Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:1019

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2015
Datum publicatie
25-03-2015
Zaaknummer
200.111.650/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling eigendom percelen en erfdienstbaarheden. Extinctieve verjaring. Vordering tot opheffing erfdienstbaarheid afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.111.650/01

zaak-/rolnummer rechtbank Haarlem: 181435 / HA ZA 11-612

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 maart 2015

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. J.H.P. Smeets te Haarlem,

tegen

1. de vereniging VERENIGING TOT BEHOUD VAN NATUURMONUMENTEN IN NEDERLAND, gevestigd te 's-Graveland,

2. [geïntimeerde sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],

3. [geïntimeerde sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente], en

4. [geïntimeerde sub 4], wonend te [woonplaats],

geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,

advocaat: mr. W.E.M. Klostermann te Zwolle.

1 Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna enerzijds [appellant], anderzijds gezamenlijk Natuurmonumenten c.s. en afzonderlijk Natuurmonumenten, [X] en [geïntimeerde sub 4] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 4 juli 2012 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank), van 11 april 2012 (hierna: het vonnis) onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Natuurmonumenten c.s. als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie, en [appellant] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie.

Bij arrest van 28 augustus 2012 is een comparitie van de partijen bevolen, die op 15 oktober 2012 heeft plaatsgevonden; het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Ten behoeve van de comparitie zijn van beide kanten producties in het geding gebracht.

De partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven (waarbij tien grieven zijn aangevoerd), tevens akte van vermeerdering van eis, met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel (waarbij vier ongenummerde grieven zijn aangevoerd) en akte van vermeerdering van eis, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens akte van vermeerdering/wijziging eis, met producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Het hof zal de principale en incidentele grieven met Romeinse cijfers nummeren.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.8, de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

2.2

Van deze feiten, aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, releveert het hof thans het volgende, waarbij met name ook wordt verwezen naar: de - kennelijk niet op schaal gemaakte - tekening (betreffende een kadastrale opmeting van 19 april 2006) (hierna: tekening 2006) die deel uitmaakt van productie 4 van Natuurmonumenten c.s. bij de inleidende dagvaarding en tevens als bijlage aan het vonnis is gehecht; de tekening die productie 5 van Natuurmonumenten c.s. bij de inleidende dagvaarding vormt; de tekening 'uittreksel kadastrale kaart' van 17 mei 2010 die deel uitmaakt van productie 1 van Natuurmonumenten c.s. bij de inleidende dagvaarding; en de tekening van 2 november 1992 die deel uitmaakt van productie G14 van [appellant] bij rolbericht voorafgaand aan de comparitie van de partijen in de eerste aanleg; steeds met inachtneming van de daaromtrent door de partijen gemaakte opmerkingen. Het hof verwijst tevens naar de - niet bestreden - waarnemingen van de rechtbank, vervat in het proces-verbaal van de op 17 november 2011 gehouden descente, en de daarbij gevoegde foto's. Ten overvloede merkt het hof op dat het de aanduidingen 'noord', 'oost', 'zuid' en 'west' steeds bij benadering bezigt en dat het de stukken grond waarover het in deze zaak gaat, die alle kadastraal bekend zijn als percelen behorend tot 'gemeente Velsen, sectie F', kortweg aanduidt met hun huidige kadastrale nummer zonder daarmee een oordeel te geven over de vraag of/ in hoeverre de kadastrale grens steeds samenvalt met de eigendomsgrens.

( a) Aan [appellant] hebben de gewezen deelgenoten in de op 4 juli 2002 verdeelde nalatenschap van de heer [Y] (de heer [Y] wordt, al dan niet tezamen met deze deelgenoten, hierna aangeduid als: [Y]) door levering - vrij van huur - bij akte van 29 december 2003, gevolgd door inschrijving in het desbetreffende register op 30 december 2003, drie percelen, te weten '7822' (groot 23.40 are), '7805' (groot 12.80 are) en '7823' (groot 6.28 are), in eigendom overgedragen. 7822 grenst aan 7805, dat op zijn beurt grenst aan 7823. 7822 is min of meer driehoekig, met een westgrens, een zuidpunt, een oostgrens en een noordgrens; 7805 en 7823 zijn beide min of meer rechthoekig, met west-, zuid-, oost- en noordgrenzen. Het grootste, noordelijke gedeelte van de oostgrens van 7822 is tevens de gehele westgrens van 7805, het grootste, noordelijke gedeelte van de oostgrens van 7805 is tevens de gehele westgrens van 7823. Uit de voormelde gegevens en tekeningen valt af te leiden dat de oostgrens en zuidgrens van 7823 resp. ca. 40 meter en ca. 15 meter lang zijn, het resterende, kleinste gedeelte van de oostgrens en de zuidgrens van 7805 resp. ca. 11 meter en ca. 24 meter lang zijn en het resterende, kleinste gedeelte van de oostgrens van 7822 ca. 18 meter lang is. Aan hun noordkant grenzen de drie percelen aan de openbare weg die, voor wie van west naar oost gaat, eerst [adres] en dan (vanaf een driesprong met de [adres]) [adres] heet.

De woning van [appellant], thans met huisnummer 87 (voorheen 83, 85 en 87), ligt voor het kleinste, oostelijke gedeelte (voorheen woning met huisnummer 83) op perceel 7823 en voor het grootste, westelijke gedeelte op perceel 7805 (voorheen woningen met huisnummer 85 en 87, waarvan die met 85 het noordelijke en die met 87 het zuidelijke gedeelte van dit westelijke gedeelte van de drie woningen besloeg). Het hof zal hierna de huidige drie gedeelten van de woning van [appellant] aanduiden met hun voormalige huisnummers, resp. 'woning 83', '85' en '87', de laatste twee gezamenlijk ook als 'woning 85-87' en alle drie gezamenlijk ook als 'woning 83-87'.

De zuidgevel van woning 83 ligt direct langs de kadastrale, tevens eigendomsgrens tussen 7823 en 7959 en langs de na te noemen steeg. De oostgevel van woning 87 ligt direct langs de kadastrale, tevens eigendomsgrens tussen 7805 en 7959 en langs de al vermelde steeg, evenals het, aan die oostgevel aansluitende, gedeelte van de zuidgevel van die woning tot aan de oostkant van de na te noemen overkapping.

In de oostgevel van woning 87, die de westzijde van een deel van de na te noemen steeg vormt, bevindt zich sinds 1985 de voordeur van woning 87 (thans woning 83-87) met naast/op de deurstijl het nummerbord 87, een deurbel en een naambord (deur en nummerbord zijn te zien op foto 06).

Woning 83-87 is plaatselijk bekend als gelegen aan de [adres] en ook haar postadres is een adres aan die weg.

Woning 83 was van 1950 tot een in 2003, vóór 29 december 2003, gelegen datum verhuurd, eerst door de provincie en vanaf 1 maart 1993 door [Y], aan het echtpaar (laatstelijk alleen mevrouw) [A].

( b) Aan Natuurmonumenten heeft de provincie Noord-Holland (hierna: de provincie) door levering bij akte van 3 mei 2004, gevolgd door inschrijving in het desbetreffende register op 4 mei 2004, (onder meer) een perceel, te weten '7959' (groot 3.95 hectare), in eigendom overgedragen. Dit perceel grenst aan zijn noordkant, voor wie van west naar oost gaat, eerst aan de [adres], dan achtereenvolgens aan 7822 , 7805 en 7823 en ten slotte, voor zover thans van belang, aan de [adres]. 7959 grenst aan 7822 langs de gehele westgrens, het zuidpunt en het resterende, kleinste gedeelte van de oostgrens van 7822; 7959 grenst aan 7805 langs de gehele zuidgrens van 7805 en het resterende, kleinste gedeelte van de oostgrens van 7805; en 7959 grenst aan 7823 langs de gehele zuid- en oostgrens van 7823. Natuurmonumenten heeft 7959 bij akte van 22 december 2010 aan [X] in erfpacht uitgegeven.

De woning van [X], met huisnummer 89 (hierna: 'woning 89'), ligt op 7959; vanaf ongeveer het midden van de oostgevel van deze woning loopt een gebouwde verbinding met een schuur (hierna: 'de schuur'). Aan de zuidkant van die verbinding bevindt zich kennelijk thans de voordeur van woning 89 (op foto 10, kennelijk in noordelijke richting genomen, is een deel van de donkerbruine zuidkant van de verbinding en daarin de openstaande voordeur te zien); aan de noordkant bevindt zich een doorgangsdeur vanuit woning 89 naar het na te noemen binnenplaatsje (op foto 09 is een deel van de donkerbruine noordkant van de verbinding en daarin de buitenkant van die doorgangsdeur, op foto 10 de binnenkant van die doorgangsdeur te zien).

( c) 7959, 7805, 7822 en 7823 behoorden aanvankelijk alle toe aan de provincie. 7805 heeft de provincie door levering bij akte van 9 december 1983, gevolgd door inschrijving in het desbetreffende register op dezelfde dag, aan de heer en mevrouw [Z] (hierna: [Z]), en [Z] op zijn beurt door levering bij akte van 1 augustus 1984, gevolgd door inschrijving in het desbetreffende register op 2 augustus 1984, aan [Y] in eigendom overgedragen. 7822 heeft de provincie door levering bij akte van 17 oktober 1985, gevolgd door inschrijving in het desbetreffende register op 18 oktober 1985, aan [Y] in eigendom overgedragen. 7823 heeft de provincie door levering bij akte van 25 februari 1993, gevolgd door inschrijving in het desbetreffende register op 1 maart 1993, aan [Y] in eigendom overgedragen.

( d) Ten behoeve van 7823 en ten laste van 7959 is door de (onder 2.2.c genoemde) akte van 25 februari 1993, gevolgd door inschrijving, mede een erfdienstbaarheid van weg gevestigd om, kort gezegd, over het bestaande grindpad op de toen bestaande wijze te komen van en te gaan naar de [adres].

( e) Vanaf de [adres] loopt in zuidelijke richting een op 7959 gelegen 'grindpad', aan zijn westzijde eerst - ca. 40 meter - langs de gehele, van een afscheidingshekwerk voorziene oostgrens van 7823 en vervolgens langs de oostgevel van de schuur en verder naar het zuiden. Via het grindpad bereikt men, als men bij de zuidoostpunt van de schuur naar het westen afslaat en vervolgens bij de zuidwestpunt ervan naar het noorden afslaat (in de woorden van de rechtbank: 'als twee keer rechtsaf wordt geslagen'), de voordeur van woning 89 aan de zuidkant van de gebouwde verbinding tussen de schuur en woning 89.

( f) Aan het begin van het grindpad aan de [adres] staan in elk geval al sinds 1985 de brievenbussen, onder meer van woning 83-87, waar de post voor die woning wordt bezorgd.

Aldaar dienen ook de vuilniscontainers van die woning op de ophaaldagen te worden geplaatst.

Voorts zijn aldaar aanwezig, in 2010 in opdracht van Natuurmonumenten door [geïntimeerde sub 2] over de hele breedte van het grindpad geplaatst, een, met een hangslot afsluitbaar en ook herhaaldelijk afgesloten, stalen toegangshek en, aan de kant van 7823, een houten 'klaphek'. De sleutel van het slot is in handen van [X] Foto 01, kennelijk vanaf de [adres] genomen, toont dit klaphek zonder het, op het moment van fotograferen openstaande, toegangshek; productie G12b van [appellant], een kennelijk vanaf het grindpad genomen foto, toont het klaphek en het afgesloten toegangshek. Vóór de plaatsing in 2010 was daar geen hek.

( g) Ongeveer halverwege het gedeelte van het grindpad tussen [adres] en de zuidoostpunt van 7823 bevindt zich aan de oostzijde van 7823, in het afscheidingshekwerk van dat perceel, een toegangshek tot dat perceel en woning 83. Foto 04 toont dit toegangshek en verder de roodbruine noordgevel en de witte oostgevel van woning 83 en de donkerbruine noordgevel van de schuur.

Enkele meters voordat het grindpad aan zijn westzijde de zuidoostpunt van 7823 bereikt, zijn aan de oostzijde van het grindpad twee hooibergen gelegen, waar ook parkeerruimte is. Foto 02 en 03, beide kennelijk vanaf het grindpad in zuidelijke richting gemaakt, tonen de eerste hooiberg en de ten noorden daarvan gelegen parkeerruimte; foto 02 toont bovendien de donkerbruine noordgevel van de schuur en de witte oostgevel van woning 83.

