Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:1704

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2015
Datum publicatie
22-05-2015
Zaaknummer
23-001528-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontucht met stiefdochter en haar nichtje. Op artikel 248a Sr toegesneden tenlastelegging onvoldoende feitelijk, dagvaarding partieel nietig. Aan bewijsminimum is voldaan met verklaring van moeder, inhoudende dat verdachte, na door haar geconfronteerd te zijn met beschuldigingen op zijn knieën ging en zei het nooit meer te zullen doen. Oplegging van gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001528-13

datum uitspraak: 4 mei 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 13 maart 2013 in de strafzaak onder parketnummer 14-700904-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 april 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1. primair
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 27 november 2011 in de gemeente Alkmaar en/of te Groet, gemeente Bergen (NH), in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte (telkens)

- zich laten pijpen door die [slachtoffer 1], en/of

- zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd, althans gebracht, en/of

- die [slachtoffer 1] getongzoend, en/of

- de borstjes en/of de vagina en/of de billen van die [slachtoffer 1] betast, en/of

- zijn, verdachtes penis tegen de vagina van die [slachtoffer 1] gedrukt en/of gehouden, en/of

- zijn, verdachtes penis laten likken door die [slachtoffer 1];

1. subsidiair
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 27 november 2011 in de gemeente Alkmaar, en/of te Groet, gemeente Bergen (NH), in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] (geboren op 09 januari 2001), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, immers heeft hij, verdachte (telkens)

- de borstjes en/of de vagina en/of de billen van die [slachtoffer 1] betast, en/of

- zijn, verdachtes penis tegen de vagina van die [slachtoffer 1] gedrukt en/of gehouden, en/of

- zijn, verdachtes penis laten likken door die [slachtoffer 1];

2.
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juli 2011 tot en met 1 september 2011 in de gemeente Alkmaar, en/of te Groet, gemeente Bergen (NH), in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1999), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit

- het betasten (onder de kleding) van de vagina en/of de billen van die [slachtoffer 2], en/of

- het (onder haar bh) betasten van de borsten van die [slachtoffer 2], en/of

- het kussen op de mond van die [slachtoffer 2];

3.
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 27 november 2011 in de gemeente Alkmaar en/of te Groet, gemeente Bergen (NH), in elk geval in Nederland (telkens) een of meer afbeelding(en), waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de zestien jaar, te weten een of meer pornofilm(s) (waaronder een of meer film(s) van "de meiden van Holland") heeft vertoond aan [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1]), van wie hij (telkens) wist dat deze jonger was dan zestien jaar;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere kwalificatie van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde en andere strafoplegging dan de eerste rechter.

Partiële nietigheid van de inleidende dagvaarding

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde nietig moet worden verklaard, omdat de vermelding “afbeelding(en), waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, te weten een of meer pornofilm(s) (waaronder een of meer film(s) van “de meiden van Holland”), niet kan gelden als een voldoende feitelijke opgave van het verweten feit.

Het hof is van oordeel dat noch uit de bewoordingen van de tenlastelegging, noch uit het verhandelde ter terechtzitting of de inhoud van het procesdossier met voldoende mate van zekerheid kan worden afgeleid op welke (inhoud van die) afbeeldingen de steller van de tenlastelegging het oog heeft gehad. Onder die omstandigheden is het hof met de raadsvrouw - en overigens de rechtbank en de advocaat-generaal - van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde nietig dient te worden verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair:
hij op verschillende tijdstippen in de periode van 9 januari 2011 tot en met 27 november 2011 in de gemeente Alkmaar en/of te Groet, gemeente Bergen (NH), met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte (telkens)

- zich laten pijpen door die [slachtoffer 1], en

- zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht, en

- die [slachtoffer 1] getongzoend, en

- de borstjes en de vagina en de billen van die [slachtoffer 1] betast, en

- zijn, verdachtes penis tegen de vagina van die [slachtoffer 1] gehouden, en

- zijn, verdachtes penis laten likken door die [slachtoffer 1];

2:
hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 juli 2011 tot en met 1 september 2011 in de gemeente Alkmaar, en te Groet, gemeente Bergen (NH), met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1999), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit

- het betasten (onder de kleding) van de vagina en de billen van die [slachtoffer 2], en

- het (onder haar bh) betasten van de borsten van die [slachtoffer 2], en

- het kussen op de mond van die [slachtoffer 2].

