Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:774

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
20-03-2014
Zaaknummer
200.130.690/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:3604, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie; berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige; verdeling van de voor onderhoud beschikbare draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 18 februari 2014

Zaaknummer: 200.130.690/01

Zaaknummer eerste aanleg: 140017 / FA RK 12-667

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.J.C. Engels te Heerhugowaard,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.L. Molenaar te Noord-Scharwoude.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 23 juli 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 24 april 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk 140017 / FA RK 12-667.

1.3.

De man heeft op 2 september 2013 het proces-verbaal van de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 maart 2013 ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 10 september 2013 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

De vrouw heeft op 15 november 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De man heeft op 18 november 2013 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 25 november 2013 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2002 gehuwd. Hun huwelijk is op 14 december 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 23 november 2006 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun voorhuwelijkse relatie is [in] 2001 […] (hierna: [de minderjarige]) geboren.

2.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] bepaald van € 300,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1971. Hij leeft samen met zijn partner, mevrouw [x]. Uit die samenleving zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 2009 en […] (hierna: [kind b]) [in] 2012.

Zijn partner voorziet in eigen levensonderhoud.

Hij is directeur van en enig aandeelhouder in […] (hierna: [de onderneming]). Het resultaat na belastingen van [de onderneming] bedroeg over 2009, 2010, 2011 en 2012 respectievelijk € 25.760,-, € 3.228,-, € 20.564,- en € 7.033,- negatief. Volgens het Winst- en verliesoverzicht 2013 bedroeg het resultaat tot en met periode 3 € 11.486,- negatief.

[de onderneming] houdt alle aandelen in [B.V. 1] Het resultaat na belastingen van deze vennootschap bedroeg over 2009, 2010, 2011 en 2012 respectievelijk € 64.997,-, € 15.891,- negatief, € 36.002,- en € 7.883,-. Volgens het Winst- en verliesoverzicht 2013 bedroeg het resultaat tot en met periode 3 € 14.884,-.

[de onderneming] houdt de helft van de aandelen in [B.V. 2] Het resultaat na belastingen van deze vennootschap bedroeg over 2012 € 1.726,-. Volgens het Winst- en verliesoverzicht 2013 bedroeg het resultaat tot en met periode 3 € 17.940,- negatief.

Hij is als directeur werkzaam in loondienst bij [de onderneming].

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door hem en zijn partner bewoonde woning betalen zij € 13.066,- per jaar aan rente. Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betalen zij € 200,- per maand. Zij hebben de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 121,- per maand.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met [de minderjarige] van € 65,- per maand.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1967. Zij vormt met [de minderjarige] een eenoudergezin.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is – voor zover thans van belang –, met dienovereenkomstige wijziging van de echtscheidingsbeschikking van 23 november 2006, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] bepaald op € 702,- per maand met ingang van 30 augustus 2012.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw de bijdrage te bepalen op € 912,37 per maand met ingang van 1 juni 2012, althans een zodanige bijdrage te bepalen als de rechtbank juist zou achten.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

  • -

    de bijdrage te bepalen op € 234,- per maand, subsidiair op € 384,- per maand en meer subsidiair op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten;

  • -

    te bepalen dat – indien en voor zover het hof meent dat de bijdrage hoger zal dienen te zijn dan de bijdrage die reeds bij beschikking van 23 november 2006 was vastgesteld – de ingangsdatum gewijzigd zal worden in dier voege dat de wijziging in werking zal treden met terugwerkende kracht vanaf 24 april 2013, dan wel met ingang van een zodanige datum als het hof juist zal achten.

3.3.

De vrouw verzoekt het verzoek in principaal appel van de man af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt zij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de bijdrage met ingang van 30 augustus 2012 te bepalen op € 715,- per maand.

4 Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel appel

4.1.

Het hof ziet, gezien de onderlinge samenhang van de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep, aanleiding deze gezamenlijk te behandelen.

4.2.

In geschil zijn de draagkracht van de man en de ingangsdatum van de wijziging van de bij de echtscheidingsbeschikking van 23 november 2006 bepaalde bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige]. De man stelt dat zijn draagkracht onvoldoende is om een bijdrage, die hoger is dan de bij de echtscheidingsbeschikking bepaalde, met terugwerkende kracht te voldoen tot een datum gelegen voor de datum van de bestreden beschikking. De vrouw heeft verzocht de ingangsdatum voor wijziging te bepalen op 30 augustus 2012, zijnde de datum van indiening van haar inleidend verzoekschrift.