( h) Tussen de zuidoostpunt van 7823 en de noordoostpunt van de schuur takt van het grindpad af een strook grond (hierna: 'de steeg'), die grotendeels (namelijk totdat zij zich verbreedt tot na te noemen binnenplaatsje) ca. 2 meter breed is. Aanvankelijk, over een afstand van minder dan ca. 15 meter, loopt de steeg in westelijke richting aan haar noordzijde langs de zuidgrens van 7823 en aan haar zuidzijde langs de noordgevel van de schuur. Vanaf enkele meters voordat zij de noordwestpunt van de schuur bereikt, wordt de steeg aan haar noordzijde begrensd door de zuidgevel van woning 83, welke zuidgevel aan zijn westelijke uiteinde vastgebouwd is aan woning 87 en met de oostgevel van die woning een rechte hoek maakt. De steeg slaat met diezelfde hoek naar het zuiden af. Foto 05, kennelijk in de steeg vóór deze hoek in westelijke richting genomen, toont een deel van de steeg en de hoek; links is de donkerbruine noordgevel van de schuur (die de rechtbank, enigszins verwarrend, 'pand nr. 89' noemt) te zien, in het midden de witte oostgevel van woning 87 en rechts de grijze zuidgevel (en een deel van de oostgevel) van woning 83.

Vanaf de hoek loopt de steeg over een afstand van ca. 11 meter in zuidelijke richting, aan haar oostzijde langs een deel van de westgevel van de schuur en aan haar westzijde langs de oostgevel van woning 87. In dit deel van de oostgevel van woning 87 bevindt zich, zoals reeds vermeld, ook de huidige voordeur van woning 83-87. Even verder dan die voordeur bereikt de steeg de zuidoostpunt van woning 87, waar zij zich verbreedt tot een 'binnenplaatsje'. Foto 06, kennelijk op het binnenplaatsje in noordelijke richting genomen, toont de steeg tot aan de eerder genoemde hoek; links is de zuidoostpunt van woning 87 (en een deel van een ervóór staande vuilniscontainer) te zien, vervolgens de voordeur en de rest van de witte oostgevel van woning 87, in het midden een deel van de grijze zuidgevel van woning 83 en rechts een deel van de donkerbruine westgevel van de schuur (die de rechtbank weer 'pand nr. 89' noemt).

( i) Dit binnenplaatsje wordt, met de klok mee, aan de noordzijde begrensd door het oostelijke deel van de zuidgevel van woning 87 en de plaats waar de steeg zich verbreedt tot het binnenplaatsje, aan de oostzijde begrensd door het noordelijke deel van de westgevel van de schuur, aan de zuidzijde door de noordkant van de gebouwde verbinding tussen schuur en woning 89, en aan de westzijde door het noordelijke deel van de oostgevel van die woning en de, daarop aansluitende, oostzijde van de na te noemen overkapping.

Foto 08, kennelijk in noordelijke richting genomen, toont onder meer allereerst links het noordelijke deel van de witte oostgevel van woning 89 en rechts het oostelijke deel van de witte zuidgevel van woning 87 (met drie daartegenaan staande vuilniscontainers), alsmede, helemaal rechts, een gedeelte van de steeg met de witte oostgevel van woning 87 (met haar voordeur) en een deel van de grijze zuidgevel van woning 83. Foto 09, kennelijk in zuidelijke richting genomen, toont linksachter een deel van de zuidzijde van het binnenplaatsje (een deel van de donkerbruine noordkant van de gebouwde verbinding tussen de - niet zichtbare - schuur en woning 89, met de doorgangsdeur vanuit die verbinding naar het binnenplaatsje) en, rechts op de foto, een deel van de westzijde van het binnenplaatsje (het noordelijke deel van de witte oostgevel van woning 89).

( j) Tussen de noordwestpunt van het binnenplaatsje en de noordoostpunt van woning 89 takt in westelijke richting een ca. 2 meter brede strook grond af van het binnenplaatsje. Deze strook ligt aanvankelijk, over een afstand van ca. 2 meter, tussen het westelijke deel van de zuidgevel van woning 87, ter noordzijde, en het oostelijke deel van de noordgevel van woning 89, ter zuidzijde, en is daar overkapt en aan oost- en westkant voorzien van een met een slot afsluitbare en doorgaans ook afgesloten deur. De sleutels van het slot van beide deuren zijn alleen in handen van [appellant]. Het overkapte deel van de strook wordt op tekening 2006 als "poort" en hierna als 'de overkapping' aangeduid.

Foto 08, kennelijk genomen vanaf het binnenplaatsje, toont in haar midden de oostkant van de overkapping met de groene toegangsdeur. Foto 11 toont de westkant van de overkapping met de openstaande toegangsdeur aan die westkant en een doorkijk door de overkapping heen naar het binnenplaatsje.

( k) In de hierboven, onder 2.2.c genoemde, akte van 9 december 1983 is mede bepaald dat "de kopers", zijnde de heer en mevrouw [Z], verplicht zijn de oostelijke opening van "de bergruimte casu quo schuur" van woning 87, zijnde de opening aan de oostkant van de overkapping, voor 1 april 1984 dicht te maken, met een boetebeding ten gunste van "de verkoopster", zijnde de provincie. Deze verplichting is niet nagekomen en de provincie heeft ook niet op nakoming aangedrongen.

( l) Verder in westelijke richting na de overkapping loopt de ca. 2 meter brede strook grond tot aan de oostgrens van 7822. Zij wordt aan haar zuidzijde begrensd, eerst over een afstand van ca. 4 meter door het resterende deel van de noordgevel van woning 89 en vervolgens over een afstand van ca. 15 meter, tot vlak vóór de oostgrens van 7822, door een in het verlengde van die noordgevel lopend hekwerk met direct langs de noordzijde van het hekwerk een haag.

De strook vormt vanaf de westkant van de overkapping het zuidelijke gedeelte van de tuin van woning 85-87. Er loopt een pad over, dat na een aantal meters overgaat in een gedeelte van een, van die tuin deel uitmakend, terras; dit terras en die tuin liggen voor het overige op een direct ten noorden van de strook gelegen gedeelte van 7805.

Voornoemd deel van de witte noordgevel van woning 89, de haag en de strook zijn te zien op de, kennelijk in westelijke richting genomen, foto 12; het terras is te zien op de, kennelijk in oostelijke richting genomen, foto 13.

Ten westen van het terrasgedeelte loopt weer een pad over de strook.

Het pad vanaf de westkant van de overkapping, het terras en het pad ten westen van het terrasgedeelte op de strook zijn bestraat op dezelfde manier als andere delen van de tuin van woning 85-87.

Evengenoemd hekwerk begint, bij de noordwestpunt van woning 89, met een - met een hangslot afsluitbaar, maar vóór de komst van [appellant] nooit afgesloten - ijzeren toegangshek. De sleutel van het slot is in handen van [appellant]. Het hekwerk bereikt zijn noordwestpunt vlak (minder dan 1 meter) vóór de oostgrens van 7822, buigt bij die punt min of meer haaks af naar het zuiden en loopt nog meer dan 10 meter door tot aan het na te noemen zandpad. Foto 14, kennelijk in oostelijke richting genomen, toont die noordwestpunt van het hekwerk.

Op 7822, nabij de zuidpunt van dat perceel, bevindt zich een overdekte carport (zichtbaar op foto's 15 en 16) die bij [appellant] in gebruik is en die vanaf de [adres] te bereiken is via het na te noemen zandpad.

( m) De strook grond eindigt nabij de noordwestpunt van het evengenoemde hekwerk in een klein driehoekig stukje grond, begrensd aan zijn oostkant door enkele meters van het naar het zuiden lopend deel van het hekwerk, aan zijn noordkant door minder dan 1 meter van het denkbeeldige verlengde van het naar het westen lopend deel van het hekwerk, en aan zijn westkant door enkele meters van de grens tussen 7959 en 7822.

( n) De overkapping en de verder in westelijke richting lopende strook, bedoeld onder 2.2.l, inclusief de kleine driehoek, bedoeld onder 2.2.m, worden tezamen hierna ook aangeduid als: 'de weststrook'. De weststrook is ca. 2 meter breed en ca. 21 meter lang. Omstreden is of de weststrook eigendom van Natuurmonumenten dan wel [appellant] is.

De overkapping is - samen met woning 85-87 - in 1984 door [Y] geheel gesloopt en in 1984-1985 door [Y] op dezelfde plaats opnieuw opgebouwd en toen aan oost- en westkant voorzien van een met een slot afsluitbare en doorgaans ook afgesloten deur waarvan de sleutels alleen in handen van [Y] waren. [Y] heeft in dezelfde periode het hekwerk in het verlengde van de noordgevel van woning 89 geplaatst en heeft/is toen eveneens de weststrook van de overkapping tot aan de oostgrens van 7822 als een gedeelte van de tuin met terras van woning 85-87 ingericht, bestraat en met uitsluiting van anderen, onder wie de eigenares van 7959 (de provincie), gaan gebruiken. De provincie was met dit alles bekend.

( o) Op 7822 loopt een (uit oostelijke richting, vanaf 7959 komend) zandpad vanaf de zuidpunt van 7822 (verder) in noordwestelijke richting langs de gehele westgrens van 7822, naar de [adres].

( p) Ten behoeve van 7959 en ten laste van 7822 is door de (onder 2.2.c genoemde) akte van 17 oktober 1985, gevolgd door inschrijving, mede een erfdienstbaarheid van weg gevestigd om, kort gezegd, over het bestaande zandpad op de toen bestaande wijze te komen van en te gaan naar de [adres].

3 Beoordeling

3.1

Naar aanleiding van de in conventie en in reconventie door de partijen ingediende vorderingen heeft de rechtbank in het vonnis, zoals het hof dit verstaat, samengevat:

inzake de weststrook:

- ( onder 5.1) voor recht verklaard dat [appellant] eigenaar is van de weststrook (die op de bijlage bij het vonnis dubbel (d.w.z. met gekruiste lijnen) is gearceerd), en

(onder 5.2) Natuurmonumenten ertoe veroordeeld mee te werken aan vastlegging hiervan in een notariële akte en inschrijving in de registers, met

(onder 5.3) machtiging van [appellant] zo nodig het vonnis in de plaats van de notariële akte in te schrijven;

inzake het grindpad en de steeg:

- ( onder 5.4) voor recht verklaard dat de in dit arrest onder 2.2.d bedoelde erfdienstbaarheid niet verder strekt dan om vanaf 7823 over het bestaande grindpad per fiets en te voet te komen van en te gaan naar de [adres];

- voor recht verklaard

(onder 5.9) dat [appellant] krachtens een erfdienstbaarheid ten behoeve van 7805 en ten laste van 7959 gerechtigd is een op de steeg uitkomende voordeur te hebben in de muur van woning 87, alsmede

(onder 5.8) dat [appellant] krachtens een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van 7805 en ten laste van 7959 gerechtigd is vanuit en naar (de voordeur van) woning 87 via de steeg per fiets en te voet te komen van en te gaan naar het grindpad en de [adres], en

(onder 5.10) Natuurmonumenten ertoe veroordeeld mee te werken aan vastlegging hiervan in een notariële akte en inschrijving in de registers, met

(onder 5.11) machtiging van [appellant] zo nodig het vonnis in de plaats van de notariële akte in te schrijven;

- [appellant]

(onder 5.5) verboden op andere wijze gebruik te (doen) maken van het grindpad, (onder 5.6) geboden te dulden dat het grindpad is en blijft afgesloten met een hekwerk voorzien van een klaphek en verboden dit hekwerk met klaphek aan te tasten, en (onder 5.7) verboden in de steeg enige afvalcontainer of ander goed te stallen, een en ander telkens op straffe van verbeurte van een nader bepaalde dwangsom per overtreding;

en voorts:

- ( onder 5.12-14) het vonnis bij voorbaat uitvoerbaar verklaard, de gedingkosten tussen de partijen op nader bepaalde wijze gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.2

In hoger beroep hebben de partijen hun eis gewijzigd en/of vermeerderd. Het hof zal hierna ter wille van de overzichtelijkheid de eisen tot bekrachtiging van afzonderlijke, onder 5 in het vonnis neergelegde, toewijzende beslissingen als 'vorderingen' aanduiden. Aldus zijn thans nog/alsnog aan de orde, samengevat en zoals de niet steeds geheel heldere bewoordingen van de partijen worden verstaan:

inzake de weststrook:

- vordering 4 van Natuurmonumenten c.s., strekkende tot verklaring voor recht dat Natuurmonumenten eigenares is van de weststrook, met verbod aan [appellant] deze strook te betreden;

