor mr. [naam] voornoemd heeft klaagster de onverdeelde helft van de woning in eigendom verkregen. Op 23 oktober 2003 is een tussen klaagster en de ex-partner gesloten samenlevingscontract notarieel vastgelegd in een akte verleden voor mr. [Z] (hierna: [Z]), als waarnemer van de destijds aan het notariskantoor verbonden notaris mr. [naam].

3.2.3.

Nadat de relatie tussen klaagster en de ex-partner in oktober 2007 was geëindigd, is tussen partijen een geschil ontstaan over de verdeling van de tussen hen ontstane gemeenschap, onder meer over de woning. Op 15 juli 2008 hebben partijen, bijgestaan door advocaten, afspraken gemaakt over de rechtsgevolgen van de geëindigde samenwoning. Hierover is vervolgens discussie ontstaan.

3.2.4.

In een door de ex-partner aanhangig gemaakte procedure in kort geding heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Hertogenbosch (verder: de voorzieningenrechter) bij verstekvonnis van 16 juli 2008 klaagster veroordeeld om de woning uiterlijk op 1 september 2008 te ontruimen.

3.2.5.

Bij vonnis in verzet in kort geding van 17 oktober 2008 heeft de voorzieningenrechter - kort gezegd - het beroep van klaagster op wilsgebreken bij de totstandkoming van de op 15 juli 2008 gemaakte afspraken verworpen en klaagster veroordeeld om uiterlijk binnen zes weken na betekening aan haar van het deurwaardersexploot - inhoudende een verklaring van de instrumenterend notaris dat hij het bedrag aan overbedeling van de ex-partner onder zich had, dat klaagster werd opgeroepen tot het passeren van de akte van levering van haar onverdeeld aandeel in de woning aan de ex-partner en dat die notaris gemachtigd was het bedrag aan overbedeling aan klaagster uit te betalen - de woning te ontruimen en ontruimd te houden. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.2.6.

Klaagster is in beroep gegaan tegen het vonnis van 17 oktober 2008, welke appelprocedure op 18 augustus 2009 is geroyeerd. Nadat de ex-partner het vonnis van

17 oktober 2008 aan klaagster heeft laten betekenen, heeft klaagster de woning in januari 2009 verlaten. Op 31 oktober 2008 heeft de ex-partner het bedrag aan overbedeling op de derdengeldrekening van [kantoornaam] gestort.

3.2.7.

Bij brief van 25 april 2012 heeft de notaris klaagster bericht dat de ex-partner aan hem had opgedragen de verdeling van de woning op korte termijn te bewerkstelligen en aan klaagster verzocht om contact op te nemen voor het maken van een passeerafspraak. Bij brief van 18 juni 2012 heeft de notaris klaagster uitgenodigd voor de passeerafspraak op 26 juni 2012. Klaagster heeft aan deze uitnodiging geen gevolg gegeven omdat er naar haar zeggen nog geschilpunten tussen de ex-partner en haar bestonden.

3.2.8.

[X] heeft bij brief van 22 augustus 2012 klaagster geïnformeerd over zijn functie binnen het notariskantoor en de door hem door de jaren heen voor klaagster en de ex-partner verrichte werkzaamheden.

3.2.9.

De notaris heeft bij brief van 7 maart 2013 aan klaagster medegedeeld dat de ex-partner hem heeft benaderd om de verdeling van de woning te regelen en klaagster opgeroepen om op 19 maart 2013 om 10:30 uur op zijn kantoor te verschijnen om de (in concept bijgesloten) akte van verdeling en levering te ondertekenen. Klaagster heeft aan deze oproep geen gehoor gegeven.

3.2.10.

De ex-partner heeft klaagster vervolgens wederom in kort geding gedagvaard.

De voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis in kort geding van

10 juni 2013 - voor zover van belang - klaagster veroordeeld om binnen tien dagen na het eerste verzoek van de door de ex-partner aangewezen notaris haar onvoorwaardelijke medewerking aan de verdeling van de woning te verlenen en dat in het geval klaagster hieraan niet zou voldoen het vonnis in de plaats zou treden van de aan het vonnis gehechte (kopie)akte van verdeling en levering. Het vonnis is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Klaagster is tegen het vonnis niet in beroep gegaan en zij heeft evenmin een bodemprocedure aanhangig gemaakt.

3.2.11.

Nadat de notaris klaagster bij brief van 19 juni 2013 had opgeroepen om op 3 juli 2013 om 10:00 uur op zijn kantoor te verschijnen voor het passeren van de akte van verdeling en levering en klaagster hieraan geen gevolg heeft gegeven, is op 7 augustus 2013 door een waarnemer van de notaris een notariële verklaring opgesteld met - samengevat weergegeven - de inhoud dat het vonnis van 10 juni 2013 aan klaagster is betekend en dat dit vonnis in de plaats treedt van de akte van verdeling en levering omdat klaagster haar medewerking aan het passeren van die akte, ondanks hiertoe deugdelijk te zijn opgeroepen, niet heeft verleend. Vervolgens is het vonnis van 10 juni 2013 ter inschrijving aangeboden bij het Kadaster, waar het op 9 augustus 2013 is ingeschreven.

