Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:1649

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2015
Datum publicatie
06-05-2015
Zaaknummer
200.158.378-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berichtgeving in De Telegraaf over verdachte in omvangrijke creditcardfraude en diens rol als getuige niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.158.378/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/571792/ KG ZA 14-1127

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 april 2015

inzake

[appellant],

wonend te [woonplaats],

appellant,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. J.S. Bijsterbosch te ‘s-Gravenhage,

tegen

1 TMG LANDELIJKE MEDIA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2 [geïntimeerde sub 2],

kantoorhoudend te Amsterdam,

3 [geïntimeerde sub 3],

kantoorhoudend te Amsterdam

4 [geïntimeerde sub 4],

kantoorhoudend te Amsterdam,

geïntimeerden,

tevens incidenteel appellanten,

advocaat: mr. J.P. van den Brink te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en (in enkelvoud) De Telegraaf genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 20 oktober 2014, hersteld bij exploot van 24 oktober 2014, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 22 september 2014, in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiser en De Telegraaf als gedaagde. De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

[appellant] heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen strekkende tot rectificatie van berichtgeving (onder verbeurte van een dwangsom) en tot een voorschot op schadevergoeding zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

De Telegraaf heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en in incidenteel appel tot verbetering van de gronden van dat vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, inclusief nakosten. [appellant] heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel en - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van De Telegraaf in de kosten daarvan.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 de inzet van het kort geding samengevat en de publicatie weergegeven die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Dit is niet in geschil en dient derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

De Telegraaf heeft op 19 augustus 2014 een artikel met de volgende tekst gepubliceerd:

‘Grootste creditcardfraude ooit in growshop aangestuurd’

DEN HAAG SPIL MEGABANKROOF

door [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 3].

Een growshop aan de Haagse [adres] was volgens de Duitse justitie het Nederlandse

epicentrum van de grootste creditcardfraude ooit. In de zaak kregen de grote en kleinere

criminelen die op één nacht in Duitsland toesloegen vervalste passen, lijsten met pinautomaten

en prepaid mobieltjes.

Ten tijde van de roof, waarbij wereldwijd in februari 2013 in één nacht dik 30 miljoen euro met valse

passen werd gepind, was [S] (38) bedrijfsleider van de handel in kweekbenodigdheden

voor de hennepteelt. Zowel hij als de toenmalige eigenaar [L] zit vast in Duitsland. Daar

heeft kroongetuige Nicolaos [appellant], een uit Griekenland afkomstige vrachtwagenchauffeur, uitgebreid

over de Hagenaren verklaard.

Met de hem onbekende [O] (32) uit Rijswijk reed de 47-jarige [appellant] naar Bremen om alle

pinautomaten in de Hanzestad leeg te trekken. Van de buit - bijna 170.000 euro - zou hij een

kwart mogen houden. Achteraf zag hij niets ervan terug. Onderweg kreeg [appellant] autopech, waarbij hij

zijn echte identiteit bij een garage prijsgaf. Zo kon de politie hem traceren en oppakken. Hij

kreeg door zijn getuigenis twee jaar voorwaardelijke celstraf.

De kroongetuige belde onderweg met [S] Die was met [L] en anderen onderweg in het Ruhrgebied. In Essen haalde de eenhandige bandiet met de vervalste creditcards ruim 150.000 euro uit de automaten. Op bewakingscamera’s was te zien dat S. maar één hand had, de ander had hij bij een vuurwerkongeluk verloren. Zo kon ook dit kopstuk door de politie getraceerd worden.

Afgelopen februari werd de voormalige bedrijfsleider in Nederland gearresteerd. Vervolgens oordeelde justitie dat zijn hechtenis kon worden geschorst.

Het Openbaar Ministerie in Düsseldorf, dat het onderzoek leidt, reageerde woedend. De Duitse justitie volhardde succesvol in het verzoek om uitlevering. Momenteel zit S. in Keulen vast.’