- vordering 5 van Natuurmonumenten c.s., strekkende tot een bevel aan [appellant] de toegangsdeuren van de overkapping en het in dit arrest onder 2.2.l bedoelde ijzeren toegangshek open te laten en Natuurmonumenten c.s. vrije doorgang door die toegangsdeuren en dat toegangshek te bieden;

- vordering A (gedeeltelijk) van [appellant], strekkende tot bekrachtiging van de beslissingen onder 5.1-3 in het vonnis;

inzake het grindpad en de steeg:

- vordering 1 van Natuurmonumenten c.s., strekkende, primair tot opheffing van de in dit arrest onder 2.2.d bedoelde erfdienstbaarheid, en subsidiair tot bekrachtiging van de beslissing onder 5.4 in het vonnis;

- vordering 2 van Natuurmonumenten c.s., strekkende tot, primair verklaring voor recht dat zes maanden na dit arrest ieder gebruiksrecht van [appellant] ten aanzien van de steeg zal vervallen, met verbod aan [appellant] vanaf dat tijdstip de steeg te gebruiken, subsidiair verklaring voor recht inzake het gebruik van de steeg dat [appellant] nog toekomt (waaronder in elk geval niet: gebruik voorbij de deur in woning 87, gebruik bestaande in het stallen van enig goed, en vernieling van gras en andere begroeiing), met verbod aan [appellant] van elk ander gebruik van de steeg en van het stallen van enig goed op grond van Natuurmonumenten c.s. die aansluit bij de steeg, en meer subsidiair tot bekrachtiging van de beslissing onder 5.7 van het vonnis;

- vordering 3 van Natuurmonumenten c.s., strekkende tot een verbod aan [appellant], primair van elk gebruik van het grindpad, subsidiair van ander gebruik van het grindpad dan om te voet en per fiets langs de kortst mogelijke weg de deur van woning 87 te bereiken, en meer subsidiair tot bekrachtiging van de beslissing onder 5.5 van het vonnis;

- vordering 6 van Natuurmonumenten c.s., strekkende tot een verbod aan [appellant] enige vuilniscontainer of ander goed vóór de ramen van woning 89 te plaatsen;

- vordering 7 van Natuurmonumenten c.s. tot bekrachtiging van de beslissing onder 5.6 in het vonnis;

- vordering A (voor het overige) van [appellant], strekkende tot bekrachtiging van de beslissing onder 5.9 in het vonnis;

- vordering B van [appellant], strekkende tot verklaring voor recht dat [appellant] en de zijnen ingevolge Oudendijks eigendom van 7823 gerechtigd zijn het grindpad - primair als buurweg, subsidiair als openbare weg, meer subsidiair krachtens de in dit arrest onder 2.2.d bedoelde erfdienstbaarheid - per auto, per fiets en te voet te gebruiken en de auto op althans naast dat grindpad, althans vóór de hooibergen, te parkeren;

- vordering C van [appellant], strekkende tot veroordeling van Natuurmonumenten c.s. het hekwerk en klaphek van het grindpad te verwijderen, althans het klaphek zodanig te verplaatsen dat het niet meer (deels) op 7823 staat;

- vordering D van [appellant], strekkende tot verklaring voor recht dat [appellant] krachtens een erfdienstbaarheid ten behoeve van 7805 en ten laste van 7959 gerechtigd is vuilniscontainers in de steeg te plaatsen;

- vordering E van [appellant], strekkende tot verklaring voor recht:

dat [appellant] en de zijnen ingevolge Oudendijks eigendom van 7805 gerechtigd zijn het grindpad - primair als buurweg, subsidiair als openbare weg, meer subsidiair krachtens een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van 7805 en ten laste van 7959 - per auto, per fiets en te voet te gebruiken en de auto op althans naast dat grindpad, althans vóór de hooibergen, te parkeren;

dat [appellant] krachtens een erfdienstbaarheid ten behoeve van 7805 en ten laste van 7959 gerechtigd is vanuit (en naar de toegangsdeur aan de oostkant van) de overkapping via de steeg per fiets en te voet (te komen van en) te gaan naar het grindpad (en de [adres]);

en dat [appellant] en de zijnen gerechtigd zijn in de steeg tijdelijk een (brom)fiets te stallen;

- vordering F en G van [appellant], strekkende tot veroordeling van Natuurmonumenten c.s. resp. tot machtiging van [appellant] zoals in het vonnis onder 5.10-11 beslist, óók ten aanzien van de erfdienstbaarheden bedoeld in de vorderingen B, D en E van [appellant];

- vordering H van [appellant], strekkende tot veroordeling van Natuurmonumenten c.s., althans [X], de steeg te bestraten met stoeptegels, subsidiair verklaring voor recht dat [appellant] gerechtigd is de steeg op zijn kosten aldus te bestraten, alsmede verklaring voor recht dat [appellant] gerechtigd is de steeg schoon te houden en te vegen;

en voorts:

- vordering I van [appellant], strekkende tot een verbod aan Natuurmonumenten c.s., althans aan [X], zich te begeven op 7823, 7805 en 7822, voor zover deze percelen met een hekwerk zijn omgeven, en met uitzondering van het zandpad, alsmede tot een verbod aan [X] te handelen en/of na te laten in strijd met het onder B, D, E en H gevorderde;

- nevenvorderingen van de partijen inzake dwangsommen, bij-voorraad-uitvoerbaarverklaring en gedingkosten.

3.3

Tegen de over en weer gedane wijziging en/of vermeerdering van de eis is geen bezwaar gemaakt. Ambtshalve ziet het hof geen aanleiding om de wijziging en vermeerdering in strijd met de eisen van een goede procesorde te achten, zodat recht zal worden gedaan op de over en weer gewijzigde en vermeerderde eis. Dat geldt ook voor zover de vermeerdering of wijziging door [appellant] pas in zijn laatste memorie is gedaan. Het gaat hier om een uitbreiding van zijn vordering E - voor zover die strekt tot beslissing zoals onder 5.8 in het vonnis, namelijk verklaring voor recht dat [appellant] op de daar nader bepaalde grond gerechtigd is vanuit en naar (de voordeur van) woning 87 via de steeg per fiets en te voet te komen van en te gaan naar het grindpad en de [adres] - tot (de toegangsdeur aan de oostkant van) de overkapping. Deze uitbreiding ligt zozeer in de lijn van de eis van [appellant] zoals reeds vermeerderd bij zijn eerdere memorie en sluit zozeer aan bij het debat van de partijen, zoals gevoerd tot in de memorie van Natuurmonumenten c.s. (in het bijzonder: grief VI van [appellant] en haar toelichting, en de reactie daarop in de memorie van Natuurmonumenten c.s.), dat zij niet in strijd komt met evengenoemde eisen. Vanzelf spreekt dat niet over het hoofd wordt gezien dat Natuurmonumenten c.s. na de laatste memorie van [appellant] niet meer aan het woord zijn geweest.

Inzake de weststrook

3.4.

Het oordeel van de rechtbank dat [appellant] eigenaar is geworden van de weststrook, berust, zoals het hof het vonnis verstaat, op de volgende gronden.

De in het geding zijnde kadastrale gegevens laten geen exacte vaststelling toe van de kadastrale en eigendomsgrens tussen 7805 en 7959 ter plaatse van de weststrook, maar nader onderzoek op dit stuk is overbodig. Indien immers door de levering van 7805 bij de akten van 9 december 1983, 1 augustus 1984 en 29 december 2003, gevolgd door inschrijving, mede de weststrook is overgedragen, is [appellant] in 2003 door overdracht eigenaar van de weststrook geworden. In het geval echter dat de provincie na de overdracht van 7805 door de levering bij akte van 9 december 1983, gevolgd door inschrijving, eigenares van de weststrook is gebleven, heeft [Y] nadien de eigendom van de weststrook door verjaring verkregen. In evengenoemd geval heeft namelijk de provincie het bezit ervan verloren, (mogelijk al aan [Z] en) in elk geval in 1984 aan [Y], die bij zijn bezitsverkrijging bezitter te goeder trouw werd en wiens bezit nadien niet is onderbroken tot in 1994. Daardoor heeft [Y], nu de lopende verjaring evenmin anderszins is onderbroken, de eigendom in 1994 door verjaring verkregen en is ook in dit geval [appellant] in 2003 door overdracht eigenaar geworden. Ten overvloede was in evengenoemd geval bovendien de extinctieve verjaring van de rechtsvordering van (de rechtsvoorgangster van) Natuurmonumenten, strekkende tot beëindiging van het bezit van de weststrook, nu deze verjaring niet is gestuit of verlengd, uiterlijk in 2004 voltooid, zodat [appellant], die de weststrook toen bezat - ook al was zijn bezit niet te goeder trouw - de eigendom in 2004 verkreeg, zo hij deze niet al in 2003 door overdracht had verkregen.

3.5

Met de incidentele grief I (in hun memorie onder 9) komen Natuurmonumenten c.s. op tegen dit oordeel en de daarop gegronde beslissingen in het vonnis onder 5.1-3. Zij bestrijden dat in 1983 mede de weststrook is overgedragen, dat [appellant] en zijn rechtsvoorgangers ondubbelzinnig bezit van de weststrook hebben (gehad) en dat [Y] de weststrook in bezit heeft genomen. Zij stellen dat [appellant] en [Y] geen bezitter te goeder trouw zijn geworden en dat Natuurmonumenten aan [appellant] slechts een persoonlijk gebruiksrecht heeft verleend dat zij nu heeft beëindigd.

3.6

Het hof bespreekt nu de extinctieve verjaring als grond voor het onderhavige oordeel. Vooropgesteld wordt dat ingevolge de artikelen 3:105, lid 1, 3:306 (juncto artikel 73 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek) en 3:314, lid 2, BW, voor zover thans van belang, degene die een zaak (zoals de onderhavige weststrook) bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering, strekkende tot beëindiging van het bezit, wordt voltooid, die zaak verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw; deze rechtsvordering verjaart, indien de verjaringstermijn op of na 1 januari 1972 is aangevangen, door verloop van 20 jaren; en deze verjaring begint met de dag, volgend op die waarop een niet-rechthebbende (zoals [Z] of [Y] in het geval dat de provincie na de overdracht van 7805 in 1983 eigenares van de weststrook is gebleven) bezitter is geworden.

3.7

Hierboven is het navolgende vastgesteld. De overkapping is - samen met woning 85-87 - in 1984 door [Y] geheel gesloopt en in 1984-1985 door [Y] op dezelfde plaats opnieuw opgebouwd en toen aan oost- en westkant voorzien van een met een slot afsluitbare en doorgaans ook afgesloten deur waarvan de sleutels alleen in handen van [Y] waren. [Y] heeft in dezelfde periode het hekwerk in het verlengde van de noordgevel van woning 89 geplaatst en heeft/is toen eveneens de weststrook vanaf de overkapping tot aan de oostgrens van 7822 als een gedeelte van de tuin met terras van woning 85-87 ingericht, bestraat en met uitsluiting van anderen, onder wie de eigenares van 7959 (de provincie), gaan gebruiken. De provincie was met dit alles bekend.

Dit zijn uiterlijke feiten die het oordeel wettigen dat [Y] uiterlijk in 1985 het bezit van de weststrook heeft verkregen en de provincie daardoor het bezit ervan heeft verloren. Het bezit van [Y] was niet gebrekkig; in het bijzonder was het ondubbelzinnig en openbaar. Derden konden uit zijn machtsuitoefening niet anders afleiden dan dat [Y] pretendeerde eigenaar te zijn. Naar verkeersopvattingen beoordeeld volgt uit de voormelde uiterlijke feiten dat [Y] de weststrook is gaan houden en wel voor zichzelf.

3.8

In hoger beroep is niet bestreden dat aan de bewering dat de provincie een en ander slechts duldde, bij gebreke aan onderbouwing voorbij moet worden gegaan. Wel roept Natuurmonumenten in herinnering dat de provincie stilzwijgend bewilligde "in oprekking van gebruiksmogelijkheden" toen woning 89 leeg stond of door antikrakers werd bewoond, en ook voeren Natuurmonumenten c.s. aan dat Natuurmonumenten slechts heeft "ingestemd met voortzetting van het persoonlijke gebruik". Dit zou relevant kunnen zijn, voor zover erin de bewering besloten ligt dat [Y] de weststrook hield voor de provincie en dus geen bezitter was. Ook aan die bewering echter moet worden voorbijgegaan bij gebreke aan deugdelijke onderbouwing. Met name lichten Natuurmonumenten c.s. niet toe bij welke gelegenheid en wanneer de provincie een persoonlijk gebruiksrecht ten aanzien van de weststrook - welk gebruiksrecht dan later kon worden opgerekt of voortgezet - aan [Y] heeft verleend en welk gebruik dan aan [Y] is toegestaan.

