Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:914

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2014
Datum publicatie
28-03-2014
Zaaknummer
23-005454-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak in Piranha-onderzoek. Verdachte is, na verwijzing door de Hoge Raad, veroordeeld voor het deelnemen aan een criminele organisatie en het voorhanden hebben van wapens beide met een terroristisch oogmerk. Beroep op psychische overmacht verworpen. Het hof houdt bij de strafoplegging onder meer rekening met het feit dat verdachte en zijn echtgenote zijn geplaatst in een getuigenbeschermingsprogramma

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005454-11

datum uitspraak: 25 maart 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 6 december 2011 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2008 in de strafzaak onder parketnummer 10-600112-05 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

[plaats].

Procesgang

De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte voor het onder 1A, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft in hoger beroep bij arrest van 11 november 2009 het vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende de verdachte voor het onder 1A en 1B, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdvier dagen met aftrek van de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft voorts het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 6 december 2011 het arrest van het gerechtshof

’s-Gravenhage vernietigd, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam verwezen teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 18, 20, 21, 26 en 28 februari 2008 en 11 maart 2008 en, na verwijzing op de terechtzittingen van dit hof van 21 september 2012, 18, 19, 25, 26 en 27 februari 2014 en 11 maart 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van het openbaar ministerie en van hetgeen door de verdachte en de verdediging naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

onder 1A

hij in of omstreeks de periode van 11 november 2004 tot en met 14 oktober 2005

te 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of Almere en/of Amersfoort en/of elders in Nederland en/of Brussel en/of elders in België,

heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door hem, verdachte, en/of [N.F.] en/of [S.S.] en/of [H.S. 1] en/of[J.W.] en/of [S.A.] en/of [M.C.] en/of[M.H.] en/of[B.H.] en/of [A.B.] en/of een of meer anderen

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 Wetboek van Strafrecht, te weten (onder meer):

- doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

* voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

* de samenspanning tot het in artikel 288a Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 289a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

* het verrichten van één of meer handelingen met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld en omschreven in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

- moord (zoals bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

* voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

* de samenspanning tot het in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

* het verrichten van één of meer handelingen met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld en omschreven in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld en omschreven in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht),

* voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

* de samenspanning tot het in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176b van het Wetboek van Strafrecht), en/of

* het verrichten van één of meer handelingen met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld en omschreven in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

- bedreiging met een terroristisch misdrijf (zoals bedoeld in artikel 285 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- het voorhanden hebben van en/of overdragen en/of doen binnenkomen en/of doen uitgaan van één of meer wapens van de categorieën I en/of II en/of III en/of van munitie van categorieën II en/of III, (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 5 van de Wet Wapens en Munitie), en/of

* voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht);

en/of

onder 1B

hij in of omstreeks de periode van 11 november 2004 tot en met 14 oktober 2005

te 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of Almere en/of Amersfoort en/of elders in Nederland en/of Brussel en/of elders in België,

heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door hem, verdachte, en/of [N.F.] en/of [S.S.] en/of [H.S. 1] en/of[J.W.] en/of [S.A.] en/of [M.C.] en/of[M.H.] en/of[B.H.] en/of [A.B.] en/of een of meer anderen

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (onder meer):

- het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander van het leven te beroven (zoals bedoeld in artikel 287 en/of artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

* voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

* voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- het zonder toestemming van de Koning(in) iemand voor gewapende strijd werven (zoals bedoeld in artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- bedreiging met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht (zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), zulks al dan niet schriftelijk en onder (een) bepaalde voorwaarde(n) (zoals bedoeld in artikel 285 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- het in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruien (zoals bedoeld in art 131 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- het verspreiden, openlijk tentoonstellen of aanslaan of het, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad hebben van één of meer geschrift(en) of afbeelding(en) waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid (zoals bedoeld in art 132 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- het voorhanden hebben van en/of overdragen en/of doen binnenkomen en/of doen uitgaan van één of meer wapens van de categorieën I en/of II en/of III en/of van munitie van categorieën II en/of III (zoals bedoeld in de artikelen 13 en/of 14 en/of 26 en/of 31 van de Wet Wapens en Munitie), en/of

- valsheid in geschrifte, al dan niet met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 225 en/of 231 van het Wetboek van Strafrecht);

onder 2

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van april 2005 tot en met 14 oktober 2005 te 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of Almere en/of Amersfoort en/of elders in Nederland en/of Brussel en/of elders in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om

- één of meer moord(en) en/of doodslag(en), zulks (telkens) te begaan met een terroristisch oogmerk, te plegen op één of meer politici uit Nederland (te weten de heren Weisglas en/of Van der Vlies en/of Marijnissen en/of Dittrich en/of Remkes en/of Van Aartsen en/of Wilders en/of Zalm en/of Balkenende en/of de dames Griffith en/of Hirsi Ali, althans één of meer (andere) politici en/of één of meer medewerkers van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst) en/of

- het opzettelijk teweegbrengen van één of meer ontploffingen in of bij het gebouw van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst te Leidschendam, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen te duchten is, zulks (telkens) te begaan met een terroristisch oogmerk,

voor te bereiden en/of te bevorderen:

- een ander of anderen heeft getracht te bewegen om één of meer van die misdrijven te plegen, te doen plegen of mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van één of meer van die misdrijven aan zich of anderen heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen voorhanden heeft (gehad) waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van één of meer van die misdrijven en/of

- plannen voor de uitvoering van één of meer van die misdrijven, welke bestemd waren om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad,

immers hebben/heeft verdachte en/of haar mededader(s) (meermalen):

- getracht (automatische) vuurwapens en/of explosieven te verkrijgen en/of daartoe een afspraak gemaakt met een potentiële leverancier en/of

- één of meer (automatische) vuurwapens in hun bezit gehad (te weten een AGRAM 2000 met bijbehorende munitie, een geluiddemper, een (op een) CZ, type Vz-61 Scorpion (gelijkend voorwerp) en/of een (op een) revolver (gelijkend voorwerp)) en/of

- één of meer van voormelde (automatische) vuurwapens vervoerd (onder meer naar België) en/of

- met een vuurwapen (in het openbaar/in een bos) geschoten, kennelijk ter oefening van het gebruik ervan en/of

