Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:1733

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
22-05-2015
Zaaknummer
23-000942-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag 80-jarige man in eigen woning.

Gevangenisstraf 10 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000942-14

datum uitspraak: 7 mei 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-666115-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op 1 maart 1958,

thans gedetineerd in de [p.i.].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
23 april 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair (impliciet primair en subsidiair)
hij op of omstreeks 26 januari 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 1931) van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] een of (meer)ma(a)l(en) (met kracht) geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt en/of geknepen en/of een of (meer)ma(a)l(en) (met kracht) uitwendig inwerkend mechanisch botsend en/of comprimerend geweld op/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair
hij op of omstreeks 26 januari 2012 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 1931) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een of meer gebroken rib(ben) en/of een klaplong en/of een of meer bloeduitstorting(en) en/of een of meer zwelling(en) van de weke delen en/of een gebroken strottenhoofd en/of een of meer geperforeerde borstvlie(s)(zen) en/of een geprikte rib in de long onderkwab), heeft/hebben toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer] een of (meer)ma(a)l(en) (met kracht) te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te schoppen en/of te knijpen en/of een of (meer)ma(a)l(en) (met kracht) uitwendig inwerkend mechanisch botsend en/of comprimerend geweld op/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] uit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Vrijspraak moord

Nu niet exact valt te reconstrueren wat zich in de nacht van 25 op 26 januari 2012 in de woning van het slachtoffer, de heer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), heeft afgespeeld en derhalve niet kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een tijdspanne waarin verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit [slachtoffer] om het leven te brengen, is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair impliciet primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair impliciet subsidiair
hij op 26 januari 2012 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 1931) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met kracht uitwendig inwerkend mechanisch botsend en/of comprimerend geweld op het lichaam van voornoemde [slachtoffer] uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.1

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn pleitnotities gesteld dat het opsporingsonderzoek niet compleet is geweest nu het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] niet is vastgesteld en dit wel een relevant gegeven zou zijn geweest. Voorts zijn er maar weinig plekken op het lichaam van [slachtoffer] bemonsterd, waarbij enkel een onvolledig DNA-profiel van een onbekende man ‘B’ is aangetroffen. Dit profiel dient te worden aangeduid als een daderspoor nu achtergrond DNA en een secundaire transfer kunnen worden uitgesloten.

De raadsman stelt dat de verdachte rond middernacht in de nacht van 25 op 26 januari 2012 voor de deur van [slachtoffer] heeft staan roepen omdat hij zijn wasgoed kwam ophalen en [slachtoffer] de bel niet hoorde. Dit wasgoed had de verdachte eerder die dag gebracht. Hij is toen in de woning van [slachtoffer] geweest en heeft daar ook schoongemaakt en bier gedronken. Op die manier kan er DNA van de verdachte achtergebleven zijn in de woning van [slachtoffer], of dit DNA kan bij eerdere bezoeken zijn afgegeven. Op het moment dat de verdachte met zijn schone wasgoed de woning van [slachtoffer] weer verliet, leefde [slachtoffer] nog en was er niets met hem aan de hand. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer].

De glasscherven die onder de schoen van de verdachte en op zijn jas zijn aangetroffen, hoeven niet afkomstig te zijn van de voordeur van de woning van [slachtoffer], maar kunnen van elke ruit die is gemaakt van hetzelfde type draadglas zijn gekomen, nu dat immers een veelgebruikt materiaal is. Alle voordeuren in de wijk Frankendael zijn - op het oog - voorzien van ditzelfde draadglas. Zo bestaat altijd de kans dat het aangetroffen glas niet uit de voordeur van [slachtoffer] afkomstig is. Het lijkt niet onaannemelijk dat de herkomst van dit specifieke glas allemaal één bepaalde partij is geweest.