Het hof zal, evenals de rechtbank, als ingangsdatum van wijziging 30 augustus 2012 hanteren. Tussen partijen is niet in geschil dat op deze datum de omstandigheden bestonden die grond voor wijziging opleverden en vanaf deze datum, waarop de vrouw haar inleidend verzoek heeft ingediend bij de rechtbank, kon en moest de man rekening houden met een wijziging, daaronder begrepen een mogelijke verhoging, van de bijdrage ten behoeve van [de minderjarige].

4.3.

De rechtbank heeft [de minderjarige's] behoefte berekend op € 715,- per maand in 2012 na indexering. Nu hiertegen door partijen geen grief is opgeworpen, zal het hof eveneens hiervan uitgaan. Evenmin is gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van [de minderjarige]. Ook dit oordeel zal door het hof als uitgangspunt worden gehanteerd.

4.4.

Het hof dient vervolgens te beoordelen met welk bedrag de man in staat is vanaf 30 augustus 2012 te voldoen in de behoefte van [de minderjarige]. Dit zal gebeuren aan de hand van de toentertijd geldende, daarvoor te doen gebruikelijk te hanteren normen. De enkele omstandigheid dat vanaf 1 april 2013 nieuwe normen voor het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie zijn gaan gelden, vormt onvoldoende grond de draagkracht vanaf die datum met toepassing van deze nieuwe normen opnieuw te gaan berekenen.

Het hof gaat voor de berekening van de draagkracht uit van het hierboven bij 2.3 genoemde, tenzij daarvan hierna uitdrukkelijk wordt afgeweken.

4.5.

Partijen zijn het erover eens dat voor het berekenen van de draagkracht van de man als (basis)inkomen moet worden gehanteerd het bedrag waarop het genoten loon van een aanmerkelijkbelanghouder ingevolge het bepaalde in artikel 12a Wet op de loonbelasting 1964 ten minste dient te worden gesteld. Gelet op de te hanteren ingangsdatum, zal zijn inkomen bij [de onderneming] worden gesteld op € 42.000,-. In dit bedrag is een eventuele vakantietoeslag begrepen. De vrouw stelt dat dit inkomen moet worden verhoogd met een dividenduitkering van € 30.000,- die de man zich in redelijkheid jaarlijks moet kunnen uitkeren. De vrouw voert hiertoe aan dat sprake is van een gemiddelde winst uit de ondernemingen van de man over de jaren 2009, 2010 en 2011 van ruim € 40.000,- en dat de man in zowel 2010 als 2011 € 90.000,- aan dividend aan zichzelf heeft laten uitkeren. Het hof volgt de vrouw hierin echter niet. Volgens de man heeft er slechts in 2009 een dividenduitkering van € 90.000,- plaatsgevonden, die gecorrigeerd is opgenomen in de jaarstukken over 2010 van zijn ondernemingen. Dat in 2011 wederom € 90.000,- aan dividend is uitgekeerd, is door de vrouw onvoldoende onderbouwd en is ook overigens niet uit de jaarstukken van de man over 2011 gebleken. Het hof gaat er derhalve vanuit dat in deze jaren eenmaal een dividend ten bedrage van € 90.000,- is uitgekeerd. De man heeft verklaard dat de verslechterde financiële situatie van zijn ondernemingen niet toelaat dat in de nabije toekomst dividend wordt uitgekeerd. Het hof zal hiervan eveneens uitgaan, nu uit de in het geding gebrachte resultaten van de ondernemingen van de man niet aannemelijk is geworden dat hiervoor de benodigde financiële ruimte bestaat. De vrouw heeft voorts nog betoogd dat het aan de man uitgekeerde dividend voor de bepaling van zijn draagkracht als vermogen in aanmerking dient te worden genomen. De man stelt dat hij de dividenduitkering van € 90.000,- heeft moeten aanwenden om een belastingschuld af te lossen, zodat daarvan geen vermogen resteert. Dat de man vanaf 30 augustus 2012 en ook thans nog over een zodanig vermogen beschikt waarmee bij het berekenen van zijn draagkracht rekening zou moeten worden gehouden, is door de vrouw, tegenover de betwisting daarvan door de man, onvoldoende aannemelijk gemaakt, zodat het hof geen vermogen in aanmerking zal nemen.