- één of meer gasmaskers in hun/zijn bezit gehad en/of

- meerdere bivakmutsen in hun/zijn bezit gehad en/of

- één of meer computer(s) en/of CD-rom(s) en/of USB-stick(s)/MP3-speler(s) voorhanden gehad met daarop één of meer bestanden, bevattende diverse handboeken en/of instructies voor het maken en/of gebruiken van wapens en/of explosieven (waaronder een zogenaamde bomgordel en instructies voor het ombouwen van een mobiele telefoon tot afstandsbediening) en/of giffen en/of instructies met betrekking tot (militaire) training en/of gevechtstechnieken en/of overlevingstechnieken en/of de werkwijze van politie en veiligheidsdiensten (Bouwstenen van naties.doc (onder meer bevattende het document: "Hoe kan ik mijzelf ontwikkelen voor de Jihad"), (in een map/folder genaamd: i3dad:) 0475-1.ram en 19.zip/thacom_an_booad.doc, The Mujahideen poisons handbook en/of The Mujahideen explosives handbook, veiligheid.doc) en/of

- op één of meerdere momenten (afgeschermde) bijeenkomsten gehouden en/of overleg gevoerd en/of

- op afgeschermde wijze met elkaar gecommuniceerd via internet en/of e-mail (onder meer via één of meer speciaal daarvoor aangemaakte e-mail accounts) en/of via de telefoon en/of

- een persoon genaamd [M.R.] gevraagd om mee te doen aan een zelfmoordaanslag op het gebouw van de AIVD, althans op een Nederlandse veiligheidsdienst en/of

- een telefoongesprek gevoerd met een medewerkster van een apotheek waarin wordt gevraagd welke mensen die in de Tweede Kamer werken in die apotheek komen en wat hun adressen zijn (van onder meer de heren Remkes en Van Aartsen en (vermoedelijk) mevrouw Hirsi Ali) (gesprek tussen [S.S.] en haar zus [[...]]) en/of

- een lijst gemaakt en/of geprint en/of voorhanden gehad met namen en/of adressen van politici (van onder meer de heren Zalm, Balkenende en Wilders en de dames Hirsi Ali en Griffith) en/of

- een briefje gemaakt en/of voorhanden gehad met daarop (gecodeerd) de namen en adressen van politici (te weten van de heren Weisglas, Van der Vlies, Marijnissen en Dittrich) en/of

- een afscheidsboodschap (een zogenaamd zelfmoordtestament) opgenomen/gemaakt en/of in het bezit gehad met als kennelijke doel deze boodschap openbaar te (laten) maken na de uitvoering van voornoemd(e) misdrij(f)(ven), onder meer inhoudende een filmopname van [S.A.] met op de achtergrond een (op een) automatisch vuurwapen (gelijkend voorwerp), waarbij [S.A.] onder meer de volgende (Arabische) teksten uitspreekt: "Ik verricht deze daad uit vrees voor de straf van God de verhevene" en/of "Wij moeten ons vandaag voorbereiden om te sterven" en/of "Toen ik deze daad verrichtte, deed ik dat en had de overtuiging dat ik de juiste "Manhaj" volgde" en/of "mijn boodschap aan de regering: Het is de boodschap van onze profeet 0 Toen hij zei: "ik heb jullie de slachting gebracht". Sheikh Osama Bin laden, moge Allah hem behoeden, heeft jullie regelmatig en veelvuldig gewaarschuwd. Sheikh de Moejahid Ayman Al Zawahiri heeft jullie ook regelmatig en veelvuldig gewaarschuwd. En onze geliefde sheikh Aboe Moesaab Al Zarqawi heeft jullie wel eens gewaarschuwd maar jullie hebben steeds onrecht aangericht, jullie kruisvaarders, die Bush steunden toen hij zijn bekende woord heeft uitgesproken: "Laat de kruistochten beginnen". Ik zeg jullie dat er tussen ons en jullie alleen de taal van het zwaard is tot jullie de moslims met rust laten en de weg van de vrede kiezen." en/of "Ten aanzien van het Nederlandse volk () Jullie worden als strijders beschouwd omdat jullie deze regering hebben gekozen. Jullie vermogens en bloed zijn voor ons geoorloofd. Wij zullen hier jullie bloed verspillen zoals jullie het bloed van de moslimse burgers in Irak hebben verspild." en/of "Wij hebben Allah en zijn gezant trouw gezworen om dood te gaan. Wij zullen jullie, voor zeker, de afschuwelijkheden van de holocaust laten vergeten" en/of waarbij aan het einde van deze opname een tweede stem roept: "De martelaar heeft gezegevierd en de helden hebben gezegevierd.";

onder 3

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 11 november 2004 tot en met 14 oktober 2005 te

's Gravenhage en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk CZ, model 61, kaliber 7,65 mm, en/of munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, te weten 322 patronen, kaliber 7,65 mm, voorhanden heeft gehad,

terwijl het feit al dan niet is begaan met een terroristisch oogmerk (als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht) dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf (als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

onder 4

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 11 november 2004 tot en met 14 oktober 2005 te

's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, in de vorm van een revolver, merk Smith & Wesson, model 637, kaliber .38, en/of munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, te weten 5 patronen, kaliber .38, voorhanden heeft gehad,

terwijl het feit al dan niet is begaan met een terroristisch oogmerk (als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht) dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf (als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

onder 5

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in de periode van 11 november 2004 tot en met 22 juni 2005 te

's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk Agram 2000, kaliber 9 mm, en/of munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III onder 1, te weten een aantal patronen (in twee, althans een, patroonhouder(s)) en/of munitie van categorie III, te weten 40 patronen, kaliber 9 mm, en/of

een geluidsdemper (gelet op artikel 3 WWM), voorhanden heeft gehad,

terwijl het feit al dan niet is begaan met een terroristisch oogmerk (als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht) dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf (als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht) voor ter bereiden en/of gemakkelijk te maken.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Inleiding

In het Piranha-onderzoek spelen onder meer de volgende personen een rol, te weten [S.A.], [verdachte], [M.C.], [N.F.], [M.H.], [S.S.] en [H.S. 1]. Voor de leesbaarheid zal het hof de verdachten zoveel mogelijk aanduiden met hun achternaam.

Ter bevordering van de leesbaarheid is hier een lijst van veel gebruikte afkortingen opgenomen.