Over de aanwezigheid van het bloed van het slachtoffer onder de schoen van de verdachte voert de raadsman aan dat niet is vast te stellen hoe oud het bloed van het slachtoffer op de schoen is, zodat niet kan worden vastgesteld wanneer dat bloed daar terecht is gekomen. Nu de verdachte geregeld bij het slachtoffer over de vloer kwam, kan het zijn dat hij – ongemerkt – eerder in bloed van het slachtoffer is gaan staan.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat er een aantal hiaten in het opsporingsonderzoek zit.

Ten eerste is er onvoldoende onderzoek gedaan naar het tijdstip van overlijden van [slachtoffer]. Niet is vastgesteld hoe laat hij is overleden, terwijl dat bij de huidige stand van de wetenschap redelijk nauwkeurig had kunnen worden bepaald.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [slachtoffer] nog heeft gesproken rond middernacht in de nacht van 25 op 26 januari 2012. Voorts is het lichaam van [slachtoffer] door zijn buurman, [buurman slachtoffer] (hierna: [buurman slachtoffer]), op 26 januari 2015 rond 08.20 uur levenloos aangetroffen.2

Hieruit leidt het hof af dat [slachtoffer] is overleden in de nacht van 25 op 26 januari 2012 tussen een tijdstip rond middernacht en 08.20 uur.

Voorts is inderdaad slechts op een relatief klein aantal plekken op het lichaam van [slachtoffer] bemonsterd. Hierbij is een onvolledig DNA-profiel in de nek van [slachtoffer] aangetroffen van een onbekende man ‘B’. In tegenstelling tot wat de raadsman stelt, acht het hof het niet te achterhalen of dit aangetroffen DNA-profiel al dan niet een daderspoor is, nu ook overigens geen andere sporen van die onbekende man ‘B’ zijn aangetroffen die deze conclusie zouden ondersteunen.

Tegenover deze voornoemde hiaten in het opsporingsonderzoek staan echter de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 26 januari 2012 wordt in zijn woning aan de Rudolf Dieselstraat te Amsterdam het levenloze lichaam van een man, naar later blijkt [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer] 1931, in een plas bloed aangetroffen.

De politie die ter plaatse komt, ziet aan de openstaande voordeur schade: de onderruit van de voordeur is gebroken en voor de voordeur liggen allemaal glasscherven.3 Bij onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] ziet arts en patholoog A. Maes twee ernstige traumatische afwijkingen, die zelfstandig of in combinatie het overlijden van [slachtoffer] zouden kunnen verklaren:

1e Er waren bij leven opgelopen letsels in de hals, veroorzaakt door samendrukkend en/of omsnoerend geweld, zoals dat door wurghandelingen of andersoortige compressie op de hals kan zijn opgeleverd. Als gevolg hiervan kunnen fatale verstikkingsverschijnselen zijn opgetreden.

2e Er was een klaplong aan de linkerzijde als gevolg van heftig botsend en/of samendrukkend geweld op de borstkas, met onder andere multipele ribbreuken. Een klaplong kan mechanische belemmering van de hartfunctie opleveren met ademhalingsinsufficiëntie. Gezien de lokalisaties, de hoeveelheid en de verspreiding over het lichaam passen de letsels bij toegebrachte letsels door onder andere slaan en/of stompen en/of knijpen.

Dit brengt de arts en patholoog tot de conclusie dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend mechanisch botsend en/of comprimerend geweld op het lichaam.4

[buurman slachtoffer] ziet en hoort in de nacht van 25 op 26 januari 2012 een Turks-achtige man kabaal maken op straat. Deze man staat tussen zijn woning en die van [slachtoffer]. [buurman slachtoffer] gaat naar buiten en vraagt aan de man wat er aan de hand is. De man komt wat warrig over en is toen weggegaan.5

