Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:1119

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2015
Datum publicatie
31-03-2015
Zaaknummer
14/00003
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:12609, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2186
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft terecht geen rekening gehouden met het aangegeven negatieve loon of de in de aangifte opgenomen aftrekposten en het restant persoonsgebonden aftrek.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/692
V-N 2015/21.2.4
NTFR 2015/2216
NTFR 2015/1642 met annotatie van Mr. drs. R. Steenman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 14/00003

12 februari 2015

uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende], wonende te[woonplaats], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 13/2610 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 oktober 2012 aan belanghebbende voor het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.999.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 29 april 2013, de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 24 december 2013 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen bij faxbericht van 6 januari 2014 (per vergissing door belanghebbende gedateerd op 6 januari 2013). De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 16 april 2014 is van belanghebbende een nader stuk ontvangen. Een afschrift hiervan is aan de inspecteur gezonden.

1.6.

Op 11 augustus 2014 is per fax van belanghebbende opnieuw een nader stuk ontvangen. Deze fax heeft de voorzitter na de mondelinge behandeling van 11 augustus 2014 bereikt.

1.7.

Het (eerste) onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. Ter zitting heeft belanghebbende een kopie van de onder 1.6 vermelde fax ingebracht en heeft ook de inspecteur een kopie ervan ontvangen.

1.8.

De inspecteur heeft op 3 september 2014 schriftelijk gereageerd op de onder 1.7 vermelde fax.

1.9.

Op 18 september 2014 heeft belanghebbende wederom nadere stukken ingediend (zowel per fax als digitaal). Per abuis zijn deze stukken niet (gelijk) naar de inspecteur doorgestuurd (zie 1.14).

1.10.

Telefonisch heeft belanghebbende het Hof op 13 oktober 2014 laten weten de zitting van 28 oktober 2014 niet te zullen bijwonen.

1.11.

Op 28 oktober 2014 heeft een (tweede) onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.12.

Op 24 november 2014 heeft het Hof van belanghebbende een fax ontvangen, gedagtekend 20 november 2011 (bedoeld zal zijn 2014), met als onderwerp “aanvulling hogerberoepschrift […] 14/00003”. Een afschrift hiervan is aan de inspecteur gezonden.

1.13.

Op 26 november 2014 heeft het Hof van belanghebbende een fax ontvangen, gedagtekend 26 november 2011 (bedoeld zal zijn 2014), met als onderwerp “aanvulling hogerberoepschrift […] 14/00003”. Per abuis zijn deze stukken niet (gelijk) naar de inspecteur doorgestuurd.

1.14.

Op 3 december 2014 heeft het Hof een kopie van belanghebbendes onder 1.9 en 1.13 vermelde nadere stukken naar de inspecteur doorgestuurd.

1.15.

Op 20 januari 2015 heeft een (derde) onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.16.

Op de eerder vermelde zittingen (zie 1.9, 1.11 en 1.15) is tegelijk met het onderhavige hoger beroep tevens belanghebbendes hoger beroep betreffende de IB 2010 (kenmerk Hof 14/00254) en - voor wat betreft - de zitting op 20 januari 2015 daarnaast belanghebbendes hoger beroep betreffende de IB 2011 (14/00658) behandeld. In al deze zaken speelden min of meer dezelfde geschilpunten.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

2.1.

Eiser is geboren op[geboortedatum]. Eiser was geheel 2009 ongehuwd en was woonachtig op het adres [adres] te[woonplaats]. Eiser heeft in 2009 een uitkering van het UWV ontvangen ten bedrage van € 14.999.

2.2.

Eiser heeft een dochter, te weten [naam 1] (hierna: de dochter). De dochter van eiser is geboren op [geboortedatum] en stond van 1 januari 2009 tot 14 april 2009 in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerd op het adres [adres] te[woonplaats]. In 2009 heeft de dochter € 5.204 brutolooninkomsten genoten. Voorts heeft zij geheel 2009 studiefinanciering genoten.

2.3.

Eiser heeft voor het jaar 2009 aangifte gedaan naar een verzamelinkomen van

€ 15.000-/-.

2.4.