Sr Wetboek van Strafrecht

Sv Wetboek van Strafvordering

AIVD Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

CIE Criminele inlichtingen eenheid

EVRM Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

WIV Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Vrijspraak

Voorbereidingshandelingen voor een terroristische aanslag (onder 2)

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de bij de gedachtestreepjes 1, 5, 6, 9, 10, 11, 13 en 14 genoemde handelingen en tot bewezenverklaring van het overigens onder 2 aan de verdachte tenlastegelegde.

Daartoe is - zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

Uit de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte meermalen in het bezit is geweest van wapens, dat hij deze onder meer naar België heeft vervoerd en dat hij met de Agram 2000 heeft geschoten. Daarnaast had hij wetenschap van de lijst met namen en adressen van politici. Immers, hij heeft voornoemde lijst in opdracht van [S.A.] naar [N.F.] gebracht en dacht daarbij - naar eigen zeggen - op dat moment dat die politici dood moesten, omdat er al wapens in de groep aanwezig waren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging van de verdachte heeft de hand van de in de pleitnotities (op pagina 24 en 25) gevoerde verweren, vrijspraak van de verdachte bepleit.

Kort samengevat heeft de verdediging aangevoerd dat ter zake van het op dit punt ten laste gelegde is vereist dat de verdachte het oogmerk, in de zin van onvoorwaardelijk opzet, had om een terroristisch misdrijf te plegen. Evenals hiervoor is bepleit ten aanzien van het onder 1A en 1B tenlastegelegde, geldt ook hier dat uit de stukken in het dossier niet blijkt dat de verdachte bij wat hij deed het oogmerk had op het - samen met anderen - voorbereiden van aanslagen op politici. Ook wanneer ten aanzien van [verdachte] wordt aangenomen dat hij op bepaalde onderdelen met anderen heeft samengewerkt ontbreekt bij hem het oogmerk om aanslagen op politici voor te bereiden door middel van die handelingen. Daarnaast kan op grond van de stukken niet worden aangenomen dat de verdachte bepaalde tenlastegelegde voorbereidingshandelingen heeft medegepleegd, terwijl hij van andere handelingen in het geheel geen weet had (de aanwezigheid van gasmaskers en het vervaardigen van de afscheidsboodschap van [S.A.]). Ten slotte is niet duidelijk wat het verband is tussen de in de tenlastelegging genoemde voorbereidingshandelingen (bijvoorbeeld het vervoeren van de wapens van en naar België) en een uiteindelijk te plegen aanslag.

Overwegingen en oordeel van het hof

Om te komen tot een bewezenverklaring van het als feit 2 tenlastegelegde dient komen vast te staan dat de verdachte het oogmerk had om met anderen - kort samengevat - een aanslag te plegen op Nederlandse politici en/of medewerkers van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) dan wel een aanslag te plegen op het gebouw van de AIVD en daartoe voorbereidingshandelingen heeft gepleegd.

Het hof is van oordeel dat uit het dossier en de daarin zich bevindende bewijsmiddelen weliswaar kan worden afgeleid dat de verdachte met [N.F.] en [S.A.] heeft samengewerkt in de zin van het verlenen van hand- en spandiensten, maar dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daarbij voor ogen stond dat een aanslag zou worden gepleegd. Uit niets kan worden afgeleid dat de verdachte het oogmerk had zoals onder feit 2 is ten laste gelegd.

Het hof komt dan ook tot een vrijspraak voor het als feit 2 tenlastegelegde.

Gelet op deze beslissing tot vrijspraak van de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde, behoeven de overige door de verdediging gevoerde verweren geen bespreking, nu daarbij geen belang meer is.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A en 1B, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

onder 1A

hij in de periode van 1 april 2005 tot en met 29 juni 2005 in Nederland en in België,

heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door hem, verdachte, en [N.F.] en [S.S.] en [S.A.] en [M.C.] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 Wetboek van Strafrecht, te weten (onder meer):

- moord (zoals bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een

terroristisch oogmerk, en/of

* het verrichten van één of meer handelingen met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld en omschreven in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

- het voorhanden hebben van en/of overdragen en/of doen binnenkomen en/of doen uitgaan van één of meer wapens van de categorieën I en/of II en/of III en/of van munitie van categorieën II en/of III, (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 5 van de Wet Wapens en Munitie),

en

onder 1B

hij in de periode van 1 april 2005 tot en met 29 juni 2005 in Nederland en in België,

heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door hem, verdachte, en [N.F.] en [S.S.] en [S.A.] en [M.C.] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (onder meer):

- het opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven te beroven en

- het voorhanden hebben van en/of overdragen en/of doen binnenkomen en/of doen uitgaan van wapens van de categorieën II en/of III en van munitie van categorieën II en/of III;

onder 3

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2005 tot en met 29 juni 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk CZ, model 61, kaliber 7,65 mm, en munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf (als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

onder 4

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2005 tot en met 29 juni 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, in de vorm van een revolver, merk Smith & Wesson, model 637, kaliber .38, en munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf (als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

onder 5

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2005 tot en met 22 juni 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk Agram 2000, kaliber 9 mm, en munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III onder 1, en een geluidsdemper voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf (als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere overweging omtrent de bewezenverklaring

Deelneming aan een (terroristische) criminele organisatie (onder 1A en 1B)

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1A en 1B aan de verdachte tenlastegelegde.

Daartoe is - zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

Uit de verklaringen van (mede)verdachten en getuigen en de bevindingen uit het beslag blijkt dat bij de verdachten in hun onderlinge contacten alleen de extreme en gepolitiseerde opvattingen over Tawheed en Takfir aan de orde kwamen en dat deze geloofsopvattingen het verbindende element binnen de groep vormden. Deze geloofsopvattingen houden - kort gezegd - in dat de Islam niet verenigbaar is met een democratie en dat het de plicht is van iedere moslim om onze democratie gewapenderhand omver te werpen. [S.A.], [N.F.] en [M.C.] vormden de kern van de groep. Binnen de groep had een ieder zijn plaats op een wijze die eigen is aan terroristische organisaties: zij vonden elkaar in voornoemde radicaal-politieke geloofsopvattingen. Hoewel een ieder verder zijn eigen gang ging, bleef het onderlinge contact hecht en frequent. Zij ontmoetten elkaar regelmatig en er werd ook met anderen over hun geloofsopvattingen gesproken. [S.S.], [verdachte] en [H.S. 1] kunnen door hun onderlinge contacten en hun betrokkenheid bij voornoemde gezamenlijke geloofsopvattingen en de concrete strafbare feiten ook tot deze organisatie worden gerekend. De groep heeft zich niet alleen bezig gehouden met het bespreken en (in ieder geval door de kernleden) uitdragen van voornoemde geloofsopvattingen, ook hebben zij strafrechtelijk relevante handelingen verricht om die geloofsopvattingen te verwezenlijken. Er werden wapens aangeschaft, bekeken, verstopt en vervoerd en er werden voorbereidingen getroffen om Nederlandse politici te vermoorden. Aldus kan bewezen worden verklaard dat de organisatie het oogmerk had op het plegen van misdrijven, te weten moord, doodslag en in- en uitvoer van vuurwapens alsmede het bezit daarvan. Het feit dat deze organisatie tot doel had om, vanuit voornoemde radicaal-politieke geloofsopvatting over de Islam, angst te zaaien en politieke, constitutionele, economische of sociale structuren in Nederland te ontwrichten, maakt haar oogmerk tot een terroristisch oogmerk.