In een nadere verklaring legt [buurman slachtoffer] uit wat hij bedoelt met warrig: “Ik vond het onstabiel, hij (de Turks-achtige man) had een aardige slok op. Hij kwam niet helder over. Hij wiebelde een beetje. Toen hij mij zag, viel hij achterover en moest bijstappen om zijn balans te vinden. De man maakte een vrij agressieve, kwade indruk”. Verder verklaart [buurman slachtoffer] dat de man kabaal maakte. Zijn geschreeuw, dat om ongeveer 00:30 uur begon, kwam boven het geluid van de televisie uit. De man schreeuwde: open doen, open doen.6

[buurman slachtoffer] herkent op een fotoselectie van 9 personen de door hem bedoelde man op foto nummer 9. Dit is de foto waarop verdachte staat.7

Ook een buurvrouw, [buurvrouw slachtoffer], die schuin boven [slachtoffer] woont, verklaart aan verbalisanten die op 26 januari 2012 een buurtonderzoek doen, dat zij in de afgelopen nacht - rond middernacht - ruzie op straat hoorde. Zij hoorde een buitenlander vloeken en schreeuwen, vermoedelijk naar haar buurman. Hij liep voor de woningen en was ruzie aan het maken. Zij kan zich herinneren dat de man ook in de achtertuin van haar buurman liep te schreeuwen dat de buurman open moest doen en dat hij iets met zijn moeder ging doen. Zij had het idee dat de schreeuwende man dronken was. Dat maakte ze op uit zijn manier van praten. Het was waarschijnlijk een bekende, want hij schreeuwde een paar keer “[slachtoffer]”, de voornaam van de buurman.8

Zij hoorde rond 00:00 uur ook gebonk op de deur van haar buurman. Het geklop en geroep begon aan de achterzijde van de woning van de buurman. Er werd ook veel op de bel gedrukt. Het bellen, bonken en schreeuwen ging door tot een uur of kwart over 1.9

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij die man was, die in de bewuste nacht een beetje dronken voor de deur van [slachtoffer] stond, zijn naam [slachtoffer], riep en die in de achtertuin van [slachtoffer] is geweest, alwaar hij werd aangesproken door de buurman.10

Op 26 januari 2012 verricht de politie sporenonderzoek in en rondom de woning van [slachtoffer]. De politie ziet aan de voorzijde van de woning op de vloer van het portiek, aan de rechterzijde, bloed liggen dat wordt bemonsterd (SIN AADB4737NL).11

Uit onderzoek blijkt dat dit bloed een match oplevert met het DNA van de verdachte. De kans dat een willekeurig ander persoon dan de verdachte hetzelfde DNA-profiel bezit als is aangetroffen in het bloed in deze bemonstering is kleiner dan één op één miljard.12

Op een deurstijl van de slaapkamer wordt tussen de slotplaat en de wandcontactdoos een met bloed gezet dactyloscopisch spoor aangetroffen, dat wordt bemonsterd (SIN AADB4715NL).13

Uit onderzoek van het NFI blijkt dat dit bloedspoor een match oplevert met het DNA van de verdachte: de kans dat een willekeurig ander persoon dan verdachte hetzelfde DNA-profiel bezit als is aangetroffen in deze bemonstering, is kleiner dan één op één miljard.14

Bij het onderzoek wordt verder een dactyloscopisch spoor aangetroffen op de spiegel in de hal van de woning van het slachtoffer, dat wordt veiliggesteld (SIN AAEO3257NL). Dit spoor is door twee onafhankelijke dactyloscopen geïdentificeerd op een afdruk van de linkerhandpalm, voorkomend op een op 3 januari 2005 te Haarlem vervaardigd dactyloscopisch signalement op naam van de verdachte. De sporen vertonen 23 dactyloscopische punten van overeenkomst.15

Na aanhouding van de verdachte op 6 februari 2012 wordt de woning van de verdachte doorzocht en er wordt kleding van de verdachte, waaronder een halflange jas met bontkraag, in beslag genomen. 16 Ten aanzien van deze jas verklaart de verdachte dat hij deze jas heeft gedragen bij zijn laatste bezoek aan [slachtoffer] in de nacht van 25 op 26 januari 2012. 17

