Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:1384

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2015
Datum publicatie
20-04-2015
Zaaknummer
106.002.753-02
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:702
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzieningsprocedure. Herziening wordt gevorderd van de uitspraak in de collectieve actie van een stichting ten behoeve van deelnemers aan het Sprintplan van Spaarbeleg (thans Aegon). Tussenarrest: partijen kunnen zich uitlaten over het eindarrest van het hof van 7 april 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:1229) gewezen in een andere tegen Aegon aangespannen collectieve actie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 4, p. 208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 106.002.753/02

zaak- / rolnummer rechtbank: 167513 / HA ZA 03-1906 (Utrecht)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 april 2015

inzake

de stichting

STICHTING GEDUPEERDEN SPAARCONSTRUCTIE,

gevestigd te Deventer,

eiseres tot herroeping,

advocaat: mr. P.M. Leerink te Deventer,

tegen:

de naamloze vennootschap
AEGON BANK N.V. tevens handelende onder de naam Spaarbeleg,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde tot herroeping,

advocaat: mr. B.W.G. van der Velden te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van de procedure tot herroeping

Partijen worden hierna GeSP en Aegon genoemd.

Voor het verloop van de procedure tot 27 november 2012 verwijst het hof naar het op die datum uitgesproken arrest in het door GeSP opgeworpen incident op grond van artikel 843a Rv. Bij dit tussenarrest is geoordeeld dat de vordering van GeSP tot openlegging van de administratie van Aegon eerst voor toewijzing in aanmerking komt, indien de door GeSP bedoelde stukken van belang blijken te zijn voor de hoofdzaak. Eerst zal de vraag moeten worden beantwoord of aan (een van) de criteria voor herroeping als bedoeld in artikel 382 Rv is voldaan en of de door GeSP bedoelde stukken voor de beantwoording van die vraag relevant zijn. De beslissing omtrent de incidentele vordering is bij het tussenarrest aangehouden en de zaak is naar de rol verwezen voor antwoord in de hoofdzaak.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, met producties;

- akte uitlating productie, tevens akte wijziging van eis in het incident, met producties, van GeSP;

- antwoordakte wijziging van eis in incident, van Aegon.

Ten slotte is arrest gevraagd.

GeSP vordert herroeping van het arrest van dit hof van 15 november 2007 met rolnummer 718/05, wegens in de procedure gepleegd bedrog, en vernietiging van het daaraan voorafgegane vonnis van de rechtbank Utrecht van 22 december 2004 op het incidenteel hoger beroep van GeSP, alsmede toewijzing van de in hoger beroep door haar gewijzigde vorderingen, met veroordeling van Aegon in de kosten van de procedure, met nakosten en vermeerderd met rente.

Na wijziging van eis vordert GeSP in het incident dat Aegon wordt veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen arrest over te gaan tot openlegging van alle tot de administratie van Aegon Garantiefonds behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, waaronder in elk geval alle bankafschriften van alle bankrekeningen van de bewaarder van het Aegon Garantiefonds en alle beleggingscontracten en facturen ten name van de bewaarder van het Aegon Garantiefonds, alsmede van alle stukken genoemd in bijlage 1 van het rapport van PWC van 3 januari 2012 en wel door het verlenen van inzage daarin aan de advocaat en/of bestuurders van GeSP en/of een door GeSP aan te wijzen deskundige(n) op een door GeSP aan te wijzen tijdperiode op een door Aegon aan te wijzen, werkbare locatie in Nederland, alsmede door toezending aan de advocaat van GeSP van goed leesbare exemplaren/kopieën van alle stukken, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van Aegon in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Aegon heeft zowel in de hoofdzaak als in het incident geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van GeSP, met veroordeling van GeSP in de proceskosten, met rente en uitvoerbaar bij voorraad.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij het tussenarrest onder 2.1 is reeds een aantal feiten weergegeven die voor de beoordeling van het geschil van belang zijn. Het gaat kort samengevat in deze zaak om een door GeSP ingestelde collectieve actie tegen Aegon met betrekking tot het product Sprintplan. De rechtbank Utrecht heeft bij vonnis van 22 december 2004 voor recht verklaard dat Aegon onrechtmatig heeft gehandeld jegens hen die met Aegon een Sprintplanovereenkomst hebben gesloten en aansprakelijk is voor de schade die dezen als gevolg daarvan hebben geleden. Dit vonnis is door het hof bij arrest van 15 november 2007 bekrachtigd. De Hoge Raad heeft vervolgens bij arrest van 5 juni 2009 de tegen dit arrest ingestelde cassatieberoepen verworpen.