De verdachte heeft deelgenomen aan deze terroristische organisatie door het verlenen van hand- en spandiensten, zoals het reizen naar Brussel en het aldaar huren van een onderduikadres. Hij was betrokken bij de feitelijke organisatie van een reis naar dit adres in Brussel, welke reis mede bedoeld was om nieuwe leden voor de groep te rekruteren. Daarnaast heeft hij wapens voor de groep vervoerd en met een vuurwapen geschoten, kennelijk ter oefening van het gebruik daarvan. Daarnaast heeft de verdachte nog diverse andere ondersteunende handelingen verricht, zoals het bezorgen van een lijst met namen en adressen van politici, die aan hem door [S.A.] was overhandigd, bij [N.F.].

Standpunt van de verdediging

De verdediging van de verdachte heeft aan de hand van de in de pleitnotities (op pagina 12 tot en met 24) gevoerde verweren, vrijspraak van de verdachte bepleit ten aanzien van deelname aan een terroristische organisatie. Hoogstens kan worden gezegd dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het voorhanden hebben van vuurwapens.

Kort samengevat heeft de verdediging aangevoerd dat weliswaar sprake was van een organisatie, maar dat men zich kan afvragen of die organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven. Hoewel geenszins ondenkbaar is dat [S.A.] en [N.F.] het besluit om daadwerkelijk aanslagen te gaan plegen al hadden genomen, kan zulks uit de stukken in het dossier niet buiten elke redelijke twijfel worden vastgesteld. Er lijkt, aldus de verdediging, onvoldoende bewijs te zijn dat [S.A.] en [N.F.] (samen met anderen) een organisatie hebben gevormd die het plan had opgevat om daadwerkelijk terreurdaden te plegen. Voorts is voor het bewijs voor deelneming aan een terroristische organisatie vereist dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de mensen met wie hij samenwerkte het begaan van terroristische misdrijven beoogden. Niet kan worden volgehouden dat de verdachte die wetenschap had toen hij [N.F.] thuis ontving, een woning voor [N.F.] en [S.S.] in België huurde, wapens vervoerde, op een boom schoot dan wel toen hij van [S.A.] een briefje naar [N.F.] moest brengen. Weliswaar kreeg de verdachte met name door dat briefje, waarop namen van politici stonden, het gevoel dat het mis was, van de wetenschap dat [S.A.] en [N.F.] daadwerkelijk wat van plan waren was geen sprake. Bij [verdachte] was geen oogmerk aanwezig op het voorbereiden of bevorderen van terroristische misdrijven door [N.F.] en anderen, omdat bij hem de wetenschap ontbrak dat zij het plegen van degelijke misdrijven daadwerkelijk op het oog hadden.

Mocht het hof uit het kennisnemen door [verdachte] van de namen van politici op voornoemd briefje toch afleiden dat bij hem de vereiste wetenschap is ontstaan omtrent het plan om daadwerkelijk tot aanslagen over te gaan, dan dient te worden opgemerkt dat die wetenschap er in ieder geval vóór het kennisnemen van de namen op die lijst niet was. Daarbij geldt dat [verdachte] omtrent de concrete bedoelingen van onder meer het uitslaan van radicale taal, het tonen van filmpjes en het voorhanden hebben van wapens in het duister tastte. Hij was meer bezig met de kans op een aanslag op hemzelf, als afvallige. In ieder geval is bij deze eventuele deelneming sprake van een zeer korte periode.

Met betrekking tot het onder 1A tenlastegelegde wordt nog opgemerkt dat:

- onder 1A, 1e, 2e en 3e gedachtenstreepje telkens bullet point 1 en 2 en het 5e gedachtenstreepje bullet point 1 is ten laste gelegd het voorbereiden van misdrijven respectievelijk de samenspanning tot het plegen van misdrijven. Het is niet goed denkbaar dat het oogmerk van een organisatie alleen hierop zou zijn gericht.

- onder 1A, 4e gedachtenstreepje is tenlastegelegd dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het bedreigen met een terroristisch misdrijf. Onduidelijk is hoe dit dient te worden begrepen.

- onder 1A, 5e gedachtenstreepje is ten laste gelegd dat het oogmerk van de organisatie was gericht op het voorhanden hebben van wapens met terroristisch oogmerk dan wel om een terroristisch oogmerk voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken. Ten eerste geldt dat met het enkele voorhanden hebben van vuurwapens het terroristisch oogmerk van [N.F.] en de anderen nog niet is gegeven. Voorts geldt dat indien met de zinsnede ‘dan wel om een terroristisch oogmerk voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken’ op andere misdrijven wordt gedoeld dan het plegen van aanslagen de tenlastelegging onduidelijk is en op dat punt nietig dient te worden verklaard. Mocht hier wel worden gedoeld op het plegen van aanslagen dan geldt dat niet kan worden bewezen dat het oogmerk van de verdachte gericht was op het plegen van aanslagen en dat hij met dat doel relevante deelnemingshandelingen heeft gepleegd.

Voorts rijst de vraag of sprake was van deelneming aan een ‘gewone’ criminele organisatie. In dat verband geldt dat niet kan worden bewezen dat het oogmerk van de organisatie gericht was op de onder 1B onder het 1e, 2e, 3e, 4e, 5e, 6e en 8e gedachtenstreepje de tenlastegelegde misdrijven. In elk geval had de verdachte daarvan geen wetenschap en heeft hij te dien aanzien geen handelingen verricht die deze doelen hebben ondersteund of daar rechtstreeks verband mee houden. Met betrekking tot het 7e gedachtenstreepje - het voorhanden hebben van vuurwapens - is ten aanzien van [verdachte] wellicht een bewezenverklaring mogelijk.

