Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:911

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
200.013.010/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Appellante toegelaten tot tegenbewijs van – voorshands als bewezen aangenomen – stelling dat zij met bestaan van leaseovereenkomst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij deze heeft vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.013.010/01

rolnummer rechtbank Amsterdam: 816611 DX EXPL 06-2972

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 maart 2014

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats], gemeente[gemeente],

APPELLANTE,

advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V. (voorheen Dexia Bank Nederland N.V.),

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor te Amsterdam.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom [appellante] en Dexia genoemd.

Ingevolge het tussenarrest van 28 februari 2012 is op 4 december 2012 een deskundigenbericht uitgebracht door mevrouw R. ter Kuile-Haller.

Hierna hebben partijen, eerst Dexia en daarna [appellante], een memorie na deskundigenbericht genomen.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

In het tussenarrest van 28 februari 2012 heeft het hof de deskundige de volgende vraag voorgelegd:

Is de handgeschreven tekst in het aanvraagformulier gedateerd 2 juli 1999 afkomstig van [appellante]?

Zo u deze vraag niet bevestigend kunt beantwoorden: met welke mate van waarschijnlijkheid is genoemde tekst afkomstig van genoemde persoon?

2.2.

Ter Kuile-Haller heeft in het uitgebrachte deskundigenbericht van 4 december 2012 geconcludeerd dat de vraag ontkennend dient te worden beantwoord: de handgeschreven tekst op het aanvraagformulier van 2 juli 1999 is niet afkomstig van [appellante].

2.3

Nu de handgeschreven tekst niet afkomstig is van [appellante] is met die tekst niet aangetoond dat zij vanaf de aanvang af bekend was met de door haar echtgenoot [echtgenoot] in juli 1999 gesloten leaseovereenkomst.

2.4

Als productie 1 bij de memorie na deskundigenbericht heeft [appellante] een ongedateerde brief van [echtgenoot] in het geding gebracht, waarin hij schrijft dat hij de brief van 24 april 2003 die een reactie is op de brief van Dexia van 2 april 2003, die op zijn beurt een reactie is op de vernietigingsbrief van 25 maart 2003, heeft geschreven. Anders dan Dexia betoogt kan uit het enkele feit dat [echtgenoot] de vernietigingsverklaring van 25 maart 2003 en de brief van 24 april 2003 heeft ondertekend, maar niet zelf heeft opgesteld/geschreven, niet worden geconcludeerd dat bij [appellante] een op de vernietiging van de leaseovereenkomst gerichte wil heeft ontbroken. Dexia ziet eraan voorbij dat met het zetten van een handtekening de ondertekenaar de inhoud van de brief tot de zijne maakt. Feiten die dat in het onderhavige geval anders maken, zijn onvoldoende gesteld of gebleken.

2.5

Dexia heeft aangevoerd dat de bedragen die [echtgenoot] op grond van de leaseovereenkomst aan Dexia was verschuldigd, zijn betaald vanaf een en/of-rekening op naam van [echtgenoot] en [appellante]. Het bestaan van de leaseovereenkomst was daardoor kenbaar uit bankafschriften van de betrokken rekening. Gelet op de datum waarop de eerste betaling aan Dexia op grond van de leaseovereenkomst heeft plaatsgevonden, leidt Dexia hieruit af dat [appellante] meer dan drie jaar voor de vernietigingsbrief van 25 maart 2003 bekend was met de leaseovereenkomst.

2.6

Hiertegenover heeft [appellante] gesteld dat zij niet bekend was met de leaseovereenkomst totdat [echtgenoot] haar dit in de loop van 2001 meedeelde. Zij betwist dat zij kennis nam van de bankafschriften. [echtgenoot] regelde alle betalingen, beheerde de financiën en maakte de post hiervan open.

2.7

[appellante] heeft tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg aangevoerd dat de rekening eerst met ingang van 1 april 2000 is omgezet in een en/of-rekening en vóór 1 april 2000 alleen op naam stond van haar echtgenoot. Dexia heeft die stelling bij memorie van antwoord betwist, stellende dat zij dat niet kan nagaan en dat [appellante] heeft verzuimd rekeningafschriften in het geding te brengen, waaruit de door [appellante] gestelde omzetting blijkt. Bij memorie na deskundigenbericht heeft Dexia aangevoerd dat het tussenarrest van 30 augustus 2011 een kennelijke verschrijving bevat waar in r.o. 3.2.4 wordt overwogen dat de betalingen in verband met de leaseovereenkomst werden verricht vanaf een rekening die pas met ingang van 1 april 2000 ook op naam van [appellante] stond. Het hof overweegt als volgt.

2.8

Het hof heeft in r.o. 3.8.1 van het tussenarrest van 30 augustus 2011 overwogen dat [appellante] tijdens de comparitie in eerste aanleg nog heeft aangevoerd dat de rekening vanaf welke de aan Dexia verschuldigde bedragen werden betaald, eerst met ingang van 1 april 2000 is omgezet. In r.o. 3.2.4 van hetzelfde tussenarrest heeft het hof inderdaad per abuis als vaststaand aangemerkt dat de rekening eerst met ingang van 1 april 2000 tevens op naam van [appellante] is gezet. [appellante] heeft bij memorie na deskundigenbericht haar stelling niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld door rekeningafschriften in het geding te brengen waaruit de omzetting op 1 april 2000 volgt. Dat had, gezien hetgeen Dexia in haar memorie van antwoord en vervolgens in haar memorie na deskundigenbericht ter zake aanvoert, wel op haar weg gelegen. In de eerdergenoemde ongedateerde brief van [echtgenoot] wordt zonder verdere feitelijke toelichting slechts herhaald dat de rekening in april 2000 is omgezet in een en/of-rekening. Bijgevolg staat de stelling van Dexia dat de betalingen vanaf 28 juni 1999 hebben plaatsgevonden van een en/of-rekening als onvoldoende gemotiveerd betwist vast.

2.9

Nu de betalingen aan Dexia hebben plaatsgevonden vanaf een gezamenlijke rekening van [echtgenoot] en [appellante] acht het hof Dexia voorshands geslaagd in het bewijs dat [appellante] met het bestaan van de leaseovereenkomst bekend is geworden meer dan drie jaar vóór 25 maart 2003. Het is vervolgens aan [appellante] om overeenkomstig haar aanbod tegenbewijs te leveren van de gestelde bekendheid. Het hof zal haar hiertoe gelegenheid geven zoals onder 3 te melden.

2.10

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. Beslissing

Het hof:

laat [appellante] toe tot het leveren van tegenbewijs van de voorshands als bewezen aangenomen stelling dat [appellante] met het bestaan van de leaseovereenkomst bekend is geworden meer dan drie jaar vóór 25 maart 2003;

bepaalt dat als [appellante] dit bewijs wenst te leveren door getuigen een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof, mr. M.P. van Achterberg, die daartoe zitting zal houden op dinsdag 6 mei 2014 te 13.30 uur, in één van de zalen van het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam;

bepaalt dat de raadsman van [appellante] dient na te (laten) gaan of partijen, hun raadslieden en de door [appellante] voor te brengen getuigen op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze - zo dat niet het geval zou zijn - uiterlijk op 22 april 2014 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de maanden juli, augustus en september 2014 aan het enquêtebureau van het hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en M.P. van Achterberg, in het openbaar uitgesproken op dinsdag 25 maart 2014 door de rolraadsheer.