3.2.12.

De notaris heeft klaagster herhaaldelijk verzocht om de juistheid van het hem bekende rekeningnummer van klaagster te bevestigen. Nadat klaagster de notaris hierover op

24 september 2013 had bericht, heeft de notaris de aan klaagster toekomende gelden direct aan haar overgemaakt.

4 Het standpunt van klaagster

De klacht van klaagster komt in de kern erop neer dat de notaris en/of [kantoornaam] en/of [X] niet heeft/hebben gehandeld zoals een goed notaris betaamt. Dit blijkt - verkort weergegeven - uit het volgende.

i er is onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van klaagster;

ii er is duidelijk en weloverwogen partij gekozen voor de ex-partner;

iii er is medewerking verleend aan wanprestatie en onrechtmatig handelen, als gevolg waarvan de belangen van klaagster en van derden zijn geschonden;

iv er is toegestaan dat [X] zich jegens klaagster als notaris heeft voorgedaan.

5 Het standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 De beoordeling

Ontvankelijkheid

6.1.

Het hof verenigt zich met het oordeel van de kamer dat een samenwerkingsverband waarvan een (toegevoegd) (kandidaat-)notaris deel uitmaakt geen beklaagde kan zijn in een tuchtprocedure en dat klaagster in haar klacht voor zover gericht tegen [kantoornaam] daarom niet-ontvankelijk is. Ook voor de tegen [X] gerichte klacht heeft te gelden dat klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk is, zoals de kamer ook heeft beslist, nu is komen vast te staan dat [X] geen notaris, kandidaat-notaris of toegevoegd notaris is of is geweest. Artikel 93, lid 1, Wet op het notarisambt (Wna) bepaalt immers dat (uitsluitend) notarissen, kandidaat-notarissen en toegevoegd notarissen aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen.

6.2.

Het hof acht - met de kamer - de notaris vanaf de datum van diens benoeming als notaris,

1 mei 2007, (mede) verantwoordelijk voor de wijze waarop [kantoornaam] zich naar buiten toe heeft gepresenteerd en de wijze waarop [X] invulling heeft gegeven aan zijn werkzaamheden binnen [kantoornaam].

6.3.

Evenals de kamer gaat het hof voorbij aan de stelling van de notaris dat klaagster de bevoegdheid om een klacht in te dienen zou moeten worden ontzegd omdat zij het klachtrecht als “economisch ruilmiddel” heeft willen gebruiken. Wat van deze stelling ook zij, het staat een klager vrij het handelen of nalaten van een notaris ter beoordeling aan de tuchtrechter voor te leggen, indien hij bij dat handelen belang heeft.

6.4.

Het hof volgt de kamer voorts in haar oordeel dat de handelwijze van de notaris, gelet op de vervaltermijn van artikel 99 lid 15 Wna, dient de worden beoordeeld vanaf 23 november 2010, zijnde drie jaren voordat de klacht bij de kamer is ingekomen.

6.5.

Op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 4 Wna behandelt het hof de zaak in hoger beroep opnieuw in volle omvang. Dat betekent dat alleen in beschouwing worden genomen de klachten die ook in de procedure in eerste aanleg aan de orde zijn geweest. Voor zover klaagster in hoger beroep voor het eerst klachten naar voren heeft gebracht, kan het hof daarvan geen kennis nemen. Het betreft met name de nieuwe klachten dat het de notaris ingevolge het Reglement beperking uitbetaling derdengelden van de KNB niet was toegestaan om vier bedragen te verrekenen met het aan klaagster toekomende geldbedrag betreffende de woning en dat de notaris zich partijdig heeft opgesteld door aan de ex-partner te vragen om bevestiging van het feit dat klaagster altijd heeft beseft dat [X] geen notaris is. Klaagster zal in haar nieuwe klachten niet-ontvankelijk worden verklaard.

6.6.

Met betrekking tot klachtonderdeel iv is het hof, anders dan de kamer, van oordeel dat klaagster haar klacht binnen de vervaltermijn van drie jaren van artikel 99 lid 15 Wna bij de kamer heeft ingediend. Het enkele feit dat op de voorzijde van de brief van 14 maart 2002, die [X] aan klaagster en de ex-partner heeft gestuurd, mrs. [naam] en [naam] voornoemd voorgedrukt als notarissen staan vermeld en voor meer informatie over het notariskantoor naar de achterzijde van de brief wordt verwezen, waar is vermeld dat [X] als jurist aan het kantoor is verbonden, acht het hof onvoldoende om aan te nemen dat klaagster op dat moment kennis heeft genomen dat het feit dat [X] niet als notaris aan het kantoor verbonden was. Op grond van de stukken uit het dossier kan niet worden vastgesteld wanneer klaagster er wel van op de hoogte is geraakt dat [X] geen notaris was zodat ervan uit moet worden gegaan dat de op 23 november 2013 bij de kamer ingekomen klacht tijdig is ingediend. Dit betekent dat klaagster (ook) in klachtonderdeel iv kan worden ontvangen.