3.9

Mede ten betoge dat het bezit van [Y] niet ondubbelzinnig was en dat de provincie niet behoefde aan te nemen dat [Y] pretendeerde bezitter en rechthebbende te zijn, beroepen Natuurmonumenten c.s. zich op de omstandigheid dat hun rechtsvoorgangster, de provincie, door de aanwezigheid van het (onder 2.2.l vermelde), vóór de komst van [appellant] nooit afgesloten ijzeren toegangshek in het hekwerk dat de weststrook deels aan haar zuidzijde begrenst, "erbij" kon. Dit beroep kan geen betrekking hebben op de overkapping, want die was aan beide kanten afgesloten. Het kan ook geen afbreuk doen aan het oordeel inzake ondubbelzinnigheid van het bezit van de rest van de weststrook. Gezien het formaat (hoogte en lengte) van het hekwerk, de plaats waar het is neergezet, en de verdere plaatselijke gesteldheid, doet de aanwezigheid van het niet afgesloten toegangshek in dat hekwerk, naar verkeersopvattingen beoordeeld, geenszins af aan de bijdrage die het hekwerk leverde aan de zichtbaarheid van [Y]' pretentie van bezit en eigendom ten aanzien van het deel van de weststrook dat door het hekwerk wordt afgescheiden van 7959. Een niet afgesloten toegangshek in een hekwerk langs iemands tuin doet in de regel niet af aan diens eigendomspretentie ten aanzien van de tuin.

3.10

Natuurmonumenten c.s. beroepen zich voorts op enkele omstandigheden ten betoge dat [appellant] en/of zijn rechtsvoorgangers geen bezitter te goeder trouw zijn/waren, welk betoog in dit verband niet ter zake kan dienen. Voor zover zij echter deze omstandigheden mede ten betoge willen doen strekken, dat het bezit van [Y] niet ondubbelzinnig was en dat de provincie niet behoefde aan te nemen dat [Y] pretendeerde bezitter en rechthebbende te zijn, wordt als volgt overwogen. Het betreft de stellingen: dat [Y] (blijkens productie 3 bij CvA in reconventie en productie 7 bij de memorie van Natuurmonumenten c.s.) in 1996-1997 erkende dat de weststrook toen nog niet zijn eigendom was; dat [Y] en de provincie (blijkens productie 8 bij de memorie van Natuurmonumenten c.s.) bij de kadastrale opmeting van 10 september 1984 als zuidelijke grens van 7805 hebben aangewezen de zuidgevel van woning 85-87 en het verlengde daarvan (naar het westen); dat (blijkens dezelfde productie) de overkapping (ook) toen nog deel uitmaakte van 7959, dat eigendom van de provincie was gebleven; en dat de overkapping afwatert naar woning 89.

3.11

Van erkenning van [Y] in 1996-1997 dat de weststrook toen nog niet zijn eigendom was, blijkt geenszins uit de passages in de producties die Natuurmonumenten c.s. citeren of aanwijzen. Wat de aanwijzing op 10 september 1984 betreft, daarbij was onmiskenbaar niet [Y] maar "[Y]" aanwezig, met wie [Y], blijkens de akte van 1 augustus 1984, buiten gemeenschap van goederen was gehuwd. Bovendien blijkt uit het op 10 september 1984 opgemaakte veldwerk, de hulpkaart en de huidige kadastrale kaart waarop Natuurmonumenten c.s. wijzen, geenszins zonder meer, laat staan "evident", dat bij de kadastrale opmeting van 10 september 1984 als zuidelijke grens van 7805 is aangewezen de zuidgevel van woning 85-87 en het verlengde daarvan (naar het westen) of dat de overkapping (ook) toen nog deel uitmaakte van het bij de provincie in eigendom gebleven 7959. De enkele bewering dat de overkapping afwatert naar woning 89 en niet naar 'het perceel' van [appellant], is onvoldoende toegelicht tegenover de deugdelijk gemotiveerde en met foto's gestaafde bewering van [appellant] dat de overkapping via afvoerpijpen naar zijn percelen afwatert.

3.12

Natuurmonumenten c.s. hebben in dit verband (getuigen)bewijs aangeboden. Daarbij hebben zij geen belang voor zover het om niet deugdelijk weersproken stellingen gaat. Voor het overige is het aanbod niet (voldoende duidelijk) betrokken op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, ter zake zouden dienen. Aan deze bewijsaanbiedingen gaat het hof daarom voorbij.

3.13

Het hierboven, onder 3.8, overwogene brengt mee dat in het geval dat de provincie na de overdracht van 7805 in 1983 eigenares van de weststrook is gebleven, uiterlijk in 1985 een extinctieve verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit van de weststrook is gaan lopen. Deze verjaring is niet gestuit of verlengd en dus in 2005 voltooid, zodat [appellant], die de weststrook toen bezat, de eigendom daarvan uiterlijk toen verkreeg, zo hij deze niet al in 2003 door overdracht had verkregen. Dat betekent dat verdere bespreking van de grief overbodig is. De grief kan niet leiden tot vernietiging van het vonnis ten aanzien van de beslissingen onder 5.1-3, wat er zij van de aan die beslissingen ten gronde gelegde overwegingen. Het betekent verder dat in hoger beroep de vorderingen 4 en 5 van Natuurmonumenten c.s., die berusten op de onjuist bevonden stelling dat Natuurmonumenten eigenares van (een deel van) de weststrook is, zullen worden afgewezen. Vordering A (voor het desbetreffende gedeelte) zal worden toegewezen.

3.14

Het is hier de plaats vordering 6 te bespreken, die eveneens op de weststrook betrekking heeft. Zij strekt ertoe dat het [appellant] wordt verboden enige vuilniscontainer of ander goed vóór de ramen van woning 89 te plaatsen. De vordering is niet specifiek toegelicht, zij het dat het hof in de memorie van Natuurmonumenten c.s. (onder 5.6) de bewering aantreft dat [appellant] blijkens de als productie 4 bij die memorie in het geding gebrachte foto('s) de containers op de weststrook vóór het keukenraam (in de noordgevel) van woning 89 wil plaatsen. [appellant] erkent dat de containers thans regelmatig op de weststrook staan, maar - sinds hem van het bezwaar van [X] was gebleken - niet vóór of onder, doch naast de ramen, en beweert dat dit de beste plek is nu hij ze (ingevolge het vonnis) niet in de steeg mag plaatsen. Hij zegt voorts toe dat hij de containers niet weer onder de ramen zal plaatsen zolang daar een raam met "zichtmogelijkheden" is. Gelet op deze toezegging ziet het hof onvoldoende grond voor toewijzing van de vordering en zal haar dus afwijzen.

Inzake het grindpad en de steeg

3.15

De beslissingen van de rechtbank onder 5.4 tot en met 5.11 houden in de kern in dat de (hierboven, onder 2.2.d bedoelde) erfdienstbaarheid van weg niet verder strekt dan om naar en van 7823 over het grindpad op 7959 per fiets en te voet te komen van en te gaan naar de [adres], en dat door extinctieve verjaring (aldus in het vonnis onder 4.20; "verkrijgende" in het vonnis onder 4.22 is een kennelijke verschrijving) bovendien een erfdienstbaarheid is ontstaan die de eigenaar van 7805 het recht geeft, in de muur van woning 87 aan de steeg een voordeur te hebben en van en naar 7805 door die voordeur over de steeg en het grindpad op 7959 per fiets en te voet te komen van en te gaan naar de [adres]. Deze beslissingen berusten, zoals het hof het vonnis verstaat, op de volgende gronden.

Het grindpad is geen buurweg. Grond voor opheffing van de gevestigde erfdienstbaarheid is er niet, nu [appellant] nog een redelijk belang bij de uitoefening heeft. Dat de in de akte van 25 februari 1993 bedoelde bestaande wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid tevens omvat rijden met een auto op het grindpad en parkeren van auto's op en bij het grindpad, is onvoldoende door [appellant] gesteld. Ook kan zodanig voortdurend en zichtbaar gebruik van [appellant] en zijn rechtsvoorgangers gedurende 20 jaren niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat het voorkomt dat een bezoeker of leverancier autorijdt en parkeert op/bij het grindpad. Verwarring bij leveranciers en derden over de toegang tot de woning van [appellant] kan eenvoudig op andere wijze worden opgelost; dat het noodzakelijk is derden en [appellant] het grindpad per auto te laten gebruiken, is niet gebleken. De gevestigde erfdienstbaarheid strekt niet verder dan om naar en van 7823 over het grindpad op 7059 per fiets en te voet te komen van en te gaan naar de [adres].

Daarnaast heeft [appellant] door extinctieve verjaring een erfdienstbaarheid verkregen met als inhoud het recht in de muur van woning 87 aan de steeg een voordeur te hebben en door die voordeur naar en van 7805 over de steeg en het grindpad op 7959 per fiets en te voet te komen van en te gaan naar de [adres]. In 1985 heeft [Y] de voordeur van woning 87 aan de steeg geplaatst en daarmee feitelijk een uitweg naar de steeg gerealiseerd. Tevoren (kennelijk vóór 1 augustus 1985) had de provincie [Z] toestemming voor een deur op die plaats gegeven. De voordeur is aldaar sinds 1985 voortdurend en zichtbaar aanwezig geweest en de steeg is sinds dezelfde tijd door Oudendijks rechtsvoorganger [Y] en [appellant] zelf gebruikt als uitweg over het grindpad naar en van de [adres]. Dit gebruik als uitweg was op zichzelf genomen niet voortdurend en zichtbaar, maar, zo verstaat het hof het vonnis, het hield zozeer verband met de aanwezigheid van de voordeur, dat het in samenhang met die voordeur en de verdere plaatselijke gesteldheid als noodzakelijk sequeel van de voordeur wél als voortdurend en zichtbaar kan worden aangemerkt. Door het verstrijken van 20 jaren sinds 1985 zonder dat de rechtsvordering, strekkende tot beëindiging van het gebruik van de steeg als uitweg, is gestuit, heeft [appellant] (in 2005) de erfdienstbaarheid verkregen.

3.16

Het hof stelt voorop dat niet omstreden is dat [appellant] geen recht heeft, en ook niet pretendeert, om over de steeg per motorfiets of auto te komen van en te gaan naar het grindpad.

3.17

Met de principale grieven I en II betoogt [appellant] dat het grindpad een buurweg zoals bedoeld in artikel 719 BW (oud), althans een openbare weg, is. Inzake de vraag of het grindpad buurweg of openbare weg is, wordt het volgende vooropgesteld. Ingevolge artikel 719 BW (oud) ontstond een buurweg door uitdrukkelijke of stilzwijgende wilsverklaring van de eigenaar over wiens erf een voetpad, dreef of weg (hierna: weg) liep, al dan niet samen met de gezamenlijke buren, en die ertoe strekte de weg tot buurweg te bestemmen. Daarbij moest zich feitelijk ook gemeen gebruik van de weg ten dienste van uitweg voordoen. Een enkel gedogen van de eigenaar van andermans gebruik van de weg was niet voldoende. Ongestoord bezit van het recht van buurweg - d.w.z. dat een buur of iemand die uit hoofde van zijn rechtsverhouding met een buur bevoegd was tot gebruik van diens erf, de naar verkeersopvattingen te beoordelen feitelijke macht over de desbetreffende weg uitoefende, die past bij het gebruik van de weg als buurweg - levert het voor tegenbewijs vatbare vermoeden op dat een buurweg was ontstaan en een bestemming tot buurweg had plaatsgevonden. Ingevolge artikel 160 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek zijn (slechts) de vóór 1 januari 1992 ontstane buurwegen gehandhaafd. Ingevolge artikel 4 Wegenwet is een weg openbaar, voor zover thans van belang, wanneer hij na 1 oktober 1902 gedurende 30 jaren voor een ieder toegankelijk is geweest.

3.18

De rechtbank motiveerde het oordeel dat het grindpad geen buurweg is, met de overweging dat de door [appellant] gestelde en door de wederpartijen betwiste feiten onvoldoende zijn - mede gelet op de vaststaande omstandigheid dat het boerderijencomplex altijd ook een andere uitweg, namelijk naar de Velsenenderlaan, heeft gehad - om vast te stellen dat de vereiste bestemmingshandeling is verricht. De vraag of het grindpad een openbare weg is, is niet aan de rechtbank voorgelegd.