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsverweren

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat het bewijs dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan telkens slechts te herleiden is tot één bron, namelijk de respectievelijke slachtoffers [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]).

Het hof overweegt als volgt.

De stelling van de raadsvrouw dat aan het zogenoemde bewijsminimum niet is voldaan mist doel. Immers, de getuige [familielid slachtoffer(s)], respectievelijk moeder en tante van de slachtoffers; heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard (p. 64 e.v.) :

“Ik heb hem ([verdachte]) op 27 november 2011 ’s avonds geconfronteerd met het misbruik van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Ik heb hem gezegd dat ik [slachtoffer 1] had gesproken en die had mij verteld dat hij pornografische films liet zien. En dat hij dan vroeg of zij zijn penis wilde aanraken. Nou, alles wat [slachtoffer 1] mij had verteld, heb ik tegen [verdachte] gezegd. Hij zei eerst dat hij niets had gedaan en later ging hij op zijn knieën en zei dat hij nooit meer zoiets zou doen.”

Deze verklaring houdt een waarneming in van de reactie en een uitlating van de verdachte zelf, zodat niet met vrucht kan worden betoogd dat de door [slachtoffer 1] respectievelijk [slachtoffer 2] gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in bewijsmateriaal uit andere bron. Het verweer wordt verworpen.

De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat de verklaringen van de slachtoffers niet betrouwbaar zijn en daarom moeten worden uitgesloten van het bewijs. Zij heeft hierbij gewezen op de tijd die tussen het afleggen van de verschillende verklaringen is verlopen. Beide meisjes hebben bovendien niet spontaan over het misbruik verteld, maar eerst nadat zij hierover werden bevraagd. Binnen de familie is uitgebreid gesproken over het doen van aangifte en over de beschuldigingen in de richting van de verdachte. Ook de meisjes hebben onderling over het misbruik gesproken. Niet uitgesloten kan worden dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten gevolge van een en ander ‘besmet’ zijn geraakt. Ook geldt dat [slachtoffer 1] haar seksuele kennis op andere wijze kan hebben opgedaan. Ten slotte dient de verklaring van [slachtoffer 1] als onbetrouwbaar terzijde te worden geschoven, zulks gelet op een passage waarin zij haar lezing aanpast als zij door de verhorend verbalisanten wordt geconfronteerd met onduidelijkheden, alsook vanwege tegenstrijdigheden in de verklaringen van de moeder van [slachtoffer 1]. De verklaring van [slachtoffer 2] bevat evenzeer tegenstrijdigheden, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt ook dit verweer en overweegt als volgt.

Dat het tijdsverloop en beïnvloeding door de familiecontacten de verklaringen van de [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enigszins hebben gekleurd, kan niet worden uitgesloten. Dat betekent echter nog niet dat de afgelegde verklaringen geheel onbetrouwbaar zijn, zoals door de verdediging is betoogd. De hof stelt vast dat de verklaringen van de getuigen inhoudelijk en qua formulering onderling verschillend zijn en dat niet is gebleken dat de verklaringen op elkaar zijn afgestemd.

