Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:831

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
200.129.949/01 en 200.129.949/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie; behoefte van de vrouw; draagkracht van de man; na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst heeft de man een ontslagvergoeding ten bedrage van € 54.830,- bruto ontvangen, ter compensatie van eventueel te derven inkomsten in de periode van 1 september 2010 tot 31 oktober 2014; jusvergelijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 25 februari 2014

Zaaknummer: 200.129.949/01 en 200.129.949/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/194749/FA RK 12-2587

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak met zaaknummer 200.129.949/01 in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W.M.U. van der Blom te Haarlem,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.W.J. Hijnen te Beverwijk,

en in de zaak met zaaknummer 200.129.949/02 van:

[…],

wonende te […],

verzoeker,

advocaat: mr. W.M.U. van der Blom te Haarlem,

tegen

[…],

wonende te […],

verweerster,

advocaat: mr. J.W.J. Hijnen te Beverwijk.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

In de zaak met zaaknummer 200.129.949/01 is de man op 10 juli 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 april 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/194749 /FA RK 12-2587.

1.3.

In de zaak met zaaknummer 200.129.949/02 heeft de man verzocht de schorsing te bevelen van de werking van de onder 1.2 genoemde beschikking.

1.4.

De vrouw heeft op 5 september 2013 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

De man heeft op 11 september 2013 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de vrouw ingediend.

1.5.

De zaken zijn op 12 september 2013 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1976 gehuwd. Hun huwelijk is op 23 september 2002 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Haarlem van 16 juli 2002 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 985,- per maand zal voldoen met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 23 september 2002.

2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Haarlem van 4 maart 2003 is, met dienovereenkomstige wijziging van de onder 2.2. genoemde beschikking:

- bepaald dat de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 23 september 2002 tot 4 maart 2003 datgene bedraagt wat hij feitelijk heeft betaald of op hem is verhaald, doch minimaal op € 955,- per maand;

- de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 4 maart 2003 op € 955,- per maand.

2.4.

Partijen zijn bij overeenkomst van 30 maart 2004 onder meer overeengekomen dat zij voor conversie kiezen met betrekking tot het Pensioenfonds Hoogovens. Deze overeenkomst besluit met: “Deze punten hebben geen invloed op de uitspraak van de rechtbank wegens alimentatie, die blijft gehandhaafd”.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.5.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1952.

Hij was tot 1 september 2010 werkzaam in loondienst bij [bedrijf] Uit de beëindigingovereenkomst tussen [bedrijf] en de man blijkt onder meer dat [de B.V.] in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een vergoeding aan de man zal betalen van € 54.830,- bruto.

Hij ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 39.455,-. Blijkens de betaalspecificatie over januari 2013 bedraagt deze uitkering thans € 2.943,- bruto per maand.

Hij was tot 10 september 2012 werkzaam in loondienst bij [v.o.f.]. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 1.906,-.

Aan kale huur betaalde hij in 2012 € 517,- per maand. Met ingang van 1 juli 2013 bedraagt zijn kale huur € 538,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 115,- per maand. In 2012 ontving hij in totaal € 106,- aan zorgtoeslag. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 350,- per jaar. Dit bedrag wordt geheel verbruikt.

2.6.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1947. Zij is alleenstaand.

Zij was tot en met […] 2012 werkzaam bij […]. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg haar fiscaal loon bij deze werkgever in dat jaar € 8.442,-.

Zij ontvangt sinds [dag-maand] 2012 een AOW uitkering. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg haar fiscaal loon uit deze uitkering in dat jaar € 4.885,-. Blijkens de specificatie over januari 2013 bedraagt deze uitkering € 1.057,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

Zij ontvangt pensioen van Stichting Pensioenfonds UWV. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg haar fiscaal loon uit dit pensioen in dat jaar € 1.593,-. Blijkens de specificatie over januari 2013 bedraagt dit pensioen € 108,- bruto per maand.

Zij ontvangt pensioen van Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg haar fiscaal loon uit dit pensioen in dat jaar € 449,-. Blijkens de specificatie over januari 2013 bedraagt dit pensioen € 90,- bruto per maand.

Zij ontving van [datum a] tot [datum b] overbruggingspensioen van Stichting Pensioenfonds Hoogovens. Vanaf [maand] 2012 ontvangt zij ouderdomspensioen van Stichting Pensioenfonds Hoogovens. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg het fiscaal loon van dit Pensioenfonds in dat jaar € 4.951,-. Blijkens het pensioenoverzicht 2013 bedraagt dit pensioen thans € 1.757,- per jaar, exclusief vakantiegeld.

