Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:167

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
200.124.381/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er bestaat geen wettelijke verplichting voor een schuldeiser om deel te nemen aan het minnelijke traject dat ertoe strekt te voorkomen, dat een schuldenaar toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling moet aanvragen. Voor het aannemen van een buitenwettelijke rechtsplicht daartoe bestaat geen aanleiding. Het hof verwijst naar ECLI:NL:HR:2005:AT7799, Payroll). Ook het beginsel van gelijkheid tussen schuldeisers dwingt daar op zichzelf niet toe. Dat sprake is van misbruik van bevoegdheid is niet gesteld en kan uit de aangevoerde feiten en omstandigheden (uitgaande van de juistheid daarvan) evenmin worden afgeleid. Het niet deelnemen aan het minnelijk traject is niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.124.381/01

zaak/rolnummer rechtbank Noord-Holland: 568130/CV EXPL 12-10006

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 februari 2015

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. P.H. van Dijck te Haarlem,

tegen:

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[geïntimeerde],

gevestigd te [woonplaats], [land],

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

In deze zaak is op 27 mei 2014 een tussenarrest gewezen. Ingevolge dat tussenarrest heeft [appellant] een akte genomen. Daarop heeft [geïntimeerde] bij akte gereageerd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het tussenarrest heeft het hof [appellant] verzocht om inlichtingen te verschaffen over de vraag, of er sprake was van bewind als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW, zo ja, of dit alle goederen van [appellant] betreft en of de bewindvoerder de procedure wenst over te nemen. [appellant] heeft daarop bij akte de beschikking tot benoeming van de bewindvoerder alsmede een verklaring van de bewindvoerder in het geding gebracht. In diens verklaring heeft de bewindvoerder tevens aangegeven de procedure te willen overnemen. [geïntimeerde] heeft zich ter zake gerefereerd aan het oordeel van het hof.

2.2

Uit de beschikking tot benoeming van de bewindvoerder volgt dat het bewind zich over alle goederen van [appellant] uitstrekt. Nu de bewindvoerder de procedure van [appellant] wenst over te nemen en [geïntimeerde] zich daartegen niet verzet, zal het hof daaraan gevolg geven. De procedure wordt daarom aan de zijde van [appellant] beschouwd als door de bewindvoerder als formele procespartij gevoerd. Omwille van de leesbaarheid wordt appellant nog wel [appellant] genoemd.

2.3

Het hof zal thans overgaan tot het bespreken van de grieven.

2.4

Met grief I voert [appellant] aan dat hij de vordering van [geïntimeerde] van € 2.075,93 wel degelijk heeft betwist. Volgens hem is ten onrechte in de eindafrekening van Essent geen rekening gehouden met over het jaar 2010 betaalde voorschotten en is die eindafrekening niet verklaarbaar in het licht van een achterstand die op 1 maart 2011 € 790,= bedroeg. Volgens [appellant] zijn de kosten bovendien onverklaarbaar hoog, gelet op de omvang van zijn appartement (60m2) en zijn afwezigheid in de periode waarop de eindafrekening betrekking heeft ([appellant] verbleef in 2010 en begin 2011 in een gesloten GGZ-instelling).

2.4.1.

Het hof constateert dat de eindafrekening van Essent (zie r.o. 3.1.2 tussenarrest) die dateert van 9 april 2011 en als productie bij conclusie van repliek in eerste aanleg het geding is gebracht, de periode betreft van 30 november 2010 t/m 28 februari 2011. De eindafrekening vermeldt voorts de berekende c.q. opgenomen begin- en eindmeterstanden, het tarief voor gas en elektra en het door [appellant] te betalen totaalbedrag. Tevens blijkt eruit dat op het totaalbedrag een bedrag van € 640,00 aan in rekening gebrachte voorschotten in mindering is gebracht. Op de derde bladzijde van de eindafrekening staat onder het kopje “Eerder in rekening gebrachte voorschotten” vermeld dat voor de maanden januari en februari 2011 steeds € 320,=, in totaal € 640,=, in rekening is gebracht.

2.4.2.

Uit de eindafrekening valt niet af te leiden dat er over 2010 voorschotten aan Essent zijn betaald. [appellant] meent kennelijk (doch Essent betwist) dat deze er wel waren. Hij heeft echter nagelaten te stellen welke voorschotten hij heeft betaald en tot welke vermindering dat aanleiding zou moeten geven. Ook heeft hij geen betalingsbewijzen in het geding gebracht. Uit het door [appellant] als productie 9 in het geding gebrachte betalingsoverzicht blijkt wel van betalingen in december 2010 en januari 2011 aan Nuon, maar niet van voorschotbetalingen aan Essent.