Vervolgens neemt de politie (in het halletje bij de woning van de verdachte) op 8 februari 2012 een paar schoenen van het merk Zany in beslag.18 Onder de zool van de linkerschoen zien verbalisanten bloed, dat wordt bemonsterd (SIN AAEO3951NL). Op de veter van de linkerschoen, nabij de veterogen, wordt bloed gezien dat wordt bemonsterd (SIN AAEO3950NL). Op de linkerschoen tussen de twee veterogen aan de bovenkant van de schoen, zien ze een op een bloed gelijkende vlek.

De DNA-profielen die zijn verkregen uit voornoemde bemonsteringen zijn vergeleken met het DNA-profiel van [slachtoffer]. De conclusie van die vergelijking is dat het bloed van deze bemonsteringen afkomstig kan zijn van [slachtoffer] en dat het bloed niet afkomstig is van de verdachte. De kans dat een willekeurig ander persoon dan het slachtoffer hetzelfde DNA-profiel bezit als aangetroffen in het bloed in deze bemonstering is kleiner dan één op één miljard.19

Verder is vastgesteld dat het bloed op de zool ook aanwezig was in de dieper gelegen delen van het profiel van de schoen.20

De schoenen van de verdachte zijn later nogmaals onderworpen aan onderzoek waarbij de binnenranden van de instapgedeelten van de linker-en rechterschoen zijn bemonsterd (AAE)3844NL #01 (linkerschoen) en #02 (rechterschoen). Hierbij is geen bloed aangetroffen, maar wel een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen verkregen: verdachte [verdachte] en slachtoffer [slachtoffer]. De matchkans van dit mengprofiel is kleiner dan één op één miljard.21

Bij onderzoek aan de jas van de verdachte wordt bloed aangetroffen dat een match oplevert met het DNA-profiel van de verdachte zelf. Daarnaast worden in deze bemonstering (SIN AAEY8024#01) additioneel, zwak aanwezige DNA-kenmerken zichtbaar die duiden op de aanwezigheid van een relatief geringe hoeveelheid bloed/celmateriaal van minimaal één andere persoon.22 Bij aanvullend onderzoek worden deze zwak aanwezige DNA-nevenkenmerken gekoppeld aan het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer]. De match-kans is – ervan uitgaande dat dit profiel afkomstig is van één persoon – kleiner dan één op één miljard.

Naast bloed, worden op en in de zolen van voornoemde schoenen op meerdere plekken op glas gelijkende delen gezien. In de onderkant van de zool en de zijkant van de zool van de linkerschoen worden meerdere scherprandige beschadigingen gezien. In een van deze beschadigingen zien verbalisanten een relatief groot op glas gelijkend stuk. Ook in de jas van verdachte worden glasscherven aangetroffen. Deze glasscherven uit de jas en de schoenen worden vergeleken met glasscherven die afkomstig zijn uit de voordeur van de woning van het slachtoffer. De conclusie van dit onderzoek is dat voor ten minste 3 (van de 8) onderzochte glasdeeltjes uit de jas en voor 3 (van de 4) onderzochte glasdeeltjes uit de bemonsteringen en van de schoenen blijkt dat de resultaten van het glasvergelijkend onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer deze deeltjes afkomstig zijn van de gebroken ruit waartoe het referentieglas heeft behoord dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp.23

Ook op het lichaam van het slachtoffer worden verspreid over zijn lichaam (beide bovenbenen, balzak, oksels) glassplinters aangetroffen.24 Ook deze stukjes glas worden door het NFI onderzocht en de conclusie is dat de resultaten van het glasvergelijkend onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer de op het slachtoffer aangetroffen stukjes glas afkomstig zijn van de vernielde ruit waartoe het referentieglas heeft behoord dan wanneer ze afkomstig zijn van (een) willekeurige andere ruit(en) of glazen object(en).25

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden - het aantreffen van bloedsporen van de verdachte in en buiten de woning van [slachtoffer], de combinatie van bloed van [slachtoffer] en glasdeeltjes van de gebroken deurruit in de schoenen en jas van de verdachte, alsmede de getuigenverklaringen waaruit blijkt dat hij als laatste is gezien bij de woning van [slachtoffer], terwijl hij kennelijk onder invloed van alcohol verkeerde en agressief overkwam - kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die [slachtoffer] met geweld om het leven heeft gebracht.

