Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:973

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
200.133.560/01
Formele relaties
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2012:BV9539
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Ex-samenlevers zonder samenlevingscontract.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2014/78

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civielrecht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.133.560/01

arrest van de meervoudige familiekamer van 1 april 2014

inzake

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

tevens GEÏNTIMEERDE in incidenteel appel

advocaat: mr. S. Scheimann te Rotterdam,

tegen:

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

tevens APPELLANT in incidenteel appel,

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam.

1 Het geding na verwijzing door de Hoge Raad

De partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

Bij arrest van 8 juni 2012 heeft de Hoge Raad onder zaaknummer 11/00723 het in deze zaak tussen de vrouw en de man gewezen arrest van het Gerechtshof 's‑Gravenhage van 2 november 2010 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof. Bij exploot van 3 juli 2013 heeft de vrouw de man opgeroepen om voort te procederen voor dit hof.

De vrouw heeft een memorie na verwijzing genomen, waarin zij naar haar eerdere processtukken heeft verwezen, een bewijsaanbod heeft gedaan en heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting zal veroordelen aan de vrouw te voldoen de somma van € 48.385,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2008 en met veroordeling van de man in de kosten van alle instanties, alsmede in de wettelijke rente over de kosten, voor zover deze niet door de man zullen zijn voldaan binnen veertien dagen na dagtekening van het onderhavige arrest, en daarbij het nasalaris van de advocaat zal begroten op € 131,-, te verhogen met € 68,- indien geïntimeerde niet binnen veertien dagen aan het arrest zal voldoen en betekening van het arrest plaatsvindt.

De man heeft een memorie van antwoord na verwijzing genomen. Hierin heeft hij een bewijsaanbod gedaan en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 27 februari 2014 doen bepleiten, de vrouw door haar hiervoor vermelde advocaat en de man door mr. P.N.M. de Gier, advocaat te Rotterdam, ieder aan de hand van pleitnotities, die aan het hof zijn overgelegd. Daarbij hebben partijen ieder nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

Het hof zal uitgaan van de feiten die de Hoge Raad in zijn arrest van 8 juni 2012 onder 3.1 heeft vermeld, die overeenstemmen met de feitenvaststelling door de rechtbank te Rotterdam in het bestreden vonnis van 22 oktober 2008, waarvan de juistheid tussen partijen niet in geschil is.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. Partijen hebben in de periode 29 januari 1992 tot 1 augustus 2005 een affectieve relatie gehad. Zij zijn [in] 1993 gaan samenwonen.

b. Op 8 juni 1996 hebben partijen de woning aan de [a] te [plaatsnaam] betrokken, welke woning in gemeenschappelijk eigendom aan hen toebehoort.

c. Uit de relatie van partijen zijn twee kinderen geboren, [in] respectievelijk […] 1996 en […] 2002.

d. De man heeft op 1 augustus 2005 de woning verlaten, waarna de vrouw met de kinderen in de woning heeft gewoond tot 3 april 2009.

e. Partijen hebben tijdens hun samenleving geen samenlevingscontract gesloten.

3.2.

In het bestreden vonnis van 22 oktober 2008 heeft de rechtbank – voor zover thans nog van belang – de vrouw veroordeeld aan de man te voldoen een bedrag van € 33.752,- uit hoofde van verrekening van door de man betaalde hypotheekrente en premie levensverzekering voor de woning.

3.3.

In het arrest van 2 november 2010 heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage geoordeeld dat de vordering van de man met betrekking tot de hypotheekrente en de premie levensverzekering in de periode vóór 1 september 2002 is verjaard en, met vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de vrouw aan de man € 33.752,- moet voldoen, de man veroordeeld aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 48.385,- te verminderen met zowel de helft van de door de man betaalde hypotheekrente als de helft van de door de man betaalde premie levensverzekering over de periode 1 september 2002 tot en met 1 april 2009.

3.4.