2.2.

Naar de kern genomen stelt GeSP ter onderbouwing van de door haar gevorderde herroeping dat Aegon in de procedure heeft verzwegen dat zij de ingelegde gelden niet (volledig) daadwerkelijk voor rekening en risico van de deelnemers aan het Sprintplan heeft belegd. Dezelfde vraag is aan de orde gekomen in de collectieve actie die door de Vereniging Consument & Geldzaken tegen Aegon is ingesteld (zaaknummer: 106.005.089/02). In die zaak heeft het hof op 7 april 2015 een eindarrest gewezen (ECLI:NL:GHAMS:2015:1229).

2.3.

In de zaak van de Vereniging Consument & Geldzaken tegen Aegon heeft het hof, mede met het oog op de hiervoor genoemde vraag, het noodzakelijk geacht dat duidelijk is hoe het Sprintplan daadwerkelijk door Aegon is ingevuld en uitgevoerd. Het hof heeft Aegon daarom opgedragen bij akte, gespecificeerd en voor zover mogelijk met stukken onderbouwd, duidelijk te maken op welke wijze het Aegon Garantiefonds (hierna: het Garantiefonds) de beschikking heeft gekregen over een bedrag gelijk aan de door de afnemers van het Sprintplan geleende bedragen en vervolgens hoe en voor welk bedrag het Garantiefonds tot belegging daarvan is overgegaan. Vervolgens heeft het hof bij een volgend tussenarrest beslist dat hij kennis wenst te nemen van de overeenkomsten die Aegon – naar zij stelt – heeft gesloten met investment banks, dat Aegon deze documenten dient te voorzien van een toereikende toelichting en zij aan de hand van die overeenkomsten en eventuele overige documentatie specifiek en cijfermatig onderbouwd voor het hof inzichtelijk dient te maken door wie welk bedrag aan de investment banks is betaald, voor welk bedrag financiële instrumenten zijn aangekocht en welke specifieke bedragen de investment banks telkens na vijf jaren op grond van de overeenkomsten aan Aegon hebben uitbetaald. Verder heeft het hof Aegon opgedragen een nadere toelichting te geven op de positie van Aegon Custody B.V. die blijkens artikel 4.2 van het “Prospectus Spaarbeleg SprintPlan (tevens prospectus van het AEGON GarantieFonds)” de partij is die de fondswaarden van het Garantiefonds op eigen naam, maar voor rekening van het Garantiefonds houdt.

2.4.

Aegon heeft de contracten met de investment banks waarover zij stelt nog te beschikken in kopie in de procedure overgelegd. Daarnaast heeft Aegon van de betalingen bankafschriften en mutatie-overzichten overgelegd en de betaalstromen toegelicht, mede aan de hand van een specifieke portefeuille die zij als voorbeeld heeft gebruikt.

2.5.

Op grond van die stukken en het over en weer gestelde is het hof in de zaak van de Vereniging Consument & Geldzaken tot de conclusie gekomen dat voldoende aannemelijk is dat Aegon per portefeuille van het Sprintplan een bedrag ter grootte van de daarop betrekking hebbende leningen heeft gestort op de rekening van het Sprintplan, dat dit bedrag vervolgens van die rekening is betaald aan een investment bank en dat voor dat bedrag financiële instrumenten zijn aangekocht door Aegon Investment Management. Aegon Custody heeft deze financiële instrumenten vervolgens gehouden in haar hoedanigheid van bewaarder voor het Garantiefonds. Verder moet worden aangenomen dat aan het einde van de looptijd van elke portefeuille de investment banks een bedrag ter grootte van de eindwaardering van het subfonds hebben gestort op de rekening van het Sprintplan. Dat bedrag was gelijk aan de garantiewaarde vermeerderd met de stijging van de gekozen indices. Dit bedrag is daarna aan Aegon doorbetaald en is gebruikt ten behoeve van de (eind)afrekening voor de deelnemers aan het Sprintplan.

2.6.

Het hof ziet aanleiding partijen zich bij akte te laten uitlaten over de betekenis van de uitspraak in de zaak van de Vereniging Consument & Geldzaken voor de onderhavige procedure.

2.7.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden

3 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2015 voor akte aan beide zijden tot het hiervoor in r.o. 2.6 omschreven doel;

bepaalt dat partijen vervolgens op een termijn van vier weken een antwoordakte kunnen nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, W.A.H. Melissen en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2015.