Bij het vaststellen van de definitieve aanslag ib/pvv 2009 heeft verweerder geen rekening gehouden met het door eiser in de aangifte aangegeven negatieve loon noch met de in de aangifte opgenomen aftrekposten en het restant persoonsgebonden aftrek. Het inkomen uit werk en woning heeft verweerder vastgesteld op € 14.999, zijnde het bedrag van de door eiser in 2009 ontvangen uitkering.

2.2.

Met uitzondering van de geboortedatum van de dochter (die op 3 november 1990 in plaats van op [geboortedatum] is geboren; zie rechtbankuitspraak onder 2.2) zijn de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet bestreden. Derhalve zal het Hof van dezelfde feiten uitgaan (zij het dat het voor [geboortedatum] in 2.2 de datum 3 november 1990 leest ).

3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen (waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de inspecteur als verweerder):

Ontvankelijkheid bezwaar

4.1.

Het bezwaarschrift van eiser is op 26 oktober 2012 binnengekomen bij verweerder, derhalve vóór de dagtekening van de aanslag ib/pvv 2009. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de aanslag, zoals vaker het geval is, ook in dit geval al ruim vóór de dagtekening van de aanslag is verzonden. De rechtbank heeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Dit betekent dat ervan wordt uitgegaan dat de onderhavige aanslag reeds vóór de dagtekening en het instellen van bezwaar tot stand is gekomen en bekend gemaakt is. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar ontvankelijk is.

Negatief inkomen

4.2.

Eiser stelt dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met negatief inkomen als gevolg van een terugbetaling aan het DWI. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een brief van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente[woonplaats] (hierna: DWI) overgelegd van 14 april 2011. Hierin staat dat op de uitkering van eiser in de maand juli 2006 een bedrag van € 200 is ingehouden in verband met een bepaalde maatregel. De door eiser overgelegde brief van het DWI bevat geen enkele aanwijzing dat er in 2009 een terugbetaling door eiser van de uitkering aan het DWI heeft plaatsgevonden. Deze brief vermeldt immers slechts dat er in het jaar 2006 een bedrag van € 200 op de uitkering van eiser is ingehouden. Voor het overige heeft eiser ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij in 2009 enig bedrag aan het DWI heeft terugbetaald. Eiser, op wie de bewijslast rust, heeft met hetgeen hij heeft overgelegd en aangevoerd, tegenover de gemotiveerder weerspreking van verweerder, derhalve niet aannemelijk gemaakt dat er in 2009 rekening gehouden dient te worden met negatief inkomen. Aldus heeft verweerder bij de vaststelling van de aanslag ib/pvv 2009 daarmee terecht geen rekening gehouden.

Levensonderhoud kinderen

4.3.

Artikel 6.14, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 bepaalt onder meer dat uitgaven voor levensonderhoud van een kind niet in aanmerking worden genomen indien het kind recht heeft op een gift, een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs volgens de Wet studiefinanciering 2000 die niet uitsluitend bestaat uit een reisvoorziening in de zin van die Wet. Verweerder heeft gesteld dat de dochter van eiser in 2009 een dergelijke prestatiebeurs ontving. Eiser, op wie de bewijslast rust, heeft erkend dat zijn dochter recht heeft op studiefinanciering, maar hij heeft daarbij gesteld dat hij zijn kind niet kan opvoeden van alleen studiefinanciering. Eiser heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat zijn dochter geen recht had op een prestatiebeurs zoals hiervoor omschreven. Reeds om die reden bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen recht op aftrek voor uitgaven voor levensonderhoud van de dochter. Dat de studiefinanciering onvoldoende was voor de dochter om van te kunnen leven, maakt het voorgaande niet anders gelet op artikel 6.14, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001.

Uitgaven voor specifieke zorgkosten

4.4.1.

Eiser heeft in zijn aangifte ib/pvv 2009 voor een totaalbedrag van € 6.038 (na aftrek drempel) specifieke zorgkosten in aanmerking genomen. Niet in geschil is dat eiser in aanmerking komt voor aftrek van tandartskosten (€ 141) en vervoerskosten (€ 107, inclusief 113% verhoging). Genoemde kosten leiden na toepassing van de drempel (€ 247) tot een aftrek van € 1. Nu verweerder de overige door eiser opgevoerde aftrekposten gemotiveerd heeft betwist, ligt het op de weg van eiser aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt die als zorgkosten in de zin van artikel 6.17 van de Wet IB 2001 in aftrek kunnen worden gebracht.