Aan kale huur betaalde zij in 2012 € 486,- per maand. Met ingang van 1 juli 2013 bedraagt haar kale huur € 505,- per maand. De huurtoeslag bedraagt € 2.409,- per jaar.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 129,- per maand. Zij ontvangt een zorgtoeslag van € 1.060,- per jaar. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 350,- per jaar. Dit bedrag wordt geheel verbruikt.

3 Het geschil in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.129.949/01:

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 4 maart 2003, bepaald dat de man aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen € 972,- per maand met ingang van [dag-maand] 2012.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man, zoals dit blijkt uit de akte precisering eis (versie 2), te bepalen dat de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw wordt bepaald op nihil met ingang van [dag-maand] 2012, althans – rekening houdend met in het verleden te veel betaalde bedragen:

- de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud in verband met het aan de vrouw uitgekeerde overbruggingspensioen met terugwerkende kracht tot [datum a] te stellen op € 854,23 per maand;

- de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud in verband met het verminderen van de draagkracht van de man door diens ontslag met terugwerkende kracht tot 1 september 2010 te stellen op € 438,50 per maand;

- de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie vanaf [dag-maand] 2012 te stellen op een bedrag van € 386,- per maand met bepaling dat de man ter zake tot aan het einde van de wettelijk voor hem geldende alimentatieverplichting is gekweten door de betalingen die hij in het verleden heeft verricht.

3.2.

De man verzoekt, na ter zitting in hoger beroep zijn verzoek gewijzigd te hebben, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van - naar het hof begrijpt - [dag-maand] 2012 op nihil wordt gesteld, met veroordeling van de vrouw aan de man terug te betalen hetgeen zij vanaf [dag-maand] 2012 via executie op de man heeft verhaald.

3.3.

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep het door de man verzochte af te wijzen, althans een dusdanige beslissing te nemen als het hof juist acht. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen en - naar het hof begrijpt - het inleidend verzoek van de man alsnog af te wijzen, althans voor zover het hof daartoe aanleiding ziet opnieuw recht te doen en een dusdanig bedrag aan alimentatie vast te stellen dat het hof juist acht, met veroordeling van de man in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

3.4.

De man verzoekt het door de vrouw in incidenteel hoger beroep verzochte te verwerpen.

In de zaak met zaaknummer 200.129.949/02:

3.5.

De man verzoekt schorsing van de werking van de bestreden beschikking.

4 Beoordeling van het hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.129.949/01:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

4.1.

Ter zitting in hoger beroep is, mede naar aanleiding van de verklaringen van de advocaat van de man dienaangaande, vastgesteld dat de man met zijn verzoek wijziging beoogt van de bij beschikking van de rechtbank Haarlem van 4 maart 2003 vastgestelde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van [dag-maand] 2012. Gebleken is dat de vrouw op laatstgenoemde datum de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, zodat haar inkomen met ingang van deze datum is gewijzigd. Het hof is van oordeel dat dit valt aan te merken als een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. De overige door de man naar voren gebrachte wijzigingen behoeven, gelet op het voorgaande, geen verdere bespreking.

Nu er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, komt het hof toe aan een inhoudelijke beoordeling van de (omvang van de) door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud. In het licht van het voorgaande ziet het hof aanleiding om als ingangsdatum de datum van de wijziging te hanteren, te weten [dag-maand] 2012.

4.2.

Partijen zijn verdeeld over de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

Behoefte van de vrouw

4.3.

De man stelt dat de rechtbank Haarlem in de beschikking van 4 maart 2003 bij het vaststellen van de alimentatie ten onrechte zonder nadere begroting van de behoefte van de vrouw is uitgegaan van de eerder niet weersproken bijdrage van € 985,-.Voor zover de man hiermee heeft bedoeld te betogen dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw thans alsnog moet worden vastgesteld, is het hof van oordeel dat hij daartoe volstrekt onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd. Het hof gaat derhalve voorbij aan deze stelling van de man.

Voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat uitgegaan moet worden van een vermindering van de behoefte van de vrouw met het bedrag dat zij vanaf [datum a] ontving als (overbruggings)pensioen van het Pensioenfonds Hoogovens, kan ook deze stelling van de man niet worden gevolgd. Nog daargelaten dat, wanneer deze stelling gevolgd zou worden, de gevolgen voor de vast te stellen alimentatie niet bepaald kunnen worden omdat de huwelijksgerelateerde behoefte niet alsnog kan worden vastgesteld, staat ook het bepaalde in de overeenkomst zoals aangehaald onder 2.4. daaraan in de weg.