3.19

[appellant] beweert dat er niet altijd een andere uitweg is geweest. Bewijs van die bewering is overbodig, omdat het hof veronderstellenderwijs wil uitgaan van haar juistheid.

3.20

Voorts betoogt [appellant] dat uit een aantal feiten en omstandigheden en schriftelijke verklaringen van getuigen, opgesomd onder 1b tot en met 11b van de toelichting op zijn grief I, mede in onderling verband bezien, volgt dat de door de rechtbank bedoelde bestemmingshandeling wel degelijk is verricht, namelijk door de gezamenlijke buren onder wie de eigenares, de provincie, en in het bijzonder dat de provincie uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend ermee moet hebben ingestemd dat het grindpad tot buurweg werd bestemd. Natuurmonumenten c.s. hebben dit betoog deugdelijk betwist en aangevoerd dat een aantal personen blijkens hun schriftelijke verklaringen, die in het geding zijn gebracht, het grindpad mocht gebruiken met toestemming van de provincie en aldus uit hoofde van een persoonlijk gebruiksrecht.

3.21

Voor zover de door [appellant] opgesomde feiten en omstandigheden en schriftelijke verklaringen betrekking hebben op gebeurtenissen en toestanden van op of na 1 januari 1992, zijn zij slechts relevant indien zij kunnen bijdragen tot de gevolgtrekking dat het grindpad vóór 1 januari 1992 tot buurweg is bestemd, of dat een buur (of een uit hoofde van een rechtsverhouding met die buur gebruiksbevoegde ten aanzien van diens erf; hierna ook kortweg: gebruiksbevoegde) toen al ongestoord bezit van het recht van buurweg had. Het hof vermag uit de door [appellant] opgesomde feiten en omstandigheden en schriftelijke verklaringen, voor zover relevant, niet meer af te leiden dan dat de provincie het gebruik van het grindpad, gemaakt door buren, gebruiksbevoegden en anderen, enkel gedoogde of tot dit gebruik aan sommige personen een persoonlijk recht gaf. In hoger beroep zijn de stellingen van [appellant] dan ook nog immer ontoereikend om vast te stellen dat de vereiste bestemmingshandeling is verricht. Bovendien zijn zij ontoereikend om te oordelen dat enige buur of gebruiksbevoegde vóór de genoemde datum ongestoord bezit van het recht van buurweg ten aanzien van het grindpad had. Aan een bewijsopdracht op dit stuk kan dan ook niet worden toegekomen.

3.22

[appellant] betoogt dat uit een aantal producties, aangewezen in de toelichting op zijn grief II, volgt dat de grindweg vanaf 1964 voor een ieder toegankelijk is geweest en dus een openbare weg is geworden.

Dat betoog kan geen steun ontlenen aan het gedeelte van het rapport van Toornend & Partners van 22 maart 1994 dat [appellant] (als onderdeel van productie G14) in het geding heeft gebracht, nu het daarin gaat over een recht op gebruik van onder meer het grindpad, toekomend aan bepaalde personen uit hoofde van gevestigde of door verjaring ontstane erfdienstbaarheden, maar niet over toegankelijkheid van het grindpad voor een ieder. Ook de plaatsing van een verkeersbord dat gebiedt tot langzaam rijden, wijst nog niet op toegankelijkheid voor een ieder, evenmin als het feit dat de politie tientallen jaren geleden gedurende langere tijd haar functie ook op het grindpad uitoefende. Anders dan [appellant] meent zijn de overige schriftelijke verklaringen waarop hij wijst, ook indien in onderlinge samenhang en in samenhang met de verdere stellingen van [appellant] bezien, ontoereikend om vast te stellen dat het grindpad voor een ieder toegankelijk is geweest gedurende 30 jaren, vanaf 1964 of vanaf enig eerder relevant jaar. [appellant] stelt onvoldoende concrete feiten waaruit kan volgen dat het grindpad gedurende een relevante periode voor een ieder toegankelijk is geweest. Ook hier kan daarom aan een bewijsopdracht niet worden toegekomen.

3.23

De met de principale grieven I en II verbonden bewijsaanbiedingen worden gepasseerd. De grieven treffen geen doel. Dat betekent verder dat in hoger beroep vordering B van [appellant] voor een primair en subsidiair gedeelte met juistheid zijn afgewezen.

3.24

Met de incidentele grief II (in hun memorie onder 10) komen Natuurmonumenten c.s. op tegen het oordeel dat de vereiste grond voor opheffing van de in 1993 gevestigde erfdienstbaarheid niet aanwezig is.

3.25

De rechter ontleent, voor zover thans van belang, aan artikel 5:79 BW een discretionaire bevoegdheid tot opheffing van een erfdienstbaarheid op vordering van de eigenaar van het dienend erf, indien de eigenaar van het heersend erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft. In hoger beroep is niet bestreden de vaststelling van de rechtbank dat [appellant] gebruik maakt (en ook zijn rechtsvoorgangers gebruik maakten) van het grindpad om naar de [adres] te gaan, dat de brievenbussen aan het eind van het grindpad, bij het hekwerk, staan, en dat daar de post wordt bezorgd en de vuilniscontainers op de ophaaldagen dienen te worden geplaatst. Van enig belang is ook dat woning 83-87 nog immer plaatselijk bekend is als gelegen aan de [adres] en dat ook haar postadres een adres aan die weg is, zodat ook daarom de ontsluiting naar de [adres] niet gelijkwaardig is aan die naar de [adres]. Met de rechtbank acht het hof daarmee een redelijk belang van [appellant] als eigenaar van het heersend erf gegeven.

3.26

Daaraan kan niet afdoen de bewering dat de situatie (geen andere aansluiting van woning 83 naar de openbare weg; de huurder van woning 83 behoefde de aansluiting) die - volgens Natuurmonumenten c.s. - in 1993 aanleiding gaf tot de vestiging, niet meer bestaat, sinds de woningen 83, 85 en 87 in één hand zijn gekomen en later door [appellant] tot één woning zijn gemaakt, die een goede ontsluiting naar de [adres] heeft. Immers, reeds in 1993 kwamen de drie woningen in één hand en wel ingevolge dezelfde akte als die ingevolge welke de erfdienstbaarheid werd gevestigd, zodat de bedoelde aanleiding al van meet af aan niet bestond.

Dat de erfdienstbaarheid een verzwaring heeft ervaren doordat zij nu niet meer alleen voor woning 83, maar voor de veel grotere woning 83-87 van nut is, doet in dit verband niet ter zake.

Dat [appellant] ook alleen over eigen grond de [adres] kan bereiken, namelijk zowel over 7823 als over 7805, aan de noordzijde waarvan nog een voormalig voetgangershek aanwezig is dat in het verleden toegang bood tot de [adres], laat Oudendijks redelijk belang bij de erfdienstbaarheid onverlet. Het op dit punt gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd, reeds omdat het een niet ter zake dienende stelling betreft. Al in 1993 kon men immers vanaf woning 83 de [adres] ook wel alleen over 7823 bereiken.

De afstand, ten slotte, van de deur van woning 83 alleen over eigen grond van [appellant] naar de [adres] is niet zó veel korter dan die over het grindpad, dat dit gewicht in de schaal zou leggen.

De incidentele grief II mist doel.

3.27

Met de incidentele grief III (in hun memorie onder 11) komen Natuurmonumenten c.s. op tegen het oordeel dat [appellant] een erfdienstbaarheid door extinctieve verjaring heeft verkregen.

Wat betreft de door de rechtbank aanvaarde extinctieve verjaring als grond voor Oudendijks verkrijging van de erfdienstbaarheid, wordt vooropgesteld dat ingevolge de artikelen 3:105, lid 1, 3:306 (junctis de artikelen 73 en 95 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek) en 3:314, lid 2, BW, voor zover thans van belang, degene die een erfdienstbaarheid bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering, strekkende tot beëindiging van het bezit, wordt voltooid, die erfdienstbaarheid verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw; deze rechtsvordering verjaart, indien de verjaringstermijn op of na 1 januari 1972 is aangevangen, door verloop van 20 jaren; en deze verjaring begint met de dag, volgend op die waarop een niet-rechthebbende (zoals [Y] in 1985) bezitter is geworden, of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormde, zij het, voor zover het niet om een zichtbare en voortdurende erfdienstbaarheid gaat - die volgens het tot 1 januari 1992 geldende oude BW niet door een dergelijke extinctieve verjaring kon worden verkregen - niet eerder dan op 1 januari 1992.

3.28

Natuurmonumenten c.s. hebben het onderhavige oordeel slechts met ondeugdelijke argumenten bestreden.

Dat het gebruik van de steeg door huurders van de provincie niet relevant is, raakt dit oordeel niet.

Uit de verklaringen die Natuurmonumenten c.s. noemen, blijkt niet dat Oudendijks rechtsvoorgangers uitsluitend 'ontsloten' naar de [adres], nu daartegenover andersluidende verklaringen van anderen staan. De enkele volzin die Natuurmonumenten c.s. in hun memorie aan deze verklaringen wijden, levert ook geen deugdelijke betwisting op van de stelling van [appellant] - die de rechtbank bij gebreke van voldoende gemotiveerde betwisting als vaststaand aannam - dat de steeg sinds 1985 door Oudendijks rechtsvoorganger [Y] en hemzelf gebruikt is als uitweg over het grindpad naar en van de [adres].

Het argument dat aan [Z] slechts een persoonlijk recht is verleend, een deur aan de steeg en overpad door de steeg en over het grindpad te hebben, raakt niet aan het oordeel dat [Y] in 1985 bezit van de erfdienstbaarheid heeft verkregen. Gesteld noch gebleken is dat de provincie of Natuurmonumenten ook aan [Y] of aan [appellant] een persoonlijk recht op gebruik van de steeg heeft verleend.

Anders dan Natuurmonumenten c.s. hecht het hof geen betekenis aan het feit dat [Z] en [Y] niet over een voordeur maar over een achterdeur spraken; het gaat erom dat [Y] bezit heeft verkregen van een erfdienstbaarheid ten aanzien van onder meer die deur aan de steeg.

Dat de situatie sinds het vertrek van [Z] veranderd is doordat in 1993 de drie woningen en de percelen waarop zij staan, in één hand zijn gekomen en later door [appellant] tot één woning zijn gemaakt, raakt niet aan het oordeel dat [Y] in 1985 bezit van de erfdienstbaarheid heeft verkregen.

3.29

Met name hebben Natuurmonumenten c.s. in hoger beroep niet aangevoerd dat het bezit van de erfdienstbaarheid gebrekkig (bijv. niet ondubbelzinnig of niet openbaar) was, noch dat de erfdienstbaarheid ten aanzien van het gebruik van de uitweg ondanks het verband met de aanwezigheid van de voordeur niet als zichtbaar en voortdurend kan worden aangemerkt, dat het bezit in de loop van 20 jaren sinds 1985 is onderbroken, dat de verjaring is gestuit of dat [appellant] het bezit niet had toen de 20 jaren afliepen. Het hof heeft er dus van uit te gaan dat zodanige omstandigheden zich niet voordoen, nu daarvan ook langs andere weg niet is gebleken. De bewering (in de memorie van Natuurmonumenten c.s. onder 3.2) dat [appellant] de daar genoemde vragen met betrekking tot ondubbelzinnig bezit niet heeft beantwoord, levert niet een voldoende duidelijke bestrijding van het onderhavige oordeel van de rechtbank op.

De incidentele grief III mislukt.

3.30

Met het falen van de incidentele grieven II en III is tevens het lot bezegeld van de vorderingen 1, 2 (primair) en 3 (primair) van Natuurmonumenten c.s. in hoger beroep. Deze vorderingen zijn terecht afgewezen, respectievelijk zullen worden afgewezen. Vordering A (voor het overige) zal worden toegewezen.

3.31

Met de principale grieven III en IV komt [appellant] op tegen het oordeel dat de beide erfdienstbaarheden niet verder strekken dan om over het grindpad op 7959 per fiets en te voet te komen van en te gaan naar de [adres].

3.32

De beslissing van de rechtbank dat de door vestiging ten behoeve van 7823 ontstane erfdienstbaarheid en de door extinctieve verjaring ten behoeve van 7805 ontstane erfdienstbaarheid niet verder strekken dan tot gebruik van het grindpad per fiets en te voet van en naar 7823 en 7805 naar en van de [adres], en met name niet inhouden gebruik van het grindpad per auto en parkeren van de auto op/bij het grindpad, berust op de hierboven (onder 3.15) samengevatte gronden. Daarbij verstaat het hof de overweging (vonnis onder 4.15) dat voortdurend en zichtbaar gebruik van [appellant] en zijn rechtsvoorgangers gedurende 20 jaren niet kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat het voorkomt dat een bezoeker of leverancier autorijdt en parkeert op/bij het grindpad, aldus dat daarin - mede - is geoordeeld dat [appellant] met de laatstgenoemde omstandigheid onvoldoende heeft gesteld dat de gevestigde erfdienstbaarheid geruime tijd op een bepaalde wijze is uitgeoefend (zoals bedoeld in artikel 5:73, lid 1, BW), die ook autorijden en parkeren omvat. Voorts verdient opmerking dat het hier niet gaat om gebruik van de steeg (inclusief het binnenplaatsje) maar alleen van het grindpad.