4.4.2.

Eiser heeft daartoe als eerste gesteld dat hij wegens nierstenen en een kapotte enkel een bank en stoel heeft aangeschaft. In zijn aangifte heeft eiser hiervoor een bedrag van € 50 in aftrek gebracht. Voor zover eiser heeft willen stellen dat hij in aanmerking komt voor aftrek van kosten in verband met de aanschaf van andere hulpmiddelen, faalt die stelling. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bank en stoel op voorschrift van een arts zijn aangeschaft, laat staan dat de bank en stoel eiser in staat stellen tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn, zoals is vereist voor hulpmiddelen. Bovendien heeft eiser de met de aanschaf van de bank en de stoel gemoeide kosten op geen enkele wijze onderbouwd. Het voorgaande betekent dat eiser met betrekking tot het door hem gestelde niet voor aftrek van kosten in aanmerking komt.

4.4.3.

Daarnaast heeft eiser kopieën van op medicijndoosjes geplakte stickers als bijlage bij zijn beroepschrift overgelegd. Voor zover eiser hiermee heeft willen stellen dat hij in aanmerking komt voor aftrek van kosten in verband met de aanschaf van medicijnen, (in zijn aangifte heeft eiser hiervoor een bedrag van € 50 in aftrek gebracht), gaat dit naar het oordeel van de rechtbank niet op. Eiser heeft, gelet op de data vermeld op de stickers, niet aannemelijk gemaakt dat de daarop vermelde middelen in 2009 zijn aangeschaft. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de middelen (voor zover al aan te merken als geneesmiddelen) op medisch voorschrift zijn aangeschaft en dat met de aanschaf van de middelen (op eiser drukkende) kosten zijn gemoeid.

4.4.4.

Met betrekking tot de andere door eiser in zijn aangifte in aftrek gebrachte ziektekosten, te weten dieetkosten (€ 1.200), genees- en heelkundige hulp (€ 3.089, exclusief tandartskosten) en reiskosten ziekenbezoek (€ 50) heeft eiser geen enkele onderbouwing gegeven. Eiser heeft hiermee deze door hem in aftrek gewenste kosten, tegenover de betwisting van verweerder niet aannemelijk gemaakt.

Scholingsuitgaven

4.5.1.

Op grond van artikel 6.1, eerste en tweede lid, onderdeel f, juncto artikel 6.2 van de Wet IB 2001 kunnen scholingsuitgaven als persoonsgebonden aftrek op het inkomen uit werk en woning in mindering worden gebracht. Ingevolge het eerste lid van artikel 6.30 van de Wet IB 2001 komen scholingsuitgaven voor aftrek in aanmerking voor zover het gezamenlijke bedrag hoger is dan € 500.

4.5.2.

Hierbij worden ingevolge artikel 6.27 van de Wet IB 2001 als scholingsuitgaven aangemerkt:

"1. Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.
(…)

3. Uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning die op zijn partner drukken, worden mede als scholingsuitgaven aangemerkt.”

4.5.3.

Eiser heeft in zijn aangifte kosten in verband met de studie van zijn dochter in aftrek gebracht. De rechtbank overweegt hieromtrent dat alleen scholingsuitgaven ten behoeve van eiser zelf of zijn eventuele partner kwalificeren als aftrekbare uitgaven. De uitgaven in verband met de studie van zijn dochter komen gelet hierop niet voor aftrek in aanmerking.

4.5.4.

Ook heeft eiser in zijn aangifte kosten in verband met een “Café opleiding” in aftrek gebracht ter hoogte van € 229. Ter onderbouwing heeft eiser een ongedateerde, niet op naam gestelde en ongeadresseerde brief van de Nationale Handels Academie overgelegd waarbij de vernieuwde cursus Cafébedrijf wordt toegestuurd. Voorts heeft hij een paar pagina’s van schriftelijk cursusmateriaal overgelegd. Eiser, op wie de bewijslast inzake de aftrek van scholingskosten rust, heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat hij in verband met genoemde opleiding kosten heeft gemaakt die voor aftrek in aanmerking komen. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt op geen enkele wijze wanneer en door wie de cursus Cafébedrijf is gevolgd. Bovendien heeft eiser op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor deze cursus. Bovendien komen de door eiser gestelde kosten ook niet boven de drempel van € 500 uit. De door eiser in verband hiermee opgevoerde kosten zijn dan ook niet aftrekbaar.