Draagkracht van de man

4.4.

Het hof zal met betrekking tot de draagkracht van de man uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 2.5 weergegeven, behoudens voor zover hiervan in het navolgende wordt afgeweken. Het hof zal rekening houden met de alleenstaandennorm en zal een draagkrachtpercentage van 60 hanteren.

4.5.

De man meent dat de rechtbank bij de bepaling van zijn inkomen ten onrechte een bedrag van € 580,- netto per maand in aanmerking heeft genomen ter zake van zijn ontslagvergoeding. Hij betoogt dat hiervoor maximaal een bedrag van € 252,- netto per maand in aanmerking kan worden genomen. De vrouw heeft dit standpunt van de man gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Gebleken is dat de man na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met [bedrijf] een ontslagvergoeding ten bedrage van € 54.830,- bruto heeft ontvangen. Gebleken is voorts dat de man deze vergoeding heeft ontvangen ter compensatie van eventueel te derven inkomsten in de periode van 1 september 2010 tot 31 oktober 2014. Anders dan de man, is het hof van oordeel dat de advocaatkosten die de man in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft moeten maken voor zijn rekening dienen te komen. Wel zal het hof het werknemersdeel van de pensioenpremie ten bedrage van € 8.538,- in mindering brengen op de vergoeding. Bij de berekening van het netto bedrag zal het hof rekening houden met een door de man gesteld en door de vrouw niet betwist belastingtarief van 52%, zodat ervan wordt uitgegaan dat de man netto € 22.220,- heeft ontvangen, hetgeen neerkomt op een aanvullend netto inkomen van € 444,- per maand.

Gebleken is dat de man naast voornoemde ontslagvergoeding een IVA uitkering ontvangt en dat hij in 2012 bovendien inkomsten had uit zijn werkzaamheden voor [v.o.f.]. Het hof zal bij de bepaling van het inkomen van de man rekening houden met alle voornoemde inkomsten, zodat in de periode van [dag-maand] 2012 tot 1 januari 2013 rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 444,- netto per maand ter zake van de ontslagvergoeding van de man, alsmede met zijn IVA uitkering en zijn inkomen van [v.o.f.] zoals deze blijken uit de door hem overgelegde jaaropgaven over 2012. Met ingang van 1 januari 2013 zal het hof rekening houden met een bedrag van € 444,- netto per maand ter zake van zijn ontslagvergoeding, alsmede met zijn IVA uitkering zoals deze blijkt uit de door hem overgelegde specificatie van januari 2013.

De stelling van de vrouw, dat de man naast de hiervoor genoemde inkomsten nog andere inkomsten geniet, wordt bij gebrek aan nadere onderbouwing verworpen.

4.6.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte slechts rekening heeft gehouden met de helft van zijn woonlasten. Hij heeft van juni 2008 tot en met maart 2010 met mevrouw [y] samengewoond, doch zij wonen thans niet meer samen, aldus de man. De vrouw betwist deze stelling van de man.

Het hof is van oordeel dat de man deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd, nu uit het overgelegde verslag van de toezichthouder van de gemeente [plaatsnaam] van 20 september 2012 genoegzaam blijkt dat de man in ieder geval ten tijde van het huisbezoek op 19 september 2012 nog steeds een gezamenlijke huishouding met mevrouw [y] voerde. Gesteld noch gebleken is dat de in dit verslag geschetste situatie sindsdien is gewijzigd. Het hof gaat er dan ook van uit dat de man nog steeds een gezamenlijke huishouding voert met mevrouw [y]. Naar het oordeel van het hof moet mevrouw [y] in staat worden geacht om in de helft van de woonlasten van de man te voorzien, zodat het hof, evenals de rechtbank, aan de zijde van de man rekening zal houden met de helft van zijn woonlasten.

4.7.

Uit een door de man overgelegd bankafschrift van mei 2013 blijkt dat hij in 2013 een bedrag van € 30,- per maand ontvangt aan zorgtoeslag. Ter zitting in hoger beroep heeft hij hieromtrent onbetwist gesteld dat hij naar verwachting een deel van het betaalde voorschot aan het eind van het jaar moet terugbetalen aan de Belastingdienst. Gelet op de hoogte van het inkomen van de man en de door de man overgelegde definitieve berekening van de zorgtoeslag over 2012, acht het hof deze stelling van de man aannemelijk. Het hof zal om die reden ook in 2013 rekening houden met het bedrag aan zorgtoeslag dat de man in 2012 heeft ontvangen, te weten € 106,- per jaar.