3.33

De akte van 25 februari 1993 tussen de provincie en [Y] houdt onder meer in dat "wordt ... gevestigd ... de erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de [adres] ... over het bestaande grindpad op de thans bestaande wijze". Voor zover uitleg van de akte nodig is, staat voorop dat het daarbij aankomt op de in de akte uitgedrukte partijbedoeling, af te leiden uit de gebezigde bewoordingen, die moeten worden uitgelegd naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Inzake de vraag die hier aan de orde is, wijst zodanige uitleg, nu de partijen niets hebben aangevoerd dat in andere richting wijst, als doorslaggevend aan wat de hier bedoelde, destijds bestaande wijze van komen en gaan van en naar 7823 over 7959 naar en van de [adres] inhield, kortom het toenmalige gebruik van het grindpad, indien dat buiten twijfel kan worden vastgesteld. Ingeval van twijfel over de wijze waarop de erfdienstbaarheid mag worden uitgeoefend, is ingevolge artikel 5:73, lid 1, BW beslissend de bepaalde wijze waarop zij in feite te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak is uitgeoefend.

Wat betreft de door extinctieve verjaring ontstane erfdienstbaarheid, komt het aan op de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid die [appellant] en zijn rechtsvoorganger [Y] bezat, in de periode van 20 jaren vanaf 1985 (althans vóór 29 april 2011, de dag van de inleidende dagvaarding), mits het om een zichtbare en voortdurende erfdienstbaarheid gaat.

3.34

Met betrekking tot de relevante wijze van uitoefening hebben Natuurmonumenten c.s. stelplicht en bewijslast voor zover zij toewijzing van hun vordering 3 (subsidiair en meer subsidiair) verlangen en [appellant] voor zover hij toewijzing van zijn vordering B (voor een meer subsidiair gedeelte) en E (gedeeltelijk) verlangt. Gelet daarop verwijt [appellant] (MvG 840 e.v.) de rechtbank terecht dat zij wél heeft geoordeeld dat [appellant] in dit verband onvoldoende heeft gesteld maar niet heeft beoordeeld of Natuurmonumenten c.s. voldoende hebben gesteld.

3.35

Volgens Natuurmonumenten c.s. hield het gebruik slechts in gaan en komen per fiets en te voet, waartoe zij het volgende stellen.

( a) Vóór 25 februari 1993 had [Y], als eigenaar van 7805, geen ontsluiting via het grindpad naar de [adres] (maar alleen ontsluiting via het zandpad naar de Velserenderweg).

( b) De huurster van woning 83, mevrouw [A], mocht het grindpad gebruiken uit hoofde van een persoonlijk recht, ontleend tot die datum aan de eigenares van het perceel waarop het grindpad ligt, destijds de provincie, en vanaf die datum aan de nieuwe eigenaar van 7823, tevens rechthebbende tot de erfdienstbaarheid, [Y].

( c) Mevrouw [A] gebruikte het grindpad uitsluitend per fiets en te voet.

( d) [Z] en [Y], rechtsvoorgangers van [appellant], hebben niet met regelmaat op/bij het grindpad geparkeerd.

3.36

Stelling a moet, gelet op het hierboven, onder 3.28, overwogene, als onvoldoende toegelicht worden aangemerkt. Stelling b is niet weersproken maar kan in dit verband niet ter zake dienen. Stelling c is onvoldoende toegelicht, nu [appellant] heeft aangevoerd dat leveranciers, pakketbezorgers en andere bezoekers zich per auto naar mevrouw [A] begaven via het grindpad en de auto parkeerden naast het grindpad bij de hooibergen, hetgeen [appellant] heeft gestaafd met schriftelijke verklaringen van een aantal personen die in het geding zijn. Stelling d is deugdelijk weersproken.

3.37

Volgens [appellant] hield het gebruik in gaan en komen, niet alleen per fiets en te voet maar ook per motorfiets en auto, alsmede parkeren van de auto op/bij het grindpad, waartoe hij het volgende stelt.

( e) De woorden "erfdienstbaarheid van weg" in de akte van 25 februari 1993 moeten nog in de zin van artikel 733 BW (oud) worden begrepen en omvatten daarom mede gebruik met een auto.

( f) Tussen dezelfde partijen (de provincie en [Y]) is in 1984 ten laste van 7822 en ten behoeve van 7959 in vrijwel dezelfde bewoordingen een "erfdienstbaarheid van weg" over het zandpad gevestigd, die door [X] wordt uitgeoefend door gebruik met een auto's, tractoren en een veetrailer, terwijl het zandpad destijds minder werd gebruikt dan het grindpad.

( g) Tussen de provincie en de heer [B] werd ingevolge akte van 25 februari 1993, verleden voor dezelfde notaris als voor wie op dezelfde dag de akte tussen de provincie en [Y] is verleden, ten laste van 7959 en ten behoeve van 8084 (aan de zuidwestzijde van 7959 daaraan grenzend) in dezelfde bewoordingen een "erfdienstbaarheid van weg" over het grindpad gevestigd, welke erfdienstbaarheid 'altijd' door gebruik van het grindpad met de auto en/of tractor is uitgeoefend.

( h) Zowel vóór als na 25 februari 1993 hebben de bewoners (onder wie de familie [A]) en bezoekers van woning 83 op 7823 en die van de woningen 85 en 87 op 7805 het grindpad intensief gebruikt met auto's en auto's geparkeerd bij het grindpad nabij de hooiberg. Dit geldt ook voor een ieder, leveranciers, postbode, etc. die bij [appellant] en zijn rechtsvoorgangers dient/diende te zijn.

3.38

Wat stelling e betreft, kan op zichzelf als juist worden aanvaard dat de term erfdienstbaarheid van weg in 1993, en trouwens ook daarna, in beginsel geen andere betekenis dan vóór 1 januari 1992 had en heeft. Dat baat [appellant] echter niet, want de erfdienstbaarheid van weg van artikel 733 BW (oud) gaf niet noodzakelijkerwijs het recht om per auto over het dienend erf te rijden. De bevoegdheid ten aanzien van rijden kon beperkt zijn tot bijv. rijden per fiets. Bovendien gaat het hier niet zozeer om de vraag wat een recht van weg in beginsel inhield, als om de vraag hoe het grindpad in feite werd gebruikt.

De juistheid van de stellingen f en g is niet bestreden maar wel de relevantie ervan. Het hof acht de uitoefening van de erfdienstbaarheid over het zandpad niet (voldoende) relevant, maar die ten behoeve van het erf van [B] over het grindpad wél relevant, nu het bij de laatste over hetzelfde grindpad gaat.

Stelling h, die gestaafd is met tal van schriftelijke verklaringen, is, in het licht van het hierboven, onder 3.36, overwogene, onvoldoende betwist.

3.39

Reeds gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat Natuurmonumenten c.s. ten enenmale onvoldoende hebben gesteld om toewijzing van hun vordering 3 (subsidiair en meer subsidiair) te wettigen, zodat die vordering zal worden afgewezen.

3.40

Wat de stellingen van [appellant] aangaat, wordt als volgt overwogen.

Geoordeeld kan worden dat, als onvoldoende bestreden, vast is komen te staan dat het bestaande gebruik van het grindpad ten tijde van de akte van 25 februari 1993 mede omvatte het rijden per auto en het parkeren bij het grindpad nabij de hooibergen, zowel door de eigenaar van 7823 en woning 83 als door bezoekers en leveranciers van de bewoners van woning 83 en de postbode en iedere andere persoon die bij de eigenaar of bewoners diende te zijn. Vordering B (voor het desbetreffende meer subsidiaire gedeelte) zal mitsdien worden toegewezen.

Eveneens kan worden geoordeeld dat, als onvoldoende bestreden, vast is komen te staan dat de wijze waarop de erfdienstbaarheid ten dienste van 7805, die Oudendijks rechtsvoorganger [Y] en later [appellant] zelf bezat, in de periode van 20 jaren vanaf 1985 werd uitgeoefend, mede omvatte het rijden per auto en het parkeren bij het grindpad nabij de hooibergen, en het zich van en naar het grindpad begeven, via de steeg naar en van de voordeur van woning 87, zowel door de eigenaar van 7805 en bewoners van woning 85-87 als door bezoekers en leveranciers van de bewoners van die woning, de postbode en andere personen die bij de eigenaar of bewoners dienden te zijn. Deze wijze van uitoefening was op zichzelf genomen niet voortdurend en zichtbaar, maar ook hier hield zij zozeer verband met de aanwezigheid van de voordeur in de muur van woning 87 aan de steeg, dat zij in samenhang met die voordeur en de verdere plaatselijke gesteldheid wél als zichtbaar en voortdurend kan worden aangemerkt.

Ook voor het overige zijn de stellingen van [appellant] inzake het bezit van [Y] en [appellant] van de erfdienstbaarheid sedert 1985 niet deugdelijk bestreden. Met name hebben Natuurmonumenten c.s. zich niet beroepen op omstandigheden zoals hierboven, onder 3.29, genoemd. Nu niet is gesteld of gebleken dat het vastgestelde gebruik van het grindpad c.a. om enige andere reden niet toereikend was, zal ook vordering E (voor het desbetreffende gedeelte) worden toegewezen.

Beide grieven treffen dus doel.

3.41

Met de principale grief VI betoogt [appellant] dat de door verjaring ontstane erfdienstbaarheid mede inhoudt een recht om door de toegangsdeur aan de oostkant van de overkapping over de steeg en het grindpad per fiets en te voet te komen van en te gaan naar de [adres].

Het verweer van Natuurmonumenten c.s. op dit punt wijkt niet in betekenende mate af van de bestrijding van het oordeel van de rechtbank inzake de extinctieve verjaring als ontstaansgrond van de erfdienstbaarheid. De daartoe aangevoerde argumenten zijn hierboven (onder 3.28-29) ondeugdelijk bevonden; om dezelfde redenen zijn zij ook op deze plaats ondeugdelijk.

Gebleken is dat de overkapping aan haar oostkant in elk geval sedert 1985 de bedoelde deur heeft en niet deugdelijk bestreden is dat die deur zichtbaar is en ook regelmatig werd gebruikt om van en naar de overkapping naar en van de steeg te gaan. De deur kon en kan klaarblijkelijk ook alleen maar dienen als toegang naar de overkapping vanuit de steeg en omgekeerd. Het moet er dan ook voor worden gehouden, nu niets is gesteld of gebleken dat in andere richting wijst, dat de erfdienstbaarheid die [appellant] door extinctieve verjaring heeft verkregen, mede inhoudt het hebben van een op de steeg uitkomende deur aan de oostkant van de overkapping en, als noodzakelijk sequeel daarvan, het recht naar en van die deur door de steeg en het grindpad te komen van en te gaan naar de [adres]. Naar redelijkheid en billijkheid geoordeeld betreft het hier komen en gaan per fiets en te voet. Vordering E (voor het desbetreffende gedeelte) zal worden toegewezen. Aangezien in het midden is gebleven tot welk kadastraal perceel de overkapping behoort, zal ter vermijding van misverstand worden beslist dat de erfdienstbaarheid ten dienste van 7805 strekt, inclusief, althans alsmede de weststrook. De grief slaagt.

3.42

Met de principale grief VIII komt [appellant] op tegen de afwijzing van zijn vordering, strekkende tot veroordeling van Natuurmonumenten c.s. om de steeg geheel te bestraten. In hoger beroep heeft [appellant] zijn vordering uitgebreid met een subsidiair gedeelte, strekkende tot verklaring voor recht dat hij zelf gerechtigd is de steeg op zijn kosten te bestraten met stoeptegels en de steeg schoon te houden en te vegen.

3.43

De rechtbank stelde vast bij de descente op 17 november 2011 dat er geen stoeptegels liggen aan de zijde van woning (87) en nog wel aan de zijde van (de schuur), en in het vonnis dat de steeg bestraat is op een rand langs de woning na. De rechtbank oordeelde dat daarmee niet is komen vast te staan dat de bestrating niet deugdelijk is of dat de steeg onbruikbaar is als uitweg en dat daartoe onvoldoende is gesteld.