Restant persoonsgebonden aftrek

4.6.

Eiser heeft in zijn aangifte een bedrag aan “restant gebonden aftrek” geclaimd in verband met foutieve aanslagen betreffende de jaren 1998 tot en met 2009 tot een bedrag van € 118.902. De rechtbank overweegt hieromtrent dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van een bedrag aan persoonsgebonden aftrek dat niet eerder in aanmerking is genomen (artikel 6.1, eerste lid en onderdeel b, van de Wet IB 2001). Op grond van artikel 6.2a, van de Wet IB 2001 wordt het bedrag van de op enig tijdstip niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Gesteld noch gebleken is van een dergelijke beschikking in het onderhavige geval. Hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, is ontoereikend om aannemelijk te achten dat sprake is van enig bedrag aan persoonsgebonden aftrek dat in voorafgaande jaren niet in aanmerking is genomen. Uit eerdere procedures van eiser bij het Gerechtshof te[woonplaats] en bij deze rechtbank blijkt voorts genoegzaam dat de destijds gestelde kosten – voor zover deze voor aftrek in aanmerking konden worden gebracht – van zijn belastbaar inkomen in die jaren zijn afgetrokken en dat daarbij geen bedrag aan persoonsgebonden aftrek in aanmerking is genomen doordat het belastbaar inkomen ontoereikend was om de aftrek geheel in aanmerking te kunnen nemen. Dat eiser het mogelijk niet eens is met die uitspraken, kan er niet toe leiden dat in een later jaar de vraag of in voorafgaande jaren voor bepaalde gestelde uitgaven recht bestaat op persoonsgebonden aftrek weer ter discussie wordt gesteld.

Alleenstaande ouderkorting

4.7.1.

Artikel 8.15, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt als volgt:

“1. De alleenstaande-ouderkorting geldt voor belastingplichtige die in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden:

a. geen partner heeft;

b. een huishouding voert met een kind dat in belangrijke mate door hem wordt onderhouden en op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, en

c. deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt.”

4.7.2.

Eiser heeft in zijn aangifte alleenstaande-ouderkorting geclaimd. Uit gegevens van de basisadministratie volgt dat de dochter van eiser tot 14 april 2009 op het zelfde adres als eiser ingeschreven heeft gestaan, derhalve minder dan zes maanden in 2009. Hiermee wordt niet voldaan aan het gestelde in artikel 8.15 eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001. Gelet hierop komt eiser niet voor alleenstaande-ouderkorting in aanmerking.

Te verrekenen verlies uit werk en woning

4.8.

Eiser heeft gesteld dat er een bedrag aan te verrekenen verlies uit werk en woning van vorige jaren in aanmerking dient te worden genomen van € 7.000. In dat kader heeft eiser gesteld dat hij een onderneming heeft gehad. De activiteiten van de onderneming betroffen het organiseren van feesten. De onderneming was niet succesvol. Eiser is van mening dat hij gelet hierop verliezen in aftrek mag brengen. Gesteld noch gebleken is dat er in enig jaar een verlies uit werk en woning is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 3.151 van de Wet IB 2001). De enkele blote stelling van eiser dat hij de door hem genoemde verliezen heeft geleden is onvoldoende om een verlies in aanmerking te nemen. Verweerder heeft dat dan ook terecht geweigerd.

Te verreken belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang

4.9.

Ook heeft eiser in zijn aangifte een nog te verrekenen belastingkorting voor een verlies uit aanmerkelijk belang van 2001 tot en met 2007 ad € 49.000 aangegeven. Eiser heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat er op enig moment een verlies uit aanmerkelijk belang is ontstaan. Ook hiervoor geldt derhalve dat verweerder daarmee terecht geen rekening heeft gehouden bij het vaststellen van de aanslag.