De Hoge Raad heeft op het cassatieberoep van de vrouw in zijn arrest van 7 december 2012 het arrest van het gerechtshof ‘s-Gravenhage op het onderdeel van de hypotheekrente en de premie levensverzekering vernietigd en overwogen dat na verwijzing opnieuw zal moeten worden bezien of en in welke mate, doch in ieder geval voor ten hoogste de helft, de vrouw voor de periode van 1 september 2002 tot en met 1 april 2009 dient bij te dragen in de hypotheekrente en de premie levensverzekering met betrekking tot de woning.

3.5.

De vrouw stelt dat zij in genoemde kosten niet hoeft bij te dragen. Zij beroept zich erop dat zowel de man als zijzelf zich heeft gedragen in overeenstemming met de tussen hen feitelijk gegroeide taakverdeling en de daarmee impliciet gemaakte afspraak over de interne draagplicht, inhoudende dat partijen naar rato van inkomen en vermogen zouden bijdragen aan de kosten van de huishouding, waartoe de betaling van de hypotheekrente is te rekenen en dat het nooit de bedoeling van partijen is geweest dat de vrouw later (alsnog) de helft van de hypotheekrente en de premies levensverzekering zou moeten terugbetalen aan de man. Bovendien geldt, aldus de vrouw, dat de gezamenlijke levensverzekering van partijen is afgekocht en derhalve beëindigd per 27 oktober 2003, zodat na deze datum geen premies meer verschuldigd waren. Van belang is voorts dat de man het uitgekeerde bedrag van de levensverzekering heeft opgevoerd als inbreng van zijn privé vermogen in de gezamenlijke woning van partijen, welke vordering van de man is gehonoreerd. Om die reden dient de man de premies van de verzekering alleen te dragen. Voor de periode na het uiteengaan van partijen beroept de vrouw zich op het bestaan van een natuurlijke verbintenis, op grond waarvan de man de helft van de door hem betaalde hypotheekrente voor de gezamenlijke woning en de premies levensverzekering niet kan terugvorderen. In haar memorie na verwijzing beroept de vrouw zich voorts op een mondelinge afspraak van partijen met betrekking tot die periode.

3.6.

De man weerspreekt het door de vrouw gestelde gemotiveerd.

3.7.

Ten aanzien van de premie levensverzekering overweegt het hof het volgende. Het hof ’s-Gravenhage heeft in zijn arrest van 2 november 2010 overwogen dat van de waarde van de woning van € 675.000,- na aftrek van de hypotheekschuld van € 345.000,- en de investering van privégelden door de man van € 233.230,- een overwaarde resteert van € 96.770,-, waarvan ieder van partijen recht heeft op de helft, € 48.385,-. Uit de brief van Delta Lloyd Levensverzekering N.V. van 17 november 2003 blijkt dat de levensverzekering per 27 oktober 2003 is afgekocht. De afkoopwaarde bedroeg € 18.041,-. In het door de man in het geding gebrachte “overzicht inbreng eigen geld [de man]” met een totaal bedrag van (afgerond) € 233.230,-, dat volledig door het hof ’s-Gravenhage in aanmerking is genomen, heeft de man het bedrag van € 18.041,- opgevoerd als inbreng eigen geld in de vorm van een extra aflossing op de hypotheek met betrekking tot de woning. Geconcludeerd moet derhalve worden dat de afkoopwaarde van de levensverzekering volledig aan de man ten goede is gekomen. Bij deze stand van zaken is er geen aanleiding om de vrouw te veroordelen tot betaling van de helft van de premie voor die verzekering. Al hetgeen hierna wordt overwogen heeft derhalve uitsluitend betrekking op de hypotheekrente. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

3.8.

Met betrekking tot de feitelijke gang van zaken vanaf 8 juni 1996, toen partijen de woning betrokken, tot 3 april 2009 stelt het hof het volgende vast.