Overwegingen en oordeel van het hof

Op grond van de feiten en omstandigheden zoals die zijn opgenomen in de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat in het onderhavige geval sprake was van een organisatie en dat die organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Daarbij was het oogmerk van deze organisatie, naar het oordeel van het hof, - kort gezegd - gericht op het met terroristisch oogmerk plegen van moord en het voorhanden hebben van wapens. De gerichtheid van de organisatie op het plegen van moord en het voorhanden hebben van wapens, beide met een terroristisch oogmerk, leidt het hof onder meer af uit het feit dat met name door [N.F.] en [S.A.] (die belangrijke leden waren binnen de groep) een radicale geloofsopvatting - waarin ongelovigen mochten worden gedood - werd aangehangen, dat de groep beschikte over vuurwapens, dat binnen de groep een lijst met namen van Nederlandse politici werd overgedragen, dat een instructiefilm voor het maken van bomgordel voorhanden was en dat een film met een onthoofding in het bezit was van [S.A.].

De vraag is of de verdachte heeft deelgenomen aan deze organisatie. Voor deelneming is vereist dat de betrokkene concrete handelingen heeft verricht in het kader van de organisatie en voorts in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Voorwaardelijk opzet op wetenschap van het oogmerk is daarbij niet voldoende.

De verdachte wist naar het oordeel van het hof dat de organisatie was gericht op het plegen van terroristische misdrijven. Deze wetenschap kan worden afgeleid uit diverse verklaringen die door de verdachte zijn afgelegd, inhoudende dat:

- [N.F.] hem een instructiefilm heeft getoond over het vervaardigen van een bomgordel.

- [S.A.] en [N.F.] hem hebben geconfronteerd met hun opvatting over het geloof, inhoudende dat

absolute gehoorzaamheid aan Allah en de Koran vooropstaat en waarin elke daarvan afwijkende staatsinrichting, gezagsvorm, leefwijze of gedraging wordt afgewezen en als vijandig wordt beschouwd en waarbij ongelovigen - als zij zich niet bekeren - mogen worden gedood.

- De verdachte contacten heeft onderhouden met [N.F.] en [S.A.] en hen ook ontvangen in zijn woning waarna een vuurwapen (een baby uzi) werd bekeken en door [S.A.] werd gedemonstreerd hoe deze moest worden schoongemaakt.

- [S.A.] de verdachte een cd-rom heeft gegeven met daarop onder andere een film waarop een man werd onthoofd. [S.A.] maakte duidelijk aan de verdachte dat dit het lot van ongelovigen was.

- De verdachte vuurwapens en dozen met munitie heeft gezien in de woning in Brussel, die op initiatief van [N.F.] door de verdachte en [H.S. 1] was gehuurd.

- De verdachte een stencil met daarop namen van bekende Nederlandse politici van [S.A.] naar [N.F.] heeft overgebracht.

Ten aanzien van de deelneming van de verdachte aan de bedoelde criminele organisatie stelt het hof vast dat de verdachte de navolgende handelingen heeft verricht.

- De verdachte heeft op zijn naam en die van [H.S. 1] een woning in Brussel (België) gehuurd ten behoeve van [N.F.] en [S.S.].

- De verdachte is betrokken geweest bij het vervoeren van vuurwapens van en naar België waarbij gebruik werd gemaakt van de auto van hem en [H.S. 1].

- De verdachte heeft samen met [H.S. 1] meermalen [N.F.] en [S.S.] heen en weer naar Brussel gereden.

- De verdachte heeft een stencil met namen van bekende Nederlandse politici van [N.F.] naar [S.A.] overgebracht.

- De verdachte heeft deelgenomen aan een ‘schietoefening’ met een automatisch vuurwapen, een zogenaamde Agram 2000, in een bos bij Amsterdam, waarbij de verdachte ook zelf met het vuurwapen heeft geschoten.

Samenvattend komt het hof, anders dan door de verdediging is betoogd, tot het oordeel dat de verdachte wist dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van misdrijven met terroristisch oogmerk plegen van moord en het voorhanden hebben van wapens en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen.

Het voorhanden hebben van vuurwapens en/of munitie (onder 3, 4 en 5)

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3, 4 en 5 aan de verdachte tenlastegelegde. Daartoe is - zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

De verdachte heeft verklaard dat hij op meerdere momenten vuurwapens heeft gezien en dat hij met de Agram 2000 heeft geschoten in een bos in Amsterdam. Hij wist dat er op meerdere reizen naar en van Brussel vuurwapens werden meegenomen en ook in Brussel heeft hij één of meer vuurwapens gezien. In navolging van het gerechtshof Den Haag kan aldus een bewezenverklaring volgen voor deze feiten, telkens onder de strafverzwarende omstandigheid dat die feiten zijn begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken als bedoeld in artikel 55 van de Wet wapens en munitie, waarbij dient te worden geoordeeld dat sprake is van een eendaadse samenloop in relatie tot het onder 2 tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De verdediging van de verdachte heeft aan de hand van de in de pleitnotities (op pagina 25, 26 en 27) gevoerde verweren, vrijspraak van de verdachte bepleit.

Kort samengevat heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] vuurwapens en/of munitie voorhanden heeft gehad met een terroristisch oogmerk dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf te bevorderen en/of gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van het ‘kale’ voorhanden hebben geldt dat [verdachte] onvoldoende handelings- en beschikkingsmacht over de vuurwapens heeft gehad. De wapens zijn steeds onder de controle gebleven van [N.F.], [M.C.] en [S.A.]. De verdachte had de wil noch de vrijheid om iets met de wapens te doen. Bij dit alles overheerst te zeer het onvrijwillige element en was het in handen hebben van het wapen ook steeds te kort en incidenteel. Bij het vervoeren van de wapens in de auto had de verdachte daarover geen beschikkingsmacht. Dat gold ook voor de aanwezigheid van de wapens in de woning in Brussel. De wapens bleven steeds onder de feitelijke controle van [N.F.] en [S.S.].