Slotsom

4.10.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Eiser heeft tegen de berekende heffingsrente geen grieven aangevoerd. Nu het beroep tegen de aanslag ongegrond is, dient het beroep tegen de beschikking heffingsrente eveneens ongegrond te worden verklaard.

4 Geschil in hoger beroep

4.1.

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van enig bedrag in verband met:

  • -

    een aan DWI terugbetaald bedrag (als negatief inkomen);

  • -

    betaald levensonderhoud van de dochter;

  • -

    uitgaven voor specifieke zorgkosten;

  • -

    scholingsuitgaven;

  • -

    persoonsgebonden aftrek;

  • -

    de alleenstaande ouderkorting;

  • -

    een te verrekenen verlies;

4.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Belanghebbende heeft in zijn hoger beroepschrift een aantal grieven tegen de rechtbankuitspraak aangevoerd. De rechtbank heeft - zo begrijpt het Hof belanghebbende - ten onrechte niet in aanmerking genomen:

  1. een aan DWI terugbetaald bedrag van € 200 als negatief loon;

  2. uitgaven ter zake van het levensonderhoud van zijn dochter [naam 1], die (aldus belanghebbende) schoolgaand is en tot zijn huishouden behoort;

  3. uitgaven voor specifieke zorgkosten (‘medicijnen’ en ‘hulpmiddelen’);

  4. scholingsuitgaven;

  5. een bedrag aan persoonsgebonden aftrek;

  6. de alleenstaande ouderkorting;

  7. een te verrekenen verlies uit werk en woning / aanmerkelijk belang (door belanghebbende ook wel aangeduid als aftrekbaar bedrag aan BTW of ondernemingsverlies).

5.2.

Ter onderbouwing van zijn standpunt in hoger beroep verwijst belanghebbende onder andere naar de bij de rechtbank ingediende stukken en hetgeen hij in die procedure heeft betoogd. Daarnaast heeft hij in hoger beroep - onder andere - ingebracht:

  1. een door[naam 1] Apotheek BV op 14 april 2014 afgedrukt overzicht van de middelen die de apotheek belanghebbende van 3 mei 1995 tot en met 19 november 2013 heeft geleverd;

  2. een op 2 mei 2014 gedateerd ‘MEDICATIEOVERZICHT’, dat door dezelfde apotheek is afgegeven, waarop onder andere vermeld staat: “Startdatum […] Diabetes mellitus 02-mei-2014”, alsmede onder het kopje “Huidige medicatie” enige geneesmiddelen die belanghebbende vanaf 15 november 2013 heeft geleverd gekregen;

  3. een door Instituut [naam 1] opgesteld overzicht van de behandelingen die belanghebbende in de maanden mei tot en met september 2010 heeft ondergaan;

  4. een op 15 april 2014 gedateerd, door huisarts [naam 1] ingevuld aanvraagformulier voor laboratoriumonderzoek;

  5. het voorblad en de pagina’s 1 tot en met 5, 8, 9, 14, 15 en 32 van belanghebbendes ‘Diabetesdagboek’, welk dagboek kennelijk vanaf 28 april 2014 is ingevuld;

  6. een op 2 mei 2014 gedateerde verklaring van huisarts [naam 1], volgens welke belanghebbende sinds 2009 ‘een dieet ivm overgewicht’ en ‘Vanaf 2014 een dieet ivm suikerziekte’ ‘heeft’;

  7. een op 25 november 2014 gedateerde verklaring van huisarts [naam 1], waarin de huisarts belanghebbende ‘voor beweegprogramma ikv Diabetes Mellitus’ verwijst, en waarop tevens vermeld staat: “Actieve medicatie Diclofenac […] Episoden […] Diabetes mellitus type 2 (6-5-15)”;

  8. een op zowel 6 mei 2014 als 6 augustus 2014 gedateerd Belastingdienst-formulier ‘2010 Dieetbevestiging’ waarop een handtekening en naamstempel van huisarts[naam 2] voorkomen en waarop staat vermeld dat belanghebbende zich onder andere van 1 april 1993 tot en met 31 december 2009 aan het dieet moet houden met nummer 25 (‘Diabetes dieet’) op de bijlage met de aanhef “Tabel vaste aftrekbare bedragen 2009”, daarnaast zijn de nummers 30, 31, 13 en 24 (alle met dezelfde eerder genoemde ingangs- en einddatum, op dit formulier ingevuld);