Op het moment dat partijen de woning betrokken verdiende de vrouw ƒ 3.854,- bruto/ƒ 2500,- netto per maand. Kort daarna, na de geboorte van hun oudste kind [in] 1996, heeft de vrouw haar dienstverband teruggebracht tot twee dagen per week. Haar verdiensten bedroegen sindsdien ƒ 1.616,- bruto/ƒ 1.200,- netto per maand en vanaf 2002 (de invoering van de euro) € 747,- bruto/€ 703,- netto per maand. Ten tijde van de geboorte van het jongste kind [in] 2002 verdiende de vrouw € 869,- bruto/€ 812,- netto per maand. Naast voornoemde inkomens ontving zij van haar werkgever een klein bedrag aan rentevergoeding. De vrouw heeft na de geboorte van het jongste kind niet meer gewerkt, maar heeft dit inkomen behouden tot augustus 2003, waarna zij een WW-uitkering van rond € 400,- netto per vier weken ontving. Sinds 2007 heeft zij weer een dienstbetrekking, waarmee zij een inkomen genereert van ongeveer € 1.000 bruto per maand.

De man verdiende in 1996 in loondienst een inkomen van € 2.798,- netto per maand. Hij is op 1 augustus 1999 een eigen onderneming begonnen. Uit het door de man gemaakte “overzicht van de situatie van [de man] en [de vrouw]” (productie 2 bij de memorie van antwoord na verwijzing) blijkt dat in ieder geval vanaf 2003 maandelijks vanuit de onderneming € 3.000,- werd overgeboekt naar privé. Voorts blijkt uit de door de man in het geding gebrachte aangiften IB en (voor wat betreft 2004) jaarrekening van zijn onderneming, van inkomsten uit arbeid en winst uit onderneming in 1999 van ƒ 51.375,- en ƒ 32.050,-, en van winst uit onderneming in de daarop volgende jaren tot en met 2009 van ƒ 73.178,-, ƒ 78.351,-, ƒ 79.809,-, € 42.859,-, € 57.254,-, € 70.859,-, € 69.377,-, € 63.486,-, € 38.374,- en € 13.082,-.

Volgens het “overzicht van de situatie van [de man] en [de vrouw]” werd het inkomen van partijen op ieders privérekening gestort en waren de bestedingen van partijen als volgt. Totdat de vrouw in 1996 minder ging werken betaalde zij van haar inkomen ongeveer de helft van de boodschappen, diverse kosten en kleding alsmede de nota’s G.E.B. erfpacht en OZB, en betaalde de man de andere helft van de boodschappen, diverse kosten en kleding alsmede de hypotheekrente, premie levensverzekering en diverse verzekeringen. Ieder betaalde zijn eigen premie zorgverzekering. Na de geboorte van het oudste kind [in] 1996 betaalde de man alle lasten met uitzondering van de helft van de boodschappen en kleding, die de vrouw voldeed.

Uit de door de vrouw in het geding gebrachte bankafschriften van haar privérekening blijkt dat het inkomen van de vrouw volledig is uitgegeven aan kosten van de huishouding. De ontslagvergoeding en de uitkering spaarloonregeling die zij in juli respectievelijk augustus 2003 heeft ontvangen heeft zij overgemaakt naar de bankrekening van de man met nummer [1]. Laatstgenoemde rekening is op wens van de bank in verband met de incasso van de hypotheekrente in oktober 2003 omgezet in een en/of rekening, waarna de UWV-uitkering van de vrouw op deze rekening werd gestort. Van deze rekening deed de man uitgaven voor de kosten van de huishouding. Tevens werden van deze rekening bedragen overgemaakt naar de privérekening van de vrouw, waarvan zij uitgaven voor de kosten van de huishouding deed.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden oordeelt het hof als volgt.

De periode 1 september 2002 tot 1 augustus 2005

3.9.