3.2

[appellant] heeft in eerste aanleg hetzelfde als in hoger beroep gevorderd: rectificatie van bovengenoemd artikel en een voorschot op schadevergoeding. De voorzieningenrechter heeft zijn vorderingen afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zes grieven op.

3.3

Bij de beoordeling van het hoger beroep moet het volgende voorop worden gesteld.

a Tegenover elkaar staan in deze zaak (i) het grondwettelijk en verdragsrechtelijk verankerde recht van De Telegraaf op vrijheid van meningsuiting en (ii) het onder andere door artikel 6:162 BW beschermde recht van [appellant] om niet te worden blootgesteld aan publicaties die, door daarin geuite ongefundeerde of lichtvaardige verdachtmakingen, inbreuk maken op zijn eer en goede naam respectievelijk op zijn recht op bescherming daarvan. Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten zwaarder dient te wegen is afhankelijk van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval, die hiertoe moeten worden beoordeeld en bij welke beoordeling aansluiting moet worden gezocht bij hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 24 juni 1983, NJ 1984/801 ter zake heeft overwogen. Daarbij komt aan de positie van de Telegraaf bijzondere betekenis toe gelet op enerzijds de taak van de pers om informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en om haar vitale rol van publieke waakhond te spelen, en gelet op anderzijds het recht van het publiek om informatie en ideeën te ontvangen. Van belang is voorts dat niet noodzakelijkerwijze voorrang moet worden gegeven aan een van beide hierboven genoemde rechten van partijen.

b In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de vorderingen van [appellant] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van voorzieningen zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

3.4

Grief I houdt in dat de voorzieningenrechter het Duitse vonnis in de strafzaak van [appellant] van 6 maart 2014 verkeerd heeft weergegeven door te stellen dat daarin is overwogen dat voor de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf beslissend is geweest dat [appellant] een bekentenis had afgelegd en daarbij een aantal tot dan toe onbekende mededaders had genoemd. Volgens [appellant] moet een onderscheid worden gemaakt tussen de hoogte van de straf en de voorwaardelijkheid ervan en valt uit het Duitse vonnis niet af te leiden dat zijn bekentenis beslissend is geweest voor de voorwaardelijkheid van de opgelegde gevangenisstraf. Daarmee vindt het artikel in De Telegraaf, nog steeds volgens [appellant], geen steun in de feiten.

3.5

Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat in de in het vonnis onder 3.4 weergegeven overwegingen van de Duitse strafrechter een onmiskenbaar verband wordt gelegd tussen de bekennende verklaring van [appellant] en zijn mededelingen over mededaders, en de beslissing om de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

3.6

Met grief II klaagt [appellant] over de overweging van de voorzieningenrechter dat de Duitse officier van justitie aan De Telegraaf heeft bevestigd dat door de verklaring van [appellant] een aantal mededaders kon worden vervolgd en dat [appellant] voor zijn getuigenis een strafvermindering in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar heeft gehad en dat ook daarmee het artikel voldoende steun vindt in de feiten. Hier komt [appellant] tot soortgelijke conclusies als hierboven. Volgens hem slaat de mededeling van de Duitse officier van justitie dat de medewerking van [appellant] tot strafvermindering heeft geleid, op de hoogte van de straf maar niet op het voorwaardelijk karakter ervan.

3.7

Op grond van de mededelingen van de Duitse officier van justitie, onder meer inhoudend: “Diese Aufklärungshilfe des Verurteilten had bei diesem zu einer Strafmilderung geführt.” in samenhang met de hiervoor bedoelde strafmotivering van de Duitse rechter, mocht De Telegraaf naar het oordeel van het hof terecht de conclusie trekken dat de bekentenis van [appellant] tot de keuze voor een voorwaardelijke gevangenisstraf hebben geleid.

3.8

Hierbij wordt nog opgemerkt dat deze semantische discussie voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de publicatie en de vraag in dat verband of deze voldoende steun vond in de feiten, maar een marginale en zeker geen doorslaggevende rol speelt. Onmiskenbaar spreekt uit het Duitse vonnis en de mededelingen van de Duitse officier van justitie immers dat [appellant] (mede) op grond van zijn bekentenis en verdere inhoud van zijn verklaring een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaar opgelegd heeft gekregen. Dit is ook in het artikel in De Telegraaf tot uitdrukking gebracht. De grieven I en II falen.