2.4.3.

[appellant] kan ook niet worden gevolgd in zijn betoog dat de juistheid van de eindafrekening twijfelachtig is omdat er op 1 maart 2011 een achterstand was van slechts € 790,=. Weliswaar wordt in de brief van Budgetondersteuning van 25 augustus 2012 waarop [appellant] zich beroept melding gemaakt van een brief van Essent van 1 april 2011 waaruit een vordering van die hoogte zou blijken, maar de eindafrekening dateert van na 1 april 2011. Denkbaar is daarom dat de brief van Essent van 1 april 2011 uitsluitend nog betrekking had op de niet-betaalde voorschotten (in totaal € 640,=) en met de contractsbeëindiging samenhangende kosten (volgens [appellant]: aanmaningskosten 2 x € 25,= en opzegvergoeding 2 x 50,=, dus in totaal € 150,=). De brief van 25 augustus 2012 bevat dan ook onvoldoende aanknopingspunten dat de eindafrekening van Essent onjuistheden bevat.

2.4.4.

Ook als het appartement van [appellant] een geringe omvang heeft en [appellant] gedurende de periode waarop de eindafrekening betrekking had niet in zijn woning verbleef, volstaat een en ander niet om aan de juistheid van die afrekening te twijfelen. Tal van factoren bepalen immers de hoogte van de energiekosten, terwijl de enkele afwezigheid van [appellant] op zichzelf ook niet tot de conclusie dwingt dat er in die periode in zijn appartement geen (grote hoeveelheid) energie verbruikt kan zijn.

2.5

Bij gebreke van andere voldoende duidelijk betrokken stellingen die tot een ander oordeel aanleiding geven, staat de vordering van [geïntimeerde] op [appellant] daarom als onvoldoende weersproken in dit geding vast. Grief I faalt in zoverre.

2.6

Met grief I (overig) en de grieven II en III stelt [appellant] aan de orde dat Essent haar vordering had moeten inbrengen in het minnelijk schuldsaneringstraject dat zijn toenmalige bewindvoerder had bewerkstelligd. Daarover overweegt het hof, dat er geen wettelijke verplichting bestaat voor een schuldeiser om deel te nemen aan het minnelijke traject dat ertoe strekt te voorkomen, dat een schuldenaar toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling moet aanvragen. Voor het aannemen van een buitenwettelijke rechtsplicht daartoe bestaat geen aanleiding. In dat verband verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT7799, Payroll). Daarin oordeelde de Hoge Raad dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat een hem door de schuldenaar aangeboden akkoord - dat inhoudt dat hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand doet van zijn recht op voldoening - te weigeren. Daarbij is van belang dat bij een dergelijk akkoord de waarborgen ontbreken die de Faillissementswet in geval van faillissement, surseance van betaling of toelating tot de WSNP biedt met betrekking tot de vaststelling van en het toezicht op de vermogenspositie van de schuldenaar door de curator of de bewindvoerder en de rechter-commissaris. De bevoegdheid van een schuldeiser om een akkoord te weigeren kan uitzondering lijden indien de uitoefening van deze bevoegdheid wordt misbruikt (art. 3:13 BW) en de schuldeiser aldus naar redelijkheid aanvaarding van het aanbod niet had kunnen weigeren.

2.7

Gelet op bovenvermelde maatstaf was Essent in beginsel niet verplicht de vordering op [appellant] in te brengen in het minnelijk traject. Ook het beginsel van gelijkheid tussen schuldeisers (paritas creditorum) dwingt daar op zichzelf niet toe. Dat sprake is van misbruik van bevoegdheid is door [appellant] niet gesteld en kan uit de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden (uitgaande van de juistheid daarvan) evenmin worden afgeleid. Essent heeft ook niet onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld door (al dan niet opzettelijk) de vordering niet in te brengen. Op deze oordelen stuiten de grieven af.

2.8

Het bewijsaanbod van [appellant] wordt als onvoldoende concreet en niet ter zake dienend gepasseerd.

2.9

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 683,= aan verschotten en € 948,= voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, J.C. Toorman en R.H.C. van Harmelen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2015.