Overwegingen en oordeel van het hof

Vooropgesteld wordt dat het bestanddeel ‘voorhanden hebben’ dient te worden gezien als een neutraal begrip, geabstraheerd van een eventuele psychische overmacht. Of en zo ja, in hoeverre daarvan sprake was, zal het hof later onder het kopje ‘strafbaarheid van de verdachte’ bespreken.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte de verschillende wapens voorhanden heeft gehad en in het geval van de Agram 2000 (feit 5) dat hij daarmee heeft geschoten. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het schieten met het wapen een zekere beschikkingsmacht over dat wapen met zich brengt en daarmee het voorhanden hebben is gegeven. Ook ten aanzien van de overige vuurwapens is sprake van beschikkingsmacht en daarmee van voorhanden hebben. Dat de verdachte de wapens wellicht soms slechts kort in handen heeft gehad doet daar niet aan af.

Het hof is van oordeel dat het onder feit 3, 4 en 5 tenlastegelegde voorhanden hebben van verschillende vuurwapens met bijbehorende munitie kan worden bewezen op grond van de eigen verklaringen van de verdachte in combinatie met de overige bevindingen, een en ander zoals in de bewijsmiddelen is opgenomen. Dat een en ander door de verdachte is gepleegd met een terroristische oogmerk volgt reeds uit het feit dat de wapens voorhanden waren in het kader van een criminele organisatie met een terroristisch oogmerk waaraan de verdachte heeft deelgenomen.

Voorwaardelijke verzoeken

De verdediging heeft het hof verzocht het onderzoek te heropenen met het oog op het horen van

getuigen, indien 1) de door [M.R.] afgelegde verklaringen, 2) de (naar het hof begrijpt:) ambtsberichten van de AIVD dan wel 3) de verklaringen van de medeverdachten, zoals [M.C.], [S.A.], [M.H.], [N.F.], [B.H.], [I.A.], [T.] dan wel de op hun verzoek gehoorde getuigen, onder wie [A.A.] en [A.M.], voor het bewijs zullen worden gebezigd.

In dat geval wenst de verdediging de desbetreffende getuigen alsnog te ondervragen met het oog op de door hen afgegeven verklaringen, doch alleen voor zover deze getuigen nog niet zijn gehoord.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof bezigt de verklaringen van [M.R.] en de ambtsberichten van de AIVD niet voor het bewijs, hetgeen betekent dat het hof niet toekomt aan beoordeling van en beslissing op de door de verdediging dienaangaande gedane voorwaardelijke verzoeken.

Wel heeft het hof de verklaring van [N.F.] voor het bewijs gebezigd, zodat de op dit punt door de verdediging gestelde voorwaarde is vervuld. Het hof overweegt dienaangaande evenwel dat voornoemde verklaring, waarin melding wordt gemaakt van het schieten met een Agram 2000 in een bos in Amsterdam niet op zichzelf staat, maar steun vindt in verklaringen van [H.S. 1] en de verdachte zelf. Daar komt bij dat het verzoek tot het horen van [N.F.] niet (nader) is gemotiveerd. Het hof acht het horen van de verzochte getuige op grond van het voorgaande dan ook niet noodzakelijk en wijst het verzoek af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1A bewezen verklaarde heeft te gelden als een gekwalificeerde logische specialis van het onder 1B ten laste gelegde.

Het onder 1A en 1B bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven

Het onder 3 en 5 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en van

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

telkens begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en of gemakkelijk maken

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

telkens begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en of gemakkelijk maken

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de hand van de in de pleitnotities (op pagina 33 t/m 37 en 45 t/m 48) betoogd dat aan de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt en dat hij om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De verdediging heeft daartoe - kort gezegd - het volgende aangevoerd.

Bij de verdachte is nimmer sprake geweest van moslimfundamentalisme. Er kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat hij hand- en spandiensten voor radicale moslimfundamentalisten heeft verricht, niet omdat hij het gedachtegoed steunde, maar omdat hij op dat moment, door angst gedreven, niet anders kon. [verdachte] heeft steeds verklaard dat hij uit angst heeft gehandeld, dat hij geen alternatief zag en dat hij geen keuzevrijheid had. Dat sprake was van een reële angst blijkt uit het feit dat ook anderen die angst deelden.

Professor dr. [[...]] heeft geconstateerd dat in toenemende mate sociale dwang op [verdachte] en [H.S. 1] werd uitgeoefend waardoor zij verder werden gedreven in de richting van radicalisme en betrokkenheid. Het handelen van [verdachte] wordt in toenemende mate bepaald door angst. [H.S. 1] heeft (…) nog minder ruimte om zich van haar man en zijn activiteiten te distantiëren. tegen hun achtergrond (…) groeit het besef dat er geen weg terug is. De Jongs conclusie luidt: “de articulatie van de persoonlijkheid van het echtpaar binnen hun gezinsconstellatie, talenten en tekortkomingen, intenties en hoop en hun psychologische en existentiële problemen, in samenhang met de groepsdynamiek hebben ertoe geleid dat zij tot hun daden zijn gekomen. Deze aspecten (…) hebben mij ervan overtuigd dat zowel angst als andere factoren dan hun vrije wil een zeer expliciete rol hebben gespeeld in hun handelingen. Ik zou niet durven concluderen dat zij hun handelen in vrijheid hebben kunnen bepalen. In zijn aanvullende brief van 30 september 2009 stelt [[...]]: “Na lezing van de meer recente stukken ben ik in mijn overtuiging gesterkt dat deze groep op zeer geraffineerde wijze het echtpaar zo heeft ingezogen dat er geen weg terug was. Het induceren van angst, zoals de confrontatie en het dreigen met wapens, de beelden van onthoofdingen, het direct koppelen van het lot van de verdachten aan het lot van andere ongelovigen en huichelaars de religieuze indoctrinatie, het afstaan van persoonlijke eigendommen enz. is een van de specifieke doelstellingen die de groepsleden willen bereiken.” En voorts: “Uitgaande van de eerder beschreven persoonsontwikkeling, persoonlijke omstandigheden inclusief de neurologische kwetsbaarheid en de PTSS, de initiatie in de Islamitische groep met de daarbij behorende chronische angst, en het met de permanente dreiging samenhangende gebrek aan gedragsalternatief, ben ik van mening dat het echtpaar geen keuzevrijheid had.”