Het alternatieve scenario dat door de raadsman in zijn pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep is geschetst, namelijk dat het bewijsmateriaal niet uitsluit dat de verdachte op een andere manier, niet inhoudende de doodslag op het slachtoffer, betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer], acht het hof niet aannemelijk. Daarvoor geldt dat de verdachte zélf dit alternatieve scenario in zijn verklaringen niet heeft ondersteund - in tegendeel, de verdachte heeft steeds verklaard dat toen hij de woning van [slachtoffer] verliet het slachtoffer nog in leven was - en ook voorts biedt het dossier geen aanknopingspunt voor dit verder niet onderbouwde scenario.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij altijd logees in zijn huis had die zowel zijn schoenen als zijn jas droegen, zodat op die manier glasdeeltjes en DNA op zijn schoenen en jas zijn gekomen, acht het hof ook niet aannemelijk, nu de verdachte dit niet eerder heeft verklaard met betrekking tot zijn jas en hij na zijn aanhouding verklaard heeft dat hij de betreffende jas heeft gedragen in de nacht van 25 op 26 januari 2012.

De raadsman heeft tijdens zijn pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep nog een aantal voorwaardelijke verzoeken gedaan.

Als eerste heeft de raadsman verzocht om het op 20 april 2015 opgemaakte proces-verbaal van bevindingen telecom niet voor het bewijs te bezigen nu de verdediging onvoldoende de gelegenheid heeft gehad de daarin verwoorde resultaten te bestuderen. Op deze manier heeft de raadsman niet kunnen verifiëren hoe dit technische onderzoek heeft plaatsgevonden en op welke wijze de verbalisant tot zijn conclusies is gekomen. Indien het hof aan dit verzoek geen gehoor kan geven, verzoekt de raadsman het hof de verdediging in de gelegenheid te stellen ten aanzien van dit proces-verbaal contra-expertise te laten uitvoeren en het onderzoek ter terechtzitting daartoe te schorsen.

Het voornoemde verzoek van de raadsman behoeft geen nadere bespreking nu het hof het betreffende proces-verbaal van bevindingen niet voor het bewijs zal bezigen.

Ten tweede heeft de raadsman het hof (herhaald) verzocht het openbaar ministerie op te dragen het logboek (chain of custody) aan de verdediging ter hand te stellen zodat de wijze van inbeslagname en de verdere verwerking van sporen kan worden beoordeeld. Indien het complete logboek teveel gevraagd zou zijn, dan verzoekt de verdediging dat deel van het logboek dat ziet op de inbeslagname en verdere verwerking van de jas met glasresten en de bewuste schoenen (merk Zany) met bloed en glasresten. Mocht dit verzoek niet worden toegewezen dan meent de verdediging dat er geen sprake meer is van ‘equality of arms’ en derhalve sprake is van schending van artikel 6 EVRM. De verdediging verzoekt het hof dan om de resultaten van het forensisch onderzoek naar de jas en schoenen niet voor het bewijs te bezigen.

Het hof overweegt hieromtrent dat dit herhaalde verzoek reeds eerder is afgewezen. Ook thans wordt dit verzoek afgewezen, nu het verzoek onvoldoende is onderbouwd en de noodzaak tot het gevraagde (derhalve) niet is gebleken.