  9. een op 6 mei 2014 gedateerd Belastingdienst-formulier ‘2009 Dieetbevestiging’ waarop een handtekening en naamstempel van huisarts[naam 2] voorkomen en waarop staat vermeld dat belanghebbende zich onder andere van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 aan de diëten moet houden met de nummers 20, 21, 27, 16 en 10 op de bijlage met de aanhef “Tabel vaste aftrekbare bedragen 2010”;

  10. een op 6 mei 2014 gedateerd Belastingdienst-formulier ‘2011 Dieetbevestiging’ waarop een handtekening en naamstempel van huisarts[naam 2] voorkomen en waarop staat vermeld dat belanghebbende zich onder andere van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 aan de diëten moet houden met de nummers 20, 21, 26, 10 en 16 op de bijlage met de aanhef “Tabel vaste aftrekbare bedragen 2010”;

  11. documenten van Huisartsenpraktijk[naam 2] en enige medisch specialisten met - zo begrijpt het Hof – afspraken die belanghebbende met zijn behandelend artsen gemaakt heeft;

  12. een bonnetje volgens welke belanghebbende op 28 april 2014 een bedrag van € 9,99 aan[naam 1] Apotheek BV heeft betaald; zonder dat aangegeven wordt waarvoor dit bedrag is betaald;

  13. een kopie van de schriftelijke uitspraak van het Hof van 25 augustus 2005, waarin het Hof onder andere beslist heeft dat belanghebbendes aanslag inkomstenbelasting over 2001 verminderd moet worden tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.418.

5.4.

Het Hof overweegt als volgt.

5.4.1.

Met betrekking tot de onder 5.2 onder 8 en 9 vermelde documenten heeft de inspecteur contact gezocht met huisarts[naam 2]. De inspecteur heeft over dat contact geschreven dat de huisarts daarin verklaard heeft dat zij nimmer een dieet aan belanghebbende heeft voorgeschreven. Tevens heeft de inspecteur een schriftelijke verklaring ingebracht van haar, waarin deze verklaart:

“Hierbij wil ik verklaren dat de dieetvoorschriften zoals vermeld in de formulieren Dieetbevesti[gi]ng 2009 en Dieetbevestiging 2010 niet door mij zijn opgegeven.

Ik herken wel mijn handschrift in het geschreven dieetnummer “25” (Dieetbevestiging 2009); de opgeven data, [en] de andere dieetnummers heb ik niet vermeld.”

5.4.2.

Belanghebbende heeft in zijn nader, op 18 september 2014 ingediend stuk verklaard dat - zo begrijpt het Hof hem - hij met[naam 2] de afspraak had dat zijn huisarts op het 2009-formulier alleen bij ‘nummer’ het getal ‘25’ zou invullen en dat hij zelf de rest van het 2009-formulier en het 2010-formulier in zijn geheel zou invullen.

5.4.3.

Mede gelet op hetgeen de inspecteur overigens over de dieetbevestigingen heeft opgemerkt en in aanmerking genomen dat het Hof uit de in 5.2 onder 2, 5, 6 en 7 vermelde documenten afleidt dat belanghebbende eerst vanaf circa april 2014 medicijnen in verband met zijn suikerziekte is gaan gebruiken (en gelet op de overige documenten), is het Hof van oordeel dat belanghebbende uitsluitend aannemelijk gemaakt heeft dat hij zich slechts aan één dieet als bedoeld in artikel 6.17, lid 1, onder f, jo artikel 37 Uitvoeringsregeling IB 2001 hield (en wel vanaf april 2014 aan een dieet als gevolg van zijn suikerziekte).

Negatief inkomen

5.4.4.

Met hetgeen belanghebbende in hoger beroep (of in een eerdere fase) heeft ingebracht heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van enig aan DWI terugbetaald bedrag (geen van de in hoger beroep ingebrachte documenten heeft hierop betrekking).

Derhalve heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de inspecteur bij de aanslagregeling terecht geen rekening heeft gehouden met het door belanghebbende ter zake geclaimde bedrag.