3.9

Met grief III klaagt [appellant] over het oordeel van de voorzieningenrechter over het gebruik van de term ‘kroongetuige’ en met grief IV over zijn oordeel dat door het artikel niet de suggestie wordt gewekt dat hij een deal met justitie zou hebben gesloten. Volgens [appellant] wordt die suggestie namelijk wel gewekt, door het in één adem gebruiken van de term ‘kroongetuige’ en de opmerking dat hij door zijn getuigenis twee jaar voorwaardelijke celstraf heeft gekregen.

3.10

Deze grieven falen ook. [appellant] kan worden toegegeven dat de term ‘kroongetuige’ in het algemeen spraakgebruik ook - zij het niet uitsluitend - gebruikt wordt voor verdachten die tegen medeverdachten getuigen en daarvoor strafvermindering in het vooruitzicht gesteld krijgen. De term wordt echter eveneens gebruikt om personen aan te duiden die als voornaamste getuige van een strafbaar feit zijn aan te merken. In zoverre valt deze aanduiding niet te vereenzelvigen met verdachten met wie de officier van justitie een afspraak als bedoeld in artikel 226g Wetboek van Strafvordering heeft gemaakt omtrent strafvermindering in ruil voor een getuigenverklaring. Dat sprake zou zijn van een dergelijke afspraak, is in elk geval uit het artikel van De Telegraaf niet af te leiden en van de suggestie dat dit zo zou zijn door benoemen van op zichzelf juiste feiten evenmin.

3.11

In grief V wordt aan de orde gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat De Telegraaf contact heeft gezocht met de Duitse advocaat van [appellant]. [appellant] betwist dat echter onvoldoende. Gelet op de onderbouwde stellingen van De Telegraaf had het op zijn weg gelegen gegevens, zoals een verklaring van die advocaat, in te brengen om zijn betwisting te onderbouwen. Het hof gaat er daarom van uit dat dit contact is gezocht, maar niet tot een antwoord heeft geleid. Overigens heeft [appellant] nagelaten aan te duiden dat en waarom, als dit contact al niet zou zijn gelegd, dit consequenties zou moeten hebben.

3.12

Met grief VI ten slotte betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat De Telegraaf pas tot publicatie van het artikel is overgegaan nadat in de Duitse media veelvuldig was bericht over creditcardfraude en de betrokkenheid van [appellant] daarbij. Volgens [appellant] hebben die Duitse publicaties immers in Nederland niet geleid tot bedreiging van hem en komen de aanduidingen in de Duitse artikelen van personen niet overeen met die gebruikt in De Telegraaf.

3.13

De grief faalt. Vast staat dat in de Duitse media wel degelijk uitvoerig was bericht over de strafbare feiten waarbij [appellant] betrokken was. [appellant] heeft dat op zichzelf niet betwist en De Telegraaf heeft diverse voorbeelden daarvan overgelegd. Dat dit niet tot bedreiging van [appellant] heeft geleid, doet voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de publicatie niet ter zake. Het stond De Telegraaf vrij te publiceren als zij heeft gedaan met de daarbij gebezigde aanduidingen, ook al verschilden die van aanduidingen in de Duitse pers. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant], net als de andere verdachten, in het Telegraafartikel alleen met de voornaam en eerste letter van de achternaam is aangeduid.

3.14

De grieven in principaal appel falen. Bij haar grief in incidenteel appel heeft De Telegraaf geen belang. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep in principaal appel en in incidenteel appel. In incidenteel appel zullen de kosten begroot worden op nihil.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van De Telegraaf begroot in principaal appel op € 704,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, en in incidenteel appel op nihil;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.F. Schütz, W.H.F.M. Cortenraad en L.A.J. Dun en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 april 2015.