Partijen hebben gedurende betrekkelijk lange tijd samengewoond. Vanaf de verwerving van de woning, kort voor de geboorte van het oudste kind, heeft de man meer bijgedragen aan de bestedingen dan de vrouw, die na de geboorte van het oudste respectievelijk het jongste kind telkens over minder inkomen beschikte dan voorheen. Hoewel het hof het niet onaannemelijk acht dat de man, zoals hij stelt, substantieel heeft bijgedragen aan de zorg voor de kinderen en de huishoudelijke taken, zal het zwaartepunt van de verzorgende en huishoudelijke taken steeds meer voor rekening van de vrouw zijn gekomen. De vrouw was daarvoor immers aanvankelijk gedurende drie werkdagen en later gedurende alle werkdagen overdag beschikbaar, in tegenstelling tot de man, die, ook al werkte hij thuis, voor zijn werk beschikbaar moest zijn. De vrouw heeft haar inkomen, dat aanzienlijk lager was dan dat van de man, volledig aangewend voor kosten van de huishouding en geen spaarrekening opgebouwd. Uitkeringen boven haar reguliere inkomen – de ontslagvergoeding en de uitkering uit haar spaarloonregeling – heeft zij grotendeels overgemaakt naar de bankrekening van de man. De man heeft de overige bestedingen voor zijn rekening genomen. Gedurende een reeks van jaren hebben partijen hun samenleving op deze wijze ingericht zonder dat de man, die – zo blijkt uit de door hem in het geding gebrachte stukken – nauwkeurig boekhouding deed van de inkomsten en uitgaven van partijen, op enig moment aan de vrouw kenbaar heeft gemaakt dat hij wenste dat de vrouw de helft van de door hem betaalde hypotheekrente en premie levensverzekering zou vergoeden. Dit leidt tot de conclusie dat partijen zich hebben gedragen in overeenstemming met stilzwijgend door hen gemaakte afspraken en de feitelijk tussen hen gegroeide taakverdeling, en dat een verrekeningsaanspraak van de man in dit verband stilzwijgend is uitgesloten. De man komt derhalve geen vordering toe tot vergoeding van door hem in deze periode betaalde hypotheekrente.

De periode 1 augustus 2005 tot 1 april 2009

3.10.

De vrouw stelt dat partijen per 1 augustus 2005, de datum waarop de man de woning heeft verlaten, mondeling hebben afgesproken dat de man een bijdrage voor de kinderen van € 540,- per kind per maand en een bijdrage voor de vrouw van € 420,- per maand aan de vrouw zou betalen, en de hypotheekrente zou blijven voldoen. De man heeft de in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 31 december 2005 betaalde bijdragen als onverschuldigd betaald teruggevorderd. In de daarop gevolgde procedure heeft de rechtbank Rotterdam in haar vonnis van 31 augustus 2011 overwogen dat de man de door de vrouw gestelde overeenkomst geheel onweersproken heeft gelaten, zodat deze overeenkomst is komen vast te staan. De man is van dit vonnis niet in hoger beroep gekomen, zodat sprake is van gezag van gewijsde. Onderdeel van de overeenkomst is dat de man per 1 augustus 2005 de volledige hypotheekrente zou voldoen, zodat de man geen betaling van de helft kan vorderen, aldus de vrouw.

Uit hetgeen de man hier tegenover aanvoert leidt het hof af dat de man weliswaar erkent dat hij in de periode 1 augustus 2005 tot en met 31 december 2005 de hypotheekrente zou moeten doorbetalen, maar dat dit naar zijn mening onverlet laat dat hij jegens de vrouw recht heeft op vergoeding van de helft daarvan. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.11.

Op het moment dat partijen uit elkaar gingen, 1 augustus 2005, had de vrouw op een WW-uitkering van € 431,- netto per vier weken na geen inkomen. De man heeft, zo blijkt uit zijn stellingen, mede daarin kennelijk aanleiding gezien de vrouw gedurende een korte periode daarna bedragen te doen toekomen teneinde haar in staat te stellen in haar levensonderhoud en dat van de kinderen te voorzien. Tevens heeft hij de maandelijkse betalingen van de hypotheekrente voortgezet zonder op enig moment aan de vrouw kenbaar te maken dat hij wenste dat de vrouw de helft aan hem zou vergoeden. Gelet op de wijze waarop partijen in het verleden hun samenleving hadden ingericht en het feit dat de man ook toen nimmer te kennen heeft gegeven dat hij verrekening wenste, moet geoordeeld worden dat sprake was van een stilzwijgende afspraak tussen partijen, inhoudende dat de door de man in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 31 december 2005 betaalde hypotheekrente niet tussen hen zou worden verrekend.