Op de bewering van [appellant] dat Natuurmonumenten c.s. in 2010 de betegeling aan de zijde van woning 87, juist ook vóór de deur aan de steeg, heeft verwijderd, hebben Natuurmonumenten c.s. in eerste instantie geantwoord dat de steeg nooit geheel betegeld is geweest, dat op een strook langs de schuur wilde hyacinten groeiden en dat de tegels die er lagen, door de aannemer in verband met de verbouwing tijdelijk zijn weggehaald en weer teruggelegd. In hoger beroep erkennen zij dat [geïntimeerde sub 2] na de verbouwing de steeg heeft herbestraat en het niet bestrate gedeelte ingezaaid met gras. Impliciet erkennen zij aldus, weerspreken zij althans niet deugdelijk, dat de betegeling in 2010 door hen aan de zijde van woning 87 is verwijderd en daar niet teruggelegd, en dat met de weggehaalde tegels de strook langs de schuur is bestraat. Ten onrechte beweren zij dan dat de toestand van de steeg, toen [appellant] ter plaatse kwam wonen, conform de huidige situatie was en dat de steeg naar behoren bestraat is.

Natuurmonumenten c.s. beweren voorts dat er zonder probleem met een rolstoel gebruik van de steeg kan worden gemaakt.

[appellant] beweert voorts dat de steeg constant vol ligt met verwaaid zand waardoor ook de witte muur van woning 87 vervuilt en dat [X] hem verbieden de steeg te vegen. Natuurmonumenten c.s. weerspreken deze bewering niet, en betwisten slechts dat de huidige toestand tot onaanvaardbare hinder en overlast door stof of modder leidt.

[appellant] acht het handelen en nalaten van [X] jegens hem onrechtmatig.

3.44

Het hof acht een onrechtmatige daad of een andere toereikende grond voor toewijzing van de primaire vordering onvoldoende gesteld. Vordering H (primair) zal worden afgewezen.

3.45

Wat de subsidiaire vordering betreft, komt ingevolge artikel 5:75 BW, voor zover thans van belang, [appellant] de bevoegdheid toe op zijn kosten in de steeg alles te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is en op zijn kosten in de steeg werken aan te brengen, die voor die uitoefening noodzakelijk zijn, waarbij hij verplicht is het door hem in de steeg aangebrachte te onderhouden voor zover dit in het belang van het dienende erf nodig is.

3.46

De inferieure toestand van het bestrate en niet bestrate deel van de steeg en de vervuiling ervan blijken genoegzaam uit de foto's die Natuurmonumenten c.s. als productie 9 in hoger beroep in het geding hebben gebracht. Mede gelet daarop moet de noodzaak van de/het in de vordering bedoelde verrichting en werk als onvoldoende betwist worden beschouwd. In redelijkheid kunnen deze ook alleen maar als voordelig voor Natuurmonumenten c.s. worden aangemerkt, nu ook zij belang hebben bij een goed bestrate en schone steeg. Bestrating van de steeg aan de zijde van woning 87 acht het hof noodzakelijk. Ook wordt het noodzakelijk geacht dat de steeg overal waar de erfdienstbaarheid mag worden uitgeoefend, schoon wordt gehouden en geveegd. Vordering H (subsidiair) zal worden toegewezen. De grief mislukt ten dele en slaagt voor het overige.

3.47

Met de principale grief VII komt [appellant] op tegen de afwijzing van zijn vordering inzake vuilniscontainers en tegen het verbod aan [appellant] in de steeg enige vuilniscontainer of ander goed te stallen (beslissing onder 5.7 van het vonnis). De rechtbank oordeelde dat [appellant] onvoldoende had gesteld om daaruit af te kunnen leiden dat een erfdienstbaarheid om de vuilniscontainers in de steeg te mogen stallen door extinctieve verjaring is ontstaan.

3.48

[appellant] stelt dat vanaf 1984-1985 de vuilniscontainers van [Y] en later [appellant] hebben gestaan in de steeg naast de voordeur van 87, voortdurend en zichtbaar, behalve als ze, zichtbaar, ter leging aan de [adres] bij de ingang van het grindpad stonden. Hij stelt voorts, kort gezegd, dat het recht om vuilniscontainers in de steeg te stallen deel uitmaakte van de erfdienstbaarheid waarvan - zoals hierboven is vastgesteld - zijn rechtsvoorganger [Y] in 1985 bezitter en [appellant] in 2005 door extinctieve verjaring rechthebbende is geworden.

In hoger beroep verwijst [appellant] onder meer naar de volgende schriftelijke verklaringen: die van mevrouw [Y], de (tweede) echtgenote van [Y], dat in de jaren 1985-2003 toen zij in woning 85-87 woonde, de vuilniscontainers bij de deur aan de steeg van die woning stonden; die van de heer [C], dat die containers in de jaren 1995-2008 toen hij beheerder van woning 89 was, in de steeg stonden; die van mevrouw [A], dat zij in de jaren 1984-2003 heeft gezien dat die containers in de steeg naast de deur van woning 87 stonden en dat deze wekelijks vandaar naar de [adres] werden gebracht om geleegd te worden; alsmede naar een foto (foto 65, vergroot als foto A, productie A30) die laat zien dat op 22 september 2009 de vuilniscontainers in de steeg, op het binnenplaatsje, nabij de westgevel van de schuur stonden.

3.49

Daartegenover schiet de betwisting van Natuurmonumenten c.s. te kort. Anders dan zij beweren, is in de schriftelijke verklaringen waarop zij wijzen, geen grond voor betwisting van het gebruik van de steeg tot stalling van de vuilniscontainers te vinden.

[appellant] heeft thans uitgelegd dat dit ook voor de verklaring van [D] geldt. [D] verklaart dat het binnenplaatsje waar nu de drie vuilniscontainers staan, in 1995-1996 niet werd gebruikt omdat het totaal begroeid en onbegaanbaar was. [appellant] wijst erop dat die containers toen niet op het binnenplaatsje maar naast de voordeur van woning 87 stonden, zodat [D] ze ook niet op het binnenplaatsje, en mogelijk ook niet in de steeg, kon zien. Wat daarvan zij, de verklaring van [D] doet niet (voldoende) af aan de voormelde verklaringen, zodat het hof daarin, anders dan de rechtbank, geen aanleiding meer vindt om Oudendijks stellingen ontoereikend te achten. Voorts is niet gesteld of gebleken dat er niet al vanaf 1985 drie vuilniscontainers waren. Dat zo zijnde, hoeft niet te worden verlangd dat [appellant] nader had onderbouwd dat zijn rechtsvoorgangers in een met die van [appellant] vergelijkbare omvang gebruik maakten van de steeg voor het stallen van vuilniscontainers.

Ook voor het overige zijn de stellingen van [appellant] inzake het bezit van [Y] en [appellant] van het onderhavige aspect van de erfdienstbaarheid sedert 1985 niet deugdelijk bestreden. Met name hebben Natuurmonumenten c.s. zich niet beroepen op omstandigheden zoals hierboven, onder 3.29, genoemd (de omstandigheid inzake een niet zichtbaar en voortdurend aspect is hier niet aan de orde). Nu ook niet is gesteld of gebleken dat het vastgestelde gebruik van de steeg om enige andere reden niet toereikend was, zal vordering 2 (subsidiair en meer subsidiair, voor het gedeelte betreffende vuilniscontainers) worden afgewezen en vordering D worden toegewezen, voor maximaal drie containers ter grootte van de tot heden door [appellant] gebruikte. Vanzelfsprekend geldt ook voor dit aspect van de erfdienstbaarheid, dat uitoefening op de voor het dienend erf minst bezwarende wijze moet geschieden. De grief slaagt ten dele.

3.50

Het is hier de plaats ook enige andere aspecten en vorderingen betreffende het gebruik van de steeg te bespreken.

3.51

Wat betreft het stallen van andere goederen dan vuilniscontainers, heeft [appellant] niet toegelicht waarom het hem gegeven verbod onjuist zou zijn. Wel vordert hij onder E (voor het overige) verklaring voor recht dat [appellant] en de zijnen gerechtigd zijn in de steeg tijdelijk een (brom)fiets te stallen, echter ook dit zonder toelichting. Natuurmonumenten c.s. vorderen onder 2 subsidiair, voor zover thans aan de orde, mede verklaring voor recht inzake het gebruik van de steeg dat [appellant] nog toekomt (waaronder in elk geval niet: gebruik bestaande in het stallen van enig ander goed dan vuilniscontainers), met verbod aan [appellant] van elk ander gebruik van de steeg en van het stallen van enig ander goed dan vuilniscontainers op grond van Natuurmonumenten c.s. die aansluit bij de steeg en meer subsidiair bekrachtiging van het vonnis ten aanzien van de beslissing onder 5.7, eveneens zonder toelichting.

3.52

De door verjaring ontstane erfdienstbaarheid kan, wat betreft het gebruik van de steeg, niet mede strekken tot het tijdelijk stallen van een (brom)fiets, reeds nu dit gebruik ten tijde van de inleidende dagvaarding (29 april 2011) nog niet 20 jaar sinds 1 januari 1992 had voortgeduurd. Een dergelijk aspect van de erfdienstbaarheid is niet zichtbaar en voortdurend en kan ook niet worden aangemerkt als noodzakelijk sequeel van het recht de voordeur van woning 87 en de toegangsdeur aan de oostkant van de overkapping aan de steeg te hebben.

Naast de verbodsvordering hebben Natuurmonumenten c.s. geen belang bij verklaring voor recht zoals evengenoemd. Onduidelijk is verder waarop Natuurmonumenten c.s. hun vordering ten aanzien van hun op de steeg aansluitende grond baseren. Het hof ziet geen grond om het gebruik van de steeg dat [appellant] nog toekomt, vast te stellen zonder een op dat punt behoorlijk gespecificeerde vordering. Een en ander leidt ertoe dat het hof vordering E (voor het overige) en vordering 2 (subsidiair) voor zover thans aan de orde zal afwijzen en vordering 2 (meer subsidiair, voor het gedeelte betreffende andere goederen dan vuilniscontainers) zal toewijzen en dus de beslissing onder 5.7 van het vonnis ten aanzien van die andere goederen bekrachtigen.

3.53

Vordering 2 subsidiair, voor zover nog niet beoordeeld, strekt tot verklaring voor recht inzake het gebruik van de steeg dat [appellant] nog toekomt (waaronder in elk geval niet: gebruik voorbij de deur in woning 87 en vernieling van gras en andere begroeiing), met verbod aan [appellant] van elk ander gebruik van de steeg. De vordering is op dit stuk niet toegelicht. Ten aanzien van gebruik van de steeg voorbij de deur in woning 87 (het hof begrijpt: van die deur tot aan de oostkant van de overkapping) komt, naar uit dit arrest blijkt, [appellant] de bevoegdheid toe de door verjaring ontstane erfdienstbaarheid uit te oefenen, welke uitoefening mede bestaat in zeker gebruik van de steeg ter plaatse. Ten aanzien van gras en begroeiing komen hem de in artikel 5:75 BW voorziene bevoegdheden toe, waartoe eventueel ook het verwijderen van gras en andere begroeiing kan behoren. Nu de vordering onvoldoende op specifieke wijzen van gebruik is gericht en niet is toegelicht, zal zij worden afgewezen.

3.54

[appellant] vordert onder F en G veroordeling van de wederpartijen, resp. machtiging van [appellant] zoals in het vonnis onder 5.10-11 is beslist, óók ten aanzien van de erfdienstbaarheden bedoeld in zijn vorderingen B, D en E. Niet is betwist dat [appellant] aanspraak heeft op het aldus gevorderde voor zover de vorderingen B, D en E worden toegewezen. Het hof zal de vorderingen F en G met die beperking toewijzen en voor het overige afwijzen.

3.55

Met de principale grief V komt [appellant] ertegen op dat de rechtbank niet heeft toegewezen zijn vordering tot zodanige verplaatsing van het klaphek naast het toegangshek aan het begin van het grindpad aan de [adres] dat het niet meer staat op 7823. [appellant] bestrijdt niet de afwijzing van zijn daarmee in de eerste aanleg verbonden vorderingen tot verwijdering van het toegangshek en het klaphek en tot veroordeling van Natuurmonumenten c.s. het toegangshek op nader vast te stellen tijdstippen geopend te houden althans een sleutel aan [appellant] te verschaffen. Het hof merkt in dit verband op, ter wille van de duidelijkheid, dat Natuurmonumenten, die het grindpad als eigenaar met dit toegangshek en klaphek heeft doen afsluiten, in de regel ervoor dient te zorgen dat de eigenaar van een heersend erf, zoals [appellant], de mogelijkheid heeft zich op elk moment en zonder telkens afhankelijk te zijn van de directe medewerking van Natuurmonumenten, de toegang tot het grindpad te verschaffen ter uitoefening van de erfdienstbaarheid.