Al met al werd [verdachte] handelen in toenemende mate bepaald door angst. Hij kon geen uitweg vinden uit deze fuik, nadat hem eenmaal duidelijk werd gemaakt wat de sancties zijn voor afvalligen, begin april 2005. Dit point of no return was reeds bereikt voordat [verdachte] zich aan strafbare feiten schuldig maakte. De aanhoudende dreiging had chronische angst tot gevolg. Er ontstond gebrek aan een gedragsalternatief, een onvermogen om een einde te maken aan de situatie waarin hij was beland. Dit alles heeft bij [verdachte] geleid tot een psychische drang waaraan hij geen weerstand heeft kunnen bieden, en waaraan hij ook redelijkerwijs geen weerstand hoefde te bieden, mede gelet op de aard van de handelingen die door hem zijn verricht.

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie acht weliswaar aannemelijk dat de verdachte de handelingen die hem worden verweten mede heeft verricht uit angst voor [S.A.] en [N.F.], maar niet dat hij objectief gezien geen andere keuze had dan de keuzes die hij heeft gemaakt. In zoverre was er sprake van een handelen uit vrije wil. Nu geen sprake is van een van buitenkomende drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te bieden, dient het beroep op psychische overmacht te worden afgewezen. Wel geven de vastgestelde feiten en omstandigheden aanleiding te concluderen dat de tenlastegelegde feiten slechts in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Overwegingen en oordeel van het hof

Een beroep op psychische overmacht kan alleen slagen indien sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen de mate van drang, de vraag of weerstand tegen die drang redelijkerwijs kon worden gevergd en of anders handelen redelijkerwijs tot de mogelijkheden behoorde.

Vooropgesteld moet worden dat het hof ten aanzien van de verdachte komt tot een bewezenverklaring voor de feiten 1A, 1B, 3, 4 en 5, kort samengevat deelneming aan een criminele organisatie en het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie, alle met een terroristisch oogmerk.

Uit de stukken van het geding noch anderszins is aannemelijk geworden dat de verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten heeft gehandeld als gevolg van een buiten komende drang waaraan redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te worden geboden. Voor dit oordeel is het volgende van belang.

De bevindingen van professor dr. [[...]] zoals door de verdediging naar voren zijn gebracht, acht het hof onvoldoende om tot een geslaagd beroep op psychische overmacht te kunnen komen. Het hof wijst daarbij op het navolgende.

* De verdachte heeft meermalen verklaard dat hij zo schrok toen [N.F.] hem (het hof begrijpt: geruime tijd voor het ‘onthoofdingsgebaar’) drie wapens toonde dat hij zijn urine heeft laten lopen. Tegenover die verklaringen staat de verklaring van[R.B.] als gezegd toentertijd verdachtes beste vriend. [R.B.] heeft als getuige ter terechtzitting op 27 oktober 2006 verklaard dat de verdachte hem had verteld dat hij had geschoten in een bos. Hij was toen samen met [N.F.]. Hij vond het leuk dat hij op een boom had geschoten en hij kickte erop.

Op een ander moment heeft de verdachte met [R.B.] gesproken over een revolver en een uzi. De verdachte zei dat hij een wapen had gekocht en dat [H.S. 1] er ook een had. De verdachte vroeg [R.B.] naar diens wapen, waarna [R.B.] hem zijn wapen heeft getoond. Het betrof een echt wapen, aldus [R.B.]. [R.B.] heeft aldus een beeld van de verdachte geschetst als iemand die allerminst bij het zien van vuurwapens door grote angst bevangen werd, eerder van een persoon die door vuurwapens gefascineerd was.

* Tegenover de verklaringen van de verdachte en [H.S. 1] dat zij door [N.F.] werden gedwongen om hun inboedel te verkopen en dat zij daarvoor nooit geld hebben ontvangen, staat de verklaring van [A.M.], de neef van [N.F.], afgelegd tegenover de rechter-commissaris op 10 oktober 2006 in de zaak tegen [H.S. 1]. Hij heeft met de verdachte onderhandeld over de prijs en hij heeft uiteindelijk een bedrag van ongeveer € 2.000,- aan de verdachte gegeven. [N.F.] was daar volgens hem in het geheel niet bij aanwezig.

Daarbij zij nog opgemerkt dat het beweerdelijke oordeel van [N.F.] dat de verdachte en [H.S. 1] geen Westerse inboedel zouden mogen hebben, maar de neef van [N.F.] wel, niet goed is te begrijpen en ook niet is te begrijpen dat de verdachte aan dat aspect kritiekloos voorbij zou zijn gegaan. Dat de verkoop van de inboedel door de verdachte een geheel ander doel diende, is dan ook eerder aannemelijk.

Voorts is door de verdachte suggestie gewekt dat de verdachte en [H.S. 1] van [N.F.] en [M.C.] hun werk hebben moeten opgeven omdat sprake was van - kort gezegd - te Westerse werkomstandigheden. Voor wat betreft de verdachte past dit niet bij zijn verklaring dat hij met [M.C.] naar een uitzendbureau in Den Haag is gegaan, alwaar zij zich hebben ingeschreven en dat dit op initiatief van [M.C.] had plaatsgevonden. Ten aanzien van [H.S. 1] geldt dat zij bij de supermarkt C1000 is ontslagen omdat zij daar gedurende een langere periode een aanzienlijke hoeveelheid geld had verduisterd. [H.S. 1] heeft dit overigens eerst ontkend en is daarna met het verhaal gekomen dat zij het geld, daartoe gedwongen door een Surinaamse man die zij bij een bushalte had ontmoet, heeft ontvreemd. [H.S. 1] is voor de verduistering veroordeeld door de politierechter te Den Haag.

In het dossier zijn verder geen aanwijzingen te vinden dat [H.S. 1] op directe wijze door [N.F.] onder druk werd gezet en daardoor gedwongen werd tot allerlei diensten in relatie tot de organisatie. Uit niets blijkt bijvoorbeeld van dwang ten aanzien van het rijden/vervoeren van [N.F.] en [S.S.].

In relatie met het laatste merkt het hof nog op dat niet goed is te begrijpen waarom de verdachte wel weerstand kon bieden tegen [S.A.] maar niet tegen [N.F.]. Immers, uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat hij aanvankelijk grote angst had voor [S.A.]. Hij wist immers dat [S.A.] in Tjetsjenië had gevochten. [S.A.] sprak met hem over wapens (Kalasjnikovs), jihad en martelaars (mensen die zichzelf opbliezen). [S.A.] had hem een cd gegeven met een onthoofdingsfilm om aan de verdachte duidelijk te maken wat het lot van een ongelovige was en had de verdachte een video van een aanslag in Irak getoond. [S.A.] was bovendien aanwezig toen [N.F.] de wapens aan de verdachte toonde en [S.A.] de werking van de wapens uitlegde. Gelet op de gestelde feiten en omstandigheden ten aanzien van het potentieel veroorzaken van angst zijn [S.A.] en [N.F.] dan ook met elkaar te vergelijken. Gelet daarop is niet goed te begrijpen dat de verdachte over het algemeen in staat was [S.A.], die vele malen bij hem aan de deur is geweest, buiten zijn woning te houden en dat hij heeft geweigerd om voor [S.A.] naar Duitsland te rijden om spullen op te halen, toen [S.A.] hem dat vroeg, terwijl hij niet in staat zou zijn geweest op enigerlei wijze weerstand te bieden tegen [N.F.].