3.12.

Ten aanzien van de stelling van de vrouw dat de man na het einde van de samenwoning een dringende morele verplichting had jegens de vrouw en de kinderen om ervoor te zorgen dat zij ook in die periode een dak boven hun hoofd hadden en in hun eerste levensbehoeften werd voorzien, en op die grond geen aanspraak kan maken op vergoeding van de door hem betaalde hypotheekrente, overweegt het hof als volgt. Of sprake is van een natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld naar een objectieve maatstaf waarbij acht moet worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen. Ten aanzien van die omstandigheden stelt het hof het volgende vast.

Nadat de man de woning had verlaten is de vrouw met de kinderen in de woning gebleven. Niet in geschil is dat de vrouw woonruimte behoefde voor haarzelf en de kinderen, dat zij zich heeft ingeschreven bij een woningcorporatie, maar niet in aanmerking kwam voor een huurwoning. Gesteld noch gebleken is dat de man in die periode zelf in de woning wenste te wonen.

De vrouw ontving op het moment dat de man de woning verliet een WW-uitkering van € 431,- netto per vier weken. In de daaraan voorafgaande periode is haar inkomen volledig opgegaan aan de kosten van de huishouding en is het overgrote deel van de na de beëindiging van het dienstverband door haar werkgever verrichte betalingen naar de bankrekening van de man gegaan. Nadat zij een dienstbetrekking had gekregen bedroeg haar inkomen ongeveer € 1.000,- bruto per maand. Het inkomen van de vrouw in de periode tot 1 april 2009 was derhalve onder respectievelijk rond bijstandsniveau, terwijl zij niet over enig spaargeld beschikte. Niet betwist is dat de vrouw in die periode met behulp van familie en vrienden heeft moeten rondkomen. De man daarentegen beschikte over een ruim inkomen.

3.13.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden – mede bezien in het licht dat partijen zich gedurende de samenleving die kort daarvoor tot een einde was gekomen, hebben gedragen in overeenstemming met stilzwijgend door hen gemaakte afspraken onder meer inhoudende dat de door de man betaalde hypotheekrente voor de woning niet tussen hen zou worden verrekend – kan het voldoen van de hypotheekrente naar maatschappelijke opvattingen worden beschouwd als een prestatie die aan de vrouw toekomt op grond van een dringende morele verplichting van de man om te waarborgen dat de vrouw samen met de kinderen in de woning kon verblijven. De man heeft in de periode tot 3 april 2009 met de betaling van de (volledige) hypotheekrente derhalve voldaan aan een natuurlijke verbintenis. Terugvordering van de betaling van een natuurlijke verbintenis is uitgesloten. zodat de man ook over de periode tot 3 april 2009 geen vordering tot vergoeding van de helft van die hypotheekrente toekomt.

3.14.

Het hof passeert het bewijsaanbod van de man als niet ter zake dienend respectievelijk, gelet op de stand van de procedure, als onvoldoende geconcretiseerd.

3.15.

De grieven van de vrouw betrekking hebbend op de door de man betaalde hypotheekrente en premie levensverzekering voor de woning slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover daarbij de vrouw is veroordeeld aan de man te voldoen een bedrag van € 33.752,- uit hoofde van verrekening. Het hof zal de vordering van de man tot vergoeding van de helft van de door hem betaalde hypotheekrente en premie levensverzekering afwijzen en de man veroordelen aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 48.385,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verdeling, 22 oktober 2008.

3.16.

Gelet op de affectieve relatie van partijen in het verleden zal het hof bepalen dat de kosten van het geding in hoger beroep worden gecompenseerd als na te melden.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 oktober 2008 onder nummer 2868781 HA ZA 07-1613, voor zover daarbij de vrouw is veroordeeld aan de man te voldoen een bedrag van € 33.752,- uit hoofde van verrekening,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 48.385,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2008;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. van den Bergh, G.J. Driessen-Poortvliet en C.G. Kleene-Eijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 april 2014.