Ten derde heeft de raadsman aangevoerd dat er van de 16 - in de woning van [slachtoffer] aangetroffen -bloedsporen maar een zeer beperkt aantal is onderzocht. De verdediging heeft het hof verzocht om het openbaar ministerie alsnog opdracht te geven dit onderzoek op te pakken en te verrichten nu dat bij een juiste weging van het bewijsmateriaal noodzakelijk is.

Het hof acht onvoldoende onderbouwd waarom de overige bloedsporen nog dienen te worden onderzocht. Ook overigens is de noodzaak hiertoe niet gebleken. Het verzoek van de raadsman wordt afgewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor de in eerste aanleg impliciet subsidiair bewezen verklaarde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte in verband met doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Doodslag is één van de ernstigste delicten die de Nederlandse strafwetgeving kent. Het recht op leven behoort tot de fundamenteelste rechten die in onze rechtsorde dienen te worden beschermd. De verdachte heeft het leven van het slachtoffer op brute wijze beëindigd en hem daarmee dat recht ontnomen.

Een dergelijk feit kan veel onrust en gevoelens van onveiligheid veroorzaken in de samenleving en de directe omgeving van een slachtoffer. Het feit is gepleegd terwijl het slachtoffer, een 80-jarige man, zich in zijn eigen woning bevond. De verdachte heeft het slachtoffer zo ernstig toegetakeld dat nagenoeg al zijn ribben en zijn strottenhoofd zijn gebroken. Voor de familie van het slachtoffer is de wijze waarop zijn leven is geëindigd moeilijk te aanvaarden en te verwerken.

Niet duidelijk is geworden waarom de verdachte die nacht dit geweld op het slachtoffer heeft toegepast.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof mee dat hij ook op eerdere momenten in zijn leven gewelddadig is geweest. Uit het uittreksel uit het documentatieregister en mutaties bij de politie blijkt dat alcohol (al dan niet in combinatie met medicijnen) een negatieve uitwerking op het gedrag van de verdachte kan hebben, met niet zelden het plegen van strafbare feiten als gevolg. Zo is hij eerder veroordeeld wegens een poging tot doodslag.

Verschillende gedragsdeskundigen hebben in het kader van andere strafzaken gerapporteerd over de verdachte. In het kader van deze zaak heeft de verdachte geen medewerking willen verlenen aan onderzoek naar zijn persoon in het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

In het rapport van 3 januari 2013 citeren de psychiater en psycholoog, verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie uit Pro Justitia rapportage uit respectievelijk 2007 en 2009, waaraan de verdachte destijds kennelijk wel zijn medewerking verleende. De deskundigen stelden toen een persoonlijkheidsstoornis Niet Anders Omschreven (NAO) met antisociale en narcistische trekken en een alcoholafhankelijkheid vast. Uit testpsychologisch onderzoek was gebleken dat de verdachte op zwakbegaafd niveau functioneert. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte sindsdien in dit opzicht niet is veranderd, zodat de doodslag hem in licht verminderde mate moet worden toegerekend.

Alles afwegende acht het hof - net als de rechtbank - een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair impliciet subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. STK Deur Kl:rd - 4271604

2 Geld Euro - 4364056; Eig. [slachtoffer] R. Dieselstr 54 H 10

3 Geld Euro - 4233819;VAN SLO ([naam])?

4 1.00 STK Stofzuiger Kl: rood H2o 4239569

5 1.00 STK Niet te definiëren goederen - Mop / dweil 4230496

6 1.00 STK Glas - 4238710

7 1.00 STK Compactdisc - 4238716;