Levensonderhoud kinderen

5.4.5.

Belanghebbende stelt terecht dat de rechtbank de geboortedatum van de dochter fout heeft vermeld onder de feiten (zie 2.2). Echter, zulks doet niet af aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank. Ook als de rechtbank van de juiste geboortedatum van de dochter was uitgegaan, mede in aanmerking genomen hetgeen belanghebbende in hoger beroep op dit punt heeft betoogd, had belanghebbende geen recht op aftrek van het levensonderhoud van de dochter.

Uitgaven voor specifieke zorgkosten

5.4.6.

Met betrekking tot de door belanghebbende in hoger beroep (of in een eerdere fase) ingebrachte documenten heeft belanghebbende ter zake van het onderhavige jaar niet aannemelijk gemaakt:

  • -

    a) dat hij - voor eigen rekening - uitgaven gedaan heeft voor door een arts voorgeschreven farmaceutische hulpmiddelen als bedoeld in artikel 6.17, lid 1, onder c, Wet IB 2001 (zo volgt uit de onder 5.2, opsommingsnummers 1 en 2 vermelde documenten - die slechts voor een beperkt deel op het onderhavige jaar betrekking hebben - niet dat op belanghebbende enig bedrag ter zake van de aanschaf van de op de overzichten vermelde middelen heeft gedrukt, en leidt het Hof daarnaast uit de gedingstukken - met name uit de opsommingsnummers 2, 5, 6 en 7 - af dat belanghebbende eerst vanaf april 2014 medicijnen in verband met zijn suikerziekte is gaan gebruiken; zie ook 5.4.3);

  • -

    b) dat hij ‘andere hulpmiddelen’ als bedoeld in artikel 6.17, lid 1 onder d, Wet IB 2001 - voor eigen rekening - heeft aangeschaft (geen van de in hoger beroep ingebrachte documenten heeft daarop - direct - betrekking);

  • -

    c) dat hij zich op basis van een medisch voorschrift aan een dieet als bedoeld in artikel 6.17, lid 1, onder f jo artikel 37 Uitvoeringsregeling IB 2001 diende te houden (de door belanghebbende ingebrachte bewijsmiddelen met opsommingsnummers 6 en 7 in rechtsoverweging 5.2, zijn daartoe onvoldoende omdat daaruit niet volgt dat sprake is geweest van een dieet als bedoeld in evenvermelde wetsbepalingen en - gelet op rechtsoverweging 5.4.3 – zijn de bewijsmiddelen met de opsommingsnummers 8 en 9 in rechtsoverweging 5.2 ook niet toereikend; ook de overige documenten nopen niet tot de conclusie dat sprake is van een – kort gezegd – aftrekbaar dieet).

5.4.7.

Daarnaast neemt het Hof de rechtsoverwegingen 4.4.1, 4.4.2, 4.4.3 (met uitzondering van de zinsnede “dat de middelen […] op medisch voorschrift zijn aangeschaft”) en 4.4.4 van de rechtbank over.

Aftrekbare scholingsuitgaven, persoonsgebonden aftrek, alleenstaande ouder korting en het te verrekenen verlies

5.4.8.

Gelet op rechtsoverwegingen 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 van de rechtbank en in aanmerking genomen de grieven die belanghebbende daar in hoger beroep tegen heeft aangevoerd, heeft de rechtbank naar het oordeel van het Hof met betrekking tot genoemde geschilpunten op goede gronden een juiste beslissing gegeven.

5.5.

Aan het voorgaande voegt het Hof nog toe dat het niet aannemelijk acht dat - zoals belanghebbende stelt en de inspecteur betwist - hij bepaalde bewijsmiddelen bij de inspecteur reeds in een eerdere fase heeft ingebracht en om die reden die documenten bij de rechtbank of het Hof niet meer heeft kunnen overleggen.

5.6.

Met betrekking tot de wens van belanghebbende dat een andere inspecteur het hoger beroep gaat behandelen, overweegt het Hof dat zulks niet tot zijn competentie behoort.

Slotsom

5.7.

Al het voorgaande, mede in onderling verband bezien, leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. P.F. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 12 februari 2015 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.