4.6.

Daarnaast wordt rekening gehouden met de helft van de woonlasten die de man en zijn partner hebben en die zij met elkaar kunnen delen. Tevens wordt de helft van het eigenwoningforfait ad € 1.221,- per jaar in aanmerking genomen, zoals ook de rechtbank heeft gedaan.

Rekening zal worden gehouden met het kindgebonden budget waarvoor de man in aanmerking komt omdat [kind a] en [kind b] bij hem wonen.

4.7.

De man heeft een schuld aan zijn ouders van € 18.786,- opgevoerd. Deze schuld is aangegaan op 21 februari 2006 – ten tijde van het huwelijk van partijen – in verband met een hypotheek. Volgens de man is op deze schuld niet afgelost; wel betaalt hij maandelijks € 99,- aan rente op deze schuld. Het hof zal met deze schuld geen rekening houden, nu deze reeds geruime tijd bestaat, zodat de man geacht moet worden voldoende mogelijkheid te hebben gehad zich daarvan te bevrijden. Evenmin zal rekening worden gehouden met de door de man opgevoerde schuld aan zijn ouders van € 30.000,-. Hij stelt dit bedrag op 23 december 2012 te hebben geleend in verband met het eenmalig afkopen van belastingschulden over de jaren 2007 tot en met 2010. Naar zijn zeggen betaalt hij hierop sinds februari 2013 € 304,- per maand aan rente en aflossing. Het hof overweegt dat de man niet heeft onderbouwd dat hij het bedrag van € 30.000,- heeft ontvangen, terwijl het gezien de betwisting daarvan door de vrouw op zijn weg had gelegen dit te doen. Daarnaast heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat deze schuld, die niet uit het huwelijk stamt, een noodzakelijke last vormt die ten opzichte van [de minderjarige] als een redelijke uitgave kan worden beschouwd. Het hof merkt daarbij tevens op dat de man naar eigen zeggen zijn dividenduitkering heeft aangewend om belastingschulden af te lossen.

4.8.

De man zal, nu het om kinderalimentatie gaat, als alleenstaande worden beschouwd, zodat de daarbij behorende bijstandsnorm ten aanzien van hem zal worden gehanteerd. Van de aanwezige draagkracht acht het hof volgens de toepasselijke gebruikelijke normen 70% beschikbaar voor kinderalimentatie.

4.9.

Aangezien de man onderhoudsplichtig is jegens [de minderjarige], [kind a] en [kind b], zal zijn voor onderhoud beschikbare draagkracht over hen dienen te worden verdeeld. Uitgangspunt is dat indien de draagkracht van een onderhoudsplichtige niet voldoende is om aan zijn onderhoudsverplichtingen volledig te voldoen, een redelijke wetstoepassing meebrengt dat het voor het onderhoud beschikbare bedrag tussen zijn kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte. [de minderjarige's] behoefte bedraagt, zoals hierboven onder 4.3 is overwogen, € 715,- per maand. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [kind a] en [kind b] tezamen € 1.108,- per maand bedraagt. Anders dan de man, gaat het hof er met de vrouw vanuit dat hij en zijn partner ieder voor de helft daarin, derhalve tot een bedrag van € 554,- per maand, bijdragen. De behoefte van de drie kinderen gezamenlijk komt daarmee wat de man betreft op € 1.269,- per maand. Het aandeel van de behoefte van [de minderjarige] daarin is 56%. Dit percentage van het totale bij de man voor kinderalimentatie beschikbare bedrag (ad € 681,- per maand) bedraagt € 381,- per maand, welk bedrag nog moet worden vermeerderd met het fiscaal voordeel dat voor de man is verbonden aan het betalen van laatstgenoemd bedrag voor [de minderjarige]. De man heeft daarmee voldoende draagkracht om met ingang van 30 augustus 2012 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te voldoen van € 430,- per maand.

4.10.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de echtscheidingsbeschikking van 23 november 2006, de door de man bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 30 augustus 2012 op € 430,- (VIERHONDERD DERTIG EURO) per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. C.E. Buitendijk en mr. M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2014.