Het hof komt dan ook tot de slotsom dat de verklaringen van de verdachte en zijn echtgenote, [H.S. 1], omtrent feiten waaruit de door de medeverdachten uitgeoefende druk zou moeten blijken, ongeloofwaardig zijn. Dat door die uitgeoefende druk angst is opgewekt, is daarom niet aannemelijk geworden. De op die onjuiste veronderstelling gebaseerde conclusies in het rapport en in de bevindingen van professor dr. [[...]] dienen daarom te worden gepasseerd.

Ten aanzien van de verdachte is daarbij nog het volgende van belang.

De verdachte heeft meermalen hand- en spandiensten verricht voor [N.F.] en [S.A.]. Ook nadat [N.F.] samen met [S.S.] was aangehouden is de verdachte met anderen naar Brussel gereden om daar wapens op te halen. Op geen enkel moment is gebleken dat de verdachte zich niet kon onttrekken aan [N.F.] en [S.A.].

Met betrekking tot het schieten in het bos in Amsterdam met een Agram 2000 overweegt het hof dat uit de verklaringen van de verdachte en [H.S. 1] omtrent het schieten met de Agram 2000 niet kan worden afgeleid dat de verdachte door psychische overmacht gedwongen werd tot het schieten met de Agram 2000. Gelet op de ongeloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte omtrent het motief - angst voor [N.F.] - voor zijn handelen, kan aan zijn verklaring dat hij door die angst ertoe werd gebracht in het bos met het wapen te schieten niet voldoende overtuigende kracht worden toegekend. De verklaring van [H.S. 1] kan aan de aannemelijkheid van het door de verdachte gestelde niet bijdragen, nu [H.S. 1], na een aanvankelijke ontkenning van haar aanwezigheid ter plaatse, haar verklaring heeft afgelegd, nadat zij - door de verbalisanten - in kennis was gesteld van onderdelen van de door de verdachte omtrent dit incident afgelegde verklaring.

Alles afwegende, is het hof van oordeel dat het beroep op psychische overmacht moet worden verworpen, omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden.

Het hof ziet, anders dan het openbaar ministerie, in de geschetste feiten en omstandigheden ook geen aanleiding de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte voor het onder 1A, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1A en 1B, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdvier dagen met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Blijkens het voorafgaande heeft de verdachte zich destijds schuldig gemaakt aan deelneming aan een crimineel samenwerkingsverband. Deze criminele organisatie had het oog op uitzonderlijke, te weten terroristische misdrijven. De verdachte heeft zich nauw met die personen verbonden betoond en heeft voorts, met dit oogmerk, vuurwapens voorhanden gehad.

Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt onaanvaardbare veiligheidsrisico’s en gevoelens van onveiligheid in de samenleving mee en levert aldus een ernstig feit op. Daarnaast vormen de door de organisatie beoogde misdrijven een ernstig gevaar voor de openbare orde en kunnen leiden tot ontwrichting van de samenleving doordat onrust wordt gestookt en vrees wordt aangejaagd. Door zijn deelneming aan bedoelde organisatie heeft de verdachte het fundamentele recht van de mensen om in vrijheid en vrede met elkaar te kunnen leven aangetast. Het hof acht dit een zeer ernstig vergrijp tegen de samenleving, waarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie is.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 februari 2014 is hij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Het hof houdt in het voordeel van de verdachte rekening met zijn rol in het opsporingsonderzoek Piranha. De door de verdachte afgelegde verklaringen hebben bijgedragen in inzichten in wat er in deze periode heeft plaatsgevonden en hebben een aantal zaken verhelderd en tot klaarheid gebracht. Door deze bijdrage is het noodzakelijk bevonden dat de verdachte samen met zijn echtgenote [H.S. 1] in een getuigenbeschermingsprogramma werd geplaatst. De verdediging heeft gewezen op de ingrijpende gevolgen hiervan in het dagelijkse leven van de verdachte (en dat van zijn echtgenote, [H.S. 1]). Niet alleen zijn zij ten opzichte van familie en vrienden uit hun ‘oude leven’ in een sociaal isolement geraakt, hetgeen door de geboortes van hun kinderen des te prangender is. Ook in hun ‘nieuwe leven’ staan zij alleen: het niet open en eerlijk kunnen zijn over hun verleden staat immers aan het aangaan en onderhouden van nieuwe vriendschappen in de weg. Het betreft hier een situatie die begin 2006 is aangevangen en waarvan onduidelijk is of deze ooit zal eindigen. Hun leven is op verstrekkende wijze veranderd, hetgeen de verdachte en zijn echtgenote op heldere en indringende wijze hebben uiteengezet in hun e-mailbericht van 29 september 2009, waarvan de inhoud nog steeds actueel is. Vrijheid is voor hun een subjectief begrip geworden en geldt niet meer als een vanzelfsprekendheid.

Het hof houdt ten slotte rekening met de sindsdien verstreken tijd en met de ter terechtzitting in hoger beroep door het openbaar ministerie geformuleerde strafeis.

Het hof constateert dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Immers, tussen het moment waarop de verdachte in verzekering is gesteld (op 14 oktober 2005) en het wijzen van het arrest door dit hof (op 25 maart 2014) is een periode van ongeveer acht jaar en vijf maanden verstreken, waar dit maximaal acht jaren had mogen duren. Gelet op de relatief beperkte omvang van deze schending, volstaat het hof met deze constatering en zal daaraan geen verdere gevolgen verbinden.

Gelet op dit alles is oplegging van een vrijheidsbenemende straf die de periode van inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis zou overstijgen, niet meer als passend aan te merken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf gegrond op de artikelen 47, 55, 57, 140, 140a, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1A en 1B, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1A en 1B, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 104 (honderdvier) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 maart 2014.

Mr. Lolkema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.