4.8.

Evenals de rechtbank houdt het hof geen rekening met de door de man opgevoerde schuld bij de ABN AMRO bank, de lening voor de computer en de herinrichtingskosten. Naar het oordeel van het hof heeft de man de noodzaak tot het aangaan van deze schulden niet aangetoond en dienen deze lasten geen voorrang te hebben op zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw.

4.9.

De vrouw meent dat de rechtbank aan de zijde van de man ten onrechte rekening heeft gehouden met een bedrag van € 350,- per maand in verband met de kosten van zijn auto. De man heeft deze stelling gemotiveerd betwist.

Anders dan de rechtbank, zal het hof geen rekening houden met de aflossing van de man in verband met de aankoop van zijn auto. Gebleken is immers dat hij deze auto in december 2010 heeft aangeschaft voor een bedrag van € 5.000,- en dat hij per maand € 350,- heeft voldaan als aflossing op deze schuld. Op [dag-maand] 2012 was deze lening derhalve reeds volledig afgelost. Ook overigens heeft de man tegenover de betwisting daarvan door de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij om medische redenen genoodzaakt was c.q. is aanschaf- en vaste kosten te maken in verband met autovervoer.

4.10.

Het hof heeft, overeenkomstig het verzoek van de man daartoe, een zogenoemde jusvergelijking gemaakt. Daarbij is aan de zijde van de vrouw voor wat betreft de periode tot 1 januari 2013 rekening gehouden met haar inkomen zoals dit blijkt uit de door haar overgelegde jaaropgaven van 2012 en voor wat betreft de periode na 1 januari 2013 met haar inkomen zoals dit blijkt uit de door haar overgelegde specificaties van januari 2013. Voorts is rekening gehouden met de onder 2.6 vermelde lasten van de vrouw. Het hof zal ook aan de zijde van de vrouw rekening houden met de alleenstaandennorm en een draagkrachtpercentage van 60 hanteren.

4.11.

Het hof houdt geen rekening met de door de vrouw opgevoerde advocaatkosten. Deze kosten dienen in beginsel uit de vrije ruimte te worden voldaan. In het onderhavige geval zijn bijzondere omstandigheden gesteld noch gebleken die noodzaken tot afwijking van dit uitgangspunt.

4.12.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de man met ingang van [dag-maand] 2012 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van bruto € 890,- per maand en met ingang van 1 januari 2013 van bruto € 877,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Door bovengenoemde bedragen wordt de vrouw niet ten opzichte van de man bevoordeeld.

4.13.

Het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw tot terugbetaling van hetgeen sinds [dag-maand] 2012 teveel is betaald, wordt afgewezen. Het betreft een uitkering tot levensonderhoud die van maand tot maand pleegt te worden verbruikt. Nu ook overigens voldoende aannemelijk is dat de vrouw niet over voldoende middelen beschikt om tot terugbetaling over te gaan, kan terugbetaling van het teveel betaalde in redelijkheid niet van haar worden verlangd. In verband daarmee zal worden beslist als na te melden.

4.14.

Aangezien partijen voormalige echtelieden zijn, geldt als uitgangspunt dat zij ieder hun eigen kosten dienen te dragen. Het hof ziet in de omstandigheden van het onderhavige geval geen aanleiding anders te oordelen, zodat het verzoek van de vrouw tot veroordeling van de man in de proceskosten zal worden afgewezen.

In de zaak met zaaknummer 200.129.949/02:

4.15.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de man het schorsingsverzoek ingetrokken. Dit verzoek kan derhalve niet worden beoordeeld en zal worden afgewezen.

5 Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.129.949/01:

in principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 4 maart 2003, de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van [dag-maand] 2012 op € 890,- (ACHT HONDERD NEGENTIG EURO) bruto per maand en met ingang van 1 januari 2013 op € 877,- (ACHT HONDERD ZEVENENZEVENTIG EURO) bruto per maand, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt, voor zover met ingang van [dag-maand] 2012 tot heden door de man meer is betaald en/of op hem is verhaald, de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van die datum tot heden op hetgeen door de man is betaald c.q. op hem is verhaald;

wijst af het in hoger beroep meer en/of anders verzochte;

in de zaak met zaaknummer 200.129.949/02:

wijst het verzoek van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. A.A. van Berge in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Lok als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2014.