8 1.00 STK Glas - 4283190; glasblad van lamp

9 1.00 STK Medicijn - 4283197; paracetamol

10 6.00 STK Glas - 4283196; scherven

11 1.00 STK Glas - 4283188; glasblad van lamp

12 1.00 STK Glas - 4283186; glasblad van lamp

13 1.00 STK Shirt - 4281123

14 1.00 STK Hemd - 4281126

15 1.00 STK Knoop - 4281127

16 2.00 STK Schoenen Kl: bruin - 4281139

17 1.00 STK Broek - 4281131; spijkerbroek

18 2.00 STK Sok - 4281132

19 1.00 STK Riem - 4281135

20 1.00 STK Kam - 4281136

21 1.00 STK Papier - 4281138

22 2.00 STK Glas - 4263242; scherven

23 3.00 STK Glas - 4263240; scherven

24 1.00 STK Mat - 4239575; deurmat

25 1.00 STK Bouwmateriaal - 4232559; delen kattenluik

26 1.00 STK Zeep - 4230914

27 1.00 STK Schoonmaakartikel CIF 4230919

28 1.00 STK Shampoo ZWITSAL 4230923

29 1.00 STK Prothese - 4230477; gebit

30 1.00 STK Touw - 4230416

31 1.00 STK Glas - 4230423; scherven

32 1.00 PR Schoenen Kl: rood - 4230456

33 1.00 STK Handschoen - 4230459;transparante handschoenen

34 1.00 STK Tas BRISTOL 4230442; plastic

35 1.00 STK Zaktelefoon - 4230429; tel. incl. snoer

36 1.00 STK Schoonmaakartikel - 4230438; mop

37 1.00 STK Glas - 4230420;scherven

38 1.00 STK Handdoek - 4230467

39 1.00 STK Niet te definiëren goederen - 4230469; steel

40 1.00 STK Schoonmaakartikel - 4230475; mop

41 1.00 STK Handdoek - 4230488;

42 1.00 STK Washandje - 4230491

43 1.00 STK Glas - 4230418; scherf

44 1.00 STK Hamer - 4230427; klauwhamer

45 1.00 STK Hout - 4230435; houtblok.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. J.A.M. de Wit, en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 mei 2015.

[...]

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2012024445 van 26 januari 2012, pagina 3014.

3 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL132K 2012024457-2 van 26 januari 2012, pagina 1001.

4 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 5 april 2012, pagina 2270

5 Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2012024445 van 26 januari 2012, pagina 3013.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2012024457 van 8 februari 2012, pagina’s 3059 en 3060.

7 Proces-verbaal van tonen selectie bij simultane fotobewijsconfrontatie met nummer 2012024457 van 1 februari 2014, pagina’s 1009 en 1010.

8 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL132G 2012024457-5 van 26 januari 2012, pagina 3001.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2012024457-4 van 26 januari 2012, pagina’s 3002 en 3003.

10 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2015.

11 Proces-verbaal sporenonderzoek met nummer PL135J 2012024457-31 van 13 februari 2012, pagina 2170, 2175.

12 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 25 april 2012, pagina 2352.

13 Proces-verbaal van sporenonderzoek met nummer PL135J 2012024457-31 van 13 februari 2012, pagina’s 2171, 2175.

14 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 19 juni 2012, pagina’s 2384 en 2385.

15 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL135J 2012024457-18 van 27 januari 2012, pagina 2001.

16 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL135J 201224457-59 van 7 februari 2012, pagina 2123.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2012024457 van 7 februari 2012, persoonsdossier pagina 2020.

18 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL135J 2012024457-62 van 8 februari 2012, pagina 2020 en 2021.

19 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 28 februari 2012, pagina 2152.

20 Proces-verbaal van relaas onderzoek met nummer 2012024457 van 12 april 2012, pagina 2318.

21 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 20 december 2012, pagina 2449, 2451.

22 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 23 april 2012, pagina’s 2339 en 2340.

23 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 2 april 2012, pagina 2259.

24 Verslag betreffende een niet natuurlijke dood van 6 februari 2012, pagina 2018.

25 Tweede vervolg vergelijkend glasonderzoek (…) van het Nederlands Forensisch Instituut van 30 juli 2012, pagina 2398.