Inhoudelijk

Klachtonderdelen i, ii en iii

6.7.

Het hof is van oordeel dat het onderzoek in hoger beroep niet heeft geleid tot vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen ten aanzien van de klachtonderdelen i, ii en iii, voor zover gericht tegen de notaris, dan die vervat in de beslissing van de kamer. Het hof verenigt zich met de beslissing van de kamer en de gronden waarop die beslissing berust.

Hieraan voegt het hof nog toe dat de stelling van klaagster dat vonnissen in kort geding geen gezag van gewijsde hebben in deze zaak niet van belang is omdat de onderhavige vonnissen wel onherroepelijk zijn geworden en de notaris daarom op basis van de bij die vonnissen uitgesproken veroordelingen mocht handelen zoals hij heeft gedaan. Het hof volgt klaagster daarom niet in haar stelling dat de notaris zijn ministerieplicht had moeten weigeren. Klaagster heeft in hoger beroep ex artikel 843a Rv verzocht om inzage van de rentevergoedingen die zijn betaald over de periode 2008-2013 over het door de ex-partner op 31 oktober 2008 op de derdengeldrekening van de notaris gestorte bedrag. Ter zitting heeft klaagster desgevraagd erkend dat vorenbedoelde rentevergoedingen op basis van het vonnis in kort geding van 10 juni 2013 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant aan de ex-partner toekomen. Het hof is van oordeel dat klaagster om die reden geen belang heeft bij haar verzoek.

Klachtonderdeel iv

6.8.

Klaagster heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel onder meer aangevoerd dat op de website van [kantoornaam] naast de notaris en [Z] ook [X] zich als partner afficheert, hetgeen verwarring wekt omdat de indruk wordt gewekt dat [X] ook notaris is.

Op de zitting in hoger beroep heeft de notaris, desgevraagd, verklaard dat [kantoornaam] naar aanleiding van deze tuchtprocedure haar website inmiddels heeft gewijzigd. Thans staat [X] niet meer als partner op de website van [kantoornaam] vermeld. Overigens is de notaris van mening dat de op de website gebruikte term “partner“ algemeen van aard is en net zo min als de term medewerker blijkt geeft van een functie van (kandidaat-)notaris.

6.9.

Het hof is van oordeel dat de vermelding “partner” op een website of andere uiting van een notariskantoor betreffende een persoon die niet als notaris werkzaam is bij dat notariskantoor op zichzelf niet is toegestaan, indien een expliciet andersluidende en ieder mogelijk misverstand wegnemende toelichting ontbreekt. Bij gebreke van een dergelijke expliciete toelichting kan immers naar het publiek toe de indruk worden gewekt dat de desbetreffende partner daadwerkelijk notaris is.

Tussen [X] en klaagster heeft over tal van notariële aangelegenheden gedurende een langere periode contact plaatsgevonden. Uit de stukken van het dossier kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat [X] zich in die periode op enig moment jegens klaagster heeft voorgedaan als notaris. Enige concrete onderbouwing van deze stelling ontbreekt. De brief van 3 november 2008 van [X], waarnaar klaagster verwijst, is gericht aan de ex-partner en is daarmee ontoereikend. Hetzelfde heeft te gelden voor de in hoger beroep door klaagster overgelegde brief van 17 december 2008. Deze brief is gericht aan de toenmalige advocaat van klaagster en is afkomstig van de toenmalige advocaat van de ex-partner. Het hof acht het daarom in het geval van klaagster onaannemelijk dat de ongelukkige vermelding van [X] als partner op de website van [kantoornaam] reden is geweest om aan te nemen dat [X] notaris was. Het (blijven) gebruiken van de achternaam van een notaris die aan een notariskantoor verbonden is geweest, in het geval van [kantoornaam] de achternaam van mr. [Y], is in de praktijk niet ongebruikelijk en op basis van het feit dat “[X]” onderdeel uitmaakt van de kantoornaam van [kantoornaam] kan redelijkerwijs niet de conclusie worden getrokken dat [X] notaris is of was.

Het voorgaande brengt met zich dat de notaris op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, zodat klachtonderdeel iv ongegrond zal worden verklaard.

6.10.

Nu het hof voor wat betreft klachtonderdeel iv tot een andere beslissing komt dan de kamer, zal het hof de beslissing van de kamer in zoverre vernietigen en op dit punt opnieuw beslissen en de beslissing van de kamer voor het overige bevestigen.

6.11.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.12.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- verklaart klaagster in haar nieuwe klachten niet-ontvankelijk;

- vernietigt de bestreden beslissing voor wat betreft klachtonderdeel iv, en in zoverre opnieuw beslissende;

- verklaart klachtonderdeel iv ongegrond;

- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.M.A. Verscheure, H.T. van der Meer en G. Kleykamp-van der Ben en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2015 door de rolraadsheer.