3.56

In hoger beroep is niet bestreden de vaststelling van de rechtbank (onder 4.16) dat [appellant] zich te voet en met de fiets via het klaphek van en naar het grindpad en de [adres] kan begeven en dan ook aan de wenselijkheid van zodanig gebruik geen belang bij verwijdering van het klaphek kan ontlenen. [appellant] stelt dat het klaphek deels op 7823 staat en dat hij als eigenaar van 7823 belang erbij heeft dat het klaphek zich niet deels op zijn perceel bevindt. Gelet op productie G12b van [appellant] is het deel waarom het gaat, kennelijk - aangezien Oudendijks brievenbussen zich volgens [appellant] nog net op 7823 bevinden - alleen de westelijke paal waaraan het klaphek met scharnieren is verbonden.

3.57

De bewering dat het klaphek deels op 7823 ligt, is door Natuurmonumenten c.s. betwist. In het proces-verbaal van de comparitie van 17 november 2011, en in het bijzonder de opmerking van de heer Seure dat een deel van het grindpad ligt op het terrein van [appellant] en dat het hek langs (niet: aan het begin van) het grindpad dus een stukje naar links kan, vermag het hof niet een erkenning van de juistheid van die bewering te lezen. De juistheid kan in het midden blijven. Mede gezien de verdere plaatselijke gesteldheid en overige vaststaande omstandigheden is het gestelde enkele eigenaarsbelang van [appellant] bij verplaatsing te gering om toewijzing van vordering C te rechtvaardigen. Het (tegen)bewijsaanbod van Natuurmonumenten c.s. is overbodig en wordt gepasseerd. Vordering C zal worden afgewezen, vordering 7 toegewezen. De grief leidt tot niets.

En voorts

3.58

De incidentele grief IV is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat heeft geleid tot afwijzing van de vordering strekkende tot een verbod aan [appellant] inbreuk te maken op de in dit arrest onder 2.2.p bedoelde erfdienstbaarheid inzake gebruik van het zandpad. In hoger beroep vorderen Natuurmonumenten c.s. echter niet langer dat een dergelijk verbod wordt gegeven. Behandeling van de grief is dan overbodig.

3.59

Met de principale grief IX beoogt [appellant] dat alsnog wordt toegewezen zijn vordering I, voor zover strekkende tot een verbod aan Natuurmonumenten c.s., althans [X], zich te begeven op 7823, 7805 en 7822, voor zover deze percelen met een hekwerk zijn omgeven, en met uitzondering van het zandpad. De rechtbank wees deze vordering (toen nog vordering e) af omdat zij geen aanleiding zag haar toe te wijzen, met de opmerking dat [appellant] op grond van de wet gebonden is op zijn terrein [X] toe te laten voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden ten behoeve van hun woning. Artikel 5:56 BW voorziet inderdaad in die gehoudenheid - behoudens gewichtige redenen voor weigering of uitstel - mits het tijdelijk gebruikmaken van de andere onroerende zaak noodzakelijk is voor het verrichten van die werkzaamheden, en alleen na behoorlijke kennisgeving en tegen schadeloosstelling.

3.60

[appellant] wijst op de ernstige burenruzie die tussen [X] enerzijds en [appellant] en zijn echtgenote anderzijds is ontstaan, op het incident van 19 april 2011 (waarbij [geïntimeerde sub 4] over het hek langs de weststrook is geklommen en een, deels ook fysieke, aanvaring met [appellant] heeft gehad, hetgeen heeft geleid tot de beslissing van dit hof van 20 februari 2012 waarbij het door [geïntimeerde sub 2] ingediende beklag op de voet van artikel 12 Wetboek van Strafvordering over niet-vervolging van [appellant] is afgewezen) en op het incident van 10 december 2012 (waarbij [appellant] - volgens hem - bijna door dezelfde buurman is aangereden, waarvan aangifte bij de politie is gedaan). De ontkenning van Natuurmonumenten c.s. dat [geïntimeerde sub 4] zich bij het eerste incident op Oudendijks grond heeft begeven, is gezien de verdere inhoud van dit arrest onjuist. Het was hun blijkens de stukken toen ook bekend dat [appellant] de eigendom van de weststrook pretendeerde. Natuurmonumenten c.s. ontkennen verder dat het tweede incident heeft plaatsgevonden en beweren dat de aangifte zonder gevolg is gebleven.

3.61

Het hof ziet thans onvoldoende grond voor toewijzing van de vordering. Het is bij een enkel incident, dat van 19 april 2011, gebleven waarbij [geïntimeerde sub 4] zich ten onrechte op de weststrook heeft begeven. Of het incident van 10 december 2012 zich heeft voorgedaan, is ongewis; hoe dan ook betreft het niet een zich begeven op grond van [appellant]. De bestaande ernstige burenruzie geeft geen reden om anders te oordelen. Op vordering I (voor het desbetreffende gedeelte) zal niet anders worden beslist dan de rechtbank ten aanzien van de overeenkomstige vordering in eerste instantie heeft gedaan. De grief faalt.

3.62

Met de principale grief X beoogt [appellant] dat alsnog wordt toegewezen zijn vordering I, voor zover strekkende tot een verbod aan [X] te handelen en/of na te laten in strijd met het onder B, D, E en H gevorderde. Blijkens de toelichting van de grief heeft [appellant] het oog op uitlatingen jegens meer dan één bezoeker van [appellant] die lopend over het grindpad komen, met de strekking dat de ingang van Oudendijks woning zich aan de zijde van de [adres] bevindt en dat de bezoekers om moeten lopen. Natuurmonumenten c.s. reageren hierop met een ontkenning dat zij mensen die te voet over het grindpad naar de deur van woning 87 komen, terugsturen. Daarmee betwisten zij niet dat zij zich wel eens hebben uitgelaten zoals [appellant] stelt ([appellant] repte niet van terugsturen); bovendien betwisten zij niet de juistheid van de schriftelijke verklaring van de heer Boscaljon aangaande hetgeen hem op 13 december 2012 is overkomen, waarmee [appellant] zijn stelling heeft gestaafd.

3.63

Voor zover de vordering betrekking heeft op andere inbreuken op de aan [appellant] blijkens dit arrest toekomende erfdienstbaarheden dan het evengenoemde doen van uitlatingen jegens bezoekers, is zij niet voldoende bepaald en niet deugdelijk toegelicht, en reeds daarom niet toewijsbaar. Ook ten aanzien van dit doen van uitlatingen ziet het hof thans onvoldoende grond voor toewijzing van de vordering. De inbreuk is van weinig gewicht en gesteld noch gebleken is dat zij meer dan één of twee maal is voorgekomen of dat er gevaar is dat het vaker zal gebeuren. Vordering I (voor het overige) zal worden afgewezen. De grief treft geen doel.

3.64

In het voorgaande is al geoordeeld over een aantal over en weer gedane bewijsaanbiedingen. Aan de verder nog gedane bewijsaanbiedingen gaat het hof (ook) voorbij, nu deze niet voldoende duidelijk zijn betrokken op voldoende concrete stellingen die, voor zover deugdelijk betwist, indien bewezen tot andere beslissingen aanleiding zouden geven.

3.65

De vraag naar de toewijsbaarheid, geheel of voor een gedeelte, van de vorderingen is hiervóór aan de orde gekomen en als volgt beantwoord. De vorderingen 1 (primair en subsidiair), 2 (primair, subsidiair en meer subsidiair voor het overige), 3 (primair, subsidiair en meer subsidiair), 4, 5, 6, B (primair en subsidiair), C, E (voor het overige), F en G (voor het overige), H (primair) en I zullen worden afgewezen, de vorderingen 2 (meer subsidiair, voor het gedeelte betreffende andere goederen dan vuilniscontainers), 7, A, B (meer subsidiair), D, E (gedeeltelijk), F (gedeeltelijk), G (gedeeltelijk) en H (subsidiair) toegewezen. Ter vermijding van onduidelijkheden zal toewijzing in enkele gevallen in een andere dan de door de desbetreffende partij of de rechtbank gekozen redactie plaatsvinden.

3.66

Ter beoordeling resteren nog de nevenvorderingen.

Aan de toe te wijzen vorderingen van [appellant] is geen nevenvordering tot oplegging van een dwangsom verbonden. De toe te wijzen vorderingen van Natuurmonumenten c.s. strekken tot bekrachtiging van de beslissing onder resp. 5.7, doch alleen ten aanzien van andere goederen dan vuilniscontainers, en 5.6 van het vonnis. De rechtbank heeft aan het daar gegeven verbod en gebod dwangsommen van resp. € 500 en € 100 per overtreding, tot een maximum van resp. € 10.000 en € 5.000, verbonden. Nu geen van de partijen daartegen in hoger beroep is opgekomen, dient het daarbij te blijven.

Conform de vordering van beide partijen zal het arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

3.67

Het vonnis moet ten dele worden vernietigd. Opnieuw of alsnog moet recht worden gedaan op een aantal vorderingen. Ter vermijding van onduidelijkheden zullen de beslissingen 5.8, 5.9, 5.10 en 5.11 ook worden vernietigd en in nieuwe, uitgebreidere, beslissingen opgaan en zal beslissing 5.14 worden vernietigd en door een nieuwe beslissing worden vervangen. Van grond voor vernietiging voor het overige is niet gebleken, zodat het vonnis in zoverre moet worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst worden de partijen in het principale appel over en weer op enige punten in het ongelijk gesteld. Daarin vindt het hof aanleiding de beslissing over de gedingkosten in de eerste aanleg te bekrachtigen en (ook) de gedingkosten van het principale appel te compenseren op de gebruikelijke wijze. In het incidentele appel worden Natuurmonumenten c.s. in het ongelijk gesteld, zodat zij in de kosten daarvan zullen worden verwezen, te liquideren naar het volle tarief van het principaal appel nu het incidentele appel niet noodzakelijk wordt geoordeeld. Beslist moet worden zoals hierna te doen.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de daarin genomen beslissingen onder 5.1, 5.2, 5.3, 5.6, 5.7 (doch alleen ten aanzien van andere goederen dan vuilniscontainers), 5.12 (doch alleen ten aanzien van de in dat vonnis neergelegde veroordelingen) en 5.13;

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [appellant] en de zijnen krachtens de door de akte van 25 februari 1993, gevolgd door inschrijving, ten behoeve van 7823 en ten laste van 7959 gevestigde erfdienstbaarheid van weg gerechtigd zijn over het grindpad te voet, per fiets en per auto te komen van en te gaan naar de [adres] en de auto bij de hooibergen, en wel op de parkeerruimte ten noorden van de hooibergen, te parkeren;

verklaart voor recht dat [appellant] en de zijnen krachtens een door verjaring ten behoeve van 7805 (inclusief, althans alsmede ten behoeve van, de weststrook) en ten laste van 7959 ontstane erfdienstbaarheid gerechtigd zijn:

- een voordeur te hebben in de oostgevel van woning 87;

- naar en van die voordeur en naar en van de deur in de oostkant van de overkapping over de steeg en het grindpad te voet en per fiets te komen van en te gaan naar de [adres];

- over het grindpad per auto te komen van en te gaan naar de [adres] en de auto bij de hooibergen, en wel op de parkeerruimte ten noorden van de hooibergen, te parkeren;

- maximaal drie vuilniscontainers ter grootte van de tot heden door [appellant] gebruikte in de steeg te stallen;

veroordeelt Natuurmonumenten ertoe mee te werken aan schriftelijke vastlegging van de hiervóór omschreven, door verjaring ontstane erfdienstbaarheid in een notariële akte en inschrijving daarvan in de openbare registers;

machtigt [appellant] ertoe, indien en voor zover Natuurmonumenten niet voldoet aan de evengenoemde veroordeling, dit arrest in de plaats van de notariële akte in te schrijven in de openbare registers;

verklaart voor recht dat [appellant] gerechtigd is de steeg op zijn kosten te bestraten met stoeptegels en de steeg schoon te houden en te vegen;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het principaal appel draagt;

veroordeelt Natuurmonumenten c.s. in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 894,= voor salaris;

verklaart de in dit arrest neergelegde veroordelingen en machtiging uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, J.C. Toorman en C.C. Meijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2015.