Het feit dat de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 11- respectievelijk 12-jarige leeftijd bij de in 2012 afgenomen studioverhoren gedetailleerde verklaringen afleggen over de seksuele handelingen en dit juist op een kinderlijke wijze omschrijven, komt het hof betrouwbaar en geloofwaardig voor. In 2014 hebben zij ten overstaan van de raadsheer-commissaris hun verklaringen op essentiële onderdelen herhaald en zijn zij niet op de twee jaar eerder afgelegde verklaringen teruggekomen. Verder is niet onbegrijpelijk dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], mede gelet op hun jonge leeftijd, uiterst intieme kwesties als hier aan de orde niet spontaan ter sprake hebben gebracht; onbekendheid met het onoirbare van hetgeen hen is overkomen en schaamte spelen hierbij mogelijk een rol. Bij [slachtoffer 1] speelt ook mee dat zij in een loyaliteitsconflict is gebracht, nu zij van de verdachte - haar stiefvader van wie zij hield - niets mocht vertellen over het misbruik, omdat er anders grote problemen zouden komen. De omstandigheid dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet uit eigener beweging met hun verhaal naar buiten zijn gekomen, vormt dan ook geen reden voor twijfel aan de waarachtigheid van hun verklaringen.

De tegenstrijdigheden die de raadsvrouw ziet in de verklaringen van de moeder van [slachtoffer 1], raken

- anders dan is aangevoerd - niet aan de betrouwbaarheid van de verklaring van haar dochter. Verder acht het hof acht het verloop van het verhoor van [slachtoffer 1] in de door de raadsvrouw aangehaalde passage, mede gelet op de leeftijd van [slachtoffer 1], niet dusdanig betekenisvol dat aan de betrouwbaarheid van haar verklaring als geheel wordt afgedaan. De tegenstrijdigheden die door de raadsvrouw in de verklaring van [slachtoffer 2] zijn aangeduid - de gemeente waarin het misbruik heeft plaats gevonden en de precieze duur van de logeerpartij - zien naar het oordeel van het hof slechts op ondergeschikte onderdelen van die verklaring.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft in hun vroege tienerjaren ontucht gepleegd met zijn stiefdochter en - tijdens een logeerpartij - met haar nichtje. Bijzonder schrijnend is dat het misbruik van zijn stiefdochter plaatsvond over een langere periode en bestond uit tal van ingrijpende seksuele gedragingen en handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam. Wanneer zijn stiefdochter aan de verdachte probeerde te ontkomen omdat zij hem niet oraal wilde bevredigen, kwam hij achter haar aan, pakte haar hoofd vast en dwong haar tot die handeling. Dit gedrag is uitermate verwerpelijk en volstrekt ontoelaatbaar. De verdachte heeft aldus bovendien misbruik gemaakt van de vertrouwensband met zijn stiefdochter, die aan zijn zorg toevertrouwd was en bij hem in huis woonde. In plaats van haar veiligheid en geborgenheid te bieden, heeft hij zijn overwicht op zijn stiefdochter aangewend voor het bevredigen van zijn seksuele lusten. Een en ander geldt in vergelijkbare zin ook voor het nichtje dat kwam logeren.

Het is een feit van algemene bekendheid dat als gevolg van seksueel misbruik de geestelijke gezondheid van een jong meisje ernstig kan worden geschaad. Deze geestelijke schade kan van lange duur zijn, omdat dergelijk misbruik een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, verstoort. In dit geval is al duidelijk dat de problemen waarmee de stiefdochter van de verdachte is komen te kampen, van dien aard zijn dat zij zich onder psychologische behandeling heeft moeten laten stellen. Bij het verhoor van het nichtje in 2014 is naar voren gekomen dat zij vanwege het gebeurde nog steeds veel boosheid en nachtmerries ervaart. Ook bij de familieleden van de meisjes heeft het misbruik het nodige teweeg gebracht.

Op feiten als deze wordt in beginsel gereageerd met gevangenisstraffen van langere duur.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 april 2015 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft het hof verder kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 20 december 2012 van L.F. Visser, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“De heer [verdachte] is een [leeftijd] man van Portugese afkomst. Zijn relatie is door de onderhavige feiten verbroken. Betrokkene is sindsdien woonachtig bij een zus van hem in Amsterdam. Uit ons onderzoek komt betrokkene naar voren als een eenzame, werkloze man, die overmatig alcohol gebruikt. Het laatste lijkt een functie te hebben in het verlichten van klachten die betrokkene heeft ten gevolge van een spierziekte.

In verband met de ontkenning van betrokkene kunnen wij momenteel geen uitspraken doen over de kans op recidive. Daarentegen kan gesteld worden dat de noodzaak van een terugvalpreventiebehandeling gericht op zedendelinquenten hoog is in het geval betrokkene aan het tenlastegelegde schuldig wordt bevonden. De heer [verdachte] zegt bereid te zijn zich te laten behandelen indien hij hiertoe wordt veroordeeld. De behandeling blijkt uitvoerbaar te zijn bij De Waag, Centrum voor Ambulante Forensische Psychiatrie, in Amsterdam. Zij zijn bereid de noodzakelijke tolkkosten tijdens de behandeling te vergoeden.

Indien betrokkene veroordeeld wordt, kan gesteld worden dat de kans op recidive gemiddeld tot hoog is, zonder passende ambulante behandeling, gezien het soort delict waarvan betrokkene wordt verdacht.

Indien betrokkene schuldig wordt bevonden, wordt geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierbij worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd:

- meldingsgebod;

- behandelverplichting.”

Vastgesteld wordt dat in hoger beroep de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Het hoger beroep is ingesteld op 26 maart 2013. Het hof doet uitspraak op 4 mei 2015. De overschrijding is dus gering te noemen. In eerste aanleg is de zaak met voortvarendheid afgedaan (binnen 12 maanden na de inverzekeringstelling van de verdachte) en van een onredelijke lange duur van de procedure als geheel is dan ook geen sprake. Onder die omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om tot strafvermindering te komen.

Het hof is, alles afwegende, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder het is begaan, van oordeel dat niet kan worden volstaan met de in eerste aanleg opgelegde straf en acht een - deels voorwaardelijke - gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het hof zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht het hof het noodzakelijk dat de verdachte contact met Reclassering Nederland onderhoudt en een behandeling bij het centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag (of een soortgelijke instelling) ondergaat. Middels het stellen van bijzondere voorwaarden zal hij daartoe worden verplicht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.100, bestaande uit een deel van € 6.000 voor immateriële schade en een deel van € 100 voor materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.100. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot het bedrag van € 6.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente met ingang van de datum waarop de bewezenverklaarde schade toebrengende feiten tegenover de benadeelde partij zijn aangevangen.

Voor het overige is € 100 gevorderd als materiële schade. Het hof is van oordeel dat dit deel van de vordering thans niet kan worden toegewezen aangezien het onvoldoende is onderbouwd. Het strafgeding zou in deze fase onevenredig worden belast indien de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom in de vordering niet worden ontvangen en kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.000. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.000. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De helft van de gevorderde schadevergoeding bestaat uit een vergoeding voor materiële schade. Deze schade is door de rechtbank als niet-ontvankelijke vordering afgedaan nu deze blijkens de toelichting bestaat uit een voorschot op therapiekosten die nog moeten worden gemaakt. Nu ook in hoger beroep niet is komen vast te staan dat deze therapiekosten reeds zijn gemaakt of ten laste van de benadeelde partij zijn gekomen, zal het hof laatstgenoemde niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

Het door de rechtbank toegewezen gedeelte van de vordering, ter grootte van € 1.000, ziet op immateriële schade en zal ook door het hof worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente met ingang van de datum waarop de bewezenverklaarde schade toebrengende feiten tegenover de benadeelde partij zijn aangevangen.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof ten aanzien van beide benadeelde partijen de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 244 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de inleidende dagvaarding met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde nietig.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich meldt bij Reclassering Nederland te Amsterdam, zolang en frequent de reclassering dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar, noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich op ambulante basis voor zedenproblematiek zal laten behandelen bij centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag of een soortgelijke instelling, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling of behandelaar zullen worden gegeven.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.000 (zesduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.000 (zesduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000 (duizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 1.000 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. H.A. van Eijk en mr. J.G.B. Pikkemaat, in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 mei 2015.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]